Kun je één euro wisselen?



Dovnload 35.65 Kb.
Datum17.08.2016
Grootte35.65 Kb.




Kun je één euro wisselen?


Leeftijdsgroep

Ongeveer 12-20 jaar


Kerndoel

Kerndoel 5: de leerlingen leren omgaan met geld en betaalmiddelen.


Leerstofonderdeel


5.1.9: bedragen tot en met 1 euro samenstellen met

munten van 1, 2, 5, 10, 20 en 50 eurocent




Doel van de les


Inwisselen van bedragen tot één euro

Benodigdheden



Per leerling (de munten worden ook op de groepstafel in de kring gebruikt):



Korte samenvatting

Leerlingen oefenen dat een bepaalde verzameling munten samen dezelfde geldwaarde hebben als één euro.


Organisatie

In de kring voor de instructie.

De opdrachten worden in tweetallen gemaakt.




Activiteiten



De leerlingen kunnen geld wisselen tot 20 cent, ze kunnen tellen tot 100. Ze weten dat 2 munten van 50 cent samen 100 cent is en dat 100 cent hetzelfde is als één euro. Ze hebben geoefend met het optellen op de zakrekenmachine.


Introductie

Bespreek met de leerlingen een bezoek aan de supermarkt. Doen de leerlingen zelfstandig boodschappen? Waar doe ze de koopwaar in tijdens het winkelen? Krijg je die winkelwagen gratis? Wat kun je doen als je geen muntstuk hebt van 50 cent maar wel één euromunt? Vertel de leerlingen dat ze in deze les gaan oefenen hoe je een euro kan wisselen voor een muntstuk van 50 cent plus 50 cent aan andere munten bij elkaar.




Kern

Leg geld neer op de groepstafel in de kring.

Vraag wie er weet hoe je gemakkelijk met 2 munten een euro kunt wisselen. Hoe kun je dat nog eens checken? Is 50 plus 50 samen 100? Kunnen we dat ook op de rekenmachine natellen?

Vertel dat ze gaan wisselen, maar nu met één muntstuk van 50 cent en met andere munten. Vraag aan de leerling hoe ze dat kunnen oplossen.

Als een leerling aangeeft het te weten, laat dan de munten op een rij leggen die samen één euro waard zijn. Probeer het gezamenlijk op te tellen.

Laat een leerling het natellen op de zakreken-machine. Klopt het bedrag?

Kan het nog anders? Stel je voor je hebt maar één muntstuk van 20 cent en één van 50 cent. Je gaat munten bij de 20 cent leggen tot je 50 cent hebt, want 2 munten van 50 cent is samen één euro.

Laat het bedrag weer neerleggen en natellen.

Doe die oefening ook met munten van 5 cent.
Verwerking

Maak gezamenlijk een oefening van het werkblad, zodat de leerlingen weten wat ze moeten doen.

Laat het bedrag uit het linkervak neerleggen op de tafel. De munten zitten in het bakje. Welke munten moeten er nog bij om een euro te wisselen.

Klopt het bedrag op de zakrekenmachine?


Vertel dat het de bedoeling is dat ze telkens op een andere manier moeten wisselen.
Evaluatie
Bespreek de oefening gezamenlijk na.


Aandachtspunten

-


Differentiatie

Makkelijker

  • doe deze oefening alleen met munten van 10, 20, 50 cent



Moeilijker




Vervolgactiviteiten

Laat een afgepast bedrag neerleggen in munten.

Maak een winkel met prijzen afgerond naar 10 cent,

de producten zijn niet duurder dan een euro.


Werkblad 1: Wissel een euro, steeds weer anders.



Je krijgt



Wat moet er nog bij om één euro te wisselen?


Klopt het op de zakrekenmachine?




............. munten van 5


............. munten van 10


............. munten van 20


















............. munten van 5


............. munten van 10


............. munten van 20


















............. munten van 5


............. munten van 10


............. munten van 20


















............. munten van 5


............. munten van 10


............. munten van 20


















............. munten van 5


............. munten van 10


............. munten van 20









©Rekenboog.zml, Geld, kun je een euro wisselen






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina