Kunstgeschiedenis De Grieken



Dovnload 82.8 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte82.8 Kb.
Kunstgeschiedenis

1. De Grieken

Bouwkunst
- klassiek
- tympaan/architraaf/zuil
- menselijk lichaam levensecht
2. Neo-classisme (19e eeuw)

Bouwkunst


- gebaseerd op Grieken en Romeinen (fronton, zadeldak, daklijst etc.)
- antiek
- ‘architecture parlante’ = functie gebouw is te zien aan het uiterlijk van het gebouw
- koel en streng, weinig versiering
- “Arc de Triomphe de l’Etoile”

Schilderkunst


- symboliek
- monotoon, egaal
- klassiek
- menselijke anatomie
- “De dood van Marat”

Beeldhouwkunst


- klassiek vormentaal
- veel symboliek
- overdreven mooi
- “De Graftombe van gravin Maria Christina”

Begrip: eclecticisme = door elkaar toepassen van verschillende stijlen in 1 bouwwerk

Begrip: Academie = opleiding op het gebied van kunstonderwijs, waar gewerkt werd aan het classicisme

3. Neogotiek

Bouwkunst
- ribgewelf
- spitsboog
- luchtboog
- glas-in-lood

4. Neorenaissance

Bouwkunst
- strakke lijnen
- symmetrisch

5. Neoromaans

Bouwkunst
- tongewelf
- kruisvorm van bijvoorbeeld kerk

6. Neobarok

Bouwkunst
- golvende lijnen
- veel versiering

7. Prefab

Bouwkunst
- gietijzeren elementen
- staalconstructies
- “Christall Palace”

Begrip: staalconstructies = staalskelet heeft dragende functie, niet de muur

Begrip: gewapend beton = sterk beton, vaak nog verborgen achter metselwerk

8. Jugendstil

Bouwkunst
- decoratief
- asymmetrie
- slingerende, organische vormen

Schilderkunst


- sierlijke lijnen
- planten en bloemen
- vrouwen en vogels

9. Functionalisme

Bouwkunst
- skeletbouw
- functie als uitgangspunt
- kubistische vormen
- lichte kleuren

Begrip: Bauhaus = in 1919 opgerichte school voor architectuur en toegepaste omgeving. Belangrijk was het functioneel bouwen, toepassing van staal en beton, skeletbouw, massaproductie, gebruik nieuwe materialen en strenge eenvoud.

10. Organische bouwkunst

Bouwkunst


- langgerekte vormen
- horizontaal
- functioneel

11. De Stijl

Bouwkunst
- nastreven functionalisme
- “Rietveld”

Schilderkunst


- evenwichtige compositie
- asymmetrie
- verticale en horizontale lijnen
- primaire kleuren + wit. grijs en zwart

12. Internationale Stijl

Bouwkunst
- witte bepleistering
- strakke vormen
- geen versiering

13. Post Modernisme

Algemeen
- decoratie
- pastel
- kitsch mag
- tegen functionalisme

Alchimia


-- anti design
- bestaand iets opnieuw beschilderen (re-design)
- eclecticisme
- veel decoratie

Memphis
- anti design


- goedkope materialen met dure materialen
- kitsch

Bouwkunst


- klassieke vormen
- vrolijke pasteltinten

14. Romantiek: (begin 19e eeuw)

Schilderkunst
- sprookjesachtig
- dramatisch
- overheersing gevoel (emotie)en fantasie
- nationalisme
- warm en helder kleurgebruik, soms somber en monotoon
- “De monnik aan het strand”

Beeldhouwkunst


- klassieke vormentaal
- emotie
- geweld
- “Het vertrek van de vrijwilligers”

15. Realisme: (ca. 1950)

Schilderkunst
- dagelijks leven
- waarneming
- zo realistisch mogelijk
- “Interieur van mijn atelier, een reële allegorie, die 7 jr. van mijn leven als kunstenaar omvat”

Beeldhouwkunst


- dagelijks leven
- “Mijnwerker met bijl”

16. Impressionisme: (rond 1860-1870)

Schilderkunst
- alledaagse dingen (directe omgeving)
- kijken, waarnemen
- momentweergave
- snelle manier van schilderen (weinig details)
- buiten schilderen (plein-air)
- “De rivier”

Beeldhouwkunst


- vluchtige weergave
- momentweergave
- “De burgers van Calais”

17. Neo-Impressionisme (rond 1880)

Schilderkunst
- pointillisme (= stippeltechniek)
- divisionisme (= ontleden van samengestelde kleuren in primaire kleuren)
- rustige en evenwichtige compositie
- “Een zondagmiddag op het Ile de la Grande Jatte”

18. Post-Impressionisme

Schilderkunst
- grote aandacht voor vorm en diepere betekenis
- geen zwart
- invloed van Afrikaanse kunst
- pointillisme/divisionisme

19. Symbolisme

Schilderkunst
- veel symboliek
- schetsmatig
- geen alledaagse dingen (droombeelden)
- “Visioen na de preek”
- “De drie bruiden”

20. Expressionisme (rond 1900-1910)

Schilderkunst
- felle kleuren
- geen realisme
- duidelijke zichtbare penseelstreken
- twee stromingen:
1. Fauvisme; felle kleuren, zware contouren, grote penseelstreek, grote kleurvlakken, vreugde, “De tuinman”
2. Die Brücke; felle kleuren, hoekige, langgerekte vormen, geïnspireerd door Afrikaanse kunst, “Straat in Dresden”

21. Kubisme

Algemeen
- geometrische vormen
- meerdere aanzichten

Analytisch Kubisme


- invloed Afrikaanse kunst
- monotone kleuren

Synthetisch Kubisme


- spanningsveld tussen echt geschilderde delen en opgeplakte voorwerpen
- collage

22. Futurisme

Algemeen
- snelheid
- vormgeving kubistisch
- geobsedeerd door techniek, snelheid, stad, modern en geweld

23. Constructivisme

Algemeen
- dynamische vormen
- heldere constructie
- nieuwe technieken/materialen (plastic & draad)
- samenspel tussen ruimte en massa

24. Dada

Schilderkunst
- ongebruikelijke materialen (afval)
- bewerken (belachelijke maken) van bestaande afbeeldingen
- fotomontage

Beeldhouwkunst


- anti-traditioneel
- gebruik alledaags voorwerp in kunstwerk

25. Surrealisme

Algemeen
- men breekt taboes door
- schilderen ook dromen
- onwerkelijk
- “Salvador Dali”

Magisch realisme


- kopie van de werkelijkheid
- beklemmende of magische sfeer

26. Abstract –expressionisme

Action painting
- meestal abstract
- actie belangrijk, versporen op het doek zichtbaar
- ruige verfstreek

Colorfield


- geen relatie met herkenbare vormen of tekens
- grote kleurvakken
- abstract

Hard-edge


- kleurvlakken vlijmscherp naast elkaar geplaatst
- geometrisch abstracte kleurvlakken
- vorm van het doek is aangepast aan het patroon op het doek

Postpainterly abstraction


- kleurwerking is belangrijk
- abstract
- verdunde verf wordt in het doek opgezogen

27. Cobra

Algemeen
- het opnieuw weergeven van de wereld
- geïnspireerd door primitieve kunst en kindertekeningen
- dikke verf

28. Materieschilders

Algemeen
- mengen zand en gips door de verf
- in de dikke verfmassa’s wordt met de achterkant van het penseel gekrast

29. Popart

Algemeen
- combinepaintings = paneel waarop allerlei voorwerpen zijn aangebracht zonder enig verband

Harde Popart:


- materialen uit de commercie (advertenties)
- beelden uit stripverhalen
- geen emotionele binding
- glamourachtig

Zachte Popart:


- geen harde lijnen/kleuren
- wel emotionele boodschap

Britse Popart:


- veel erotiek
- sentimenteel
- kritisch ten opzichte van de maatschappij

30. Environment

Algemeen
- een opstelling waar gebruik gemaakt is van bestaande objecten

31. Happening

Algemeen
- door de kunstenaar opgezet gebeuren, waarbij publiek in het gebeuren wordt getrokken

32. Op-art

Algemeen
- door geometrische kleurige patronen kan men een beweging/trilling zien
- men moet langs het kunstwerk lopen

33. Body-art

Algemeen
- lichaam speelt belangrijke rol
- kunstenaars verwonden zichzelf en leggen dit vast

34. Conceptual-art

Algemeen
- afkeer van traditie
- idee als uitgangspunt (stuk uit een woordenboek)

35. Minimal-art

Algemeen
- eenvoudige geometrische vormen
- enorm grote kunstwerken
- ruimtelijke werking is belangrijk

36. Land-art

Algemeen
- kunstenaar legt ingrepen op de natuur vast
- kunstwerken komen met behulp van de natuur tot stand

37. Kinetische kunst

Algemeen
- de objecten bewegen
- door bv. wind, water of motor

38. Monumentale textiele kunst

Algemeen
- ruimtelijk werk
- grote afmetingen
- ongebruikelijke materialen

39. Hyperrealisme/fotorealisme

Algemeen
- glimmende voorwerpen
- schilderijen lijken net foto’s
- wassenbeelden

40. Modernisme

Algemeen
- ontwikkeling tot abstractie
- functioneel
- geen versiering, kaal
- eenvoudig materiaalgebruik

Bouwkunst


- witte kale dozen (wolkenkrabbers)

Bouwkunst voor WO 2:


- prefab
- zakelijk
- internationale stijl (verticale, gladde dozen)
- gebruik gewapend beton

Bouwkunst na WO 2:


- structuralisme = meer mensvriendelijk
- postmodernisme = veel decoratie, kitsch en vrolijke kleuren
- organische architectuur = natuurlijke vormen

Beeldende aspecten:


1. punt
2. lijn
3. vlak
4. vorm
5. kleur
6. licht
7. ruimte
8. textuur

Ruimtesuggestie:


1. overlapping
2. verkleining
3. verkorting
4. kleurperspectief
5. afsnijding
6. licht- en schaduwwerking
7. licht- en donkerovergang

Abstraheren = het doen ontstaan van een minder herkenbaar beeld uit een herkenbaar beeld

Allegorie = voorstelling, waarbij mensen en/of dingen een begrip vervangen

Assemblage = samenvoeging van verschillende vormen tot een reliëf

Beeldende middelen = beeldende aspecten, materiaal en techniek vormen samen de vormgeving

Factuur = waarneembare sporen aan het oppervlak door de hanteringswijze

Personificatie = persoon vervangt niet-stoffelijk begrip

Stileren = het vereenvoudigen van vormen


EXTRA INFORMATIE (GELE STENCIL)

Klassieke oudheid:
1. Grieken

Bouwkunst


- Dorisch = geen voetstuk, erg statisch
- Ionisch = op voetstuk, veel slanker, meer krullen
- Korintische = kapiteel bestaat uit gekrulde bladeren
- Acropolis van Athene (tempel) is belangrijk

Beeldhouwkunst


- geïdealiseerde beelden, geen individuele kenmerken
- naturalisme = natuur als uitgangspunt
- contrapost = tegenovergestelde richting in het lichaam, knik in de heup, leunend op 1 been

2. Romeinen

Bouwkunst
- ton- kruis- en ribgewelf
- pilaar, pilaster, zuil, halfzuil
- gebruik beton

Beeldhouwkunst


- portretten zijn realistisch
- reliëf = driedimensionaal werk, waarbij de vormen aan een vlak vastzitten

3. Vroegchristelijke kunst

Bouwkunst
- kerken afgeleid van basilica (zadeldak, zij- en hoofdschip)

Schilderkunst


- de inhoud was belangrijker dan de werkelijkheidgetrouwe weergave
- symboliek

4. Middeleeuwen

Algemeen
- eerst Romaans, dan Gothiek (500 – 1500)
- in 10e eeuw, bijna heel West Europa tot christendom
- veel symboliek
- veel opdrachten gemaakt in opdracht van de kerk

5. Romaans kunst

Bouwkunst
- rondboog, tongewelf, kruisgewelf, koepel
- kruisvorm en centraalbouw
- kerken hebben dragende muren, kleine ramen

Schilderkunst


- fresco = matte kleuren, geen geleidelijke kleurovergangen
- tempera = verfsoort, met als bindmiddel eierdooier
- symbolen
- niet ruimtelijk
- zwarte contouren

Beeldhouwkunst


- stijf, houterig
- niet ruimtelijk
- beeldhouwwerk leunt ergens tegen aan

6. Gothiek

Bouwkunst
- door kruisribgewelf nu ook grote kerken mogelijk
- spitsboog
- skeletbouw = bouwwijze waarbij het dragende gedeelte gevormd wordt door een skelet
- grote ramen
- steunberen nemen dragende functie over in de latere Gothiek, meer glas in de muren

Schilderkunst


- eerst bijbelse verhalen, later wereldse onderwerpen
- eerst niet echt menselijk, achtergrond zonder diepte
- later meer realistische achtergrond

Beeldhouwkunst


- vroeggothiek: stijf, vast aan zuil
- hooggothiek: beelden losser van zuil
- laatgothiek: zuil wordt weggelaten
- eindgothiek: eerste vrijstaande beeld
- laatste oordeel

8. Vlaamse Primitieven

Algemeen
- werkelijkheidsgetrouw
- natuurgetrouw
- symboliek
- olieverf (droogt langzaam, zachte kleurovergangen, warme gloed)
- kleurperspectief (rood opdringerig dus voor, blauw ruimtelijk dus achter)

9. Renaissance

Algemeen
- herleving van de klassieke kunst
- anatomie, proportieleer (evenwichtig)
- uitvinding lijnperspectief
- opdrachtgevers rijke families
- Gulden snede = wiskundige verhouding van twee lijnen, waarvan de kortste zich verhoudt tot de langste als de langste tot de gehele ongedeelde lijn.

Bouwkunst


- symmetrie
- harmonie
- muur heeft dragende functie
- klassieke elementen
- horizontale lijnen

Schilderkunst


- compositie = ordening van delen (diagonaal, centraal, driehoeks, piramidaal en over-all)
- ruimtelijkheid groter door: olieverf, lijnperspectief, kleurperspectief, anatomie, proportieleer
- schoonheidsideaal
- portretten, landschappen, naakt

Beeldhouwkunst


- beelden geheel vrijstaand
- anatomie

Maniërisme


- laatste fase van renaissance
- overdrijven normen en maten (lange ledematen)

10. Barok (17e eeuw)

Algemeen
- opdrachtgevers zijn kerk en vorst
- in Nederland gegoede burgerij
- beweging: diagonalen, asymmetrie
- gevoel: emotionele uitdrukkingen, dramatiek

Bouwkunst


- veel licht-donker
- perspectivische effecten
- asymmetrie
- klassieke elementen

Schilderkunst


- sterk clair-obscur = licht-schaduw
- beweging door o.a. diagonalen
- religie, mythologie, historie, portret, huiselijk

Beeldhouwkunst


- dramatisch
- bewegelijk
- veel licht-donker (diepe plooien)

11. Rococo (18e eeuw)

Algemeen
- pruikentijd
- opdrachtgevers: adel
- krullerig

Schilderkunst


- luchtig
- speels, erotisch
- krullerige vormen
- pasteltinten
- bladgoud
- fijner dan barok

Bouwkunst


- welvende, ovale vormen
- veel versiering

Beeldende aspecten:



  • Licht

  • Kleur

  • Ruimte

  • Vorm

  • Textuur

  • Punt

  • Lijn

  • Vlak

  • Compositie

Ruimte suggesties:

  • atmosferisch perspectief

    • vervaging van vorm, kleur, toon en/of textuur

  • kleurperspectief

    • het psychologische effect van de ruimtelijke werking van kleuren in hun onderlinge relatie: bv: rood, oranje en geel lijken naar voren te treden, terwijl grijs, groen en lichtblauw lijken te wijken.

  • Ruimtelijke ordening in plans

    • Coulissewerking, kijkdooseffect.

  • Repoussoir

    • Grote, donkere duidelijke afgesneden vorm op de voorgrond, die afsteekt tegen de lichte achtergrond en haar gedeeltelijk overlapt.

  • Verkleining

  • Verkorting

    • Vormen in de richting van de beschouwer lijken korter.

  • Scheve projectie

    • Wiskundige manier van ruimtesuggestie, waarbij evenwijdige wijkende lijnen in de tekening ook evenwijdig getekend worden

  • Lijnperspectief

Wiskundige manier van ruimtesuggestie, waarbij evenwijdige, wijkende lijnen naar 1 verdwijnpunt lopen.

Barok


  • Barok wordt ook wel eens de kunst van de contrareformatie genoemd(dramatiek en onoverzichtelijke composities)

  • Enkele kenmerken van de schilderkunst:

    • Dynamische(diagonale) composities

      • Hierdoor ontstaat een sterke dieptewerking en de suggestie van beweging.

    • Licht/donker effecten

    • Emotionele uitdrukkingen

  • Onoverzichtelijke composities (bewegelijke lijnvoering en de vormen vloeien in elkaar)

  • Clair-obscur = schildertechniek waarbij sterke licht - en schaduwcontrasten in de voorstelling worden aangebracht.

  • Gebruik van warme pasteltinten.

  • Tripiek = driedelig schilderij, meestal een altaarstuk met beschilderde zijluiken.

  • Ornament = een valk of bondvormige versiering in de vorm van een geometrische tekening ofwel met gestileerde dieren, planten of mensen.

  • In gebouwen veel muurschilderingen.

  • Bekende barokschilders: Rembrandt, Vermeer, Frans Hals.

Romantiek 1820-1870


  • Reactie op het neo-classicisme

  • De naam romantiek is afkomstig van het woord: ‘romance’, een engels ridderverhaal uit de middeleeuwen.

  • Voornaamste kenmerken van romantiek zijn:

    • Overheersing van het gevoel en de fantasie

    • Een overdreven liefde voor de natuur.

    • Een afkeer van de werkelijkheid.

    • Geestdrift voor het verleden

    • Sterk nationalistische gevoelens.

    • Veel dramatische onderwerpen & sprookjes

  • In de schilderkunst worden vooral heftige emoties en gevoelens uitgedrukt.

  • Vaak ingewikkelde en overvolle composities doordat de schilder zich aan het uitleven was.

  • Kleurgebruik meestal warm en helder maar het kan ook somber en monotoon zijn.

Realisme


(verbeelding van de werkelijkheid)

  • Mens staat in het middelpunt van de belangstelling

  • Veel aandacht voor het werken en wonen van arbeiders, wordt afgebeeld als iemand die trots moet zijn op zijn prestatie.

  • Alles is zo realistisch mogelijk!!!!

Beeldhouwkunst:

  • Beelden zijn meestal arbeidersmensen waaruit blijkt dat ze een zwaar leven hadden als arbeider.

Architectuur:

  • Veel bouw met glas en ijzer

  • Het ijzer werd gecamoufleerd achter neonstijlen en het glas moest hoog en groot zodat er veel licht naar binnen kon komen.

  • Later werden er veel ijzer en staalconstructies toegepast.

Vormgeving:

  • Ijzer en staalconstructies werden verborgen achter massief aandoende bouwsels van baksteen. Het gemaal lijkt meer op een functioneel gebouw. Pas na enkele decennia zou ook in Nederland het realisme in de architectuur meer weerklank vinden.

Schilderkunst:

  • Gewone mensen en omgeving.

  • Veel aandacht voor de sociale omstandigheden van de werkende mens.

  • De kleuren werden helderder dan in de romantiek.

  • Eenvoudige composities

  • De schilders trok het ook om de natuur in de directe waarneming vast te leggen.

  • Art and crafts = kunst en ambacht beweging

Impressionisme (licht gevangen in een toets van kleur)

  • De stijl van het impressionisme wordt bepaald door de volgende aspecten:

    • Een voorwerp kaatst de lichtstralen terug

    • Lichtsterkte wisselt elk moment van de dag, waardoor ook de teruggekaatste licht- en kleurreflecties wisselingen ondergaan.

    • Het weergeven van deze wisselende reflecties vragen om een snelle wijze van verf opbrengen, waardoor de vormen duidelijk inboeten.

    • Er is geen aandacht voor details en lineair perspectief.

Neo-impressionisme
(toepassing van kleur op wetenschappelijke basis)

  • Als reactie op het impressionisme worden de kleuren veel fijner.

  • Men ontdekt dat d.m.v. primaire kleuren op afstand de kleuren mengen in het oog.

  • Pointillisme = stippeltechniek van primaire kleuren naast elkaar.

  • Het weergeven van vluchtige momenten was geen sprake meer want pointillisme vergde heel veel tijd.

  • Overgang tussen licht en schaduw is verdoezeld.

  • Heldere kleuren

  • Abrupte afsnijdingen

Symbolisme eind 19eeeuw(kunst met een mystieke achtergrond)
Beeldhouwkunst:

  • reactie op het impressionisme

  • d.m.v. symbolen moest de kunstenaar uitdrukking geven aan zijn gevoelens.

  • Alles heeft een diepere betekenis.

    • Bijvoorbeeld de stand van het beeld heeft een betekenis.

Schilderkunst:

  • Schilderij was niet meer een voorstelling, maar een gebeurtenis, die in de verbeelding opnieuw beleefd moest worden.

  • Voorstelling van droombeelden

Jugendstil 1890-1905


(kringloop van de natuur vertaald in sierlijk ornament)
Architectuur:

  • Gesammtkunstwerk = meubels, tapijt en behang samen

  • Jugendstil = art-nouveau ~> stijlvernieuwing.

  • Veel toepassing van gietijzer

  • Overheersen van golvende lijnen

  • Veel ornamentenversiering aan de gevel, maar ook in interieur

  • Versierend karakter

    • Beïnvloeding van het Japanse en vroegmiddeleeuws.

  • Asymmetrische gevels

  • Natuur is inspiratie (planten, mensen, dieren)

  • Sierlijke lettervorming.

Schilderkunst:

  • Decoratief: affichekunst en boekillustraties

  • Toepassing van ornamenten

  • Bloeiperiode van de steendruk

Toegepaste kunst:

  • Oude handwerkstechnieken komen weer tot bloei~> op gebruiksvoorwerpen

Postimpressionisme (de kunst slaat nieuwe wegen in)

  • Is reactie op het impressionisme.

  • Kunstenaar zocht voortdurend naar een gelijkmatige ordening van de vormen op het doek. Daarom maakte hij sommige vormen wat langer om zo een beter evenwicht te krijgen in de compositie.

  • Kunstenaar zocht evenwicht tussen koele en warme tinten

  • Helder en fel kleurgebruik en niet realistisch.

  • Het is belangrijk hoe je de verf op het doek aanbrengt.

  • Aandacht voor het weergeven van gevoelens en gedachten d.m.v. oa. primitieve weergavens.

Expressionisme (uitlaatklep voor emoties)

  • Expressionisme = het nadrukkelijk tot uiting brengen van de eigen gedachten en gevoelens.

Beeldhouwkunst:

  • De natuurlijke vormen maken plaats voor de persoonlijke interpretaties.

    • Door vervorming van realiteit kon de beeldhouwer het gevoel sterker tot uitdrukking laten komen.

  • 1 persoons interpretaties

Architectuur:

  • Dynamische uitvoeringen

  • Kleur heeft geen directe relatie met de werkelijkheid

    • Fauvisme = felle kleuren & geen details

  • Sterke contrasten ~> harde kleuren.

Schilderkunst:

  • De eigen gevoelens van kunstenaars gaan een steeds grotere rol spelen

  • Complementair kleurcontrast (groen-rood, blauw-oranje, geel-paars

  • Wild geschilderd en weinig ruimtelijk.

  • Stroming fauvisme = felle kleuren & geen details

Kubisme, 1908-1930


(herbezinning van vorm en ruimte)

  • De aandacht gaat uit naar de vormgeving

  • Alles opgebouwd uit bestaande vormen:

    • Kubus

    • Cilinder

    • Kegel

    • Bol

  • Synthetisch kubisme = combinaties van verschillende aanzichten van het object, kleur wint ook betekenis, toepassing van allerlei materialen(collages)

  • Analytische kubisme = natuurbeeld ontleedt tot geometrische facetten, kleur van minder belang en hoofdzakelijk tonaal gebruik.

  • Bouwkunst ~> verwerking van een natuurlijk gegeven tot een compositie van hoekige en ronde vormen.

  • Hoekige vormen, collages, bestaande objecten in verschillende hoeken gezien, schaduw alleen staand.

Schilderkunst:

  • Kleur is niet belangrijk, dus veel bruin, grijs en zwart

  • Schilderij is een plat valk, dat bedekt is met vormen, lijnen en kleur

  • Ook toepassing van collagetechnieken

  • Alle onderdelen van het schilderij zijn belangrijk,dus nergens accenten op.

  • Lichtval wordt vanuit verschillende kanten weergegeven.

Futurisme, 1909-1914 (versnelde levensritme)

  • Reactie op kubisme

  • Stroming wilde breken met de traditionele kunst

  • Sterk geïnspireerd door techniek, snelheid en geweld

Beeldhouwkunst:

  • Dient de dynamiek van vormen weer te geven, onzichtbaar maar wel aanwezig, waarmee deze de ruimte doorsnijden en verdelen.

  • Toepassing van glanzende materialen (gepolijst messing)

Architectuur:

  • Berust op niets anders dan bijzondere voorwaarden van modern leven.

  • De architectuur moet een grootschalig en uiterst mobiele maatschappij ondersteunen.

Schilderkunst:

  • Het doel is objecten weergeven in beweging

    • Goed voorbeeld is in strips, iemand die aan het rennen is.

De stijl, vanaf 1910


(de kunst in gebaande wegen)
Beeldhouwkunst:

  • Evenwicht tussen constructie en de abstracte compositie

  • Meubels niet functioneel ~> Rietveld is op dat moment meer vormgever dan meubelontwerper

Architectuur:

  • Streven naar een samenspel tussen rechthoekige vormen en lijnen

  • Effect van gewichtloosheid +openheid

Vormgeving:

  • Ordening van letters

  • Compositorisch spel van lettervormen of tekstblokken

  • Mondriaan wilde gewoon alles vereenvoudigen.

Schilderkunst:

  • Primaire kleuren ~> rood, geel, blauw + (niet kleuren) ~> wit, zwart, grijs.

  • Geometrisch abstract ~> er is geen enkele aanknopingspunt met een herkenbare voorstelling.

  • Asymmetrische compositie

  • Uitgaan van vierkant, rechthoek en cirkel, d.w.z. geconstrueerde niet in natuur voorkomende vormen.

  • Opgericht 1917 (1 van de 1ste leden = Mondriaan)

  • Traditionele indeling weg ~> de nieuwe beelding

  • Belangrijk = het universele, het algemeen geldende.

Constructivisme


(integratie van kunst en maatschappij)

  • Gebruik van veel wiskundige vormen die in elkaar vloeien en of overlopen.

Dada


(de cultuurbreuk)

  • De naam Dada ~> komt van babygeluiden

  • Is kunst wat eigenlijk nergens op slaat

  • Beschouwer kan zelf beslissen/verzinnen wat het kunstvoorwerp voorstelt

Schilderkunst:

  • Collages worden gemaakt door reeds eerder gebruikte materialen.

  • Men maakt zo weinig mogelijk gebruik van de traditionele schilderkunst.

    • Men verzamelt dus voortdurend stenen, hout, bladeren enz.

  • Dada is een tegenpool van het kubisme omdat het hier gaat om mooie vloeiende vormen.

Beeldhouwkunst:

  • Gewone gebruiksvoorwerpen werden als kunst tentoongesteld

    • Heel simpel door bijvoorbeeld een naam te zetten op een urinoir.

Surrealisme


(het onderbewuste bewust)

  • Vervolg op het dadaïsme

  • Begon met uitgeven van manifesten.

  • Vervreemd alles.

Schilderkunst:

  • Vaak gebruik van koele kleuren

  • Een irreële sfeer wordt weergegeven

  • Natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid.

  • Schilderen vanuit een onderbewuste direct in handelen

  • Droomwereld/visioenen werden m.b.v. hallucinerende middelen opgeroepen.

Beeldhouwkunst:

  • Het is vaak het visioen, de droom en het onderbewuste.

Bouwkunst tussen de 2 wereldoorlogen (form follows functions).

  • Tot eind 19e eeuw wordt de bouwkunst nog sterk beïnvloed door:

    • Gotiek, neo-gotiek, renaissance, neo-renaissance, barok, neo-barok en mengvormen.

  • Gietijzer, staal en beton worden ondergeschikt gemaakt.

  • Begin 20e eeuw ~> Jugendstil, daarna expressionisme

    • Een nieuwe bouwwijze word ingeluid

      • Er komen flats.

  • De religieuze motieven werden als basis gebuikt voor ontwerpen.

  • Met de WO2 steekt het fascisme de kop op

    • De architect maakt gigantische proporties:

    • Hierdoor geen/weinig ruimte meer voor creativiteit.

  • Gedurende de WO2 ligt de bouwkunst geheel stil!

Abstract-expressionisme


(intuïtieve uitingen)

  • Net na de oorlog, jaren ’50.

  • Ander woord = action-printing

  • Slierten verf over elkaar ~> Jackson Pallock

  • Verven niet op de ezel maar op de grond (meestal)

Cobra (een naïeve explosie van kleuren)

  • Cobrakunstenaar zoekt naar een manier om de wereld om zich heen opnieuw vorm te geven.

  • De actie, het bezig zijn is belangrijker dan het eindresultaat.

  • De cobragroep is een groep van het experimentele.

  • Wilde zich zo ongebonden mogelijk voelen aan andere kunststijlen.

    • Het enige waaraan ze gebonden waren was het grote van het doek, de verf en de penselen.

  • Gebruik van veel felle kleuren,

    • zo uit de tube/pot en dus niet gemengd op een pallet.

  • Erg kinderlijk

  • Bekende schilder uit NL is Karel Appel

Materieschilders (de oertijd herleeft in de kunst)

  • Opvolger van de Cobra-groep.

    • En voortzetting van het abstract-expressionisme.

  • In een dikke verfmassa wordt met achterkant van de penseel tekens en krassen in de verf gekerfd.

  • Er worden ook bv. Hout en gips in de verf vastgezet, op het doek dus.

  • Je zou kunnen zeggen dat materieschilders niet naar de natuur werken maar met de natuur.

Beeldhouwkunst in de jaren ’50


(tradities voortgezet)
Beeldhouwkunst:

  • In de beeldhouwkunst spelen de factoren: ruimtelijkheid, constructie, textuur, materiaal en techniek een belangrijke rol.

  • Schilders hebben een groot deel van de ontwikkeling van de beeldhouwkunst bepaald.

Schilderkunst:

  • In de schilderkunst is de kunstenaar absoluut niet afhankelijk van bepaalde factoren.

Beeldende kunsten in de jaren ‘60


Pop-art,1950-1972 (massaconsumptie en reclame gaan in de kunst)

  • Reactie op het abstract-expressionisme

  • Film, tv&strips

  • Afbeeldingen overgenomen uit de strips en media

  • Felle kleuren

  • Eenvoudige vormen

  • Allemaal gekke dingen in die tijd

  • Veel seks en ironie

    • Een mooie dame die aandacht moet trekken voor die reclame.

  • Door de reclame willen mensen steeds meer consumeren dus alles moet op volle toeren gaan draaien in deze maatschappij.

    • Kunstenaars zien zich omringd door deze nieuwe beeldtaal van de massaproductie en reclame in de media, hieruit putte men hun inspiratie.

  • Pop-art wordt ook wel neo-dadaisme genoemd omdat er in een groot aantal werken ook waardeloze materialen wordt gebruikt.

Enviroment, jaren ’60 (vrij entree in het kunstwerk)

  • Opvolging van de pop-art

  • Enviroment = omgevingskunst

  • In de kunstwerken wordt veel gewerkt met nagemaakte mensen ( afgegoten met gips).

    • Maar de figuren zijn wel ontdaan van details en kenmerken.

Happening (participatie in een kunstwerk)

  • Happenings zijn door de kunstenaar in scène gezette gebeurtenissen.

  • Bij een happening wordt aan de toeschouwers een zeer belangrijke rol gegund.

  • In tegenstelling tot bij een inviroment heeft de toeschouwer namelijk absoluut geen invloed, hij voegt niets toe.

  • Alles inpakken, bijvoorbeeld een fiets, auto enz.

Op-art (gefopt door onze ogen)

  • Voor de kunstenaar is het concept om het uitdokteren van kleuren en vormen die moeten leiden tot de optische effecten van grote betekenis.

    • De kunst is dus gebaseerd op optische trucjes.

  • Het is dus gewoon fopping door onze eigen ogen.

  • Een goed voorbeeld is met rechte lijnen en kronkelende lijnen dicht bij elkaar te zetten, je ogen hebben geen houvast om het al stilstaand te zien. Dus het lijkt net of de lijnen allemaal bewegen.

Nul/zero (het onbeduidende beduid?)

  • Zo objectief mogelijk weergeven

  • Er worden geen diepere gevoelens en gedachten uitgedrukt.

  • Deze groep gaan in hun kunstwerken moderne/minder gebruikte materialen toevoegen, zoals: rubber, karton, plastic en nylon.

  • Alles is dus gewoon heel eenvoudig gemaakt

  • Gebruik ven veel wiskundig vormen

  • Alles is bovendien ook heel zakelijk.

  • Wil kunst en maatschappij bij elkaar brengen

Fluxus (vluchtigheid gevangen)

  • Wil kunst en maatschappij bij elkaar brengen.

  • Fluxus = reinigende, zuiverende stroom

  • Belangstelling naar de allerdaagse realiteit en streven naar objectivering

  • Kunstwerk bij fluxus = de momentopname uit het leven van een kunstenaar en de tijd die de opvoering in beslag neemt.

Body-art (het lichaam als een beeldend middel)

  • Bedoeling van body-art is bij mensen een ervaring van medeleven en meevoelen op te roepen.

  • De naam body zegt het al: het beschilderen van de mens.

Conseptual-art (een idee in beeld gebracht)

  • Het concept = het idee (ideeën te verbeelden is uitgangspunt)

  • Het kan door iedereen gemaakt worden

  • Het is ook gewoon een kwestie van spotten met de techniek.

  • Bovendien kan je gebruik maken van alle soorten materiaal want het is jou idee dus je beslist zelf waarvan het gemaakt wordt.

Minimal-art (eenvoud in formaat)

  • De kunstwerken hebben een hele grote omvang

  • Minimal zegt iets over de vormen

    • Deze zijn meestal eenvoudig en beperken zich tot enkele beeldende aspecten:

  • Ritme/herhaling

  • Lijn

  • Kleur

  • Ruimte.

  • De kunstenaar wil met hun minimalkunstwerken op geen enkele wijze emoties bij de toeschouwer oproepen.

Beeldende kunst sinds de jaren ‘60


Land-art (het landschap al beeldend middel)

  • Grote objecten gebouwd in de natuur.

  • In de natuur zie je dan alles als kunst

  • De kunstenaar maakt afbeeldingen in de zee , in het bos enz.

    • In de zee wordt bijvoorbeeld een groot eiland gemaakt in een bepaalde vorm.

  • Uiteindelijk verwoest de natuur het gemaakte kunstwerk weer vanzelf, door bijvoorbeeld erosie.

Kinetic-art, +/-1960(beweeglijke kunst)

  • Kinetisch = beweging

  • De objecten kunnen zelf bewegen

    • Makkelijkste is dus een mobiel maken, iets wat door vlaagje wind gaat bewegen.

  • Alles wat dus beweegt is kinetische kunst.

Arte povera,1966 (bewuste armoede in de kunst)

  • Arte povera = arme kunst.

    • Geeft aan dat er geen diepere betekenissen achter kunstwerk zit.

  • De kunst wordt gemaakt met ouder troep.

  • Eigenlijk kan je deze arme kunst vergelijken met dadaïsme, want beide stijlen beogen dat je alles als kunst kan zien.

Monumentale textiele kunst (textiel verovert de ruimte)

  • Kunst gemaakt met strengen in elkaar gedraaide stukken draad, van katoen/wol/zijde.

Hyperrealisme/fotorealisme (de foto gecorrigeerd)

  • Er wordt zo’n objectief mogelijk beeld van de werkelijkheid geven.

  • Veel beelduitsnede

  • Grote schilderijen zijn vaak ontstaan door meerdere foto’s gezamenlijk te combineren, zodoende is dat alles scherp.

  • Hyperrealisme = alles scherp te zien & realistisch.

  • Een voorbeeld van hyperrealisme is madame tussaud.

Bouwkunst

  • Internationale stijl = flatten naast de snelweg, lelijk gebouwd en bestaat uit allemaal kolommen.

  • Veel gebruik gemaakt van form follows functions.

  • Le co bissie = stroming waarbij het gebouw rust op betonnen palen

    • Dak heeft vaak ook nog een functie.

Structuralisme (functionalisme van de menselijke maat)
Bouwkunst:

  • Kleinschalige bouw ~> reactie op de bouwkunst

  • Een voorbeeld is de kubuswoningen.

Post-modernisme


(moderne constructies met een oud jasje) Bouwkunst:

  • De vorm wordt niet meer bepaald door functie

  • Meer fantasie, gebouw om iets moois te maken, = puur versierend

  • Gebruik van veel kleuren en gekke figuren gemaakt van de materialen van deze tijd.

Organische architectuur (leven in een gezonde omgeving)

  • Alle elementen sluiten op de harmonische wijze aan bij de mens

  • Er is met bedachte rade een mooi&functioneel gebouw voor de mens gebouwd.

Industriële revolutie

  • Industriële revolutie = begin van massaproductie volgends principes van de arbeidsdeling, specialisatie en mechanisatie.

  • De producten uit de nieuwe fabrieken zijn, wat vormgeving betreft, imitaties van de oude ambachtelijke producten.

Arts and crafts

  • Dingen bedrukken wat allemaal met de hand gebeurt.

  • Dit is dus kunst wat absoluut niet uit een productieproces is vervaardigd.

Bauhaus

  • Spullen worden in de werkplaats gemaakt en moet later machinaal in grote productie vervaardigd kunnen worden.

Art-deco

  • Maakt ook functionele spullen maar ook meer een kwestie van luxer uitstralingen.

  • Men heeft meer behoefte gekregen aan luxe en verfraaiing.




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina