Ksa mater dei



Dovnload 64.18 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte64.18 Kb.
ARCHIEF HEIDEBLOEMPJE ESSEN

WIM BESTERS


SINT-ANTONIUSSTRAAT 8

2910 ESSEN

tel. : 03/667.11.49

e-mail: Wim_Besters@hotmail.com of rudi.smout@skynet.be

Rudi Smout – C. Beersmansstraat 39 – 2018 Antwerpen – tel. 03/248.18.67


WERKBESTAND

KSA MATER DEI

(KLEIN SEMINARIE)

HOOGSTRATEN

1932-1969

SAMENGESTELD DOOR: Rudi Smout

LAATSTE BIJWERKING: 12/12/2003

VOORWOORD


Door op zoek te gaan naar informatie over onze eigen beweging, studentenbond-KSA-KSJ Heidebloempje Essen, hebben we ook heel wat gegevens bekomen van bonden uit de streek. Vooral informatie omtrent de periode van de studentenbond en de overgang naar KSA.


Na de publicatie van het boek “100 jaar Heidebloempje Essen 1897-1997” en de “Aanvulling 2002” hebben we nu de tijd gevonden om onze informatie over de andere bonden en het gewest in een soort van werkbestand te gieten. We hebben getracht om zoveel mogelijk gegevens per bond of van het gewest samen te brengen. Naar aanleiding van ons artikel in het decembernummer 2003 van het tijdschrift Gisteren hebben we al onze werkbestanden én onze afbeeldingen op onze website www.heidebloempje.be geplaatst.
Onze hoop is dat andere mensen van deze gegevens zullen gebruik maken om aan een eigen bondsgeschiedenis te beginnen, om bepaalde zaken beter te kunnen plaatsen in de gemeente of een groter geheel, …. Het blijven natuurlijk wel werkbestanden. Dit wil bijvoorbeeld zeggen dat de informatie zeker niet volledig zal zijn en dat typfouten onvermijdelijk zijn. Daarom is ook teruggaan naar de originele bronnen een noodzaak. Grote voordelen van zo’n werkbestand zijn dan weer dat je de gegevens aan zoveel mogelijk mensen kan doormailen, en dat je informatie kan bijvoegen, veranderen, plakken, kopiëren, … We gaan er wel vanuit dat als je gegevens gebruikt je wel de bron vermeldt (dat hebben wij ook betracht).
De stichting 100 jaar Heidebloempje Essen hoopt dat al haar werk niet tevergeefs is geweest.
Voor eventuele opmerkingen, vragen, suggesties kan je steeds contact opnemen met:

Rudi Smout

Catharina Beersmansstraat 39

2018 Antwerpen

tel. 03/248.18.67

e-mail: rudi.smout@skynet.be



KSA Mater Dei Hoogstraten 1932-1969

Door Jef Lievens en Guido Landuyt

Deel van het boek 150 jaar Klein Seminarie te Hoogstraten p.331-342
Wie zich bezighoudt met de geschiedschrijving van een jeugdbeweging wordt met één belangrijke moeilijkheid geconfronteerd: gebrek aan geschreven bronnen. Archieven geraken verspreid, werden niet of slechts gedeeltelijk bewaard, documenten blijven verborgen in privébezit. De aanwezigheid van nog levende getuigen kan dit gemis gedeeltelijk compenseren. Geldt deze vaststelling voor een nationale beweging, dan nog meer voor een plaatselijke groep.

In het Seminariearchief bevinden zich een verslagboek en enkele documenten (1). Daarnaast werden een tiental interviews afgenomen (2) en konden enkele verslagboeken uit de zestiger jaren (3) benevens overvloedig fotomateriaal uit de laatste periode van de mater-Deibond geraadpleegd worden.

Velen zien in het Congres van het J.V.K.A. (Jeugdverbond voor Katholieke Actie) op 26 augustus 1928 te Antwerpen de stichting van K.S.A. Deze datum is echter bediscussieerbaar. Het idee van een Katholieke Actie (K.A.) werd door Paus Pius XI (1922-1939) gelanceerd in Italië om de Italiaanse Katholieke werken te beschermen tegen de invloed van het fascisme en zijn verstaatsende structuren (4). Voor vele geledingen binnen de jeugd bestonden in 1928 reeds K.A.-bewegingen zoals K.A.J., B.J.B., K.B.M.J., enz. Voor de leerlingen bestond het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (A.K.V.S.) dat katholiek was en flamingant, maar onafhankelijk stond t.o.v. de kerkelijke hiërarchie en geleid werd vanuit de Leuvense studentenmilieus. Vroeger hadden reeds vele generaties leerlingen en priesters van het Klein Seminarie zich daar actief voor ingezet (5). De vraag die zich nu stelde was: een nieuwe beweging voor K.A. onder de “studenten” of de incorporatie van het A.K.V.S. binnen het J.V.K.A.? Deze problematiek wordt uitvoering behandeld in de werken van L. Vos (6). Feitelijk ontstonden tussen 1924 en 1934 een aantal K.A.-bewegingen voor de studenten in de verschillende bisdommen. In Limburg van af 1924 en in Oost-Vlaanderen (bisdom Gent) vanaf 1928 (J.V.K.A.-bonden, later Jong-Vlaanderen) gebeurde deze overgang geleidelijk en zonder hevige botsingen. In het bisdom Brugge nam E.H. Karel Dubois het initiatief. Hij stichtte er vanaf 1928 K.A.-groepen (weldra Katholieke Studentenactie, K.S.A. genoemd) (7). Het A.K.V.S. werd er de facto in 1933 verdrongen door het Jong Volkse Front, in feite een mantelorganisatie van K.S.A. (8).

Voor het Aartsbisdom lag de situatie moeilijker. De Aartsbisschop J. Van Roey die eerder aan een nationale dan aan een Vlaamse oplossing dacht, talmde om een Katholieke Vlaamse Studentenbeweging (K.S.A.) op te richten. In Wallonië bestonden immers reeds vroeger K.A.-groepen (9). In 1931-’32 werd gestart met J.V.K.A. in concurrentie met het A.K.V.S. In 1932 werd dan E.H. P. Vaes, collegeleraar te Lier, benoemd tot diocesaan proost (10) en in oktober 1933 werden de staten van K.S.A. door de Aartsbisschop goedgekeurd (11). Het offensief tegen het A.K.V.S. kon beginnen. In 1932-’33 kwam het verbod aan leerlingen om deel te nemen aan A.K.V.S.-bijeenkomsten, het volgende jaar mochten de Blauwvoetagenda’s niet meer verkocht worden op de katholieke scholen en de Klein Seminaries (12). Het Klein Seminarie bleef openlijk tolerant tegenover de A.K.V.S-ers tot 1934.


De start van K.S.A.

Het eerste initiatief tot oprichting van een K.S.A. schijnt uitgegaan van E.H. Louis Van der Jonckheid, leraar van de retorica sinds 1930 (13). Van der Jonckheid was zelf oud-leerling, Vlaamsgezind, baccalaureus in het Kerkelijk Recht en leraar aan het Klein Seminarie sinds 1912. Hij was vroeger actief geweest in de Vlaamse studentenbeweging. In 1935 werd hij studieprefect, in 1936 secetaris van de Aartsbisschop. Op de school bestonden reeds naast een bloeiende Caritasbeweging, de Mariacongregatie, de Derde Orde, de E.K. (Eucharistische Kruistochten) welke lid waren van het J.V.K.A.

In 1932 hield E.H. Van der Jonckheid zeker een korte K.S.A.-vergadering. Verder schijnt er van K.S.A.-organisatie weinig sprake in deze beginperiode. In het schooljaar 1932-’33 werden acht A.K.V.S.-ers bij de directeur, E.H. J. Roest ontboden om er met hem te discussiëren over de studentenbeweging. Voorlopig werden de A.K.V.S.-ers met rust gelaten. Vanaf 1934 werd het lidmaatschap evenals de publicaties van het A.K.V.S. verboden en verdween het in de clandestiniteit.

Ondertussen was K.S.A. definitief van start gegaan. Vanaf 1933 werden lijsten rondgedeeld waarop iedereen kon inschrijven. De verplichting lidgeld te betalen en een abonnement op Hernieuwen te nemen bestonden niet zodat er de facto twee types van K.S.A.-ers bestonden: deze met en deze zonder lidgeld. Iedereen moest weliswaar de vergaderingen volgen. Om de veertien dagen kwam men bijeen op de kamer van de proost, die meestal de klastitularis was. Een bondsproost was er nog niet.

Binnen het Aartsbisdom was gekozen voor wat we het “model Dubois” zouden kunnen noemen. De vergaderingen hadden hoofdzakelijk een vormend karakter en waren studierondes. Voor openluchtleven was weinig of geen plaats. Wel werd er vanaf het begin het uniform ingevoerd: een blauw hemd met zwart chiroteken en een gewone gele das.

De K.S.A.-tijdschriften “De Klaroen” en “Hernieuwen” werden verspreid in het Seminarie. Verschillende leerlingen zonden vanaf 1933 werk in naar Hernieuwen (14). Dit hoeft niet te verwonderen. De leraars van het Klein Seminarie stimuleerden hun leerlingen om hun opstellen te publiceren (15). De tijdschriften die daarvoor dienstig waren, hadden of opgehouden te bestaan (De Student, in 1930) of vielen onder de verbodsbepalingen van het Aartsbisdom (De Blauwvoet en De Keikop). Komaan ontstond pas in 1936.


Onderschrift afbeelding: Verslagboek van het J.V.K.A.-congres te Antwerpen in 1928.
Naast deze veertiendaagse vergaderingen op de kamers van de proosten waren er ook grote vergaderingen voor alle KSA-ers of voor enkele secties (voorlopers van de latere “ban”). Zo was er op 29 maart 1938 een vergadering voor alle leden uit de tweede; op 20 maart 1939 werden leerlingen van de dere uitgenodigd om aanwezig te zijn op de vergadering van retorica en poësis (16). Hoogtepunten van de jaarwerking vormden de Christus-Koningenvieringen in oktober of november en de pausvieringen. Deze gingen gepaard met voordracht, spreekkoren, muziek en zang. Naast de pauselijke symboliek – pausvlaggen, pausportret van Remi Lens – deed de vlaamsgezindheid haar intrede: naast het Eviva Pio werden de Vlaamse Leeuw en andere Vlaams strijdliederen gedebiteerd.

Tot 1937 (vanaf 1935 ?) was K.S.A. in handen van E.H. H. (Heintje) Willems. Hij studeerde wijsbegeerte en letteren te Leuven en werd in 1917 aan het Klein Seminarie benoemd, vanaf 1920 was hij titularis van de poësis. In 1936 werd hij studieprefect. Na zijn vertrek in 1937 werd jij nog diocesaan inspecteur en later deken van Zandhoven. Of hij lis geweest is van het A.K.V.S. te Kasterlee, “De heide ontwaakt”, is ons onbekend. In 1937 werd hij in K.S.A. opgevolgd door E.H. J. (Louis) Conderaerts. Deze was sinds 1924 benoemd aan het Seminarie. Wanneer hij in 1939 benoemd werd tot Directeur, werd hij als bondsproost opgevolgd door E.H. P. (Victor) Geerts, oud-leerling. Deze was doctor in de wijsbegeerte en letteren (klassieke filologie) en baccalaureus in de Thomistische wijsbegeerte. In 1936 werd hij op het Klein Seminarie benoemd tot titularis van de retorica. In 1937 werd hij geestelijke leider, in 1948 studieprefect. Ondertussen was hij in 1941 opgevolgd als proost door E.H. Jozef Ots.

Naast deze proosten schijnt op het einde van de dertiger jaren ook E.H. E. Gouverneur actief deel genomen te hebben aan de leiding van K.S.A. (17). Deze had klassieke letteren gestudeerd te Leuven en was in 1929 medevoorzitter geweest van de A.K.V.S.-bond “Dietsch Diest” (18). Van 1936 tot 1942 was hij leraar aan de poësis. Na zijn vertrek in 1942 was voor hem nog een rijke carrière weggelegd als directeur van verschillende colleges en binnen het beleid van het aartsbisdom. Merkwaardigerwijs had deze hele generatie proosten gestudeerd te Leuven, waaruit we kunnen besluiten dat de leiding van K.S.A. aan “geleerde professoren” werd toevertrouwd.

Of de K.S.A.-werking moeizaam van de grond kwam, zoals sommigen beweren, kunnen we staven noch tegenspreken. Dat de sympathie voor het A.K.V.S. zowel bij leerlingen als bij sommige leraars, die in hun jeugd de bloeiperiode van deze hadden meegemaakt, K.S.A. de wind niet in de zeilen gaf, was duidelijk. De periode 1932-1942 kan gezien worden als een afkoelingsperiode, waarin K.S.A. definitief voet aan de grond kreeg te Hoogstraten. Latere leerlingen-generaties kenden het A.K.V.S. enkel nog bij naam. Dit belet niet dat sommige leerlingen in de zomer nog steeds lid waren van een studentenbond.

Voor 1941 schijnt de werking hoofdzakelijk beperkt gebleven tot poësis en retorica (20).
E.H. Jozef Ots (1912-1963)

De geschiedenis van de K.S.A. in de veertiger jaren wordt bepaald door de kerugmatische figuur van E.H. Jozef Ots. Hij was geboren op 7 oktober te St.-Pieters Leeuw en studeerde aan het Klein Seminarie te Mechelen. Hij was lid van de A.K.V.S.-bond “Hou ende trou” van Lot. Hij studeerde theologie te Leuven en was baccaleureus in de godsgeleerdheid. Hij werd aan het Klein Seminarie benoemd in 1937 als titularis van de poësis en werd er in 1941 belast met de algemene leiding van de K.S.A. In 1947 werd hij bevorderd tot directeur. In 1951 verlaat hij het Klein Seminarie voor een ambt als godsdienstleraar aan de Rijksnormaalschool voor meisjes te Laken. Ondertussen werkt hij reeds als diocesane proost voor het Aartsbisdom Mechelen in de gouw Antwerpen samen met gouwleiders als Vaast Leysen en Lode Vanhove en in de vakanties in gouw Brabant met o.a. Ignaas Lindemans.

De verschillende gouwen van K.S.A. stichtten, ondanks de grote onderlinge verschillen, op 6 januari 1943 de federatie K.S.A.-Jong Vlaanderen. Onmiddellijk werd E.H. Ots betrokken bij het federatieve werk, hoofdzakelijk bij de geleding van de hernieuwers. Vanaf 1945, tot aan zijn dood was hij de stuwende kracht achter Richten, het leidersblad van de K.S.A. In 1948 kwam hij in de algemene leiding van de Internationale Katholieke Studerende Jeugd (I.K.S.J.) en in 1959 werd hij tot nationaal proost van K.S.A. benoemd. Onder zijn impuls verhuisde het nationale secretariaat van Roeselare naar Brussel (Laken) en zou de losse federatie groeien tot één jeugdbeweging.
Onderschrift foto’s:

Viering in de dertiger jaren.

Boven: Pausviering.

Midden: Gulden-sporenviering (12 juli 1937).

Onder: Christus-Koningviering (13 november 1939).
Onderschrift foto: Spreekkoor “Vissers van mensen” in 1940.
Van ca. 1948 tot ca. 1954 huurden gouw Antwerpen en gouw Brabant het kasteel Hertogenburg te Wespelaar om er studiedagen en kampen te laten doorgaan. Meermaals waren ook leden van de Seminariegemeenschap van Hoogstraten daar te gast. Op een gegeven ogenblik werden de beelden in de tuin verwoest door overijverige “retraitegangers”, opgehitst door een Redemptorist, die de onzedelijkheid van deze beelden aanklaagde. E.H. Ots, verantwoordelijk vanuit K.S.A., kon zijn werkkracht opnieuw gebruiken om deze financiële catastrofe af te wentelen. Volgens sommigen begonnen hier de zorgen van E.H. Ots, die samen met de zorg voor een steeds groeiende jeugdbeweging zijn vroegtijdige dood betekenden op 21 december 1963 (21).

E.H. Ots wenste langs de K.S.A. een nieuwe flamingante elite te vormen die trouw was aan de Kerk. Het heette: “…langsdaar later de elite van dit volk, verzoenen met hun bisschop. En omdat we stamden uit de Blauwvoeterie kon dit niet gaan zonder erkenning van onze vlaamsgezindheid” (22). Doorheen een aantal getuigenissen komt Ots over als een stipt, nauwgezet, doordacht, breeddenkend en open man. “Hij luisterde meer dan hij sprak, zijn spreken was meer bewust maken dan wel leren” (23). Dat E.H. Ots zeer punctueel was blijkt ook uit zijn manier om alles nauwkeurig te nummeren. Zo konden nummers van Kruisridder gelijktijdig nummers van Klaroent of Lioen zijn. Het blad werd dan wel van drie verschillende volgnummers voorzien. Alle berichten die verschenen, alle functies, afdelingen kregen een volgnummer (24).

Binnen K.S.A. promoveerde hij naast een volksnationale en christelijke aspiratie ook nog andere thema’s zoals de sociale dimensie in 1947, en milieuwerking in de bredere zin in 1948 (25). Deze thema’s zouden binnen K.S.A. in de zestiger jaren actueler worden dan ooit. In de eerste plaats zag hij K.S.A. als apostolaat voor de geest, waarin alle facetten van het menselijk leven aan bod moesten komen. Over het karakter van E.H. Ots zullen er, zolang er mensen leven die hem gekend hebben, meningsverschillen blijven bestaan. Was hij koel of begeesterend? Eén ding is zeker, zijn bijdrage voor K.S.A. en het Klein Seminarie kan voorlopig moeilijk overschat worden.
Onderschrift foto: E.H. Jozef Ots.
Onder de hoede van E.H. Jozef Ots

In 1941 werd Ots belast met de algemene leiding van K.S.A. op het Klein Seminarie (26). De Vlaamse Communiebond werkte nu binnen K.S.A. In 1941 werd op dinsdag voor een bepaalde intentie gecommuniceerd b.v. op 13 mei voor de vrede, op 10 juni voor de Vlaamse missionarissen. De leden verbonden zich er ook nog toe het H. Sacrament te bezoeken en iedere dag te bidden: “H. Hart van Jezus, ons toekome Uw Rijk! O.L.V. van Vlaanderen, bid voor ons” (27). Hoelang deze bond bestond is ons onbekend.

Daar tijdens de oorlog de K.S.A.-tijdschriften wegvielen (28) werden voor de leden gestencilde tijdschriften verspreid. Zo verschenen er van Kruisridder zeker 18 nummers tussen 1941 en 1947, van Klaroent, 9 tussen 1942 en 1944, Lioen 3 in 1943-’44 en De Gids 4 in 1942-’43 (29). Het dragen van uniformen werd door de bezettende overheid eveneens verboden. Op buitenactiviteiten verschenen de K.S.A.-ers in een wit hemd met das. Op activiteiten in de turnzaal of kapel werd het gewone blauwe uniform gedragen.

In 1941 kwam er een aanpassing van de “Antwerpsche Keure” en werd de bond aan de nieuwe statuten aangepast. Van dan af beperkte K.S.A. zich niet meer tot de twee hoogste jaren van de humaniora. De leerlingen van retorica tot derde konden aansluiten bij de hernieuwers, die van de vierde bij de voor-hernieuwers. Het schooljaar 1941-’42 werd afgesloten met 110 leden.

In 1942 werd gestart met een klaroener-werking in de vijfde en de zesde (30). Na het ontstaan van de federatie K.S.A. Jong-Vlaanderen in 1943 verving de naam “knaap” deze van “klaroener”. De hernieuwergroep bestond uit zes secties (één per klas) met elk twee vendels, de voor-hernieuwersgroep uit 2 secties, eveneens met twee vendels. De namen van de secties verwezen meestal naar figuren uit de Vlaamse geschiedenis, de vendels werden genoemd naar heiligen. De klaroenergroep was ingedeeld in vijf secties met elk drie vendels (31). In januari 1943 was men verplicht naast de sectieleiders (hoofdmannen) en de vendelleiders ook hopmannen in te voeren. Vermits de klaroeners en hun vendelleiders tot de vijfde of zesde behoorden, mochten ze buiten de rondes niet met hun hoofdmannen spreken. Per sectie werd één van de vendelleiders hopman of onderhoofdman (32). Verder werd dat kampjaar de kernwerking op punt gesteld. Het ledenaantal groeide tot 270, waarvan 150 hernieuwers en 120 klaroeners, daaronder waren 33 ridders en 36 schildknapen (kernleden) (33).

Het schooljaar 1943-’44 werd gestart met 150 hernieuwers en 50 knapen. Dit geringer aantal knapen, voorheen klaroeners, betrof alleen leerlingen uit de vijfde. De werving in zesde en zevende zou in november starten (34). In november 1943 werd Caritas in K.S.A. geïncorporeerd (35).

Dat jaar zou K.S.A.-O.L.Vr.-Moeder Gods ook haar typische Ots-uitzicht krijgen. De sympathisanten, die reeds vroeger bestonden, werden nu ook in de werking geïnstitutionaliseerd. Ze kregen hun eigen blad “Lioen”, naast “Kruisridder” voor de hernieuwers en “Klaroent” voor de knapen. Hiermee kreeg K.S.A. een drieledige structuur. Ots zag deze structuur als volgt: “Het is de hard plicht van iederen zoon der Kerk, in dezen beslissenden tijd, zichzelf, zijn omgeving, zijn volk, zijn land, zijn menschdom dichter bij de Kerk en bij Christus te brengen. Daartoe is de K.S.A. een middel dat moet kunnen gebruikt worden door iederen katholieken student. Maar ieder kan niet evenveel geven. Daarom de verbanden: het kernverband, de ridders en schildknapen, met zware eischen; het derde verband, de sympathisanten, met een minimum aan eischen op gebied van tijd medewerking enz. “ (36).

Dat zelfde jaar trachtte men ook te starten met een oud-K.S.A.-groep (37). Men haalde 312 leden (150 hernieuwers en 162 knapen) en 179 sympathisanten (94 Lioeners en 85 roeiers). Er waren 28 ridders, 33 kandidaat-ridders, 14 schildknapen en 9 kandidaat-schildknapen (38). In 1944 verschijnt eveneens de naam Mater Dei als bondsnaam. Voorheen droegen alle publicaties de bondsnaam: O.L.V. Moeder Gods.


Onderschrift foto’s:

Kampjaar 1942-’43.

Boven: Kampstaf.

Midden: de groep van de zesde.d.

Onder: formatie in de gymnastiekzaal.
Onderschrift foto’s:

Kampjaar 1942-’43.

Boven: bezoek van Kan. Dubois, voorstelling van de leidersploeg (rechts) en inspectie (links).

Midden: Ridderslag.

Onder rechts: Schouwing.

Onder links: Pausviering.
De klemtoon lag gedurende deze periode op de hernieuwerwerking. Deze ging om de veertien dagen à drie weken door tijdens de wandeling. Daarnaast kwamen nog de kernwerking en de stafwerking (39). Voor de hernieuwers bleef het accent liggen bij studievergaderingen rond Kerk, godsdienst en cultuurflamingantisme, daarnaast werden regelmatig zang-, turn- en atletiekoefeningen gehouden, alhoewel we ons niet van de indruk kunnen ontdoen dat de lichaamscultuur zich waarschijnlijk beperkte tot formaties en masjeren.

Bij de knapen werd meer aandacht besteed aan spel, alhoewel ook daar zeker in de bannen (secties) van de vijfde een “vertaalde” hernieuwerwerking bestond. Hoogtepunten van de jaarwerking waren de bondsschouw: plechtige vergadering voor heel de bond, en de plechtigheden waarbij de nieuwe leden en kernleden opgenomen werden. Belangrijk waren eveneens de pausvieringen, Christus-koningvieringen, 11 juli-vieringen, welke niet verschilden van deze zoals ze beschreven werden in de vorige periode. Voor velen vormde de pausviering van 20 maart 1943 het hoogtepunt van de K.S.A.-werking tijdens de Tweede Wereldoorlog. De bond ontving die dag het bezoek van E.H. Karel Dubois, die beschouwd wordt als de werkelijke stichter van K.S.A.

Van de K.S.A.-ers werd een sterke moraal verwacht. Zij moesten een voorbeeld zijn zowel op godsdienstig gebied als wat de studies betrof. Daar de leraars ook de proosten waren hadden slechte prestaties ook K.S.A.-consequenties. Er werd ook verondersteld (en dus gesuggereerd) dat K.S.A.-ers lid zouden zijn (en dus worden) van andere godsdienstige congregaties zoals Maria-legioen, E.K., Derde Orde, enz. Soms rezen hierdoor spanningen tussen de bondsleider en de prefect van de Congregatie. K.S.A. had ook een boekhandeltje waar de publicaties van Hernieuwen verspreid werden. Jongens waarheen? zou gedurende generaties gelden als bezinningsboek voor studenten. Ook Singhet ende weset vro en Biddende Jeugd waren baanbrekers.

Tegen de strakke organisatie bestond wel oppositie. Zo lezen we op de aantijging “K.S.A. op het Seminarie is louter organisatie” reeds in 1943 een antwoord in Kruisridder in de vorm van een vergelijking: “wil men b.v. warmte … dan zou het onzinnig zijn op de speelplaats een reusachtig vuur te stoken; men zal eerst een sekure leiding van de verwarming aanleggen: dat is moderne organisatie, en K.A. is toch wel georganiseerd, en zij is ook van haar tijd, t.t.z. modern”.

Tot 1951 bleef E.H. Jozef Ots zijn stempel drukken op K.S.A.-Mater-Dei. In 1947 lanceerde hij het eerste sociale jaarthema in K.S.A. (40). Dit werd in Hoogstraten gevolgd (41). K.S.A. werd in die jaren geconfronteerd met de eerste naoorlogse generatie studenten. Het is ook in die periode dat een typische hernieuwermethodiek ontstond, die later geformuleerd zou worden als zien, oordelen, handelen.

Meer en meer openluchtleven verscheen in K.S.A. onder invloed van het Oostvlaamse Jong-Vlaanderen. Bezinningsdagen en leidersvormingen gingen door in Hertogenburg te Wespelaar. De bond nam deel aan gouwdagen en aan de Romebedevaart (25 augustus – 4 september 1950). Na de “mislukte” Romereis van 1931 werd het een succes. 900 (?) K.S.A.-ers spoorden naar Rome (42).

De schooloverheid zag in deze periode in K.S.A. een goed middel om priesterroepingen te stimuleren: “…de proosten van K.S.A. zullen met alle middelen nog dieperen godsdienstzin, idealisme en offervaardigheid trachten te bevorderen” (43).
Onderschrift foto: De Kampstaf in 1945.
K.S.A. wordt jeugdbeweging

Na het vertrek van E.H. Jozef Ots in 1951 werd EH. Jozef Janssens bondsproost. Deze was licenciaat in de biologische wetenschappen en zoals zovele van zijn voorgangers baccaleureus in Thomistische wijsbegeerte. Hij werd aan het Seminarie benoemd in 1946 en zou tot zijn benoeming tot prefect van het internaat in 1959 bondsproost zijn. In 1965 werd hij directeur benoemd aan het Sint-Jan Berchmanscollege te Antwerpen.

De K.S.A. op het Klein Seminarie zou onder zijn periode geleidelijk aan van uitzicht veranderen. Van studiegroepen zou de beweging evolueren naar jeugdbeweging in de traditionele zin van het woord. In het schooljaar 1950-’51 was de vroegere brouwerij verbouwd tot een burcht voor K.S.A. (44).

Naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van K.S.A. (1952-’53) werd een Jubellanddag gepland te Lourdes. Kan. Karel Dubois formuleerde naar aanleiding daarvan nogmaals duidelijk de doelstellingen van K.S.A. en deze pasten volledig in de geest van Mater-Dei Hoogstraten: 1. een vrome en apostolische studentengeneratie … 2. een hiërarchische en kerkelijke studentengeneratie… 3. een ideaal-getrouwe studentengeneratie (45). Kon het ook anders? Hadden E.H. Jozef Ots en Kan. Karel Dubois elkaar niet voortdurend beïnvloed in hun uitbouw van hun studentenbeweging? In juli waren reeds 1770 bedevaarders ingeschreven (46) waaronder een aantal uit Hoogstraten. Kan. Dubois spoorde de bonden ook aan om vanuit de geslaagde Lourdesbedevaart de milieuwerking te stimuleren: “U staat op uw manier verantwoordelijk voor uw milieu (47). De K.S.A.-ers moest het studentenmilieu beïnvloeden, meer christelijk maken.

Op het Klein Seminarie werden deze thema’s doorgewerkt maar er waaide een nieuwe wind door de beweging. De Christus-koning-vieringen bleven belangrijk, maar het jeugdbewegingsleven won aan aanzien (48). Pleinspelen en tochten kwamen frequenter voor en van 27 juli tot 3 augustus 1954 werd het eerste echte kamp georganiseerd te Bergen-op-Zoom. Initiatiefnemers waren de EE. HH. G. Cogge en A. Denis. Het werd een tentenkamp in echte jeugdbewegingsstijl met tochten, ochtendturnen en kampvuur (49). Deze vorm is dan verder blijven bestaan.
Onderschriften foto’s:

E.H. Janssens hierboven.

Hieronder van boven naar beneden:

Schildenspel in 1951.

Vertrek met de trein, 1953 (?).

Kamp te Koersel in 1955.
Het uitbouwen van de verschillende zalen werd stilaan meer en meer een concurrentie voor de activiteiten van de K.S.A. Velen begonnen zich af te vragen “wat de plaats is van K.S.A. in een internaat, waar leerlingen door de dagorde benomen zijn van 6 uur ’s morgens tot 9 uur ’s avonds” (50).

De superior bleef de K.S.A. verdedigen: “voor de grotere leerlingen zien wij geen andere mogelijkheid… tot elitevorming onder de grotere leerlingen dan de K.S.A.”. Maar met enig voorbehoud: “Om het tekort aan religieuze diepte van K.S.A. aan te vallen en haar gemis aan “mystiek” en sympathiewekkende aantrekkingskracht te vergoeden, menen wij een beroep te moeten doen op bv. Marialegioen, moderne vormen van devotie en tevens van apostolaat” (51). Dit Marialegioen werd niet opgericht. De K.S.A.-Mater-Deibond onderscheidde zich in zijn werking niet meer van de gewone externaats-collegebond, noch van een parochiebond. De functies van apostolaat en vorming, kernwerking, die hoofdzakelijk langs gespreksrondes beleefd werden, waren vervangen door andere methodieken – spel, tocht en sport – welke meer eigentijds waren, maar toch dezelfde doeleinden nastreefden. Dit verschijnsel deed zich niet alleen voor in de Mater-Deibond maar in heel K.S.A.-Jong Vlaanderen. Alleen was de overgang in het Seminarie sterker omdat het accent van K.S.A. als apostolaat door bezinning en gesprek er altijd heel sterk was geweest.


Nieuwe bloeiperiode en onverwacht einde

Na de benoeming van E.H. Jozef Lievens in 1959 kende de K.S.A. een nieuwe bloei dankzij enkele sterke leiders. Werd de K.S.A. in de vorige periode in Komaan slechts een tiental keer vermeld, vanaf 1960 zou er bijna geen nummer verschijnen zonder één of andere mededeling over de bond. De beweging scheen levenskrachtiger dan ooit: “De K.S.A. ontwaakt uit haar zomerslaap, of zouden we beter zeggen dat ze terugkomt uit de katakomben waarnaar ze verwezen werd?” (52).

Met de traditie van het kamperen werd opnieuw aangeknoopt. In 1961 trekken de knapen naar Kasterlee (53). Er werd tevens contact gezocht met gewest en gouw. Het Klein Seminarie bood gastvrijheid aan leiderskampen en gewestinitiatieven: b.v. in 1961-’62 aan een gewestelijke hernieuwerronde waar E.H. Karel De Voght sprak over Christentialisme (54), aan de gewestcross (55), aan een vormingsweekend voor jonghernieuwers op het Withof en aan een kerndag voor knapen en jongknapen (56).

Door deze bloei verdubbelde de bond zijn ledenaantal en won met klank de W.E.D.O.-actie (Wordt één der onzen) van de gouw en ontving daarvoor een aankoopbon van 1000 fr. (57).

Mater-Dei participeerde verder aan het gouwleven. Men nam deel aan het Gouwtoneeltoernooi in 1961 (58), aan de Veldloop der jeugdbewegingen (59), aan de Jonghernieuwerrallys’ (60).

Deze snelle groei werd gedragen door een soliede leidersvorming: tussen 1958 en 1962 volgden 17 leden de monitorencursussen ingericht door gouw Antwerpen (61) en door de dynamische persoonlijkheid als Marc Materné.


Onderschrift foto’s:

Banhoofdman me hun banproost. (2 foto’s)

Formatie voor de boerderij ca. 1961.(2 foto’s)
In 1961-’62 bestond de bond uit 133 leden: 27 hernieuwers, 44 jonghernieuwers en 62 knapen. De bondsleider, die gewoonlijk ook hernieuwerhoofdman was, was leerling van de retorica (62). De bondsleiders stimuleerden eens sterke leidersvorming: op de bondsstaven werd hier een belangrijke tijd aan gespendeerd. Ook de gidsenwerking werden op punt gesteld. Naast bezinning kwamen hevige openluchtactiviteiten, met vele tochten en bosspelen. De namen van de vendels werden aangepast: namen als Kartouchkes, Ivanhoe’s, Torpedo’s werden gemeengoed en vervingen de heiligennamen. Marsjen en formaties bleven belangrijk en er werd met een speelschaar (trommels en klaroenen) gestart. Spel, stijl en bezinning beheersten deze periode. De godsdienstige vorming werd langs actiepunten beklemtoond (63).
Onderschrift foto’s:

Van boven naar onder:

Vendelbord (en)

Schildenspel in schooljaar 1960-’61.

Bondsproost J. Lievens op uurwerkenwacht tijdens het spel.
K.S.A. trachtte ook haar taak tegenover de hele leerlingengemeenschap waar te maken. In 1963 (64) en 1964 (65) deed men een actie voor I.K.S.J. In dat zelfde jaar organiseerde men ook fora over de studiemogelijkheden na de humaniora (66), in 1965 volgde een week van de student (67).

Ondertussen was in 1962 de brouwerij afgebroken en in 1965 verwierf men nieuwe lokalen in “de Tram” en later op de speelzaal “Alcazar”. Naast de doorgevoerde godsdienstige vorming bleef het openluchtleven de attractieve pool voor de werving.

Hoogtepunten van de jaarwerking vormde echter niet meer de Christus-Koning-vieringen maar de jaarlijkse kampen waarvan het relaas in Komaan werd gepubliceerd (68). Niet alleen in het binnenland werd gekampeerd. In 1964 trok men naar Bach in Oostenrijk.

Het schooljaar 1966-’67 werd Gie Laenen, leraar, bondsleider. In 1967 werd Gouw Antwerpen in sectoren ingedeeld, die de vroegere gewesten moesten vervangen. Mater Dei werd ingedeeld in “sector 3”, waarvan het de enige bond was. Zo keerde het terug naar zijn oorsprong. Lange tijd was het ook een gewest geweest met één bond, waarvan de bondsleider ook de gewestleider was. In 1968 werd geen Bondsstaflijst meer ingestuurd. De bond van het Klein Seminarie had officieel opgehouden te bestaan (69). De gouwraad oordeelde het niet nuttig pogingen te ondernemen de bond terug op te starten. Men zag het nut van een internaatsbond, waarbij de leerlingen tijdens de weekends niet meer op school verbleven, niet in.

De plots snelle achteruitgang en het einde van K.S.A. kan verklaard worden door verschillende factoren. Het invoeren van het externaat en vooral de veertiendaagse en later de wekelijkse sorties namen de mogelijkheden tot jeugdbeweging gewoon weg. Daarbij kwamen de speelzalen die in 1959 waren opgericht en beter en beter werden uitgerust. Allerlei activiteiten kwamen er in concurrentie met de K.S.A. Opnieuw rees de vraag waar de plaats van K.S.A. was, waarom men leerlingen uit de groep moest halen, terwijl anderen nog in de studie waren. Het individualisme en de consumptiementaliteit begonnen ook te knagen aan de kracht en het enthousiasme van de jeugdbeweging. De jeugdbeweging kreeg minder vat op de jongeren. Veel jeugdbewegingen zagen het aantal leden trouwens sterk dalen. Zo verdween K.S.A. in het Klein Seminarie.
Onderschrift foto’s:

Links van boven naar onder:

Mars op de speelplaats (1962).

Fietstocht.

Speelschaar.

Laatste kamp te Balen-Hulsen in 1967.

Hierboven: sjorren van brug over de vijver in 1960.
Besluit

De K.S.A. die in 1932 ontstaan was om aan katholieke actie te doen, zou onder E.H. Jozef Ots uitgroeien tot een zeer sterke K.S.A.-bond. Het kwam zelfs zover dat bijna heel de school lid was of ten minste sympathisant.

Na de wereldoorlog zou K.S.A. veranderen van apostolaat onder de studerenden in de enge zin van het woord tot een grote jeugdbeweging, waarin openluchtleven meer en meer aan betekenis won, zonder nochtans de godsdienstige waarden van de K.S.A. te verwaarlozen. In de snel evoluerende maatschappij en in de structurele veranderingen in het internaat en de school verdween de K.S.A. op het einde van de zestiger jaren.

De betekenis van de K.S.A. van het Klein Seminarie is moeilijk te meten. De invleod van K.S.A. op de roepingen is ook niet te schatten. De betekenis van de K.S.A. van het Seminarie voor K.S.A.-Jong-Vlaanderen is ook zeer groot geweest. E.H. Jozef Ots was naast Kannunik Dubois één van de grote apostelen voor het leerlingenmilieu.

Verscheidene oud-leerlingen hebben na J. Ots in het bestuur van gouw Antwerpen, gouw Brabant of in het verbond mede het beleid bepaald. Anderen kwamen in de hoge rangen van de politiek om daar hun apostolaat verder uit te oefenen. Daarnaast is de K.S.A.-geest nog sterk aanwezig bij verscheidene leerkrachten van de Seminariegemeenschap.

Leve het apostolaat onder de studenten langs de jeugdbeweging!


Jozef Lievens,, Directeur internaat, oud-superior en voorzitter van het jubileumcomité.

Guido Landuyt, leraar en archivaris aan het Klein Seminarie, oud-gouwhoofdman en oud-nationaal verantwoordelijke voor de jongknapen in K.S.A.-Jong-Vlaanderen.


Noten.

  1. HAKS, E 2.3.

  2. Naast een aantal personeelsleden van het Klein Seminarie werden de volgende personen geïnterviewd: F. Bellens (R.’33), F. Wagemans (R.’34), A. Desmedt (R.’35, proost), H. Wagemans (R.’36), J. Van Geet (R.’38), proost), J. Maes (R.’40), J. Ghoos (R.’41), J. Van Dongen (R.’41), E. Gouverneur (proost), J. Stuer (leraar), R. Heylen (R.’30, proost), J. Fleerackers (proost, superior), K. Rigouts (R.’44, bondsleider), A. Hauman (R.’45), F. Verwimp (R.’47, proost), superior), J. Janssens (bondsproost), W. Van Gerwen (proost).

Noten Rudi:

    • K. Rigouts (R.’44, bondsleider): is dit dezelfde Rigouts die bondsleider was van de KSA uit de studentenbond of zijn broer, of ???

    • Aantal geïnterviewden waren zeker lid van ZWZD Hoogstraten (uit mijn hoofd): F. Bellens, F. en H. Wagemans

  1. Leidersschrift 1961-’62 (Marc Materné). Leidersschrift 19634-’65 (tot december), (Luc Hoppenbrouwers)

  2. E. GERARD, Sociale werken en Katholieke Actie, in Het Bisdom Brugge, Brugge, 1985, p.522. Verslagboek Jeugdcongres te Antwerpen op 26 augustus 1928, Averbode, 1929, (HAKS, E 2.3.)

  3. We denken hier b.v. aan Th. Spaeninkcx en H. Fabri. Zie hierover het artikel van H. Mertens in dit boek.

  4. Vooral in L. VOS, Bloei en ondergang van het A.K.V.S., 2 dln., Leuven, 1982. (Verder aangeduid als L. VOS, o.c.)

  5. R. PUTSEYS, Is K.S.A. nu 100, 75 of 50 jaar jong, - Vandaag XIII, 1971-’72, nr. 1, p.13-14.

  6. E. GERARD, o.c., p.523.

  7. L. VOS, historiek, - Gisteren, III, 1982-’83, nr. 2, p.2.

  8. Interview met Vaast Leysen, 26.03.1980 (gouwleider van Antwerpen 1936-’42): Historiek, - Gisteren, III, 1982-’83, nr.3, p.5 en 10.

  9. L. VOS, o.c., dl. II, p.235 en 261, p.236.

  10. L. VOS, idem, p.235 en 261.

  11. Was reeds leraar aan de retorica B van 1923 tot afschaffing van die afdeling in 1926.

  12. Komaan, I, 1936, p.11 en 24. Mondelinge getuigenissen.

  13. J. LAUWERYS, 1835-1935, p.209.

  14. Komaan, II, 1937, p.40, 41 en 106; III, 1938, p.59; IV, 1939, p.63.

  15. Kruisridder, 11, 1943. Gegevens: Livre des professeurs, HAKS, FS.

  16. L. VOS, o.c., dl. II, p.184 en 196.

  17. Zoals blijkt uit de doodsprentjes van J. Spruyt, +21.04.1940: Studentengild Overpelt (K.S.A.?) en P. Schepers, +19.05.1941: Willen is Kunnen, Retie. Daarnaast getuigenissen van leerlingen die lid waren van Wees U Zelf (Loenhout), Vorst, Zoo woord zoo daad (Hoogstraten).

  18. Kruisridder, 11, 1943.

  19. K.P. (K. PEETERS), Mensen die niet voorbijgaan …, - Hernieuwen XXX, 1961-’62, p.387-390. Ter nagedachtenis van Z.E.H. Ots, - Hernieuwen, XXXII, 1963-’64, p.162-165. IDEM, Bij het zilveren priesterjubileum van Z.E.H. Ots, nationaal proost, - Bouwstenen, VII, 1961-’62, nr.7, p.12-13 (ook verschenen in Komaan, Kruiswoord, - Gisteren, II, 1981-’82, p.12-13. Livre des professeurs, HAKS, FS. Interview met Ward Maurice, oud-verbondsleider K.S.A.).

  20. P. SCHRUERS, (begrafenisrede), - Hernieuwen, XXXII, 1963-’64, p.195.

  21. Idem.

  22. Het nummer Kruisridder, 12, (21 november 1943) draagt de vermelding: Dit nummer verschijnt als Kruisridder 12, Klaroent 7, Lioen 1.

  23. Hernieuwen, XXXII, 1963-’64 p.197-200.

  24. Kruisridder, 11, 1943. In het livre des professeurs werd pas met zijn benoeming tot titularis van de poësis A vermeld: Organiseert en leidt met grote bevoegdheid de K.S.A.

  25. Intentiebriefjes Vlaamsche Communiebond, HAKS, E 2.3.

  26. Hernieuwen 1939-’40 vormde de 12e jaargang, 1945-’46 de 14e. De Klaroen werd na de oorlog De Knape. 1947-’48 werd 11e jaargang genoemd.

  27. De meeste nummers bleven bewaard in HAKS, E 2.3. In het Kampschrift 1942-’43 (HAKS, idem) vonden we nog Ten Kamp nr.1, vermeld, dat we niet terugvonden.

  28. Klaroent, 1, 1942.

  29. Klaroent, 2, 1942.

  30. Klaroent, 3, 1942.

  31. Kampschrift 1942-’43, HAKS, E 2.3.

  32. Kruisridder, 11, 1943.

  33. Kruisridder, 12, 1943.

  34. Lioen, 2, 1944.

  35. Mater Dei, 1, 1944.

  36. Idem.

  37. Gezien de omvang van dit artikel gaan we hier niet in op wat precies kernwerking enz. was. Dit zal vermoedelijk uitvoerig aan bod komen in de studie die L. Vos voorbereid over de geschiedenis van K.S.A.-Jong-Vlaanderen in het algemeen.

  38. Richten, XII, 1947-’48, p.3. Hernieuwen, XIX, p.8-17 en 66-77.

  39. Komaan, VIII, 1949, p.85-86

  40. Verslagen hierover: Komaan, X, 1951, p. 34-37. Hernieuwen, XIX p.8-17 en 66-77

  41. Verslag aan de Bisschop, 1949-1950, HAKS, FS.

  42. Komaan, X, 1951, p.52.

  43. K. DUBOIS, Editioriaal, - Hernieuwen, XXI, 1952-’53, p.5-7.

  44. IDEM, ididem, p.435. Verslagen over de bedevaart : Hernieuwen, XXI, 1953-’54, p.3-18, 83-93.

  45. K. DUBOIS, We leven van Lourdes, - Hernieuwen, XXI, 1953-’54, p.136.

  46. Een laatste verslag vonden we over een viering op 28 oktober 1957: Komaan, XVI, 1957, p.46.

  47. Komaan, XIV, 1955, p.34-38.

  48. Verslag aan de Bisschop, 1959-’60, HAKS, FS

  49. Idem.

  50. Komaan, XIX, 1960, p.42.

  51. Bouwstenen, VII, 1961-’62, nr.1, p.7. Komaan, XXI, 1962, p.58-61.

  52. Bouwstenen, VII, 1961-’62, nr.3, p.19.

  53. Komaan, XX, 1961, p.143.

  54. Bouwstenen, VII, nr.7, p.23. Komaan, XXI, 1962, p.10-13.

  55. Bouwstenen, VII, 1961-’62, nr.6, p.8. Aangroei: 113%.

  56. Komaan, XX, 1961, p.143.

  57. Komaan, XXII, 1963, p.143.

  58. Bouwstenen, VII, 1961-’62, nr.8-9, p.10.

  59. Bouwstenen, VIII, 1962-’63, nr.5, p.13.

  60. Marc Materné, bondsleider 1961-’62 was knapenleider.

  61. Kampschriften Marc Materné (1961) en Luc Hoppenbrouwers (1964-1965).

  62. Bouwstenen, IX, 1963-’64, nr.1, p.14.

  63. Komaan, XXIV, 1965, p.88-89.

  64. Komaan, XXIV, 1965, p.88 en 90.

  65. Komaan, XXV, 1966, p.163 e.v.

  66. Averbode: Komaan, XXIII, 1964, p.158. Dessel: Id., XXV, 1966, p.141-142. Balen-Hulsen : Id., XXVII, 1968, p.33-39.

  67. Gouwraadverslagen: 29.09.1967, 20-21.01.1968, 15-16.11.1968.


Twee foto’s zonder opschrift: linksonder: een gesjorde toren; rechtsonder: de toren met K.S.A.’ers.











De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina