Korte geschiedenis van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt



Dovnload 25.85 Kb.
Datum20.08.2016
Grootte25.85 Kb.
Korte geschiedenis van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt
In de 2e helft van de 20ste eeuw. De eerste jaren na de Vrijmaking
1. Opbouwwerk

Op 31 december 1944, een paar maanden na de Vrijmaking waren er al 69 kerken die gebroken hadden met de synodebesluiten (totaal ongeveer 40.000 leden). Deze kerken organiseerden zich weer in een kerkverband. Dit aantal liep snel op. In 1946 waren er al 216 kerken met totaal ruim 70.000 leden.


Op de eerste (voorlopige) synode van 1946, gehouden te Enschede, nam men besluiten over de predikantenopleiding, de naam van de kerken en de contacten met de buitenlandse kerken (die allemaal verbroken waren, omdat de buitenlandse kerken verbonden bleven met de ‘ synodaal’ Gereformeerde Kerken!). In Kampen werd een Theologische Hogeschool ( sinds 1985 Theologische Universiteit) opgericht met naast prof. dr. K. Schilder en Prof. dr. S. Greijdanus vijf andere docenten.
De naam van de kerken gaf moeiten. Men wilde de oude en vertrouwde naam “Gereformeerde Kerken” niet kwijt. De synodale kerken wilden absoluut geen andere naam aannemen. Men nam dus maar genoegen met de ‘postale aanduiding’ achter de naam Gereformeerde Kerk te ... onderhoudende art. 31 K.O. Sinds eind jaren zestig is de toevoeging ‘’Vrijgemaakt” in gebruik genomen.
De Vrijmaking had wel grote gevolgen voor het dagelijkse leven van de kerkleden. Er waren moeiten rond de kerkgebouwen ( wie mag het gebouw hebben? ). Dus werden er veel rechtszaken gevoerd om de bezittingen van de ‘oude’ Gereformeerde Kerken. Het verenigingsleven moest opnieuw georganiseerd worden. Er werden al spoedig allerlei gereformeerde organisaties opgericht. Hier blijkt dat de Vrijmaking een echte vernieuwingsbeweging is geweest in de Gereformeerde Kerken. Vanuit de gedachte dat ‘het leven één is’, vond men het nodig dat op allerlei terreinen de gereformeerde beginselen uitgevoerd werden. Men noemt dit wel de ‘doorgaande reformatie’.
Zo kwam op het gebied van het onderwijs, dat men gereformeerde Lagere Scholen ( = basisscholen) oprichtte. Er begon een gereformeerde krant, het Gereformeerd Gezinsblad, nu: Nederlands Dagblad te verschijnen. Een gereformeerde politieke partij: Gereformeerd Politiek Verbond werd opgericht. Zelfs ontstond er een vakbond voor werkgevers en werknemers: Gereformeerd Maatschappelijk Verbond. En zelfs een organisatie voor maatschappelijke hulp aan gezinnen in de problemen kreeg brede steun vanuit de kerken: De Driehoek (inmiddels gefuseerd met de Stichting Gereformeerde Jeugdwelzijn). Er zou nog wel meer te noemen zijn.
Later kwamen er ook vier gereformeerde scholengemeenschappen: in Groningen, Amersfoort, Rotterdam en Zwolle. In Zwolle kwam ook een Gereformeerde Hogeschool, een fusie uit de vroegere Gereformeerde Sociale Academie en twee Kweekscholen ( zoals de PABO’s vroeger heetten).
2. Samensprekingen met de Gereformeerde Kerken (‘synodaal’)

Ook binnen de ‘synodale’ kerken waren veel bezwaren gekomen tegen de bindend opgelegde synode-uitspraken. Zij zochten wel contact met de ‘vrijgemaakten’ die ze scheurmakers noemden. De tweede ‘ vrijgemaakte’ synode in 1946 wilde wel samenspreken met de ‘synodalen’, maar alleen als de standpunten publiekelijk uitgewisseld zouden worden. De ‘synodalen’ wezen die voorwaarde van de hand en zo gebeurde er niets.


Bij alle blijdschap om het verlost zijn van het knellende synodejuk was er bij de Vrijgemaakten ook verdriet om de veroorzaakte scheur in het kerkverband, die soms dwars door de gezinnen heenliep.

Door individuele personen en sommige vrijgemaakte kerken werden pogingen gedaan om tot samensprekingen te komen met de ‘synodalen’. In Oosterbeek werden in 1948 conferenties gehouden over de vraag hoe ‘wij’ dat moesten doen. Daar werd gesteld dat van beide zijden schuld beleden moest worden. De voorstanders van die samensprekingen – zonder voorwaarden – vooraf, vonden elkaar rond het blad Contact. Het bleek ook dat er verschil in beoordeling zat onder de vrijgemaakten over de betekenis van de Vrijmaking. Velen zeiden: het is een vernieuwing van de kerk die door de Heer gegeven is. Het ging toch om de vraag of God bij de doop betrouwbaar iets belooft aan kinderen of niet? Anderen vonden het meer een ruzie tussen broeders ‘van hetzelfde huis’.


Het was vele vrijgemaakten een doorn in het oog dat er niets gebeurde. Langzamerhand verlieten honderden leden de kerk om terug te keren naar de synodale kerken. Ze wilden niet meer leven onder een ‘synodaal dwangsysteem’ als in de vrijgemaakte kerken, die volgens hen niet genoeg deden om het gesprek met de ‘synodalen’ op gang te brengen. Het gevolg was dat op sommige plaatsen door personen toch iets georganiseerd werd om met de ‘ synodalen’ samen te spreken. Dit leidde plaatselijk tot problemen.
In Murmerwoude werd de predikant ds. J. van der Schaft om deze zaak geschorst. Hij keerde terug tot de ‘synodale’ kerk.
Ds. A. van der Ziel ( redacteur van Contact ) te Groningen- Zuid ging ondanks het verbod van zijn kerkenraad met enkele gemeenteleden samenspreken met de ‘ synodalen’, en werd door de kerkenraad geschorst, buiten medewerking van de naastgelegen kerkenraad en de classis. Toen ds. Van der Ziel de gemeente tegen de kerkenraad opzette, stelde uiteindelijk de synode van Rotterdam-Delfshaven 1964 de kerkenraad in het gelijk, al moest de kerkenraad erkennen dat hij hierin niet zelfstandig had mogen handelen. Ds. Van der Ziel weigerde zich iets van de schorsing aan te trekken en vertrok uit de kerk van Groningen-Zuid. Hij stichtte een eigen gemeente in Groningen, de zogenaamde Tehuisgemeente, genoemd naar het gebouw waar men ’s zondags samenkwam.
Op 31 oktober 1966 verscheen in het blad Opbouw de veelbesproken Open Brief aan de ‘Tehuis-gemeente’ in Groningen. De opsteller was ds. Schoep uit Amstelveen en hij werd mede ondertekend door 24 anderen, onder wie veel predikanten. Daarin werd gezegd, dat veel vrijgemaakten vertrouwden op ‘eigen ideeën omtrent bepaalde gebeurtenissen in de kerkgeschiedenis’. Daardoor ontstond er een ‘vrijmakingideologie’, die tot gevolg had dat de kring buiten de vrijgemaakte kerken ‘tot besmet gebied werd verklaard’. De Open Brief heeft veel onrust in de kerk veroorzaakt. Er was een heel bepaalde visie op de Vrijmaking in verwoord, die veel mensen verdriet heeft gedaan. Er is zeker niet in te vinden dat de Vrijmaking óók een reformatorische beweging geworden is in de kerken, die vernieuwend heeft gewerkt.
Wat vergeten is door de schrijvers van de ‘Open Brief’ is dat de synodale kerken al veel verder afgedwaald waren. (De Herziene Kerkorde met een permanente synode was al ingevoerd; er was toen al duidelijke invloed van de moderne theologie in de ‘synodale kerken’ merkbaar en men schoof al duidelijk op in de richting van de Wereldraad van Kerken).
Strijd om de onderlinge band in de Vrijgemaakt Gereformeerde kerken

In het hele land was een trend van ‘independentisme’ ontstaan in de jaren zestig van de vorige eeuw. Ook binnen de kerken was die waar te nemen. Dit kwam rond de kwestie Van der Ziel al naar voren.




  1. Velen voelden zich onafhankelijk (independent) van de leer. Iedere plaatselijke gemeente moet zelf maar beslissen hoe ze leven en geloven. Men kreeg afkeer van gemeenschappelijke belijdenissen.

  2. Men voelde zich onafhankelijk van het verleden. Men wilde met vroegere besluiten of documenten weinig meer te maken hebben. Zo ontstond ook een afkeer van de theologie en van de door theologen gedane arbeid in het verleden.

  3. Er ontstond onafhankelijkheid ten opzichte van het kerkverband, met minachting voor de meerdere vergaderingen en voor de kerkregering. Men vond die vergaderingen meer conferenties waarop men vrij en zonder gevolgen kon discussiëren.

  4. Ambtsdragers wilden een onafhankelijke ambtsdienst, niet meer gebonden aan gemeenschappelijke afspraken. Men achtte zich alleen verantwoording schuldig aan God. Dit kan leiden tot overheersing door ambtsdragers: de predikanten willen zich door niemand laten corrigeren: ze worden dominocraten.

In Breda legde men meteen na 1944 al zeer veel nadruk op de belangen van de plaatselijke kerk, ten koste van de andere kerken. Men hield zich niet meer aan de Dordtse Kerkorde (DKO) en legde de besluiten van classis en synode gewoon naast zich neer. De christelijke feestdagen werden niet meer gehouden en huwelijken werden niet meer bevestigd. Men voelde zich ‘vrijgemaakt om vrij te zijn’.


Leergeschillen

Het gevoel van onafhankelijkheid brak in de jaren zestig sterk door in de kerken. Met name in Noord-Brabant en Noord-Holland bleken allerlei kwesties rond de trouw aan de belijdenis en de kerkelijke afspraken (Kerkorde) onoplosbaar.



  1. Ds. B.Telder uit Breda schreef in zijn boek “Sterven…en dan” dat hij het niet eens was met de catechismus, antw. 57 (dat de gestorvene van stonden aan (= terstond) bij de Heer is, dus tijdelijk gescheiden van lichaam en ziel ). Hij leerde dat de gestorvenen pas in de hemelse blijdschap en heerlijkheid zullen komen als Christus wederkomt. Zolang zijn de gestorvenen in een soort ‘ tussentoestand’ en zijn ze slapend. Lichaam én ziel wachten naar zijn mening in het graf de jongste dag af. Volgens hem mogen wij elkaar nu niet troosten met de opmerking: “broertje is nu al in de hemel”! De gedachten van ds. Telder werden op de P.S. van het Zuiden veroordeeld. Immers in Joh.3:36 staat dat wie in de Zoon gelooft eeuwig leven heeft. Niet dat hij het later ooit eens zal krijgen, na een lange zieleslaap. (Vgl. Luk.16:19-31; Luk.20:38; Joh.11:25-26; Filip.1:23; 2Kor.5:8). De classis N.-Brabant-Limburg gaf toe dat ds. Telder in strijd met de Schrift en de belijdenis kwam, maar zond hem zelfs geen vermaan. Dit leidde tot een breuk in zijn gemeente en de classis. Ook de dochtergemeente van Breda, Rijsbergen, stelde zich zeer onafhankelijk op ten opzichte van het kerkverband.

  2. In Noord-Holland ontstonden in Beverwijk moeiten rond de leer van de predikant ds. Oosterhoff, die een afwijkende mening had over de doop en de beloften daarbij. Die leer had ook gevolgen voor zijn leer over de uitverkiezing. De kerkenraad wilde de predikant schorsen, maar de naburige kerk en de classis vonden dat niet nodig. Nu ging een deel van de gemeente in ‘doleantie’ dus ze gingen klagen bij de P.S.Noord-Holland, maar die veroordeelde dit besluit. De synode van 1964 (Rotterdam-Delfshaven) achtte ds. Oosterhoff schorsingswaardig, maar de P.S. Noord-Holland negeerde dit, zonder bezwaren tegen de Generale Synode in te dienen.

  3. De P.S. van Noord-Holland vaardigde de opsteller van de Open Brief, ds.Schoep van Amstelveen af naar de G.S. van Amersfoort-West, 1966. De synode wilde ds. Schoep niet als afgevaardigde aanvaarden. Toen besliste de classis Alkmaar-Zaandam dat zij zich niet meer vertegenwoordigd achtte op de synode. Later leidde het wegzenden van ds. Schoep tot een breuk in de classis Haarlem en ook in die van Amsterdam. In 1969 is de breuk in het kerkverband van Noord-Holland definitief geworden.

  4. In de classis Kampen ontstonden ook strubbelingen, voornamelijk vanwege het ondertekenen van de Open Brief door ds. Mulder van Kampen en over de plaats van de sabbat in de wet. Ds. Visee leerde ook dat de wet in Christus vervuld is, en dat wij die dáárom niet meer hoeven te houden. De tien geboden hebben volgens hem afgedaan met de komst van Christus. We zijn volgens Mulder en Visee niet alleen vrij van de vloek, maar ook van de eis van de wet. Dus de wet is volgens hen niet meer nodig om ons leven te richten naar God.

  5. In Wolvega ontstond een ‘vrije gemeente’ die zich had losgemaakt van de Gereformeerde kerken (synodaal). Zij gingen een eigen koers, los van de vrijgemaakte kerken. Het feit dat sommige vrijgemaakte predikanten in de diensten van die ‘vrije gemeente’ voorgingen, veroorzaakte moeiten en spanningen in meerdere vrijgemaakte kerken.


De kern van het conflict

Hoe het mogelijk is dat de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt zo spoedig na de Vrijmaking getroffen werden door een ernstige crisis en een diepe scheur? Het bleek dat er vele vertroebelende factoren waren. Maar ten diepste ging het om de keus of men zich wilde houden aan de afspraken, zoals neergelegd in de kerkorde en de belijdenis. Wil men elkaar vasthouden of niet? Wil men aan elkaar verbonden blijven door beloften van trouw? Wil men zich daarop laten aanspreken? Houdt men zich loyaal aan de kerkelijke afspraken? In het geschrift van ds. M.R. van den Berg, “De gekerkerde kerk”, werd het onafhankelijkheidsgevoel openlijk aangeprezen. Hij twijfelde eraan of zoiets als een kerkorde de veiligheid en het voortbestaan van de kerk wel kan garanderen. Natuurlijk mag je twijfel hebben over de structuren, maar het is toch zegenrijk als men zich houdt aan zijn gemaakte afspraken? Een man, een man, een woord, een woord. Christus heeft ook zijn bloed gegeven voor de kerken gezamenlijk, het kerkverband. Hij wil dat allen die in Christus zijn werkelijk de eenheid onder zijn Woord zoeken.


Wel moet worden toegegeven, dat vaak te harde woorden zijn gesproken in kerkelijke vergaderingen. Er was gehakketak over procedurefouten en vaak werd de zaak uit het oog verloren omdat persoonlijke tegenstellingen overheersten. Soms werd het heilzame wapen van de tucht zonder liefde en geduld gehanteerd. Er zijn ook in de persoonlijke sfeer mensen beschadigd en er is in de kerken ongereformeerd gedrag vertoond. Het wordt tijd om het verleden eerlijk onder ogen te zien en gemaakte fouten voor God te belijden. En elkaar te zoeken voor zijn aangezicht. Om zo openlijk te verklaren dat wij slechts gereformeerd willen zijn en zo willen leven.

Het ontstaan van de Nederlands Gereformeerde Kerken

Aan het eind van de jaren zestig blijken er zo’n 90 gemeenten buiten het verband van de Gereformeerde kerken te staan. Met ongeveer 28000 leden. Pas in 1979 koos men de naam Nederlands Gereformeerde Kerken.


Men wilde meteen na de breuk wel samen verder, maar hoe? Was een kerkverband wel nodig? Men leek elkaar te vinden in de afwijzende houding ten opzichte van de ‘binnen-verbanders’, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Er was huiver voor een ‘strakke binding’ aan ‘menselijke regels’. En men bleek ook heel verschillend te denken over allerlei belangrijke zaken. Hoe moest men samen verder? Sommige leden wilden weer ‘synodaal’ worden, en voegden de daad bij het woord. Anderen wilden zich aansluiten bij de Christelijk Gereformeerde Kerken. Er waren ook kerken die het liefst als vrije gemeenten verder wilden gaan, zonder een onderlinge band. Maar dan wel met een soort samenwerking op vrijwillige basis. Een meerderheid wilde gewoon gereformeerd blijven en vasthouden aan de kerkorde en de gereformeerde belijdenis. De vraag was hoe!
In 1970 kwam een groot aantal kerken in Zwolle samen in een zogenaamd convent, een landelijke samenkomst om de koers te bespreken. Een commissie kreeg de opdracht een Akkoord van Kerkelijk Samenleven op te stellen. In 1973 hebben de kerken op de Landelijke Vergadering van de NGK besloten dat de kerken zullen samenkomen in regionale en landelijke vergaderingen (i.p.v. classes, particuliere- en generale synodes). In 1982 is op de LV te Breukelen het Akkoord van Kerkelijk Samenleven vastgesteld. Een aantal kerken heeft dit Akkoord (AKS) niet aangenomen.
Het AKS lijkt inhoudelijk veel op de Kerkorde van Dordrecht, zoals in het Gereformeerd Kerkboek staat afgedrukt. Er ontbreken regels over de zending (vgl.art.24 KO) en de verschillende trappen van censuur (vgl.art.28 AKS en art.77 KO). Er is nadrukkelijk meer vrijheid gegeven aan de plaatselijke gemeenten. Het vieren van de christelijke feestdagen is vrij gelaten aan de plaatselijke kerken (Art. 18 AKS, vgl. art. 68 KO). Ook hoef je beslist geen attest (‘briefje’ met getuigenis over geloof en leven) over te leggen als je het avondmaal in een andere gemeente wilt vieren, als op goede gronden kan worden aangenomen dat je in leer en leven christen bent. (Art. 21 AKS, vgl. art. 60 KO).
Een belangrijke regel in het gereformeerde kerkrecht is altijd geweest dat de plaatselijke kerk zelfstandig is en rechtstreeks door Christus geregeerd moet worden, door middel van de gezamenlijke ouderlingen (= de kerkenraad). De kerken leven echter niet als eilandjes in een grote oceaan. Kerken hebben in Christus ook een relatie met elkaar. Hoe die relatie is, blijkt in de kerkorde. Als een aantal kerken in een classis of particuliere synode verenigd een besluit neemt, is dat nooit een vrijblijvend advies, maar een bindend besluit ( dat is zo uitgedrukt in art.31 KO).
In art.34 van het AKS van de NGK wordt gezegd dat de besluiten van de regionale of landelijke vergadering door de plaatselijke kerk worden bekrachtigd en in onderlinge liefde worden nagekomen. Een kerk die zo’n besluit dat het welzijn van de gemeente betreft, niet bekrachtigt, of niet kan uitvoeren, zal hiervan aan de zusterkerken rekenschap geven. Het verschil met de Kerkorde van de Geref. Kerken Vrijgemaakt is duidelijk. Een besluit is niet meteen al bindend. Wat houdt dat rekenschap geven in? Men voelt zich meteen al minder verantwoordelijk voor elkaar. Het voor elkaar zorgen en op elkaar toezien, zoals het bij ‘ons’ is geregeld via de jaarlijkse kerkvisitatie, is bij het AKS van de NGK geregeld op meer vrijwillige basis: de kerken beloven elkaar op de hoogte te stellen van de arbeid van de ambtsdragers.
Vanuit de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt is kritiek geoefend op de vrijblijvendheid van het AKS (wie zich niet houdt aan de gemaakte afspraken, zal niet uit het kerkverband geweerd worden). Men heeft verklaard dat wij het AKS wel kunnen accepteren als een kerkorde van gereformeerde signatuur, als men op het punt van de consequente uitvoering en de binding aan de besluiten maar eerlijk en loyaal is.
Een ander punt van discussie, plaatselijk en landelijk, is de aard van de binding aan de aanvaarde geloofsbelijdenissen (drie Formulieren van Eenheid). Wij kunnen slechts dichter bij elkaar komen als wij ons loyaal en onbekrompen stellen achter deze belijdenis. Er zijn plaatselijk soms belemmeringen, omdat er NG Kerken zijn die in principe vrouwen toelaten tot het ambt van ouderling en dat van diaken. Met name het punt van de vrouwelijke ouderling is een zaak die nog lang niet uit- en doorgesproken is. Voor de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt is het een breekpunt.
Dit werk is geschreven door: B. Dik en dr. D. Griffioen (1997)



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina