Landsverordening administratieve rechtspraak Aruba, Curaçao, Sint Maarten Bonaire, Sint Eustatius en Saba



Dovnload 0.66 Mb.
Pagina1/29
Datum24.08.2016
Grootte0.66 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29


Landsverordening administratieve rechtspraak

Aruba, Curaçao, Sint Maarten

Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Overzicht rechtspraak van het Hof 2004-2013




Mr. M.E.B. de Haseth

Juli 2013


Ten geleide
Deze uitgave is tot stand gekomen in het kader van het samenwerkingsproject van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) met de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak draagt in dat project bij aan de behandeling van het hoger beroep in het kader van de Landsverordening administratieve rechtspraak van Curaçao, de Landsverordening administratieve rechtspraak van Sint Maarten (beiden hierna: de Lar NA), de Landsverordening Administratieve rechtspraak van Aruba (hierna: de Lar AUA) en de Wet administratieve rechtspraak BES (hierna: de WarBES) door het Hof.1 De samenwerking bestaat uit de bijdrage van enkele leden van de Afdeling bestuursrechtspraak als plaatsvervangend lid van het Hof. De zaken worden behandeld door een combinatie van een voorzitter die lid is van het Hof en twee plaatsvervangende leden. Tweemaal per jaar worden in Aruba, Curaçao en Sint Maarten en incidenteel op Bonaire zittingen gehouden. De ambtelijke ondersteuning bij de voorbereiding en uitwerking van de zaken vindt plaats door medewerkers van de Raad van State. Het proces is volledig gedigitaliseerd.

De schrijfster van dit overzicht, mevrouw mr. M.E.B. de Haseth, is een van de juristen werkzaam bij de Raad van State die het Hof ondersteunt bij zijn werkzaamheden in het kader van het hoger beroep in Lar-zaken.


Dit overzicht bevat informatie over het in de Lar NA en de Lar AUA neergelegd bestuursprocesrecht, het algemeen bestuursrecht en de invulling die daaraan door het Hof wordt gegeven. Beoogd is niet een uitputtend overzicht te geven van alle uitspraken van het Hof, maar gekozen is voor een opzet, waarbij enkele begrippen en onderwerpen worden besproken. De opbouw is aldus dat per hoofdstuk een begrip dan wel onderwerp aan de orde is, dat aan de hand van de teksten van de Lar NA en de Lar AUA en de rechtspraak van het Hof terzake over de periode mei 2004 tot en met juni 2013 wordt besproken. In elk van deze hoofdstukken komt zowel de Lar NA als de Lar AUA aan de orde. Daarbij worden zo nodig de verschillen in de relevante bepalingen weergegeven. Waar de rechtspraak van het Hof zowel op de Lar NA als op de Lar AUA van toepassing is, wordt in de indeling van de hoofdstukken geen onderverdeling gemaakt. Waar de rechtspraak uiteenloopt, wordt dat uitdrukkelijk vermeld. De uitspraken van het Hof waarnaar wordt verwezen zijn te vinden via www.rechtspraak.nl.
Inhoudsopgave


1. Beschikking 27

1.1 Schriftelijk 27

1.2 Rechtshandeling 27

1.2.1 Gericht op rechtsgevolg 27

1.2.2 Niet gericht op enig rechtsgevolg 29

Dat van de zijde van de Gouverneur en de minister ter zitting van het Gerecht aan het Gerecht is medegedeeld dat met de economische vergunningen aan Insel Air de vluchtroute Curaçao-Sint Maarten is vergund en die mededeling ook is neergelegd in de verweerschriften en pleitnotities, heeft het Gerecht terecht niet tot het oordeel geleid dat daarmee beschikkingen in vorenbedoelde zin zijn gegeven, reeds omdat die mededeling niet op enig rechtsgevolg is gericht (uitspraak van 29 november 2007 in de zaken nrs. 180 HLAR 08/07 en 181 HLAR 09/07). 29

Uitspraak van 28 mei 2012 in zaak nr. HLAR 47234/11: Het ontwerp-ontwikkelingsplan heeft van 21 maart 2006 tot en met 19 april 2006 ter inzage gelegen. Bij brief van 19 april 2006 hebben de vereniging en de stichting daartegen bij de eilandsraad bezwaar gemaakt. Daarop heeft de eilandsraad de mededeling van 29 maart 2010 gedaan. Die luidt, voor zover thans van belang, als volgt: "Te bepalen dat het ontwikkelingsplan Wechi wordt aangepast in dier voege dat gelet op het bepaalde in artikel 3 van de Eilandsverordening Ruimtelijke Ontwikkelingsplanning Curaçao voor met name de voorwaarden 2, 3 en 4 het proces om tot een bestemming te komen van Wechi wordt aangepast door directe uitvoering binnen zes maanden na dit besluit van de nodige onderzoeken zodat op basis daarvan op beargumenteerde wijze vastgesteld wordt welk deel van de 80 ha. van Wechi voor welke doeleinden en in welke mate gebruikt kan worden." (…) "Dat de bestemming niet eerder in werking treedt dan nadat de in de voorwaarden 1 t/m 4, zoals gewijzigd, genoemde onderzoeken en afwegingen hun beslag hebben gekregen en zijn goedgekeurd door het bestuurscollege." Aldus strekt deze mededeling niet tot vaststelling van het ontwikkelingsplan. Zij is evenmin gericht op het in het leven roepen van enig ander rechtsgevolg en houdt dan ook geen beschikking in waartegen beroep bij het Gerecht kon worden ingesteld. Dat, naar de vereniging en de stichting stellen, tegen een vastgesteld ontwikkelingsplan geen beroep kan worden ingesteld, omdat het een besluit van algemene strekking is, geeft geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat niet op voorhand van de juistheid van die stelling mag worden uitgegaan. 29

1.3 Publiekrechtelijk 31

Zelfstandig schadebesluit
Een besluit op een aanspraak op vergoeding van schade, naar gesteld veroorzaakt door de uitoefening van een bevoegdheid tot het geven van beschikkingen, wordt aangemerkt als op het publiekrecht gebaseerd.
Zie in dit verband de uitspraken van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 005/10 en in de zaken nrs. HLAR 019/10 en HLAR 006/10, waarin het Hof heeft overwogen: Een beschikking is aldus een besluit van een bestuursorgaan dat de bevoegdheid tot het nemen van dat besluit aan het publiekrecht ontleent. De bevoegdheid van een bestuursorgaan tot het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van schade berust, voor zover het schade betreft die, naar gesteld, veroorzaakt is door de onrechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, op het in artikel 52, tweede lid, van de Lar AUA tot uiting komende, algemeen geldende rechtsbeginsel dat meebrengt dat het bestuursorgaan dat in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding schade heeft veroorzaakt door aan hem toe te rekenen onrechtmatig handelen of nalaten, gehouden is die schade aan de benadeelde te vergoeden. De bevoegdheid tot het nemen van een besluit op een verzoek om vergoeding van de schade die, naar gesteld, is ontstaan door de rechtmatige uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, berust op het rechtsbeginsel van gelijkheid voor openbare lasten. Volgens dit beginsel zijn bestuursorganen gehouden tot compensatie van onevenredige, buiten het normale maatschappelijke risico vallende en op een beperkte groep burgers of instellingen drukkende, schade die is ontstaan in een door de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid ontstane rechtsverhouding. Het rechtsgevolg waarop een besluit van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade, veroorzaakt binnen het kader van de uitoefening van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, is gericht, is dat naar publiekrecht al dan niet een aanspraak op vergoeding daarvan wordt gevestigd. Gelet op het voorgaande, is een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan op een verzoek om vergoeding van schade die, naar gesteld, veroorzaakt is binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid, een beschikking, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Lar AUA, ook indien dat verzoek niet op een bijzondere wettelijke grondslag is gebaseerd.

Processuele connexiteit


In de uitspraken van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 005/10 en in de zaken nrs. HLAR 019/10 en HLAR 006/10 heeft het Hof voorts overwogen dat de bestuursrechter slechts bevoegd is kennis te nemen van het tegen een dergelijke beschikking ingesteld beroep, indien die rechter dat ook is ten aanzien van de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid, dit met het oog op een in de rechtspraktijk goed hanteerbare afbakening van bevoegdheden tot beoordeling van de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden door de algemene bestuursrechter. Indien derhalve tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid geen bezwaar kan worden gemaakt en als gevolg daarvan geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, staat evenmin bezwaar en beroep open tegen een beschikking op een verzoek om vergoeding van schade die, naar gesteld, daardoor is veroorzaakt. 31

1.4 Algemene strekking 33

1.5 Afwijzing van een aanvraag 33

1.6 Beschikkingen van rechtswege 33

1.7 Uitgezonderde besluiten 35

1.8 Diversen 35



2. Bestuursorgaan 37

2.1 Definitie 37

2.2 Met enig openbaar gezag bekleed 37

2.3 Delegatie en mandaat 38



3. Belanghebbende 39

3.1 Eigen belang 39

3.2 Rechtstreeks 41

3.3 Processuele betrokkenheid 42

3.4 Rechtspersonen 42

3.5 Bestuursorganen 42



4. De bezwaarschriftprocedure en administratief beroep 43

4.1 Algemeen 43

4.2 Bevoegdheid 43

4.3 Procedure 44

Ingevolge artikel 64, eerste lid, van de Lar NA nodigt het bestuursorgaan de bezwaarde en andere partijen binnen veertien dagen na afloop van de inzagetermijn, bedoeld in artikel 63, eerste lid, uit voor een hoorzitting waar zij zich in persoon of bij gemachtigde kunnen doen horen. Zij worden in elkaars aanwezigheid gehoord. Ingevolge artikel 67 van de Lar NA kan van het houden van een hoorzitting worden afgezien, indien het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is, het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is, de bezwaarde en de andere partijen schriftelijk hebben verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord of aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en de andere partijen daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. 46

In de uitspraak van 29 november 2004 in zaak nr. 10 HLAR 01/02 heeft het Hof overwogen dat het Gerecht terecht heeft geoordeeld dat in dit geval van horen mocht worden afgezien, nu de bestreden beschikking slechts op enkele niet inhoudelijke punten afwijkt van een eerdere beschikking waarvoor appellante is gehoord. 46

In de uitspraak van 29 november 2004 in zaak nr. 45 HLAR 06/04 heeft het Hof overwogen dat het horen van belanghebbenden bij de voorbereiding van een beschikking uit een oogpunt van zorgvuldigheid in beginsel is vereist bij het opleggen van een administratieve boete. Van het horen kan worden afgezien, indien de betrokkene eerder in de gelegenheid is gesteld een zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan. Nu appellante, voorafgaand aan de bestreden beschikking, ook overigens niet is gehoord over de voorgenomen boeteoplegging, is de bestreden beschikking aldus onvoldoende zorgvuldig voorbereid. 46

In de uitspraak van 20 mei 2011 in zaak nr. HLAR 039/10 heeft het Hof overwogen dat het bestuurscollege bezwaarmaker ten onrechte niet op het door hem gemaakte bezwaar heeft gehoord: Niet in geschil is dat de werkgever niet is gehoord. Voor zover de minister ter zitting bij Hof heeft betoogd dat dat niet hoefde, omdat de Landsverordening arbeid vreemdelingen niet voorschrijft dat de indiener van het bezwaarschrift gehoord wordt, wordt hij daarin niet gevolgd. Uit het bepaalde in artikel 23, tweede lid, van de Lav moet worden afgeleid dat de bepalingen over de in bezwaar te volgen procedure met de inwerkingtreding van de Lar vervallen zijn verklaard. Op die procedure zijn de desbetreffende bepalingen van de Lar van toepassing. Nu het bestuurscollege ingevolge artikel 64 van de Lar NA in beginsel gehouden is de werkgever te horen en het niet heeft gesteld dat zich een situatie, als bedoeld in artikel 67 van de Lar NA, voordeed, heeft het de werkgever ten onrechte niet op het door hem gemaakte bezwaar gehoord. 46

Ingevolge artikel 17, vierde lid, van de Lar AUA kan een hoorzitting achterwege blijven, indien het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is of indien de indiener van het bezwaarschrift en het bestuursorgaan er naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen belang bij zullen hebben te worden gehoord. 47

4.4 Heroverweging (wijze van toetsen) 47

4.5 Administratief bezwaar en beroep (zie ook 5.1.3) 49

In de Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak zijn de in de landelijke regelingen neergelegde mogelijkheden van bezwaar en administratief beroep ingetrokken. In een enkele landsverordening zijn zodanige mogelijkheden evenwel nog van kracht. Zo betrof het in de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van 29 november 2007 in zaak nr. 197 HLAR 25/07 en in zaak nr. 200 HLAR 28/07 een in de Landsverordening arbeid vreemdelingen neergelegde bezwaarprocedure, die met de inwerkingtreding van de Lar NA niet was komen te vervallen. In deze uitspraken heeft het Hof de aangevallen uitspraken van het Gerecht, waarbij het de ingestelde beroepen niet-ontvankelijk had verklaard, bevestigd en daartoe als volgt overwogen: In artikel 23, tweede lid, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen noch elders, is bepaald dat artikel 12, eerste lid, van de Lav op de dag van inwerkingtreding van de Lar NA vervalt. Dat het vervallen van die bepaling, naar het bestuurscollege stelt, de bedoeling van de verordeninggever is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat dat wel is gebeurd. Voorts bieden de bewoordingen van artikel 12, eerste lid, van de Lav, noch de toelichting op deze bepaling, voldoende grondslag voor het oordeel dat de verordeninggever heeft beoogd dat niet eerst de bezwaarprocedure, zoals die is geregeld in artikel 55 van de Lar NA, gevolgd moet worden, voordat beroep kan worden ingesteld. 49



5. Het geding bij het Gerecht in eerste aanleg 51

5.1 Bevoegdheid Gerecht 51

5.1.1 Inwerkingtreding Lar NA 51

5.1.2. Andere rechter bevoegd 51

Zie ten aanzien van de bevoegdheid van het Gerecht in ambtenarenzaken de uitspraak van 27 november 2006 in zaak nr. 139 HLAR 13/06: De enkele omstandigheid dat appellant ten tijde van het Landsbesluit ambtenaar was, vormt, nu gesteld noch gebleken is dat de functie in zijn ambtelijke loopbaan past, onvoldoende grond voor het oordeel dat deze beschikking een weigering behelst om ten aanzien van hem in de hoedanigheid van ambtenaar te beschikken en daartegen voor hem beroep bij het Gerecht in ambtenarenzaken en hoger beroep bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken open stond. Het Gerecht heeft het ingestelde beroep dan ook ten onrechte in verband daarmee niet-ontvankelijk verklaard.
In een vervolguitspraak in deze zaak overwoog het Hof terzake van het betoog van de minister dat het Gerecht heeft miskend dat de functie in de ambtelijke loopbaan van […] past, zodat voor […] tegen het Landsbesluit beroep bij het gerecht in ambtenarenzaken en hoger beroep bij de raad van beroep in ambtenarenzaken open stond als volgt: In voormelde uitspraak van 27 november 2006 heeft het Hof overwogen dat de enkele omstandigheid dat […] ten tijde van het Landsbesluit ambtenaar was, nu gesteld noch gebleken is dat de functie in zijn ambtelijke loopbaan past, onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat deze beschikking een weigering behelst om ten aanzien van hem in de hoedanigheid van ambtenaar te beschikken en daartegen voor hem beroep bij het Gerecht in ambtenarenzaken en hoger beroep bij de raad van beroep in ambtenarenzaken open stond. Aldus strookt de overweging van het Gerecht dat de functie niet in de ambtelijke loopbaan van […] past, zodat tegen het Landsbesluit geen beroep bij het gerecht in ambtenarenzaken en hoger beroep bij de raad van beroep in ambtenarenzaken open stond, met voormelde uitspraak van het Hof (uitspraak van 20 november 2008 in zaak nr. 253 HLAR 25/08). 52

5.1.3 Administratief bezwaar en beroep 53

Bij de Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak (betreffende de invoering van de Lar NA) zijn de in de landelijke regelingen neergelegde mogelijkheden van bezwaar en administratief beroep ingetrokken. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat het Gerecht bevoegd kan zijn kennis te nemen van een tegen een beschikking op administratief beroep ingesteld beroep. In de uitspraak van 30 mei 2005 in zaak nr. 13 HLAR 02/03 heeft het Hof aldus overwogen: In de Invoeringslandsverordening administratieve rechtspraak is geen bepaling opgenomen die aan kennisneming door het Gerecht van beroep, ingesteld krachtens de Lar NA, tegen deze beschikking [gegeven op administratief beroep] in de weg staat. Dat het, naar gesteld, niet de bedoeling van de verordeninggever is geweest dat zich naast elkaar administratief beroep op de Gouverneur en beroep op de rechter zouden voordoen, is onvoldoende voor een ander oordeel, nu de desbetreffende bepalingen niet zo onduidelijk zijn, dat naar de bedoeling van de verordeninggever moet worden gezocht om hun betekenis te kunnen vaststellen. Aan die – mogelijke – bedoeling komt onder die omstandigheden niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien. In de uitspraken van 29 november 2007 in zaak nr. 197 HLAR 25/07 en in zaak nr. 200 HLAR 28/07 betrof het een in de Landsverordening arbeid vreemdelingen neergelegde bezwaarschriftprocedure, die met de inwerkingtreding van de Lar NA niet was komen te vervallen. In deze uitspraken heeft het Hof de uitspraken van het Gerecht, waarbij het de ingestelde beroepen niet-ontvankelijk had verklaard, bevestigd en daartoe overwogen: In artikel 23, tweede lid, van de Landsverordening arbeid vreemdelingen noch elders, is bepaald dat artikel 12, eerste lid, van de Lav op de dag van inwerkingtreding van de Lar NA vervalt. Dat het vervallen van die bepaling, naar het bestuurscollege stelt, de bedoeling van de verordeninggever is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat dat wel is gebeurd. Voorts bieden de bewoordingen van artikel 12, eerste lid, van de Lav noch de toelichting op deze bepaling, voldoende grondslag voor het oordeel dat de verordeninggever heeft beoogd dat niet eerst de bezwaarprocedure, zoals die is geregeld in artikel 55 van de Lar NA, gevolgd moet worden, voordat beroep kan worden ingesteld. 53

In artikel 6, vierde lid, van de Monumenteneilandsverordening van Sint Maarten is bepaald dat indien binnen de termijn van zes maanden door de eilandsraad geen beslissing op het bij hem ingestelde beroep is genomen, het beroepschrift wordt geacht te zijn afgewezen. In de uitspraak van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 020/10 heeft het Hof terzake overwogen: Nu de eilandsraad niet binnen de in artikel 6, vierde lid, van de Monumenteneilandsverordening gestelde termijn van zes maanden op het door appellanten tegen de beschikking van 31 juli 2008 bij hem ingestelde beroep heeft beslist, wordt het, ingevolge die bepaling geacht ongegrond te zijn verklaard. Daartegen kon ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Lar NA binnen zes weken beroep bij het Gerecht worden ingesteld. 54

5.1.4 Varia. 54

Beroep van rechtswege 54

In de Lar NA noch in de Lar AUA, is een met artikel 6:20, derde lid, van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht vergelijkbare bepaling neergelegd. Ingevolge deze bepaling wordt een bezwaar of beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, indien het bestuursorgaan alsnog een besluit op de aanvraag neemt, geacht mede te zijn gericht tegen dat besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoetkomt. Volgens het Hof is deze bepaling uit de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht niet van overeenkomstige toepassing: Dat het niet nodig is om, ter verkrijging van rechterlijke toetsing, ook tegen de reële beschikking beroep in te stellen, vindt geen steun in de Lar NA. In zoverre het Gerecht het beroep mede gericht heeft geacht tegen de reële beschikking, voor zover die strekt tot ongegrondverklaring van het door appellante gemaakte bezwaar, is het zijn bevoegdheid te buiten gegaan (uitspraak van 29 november 2004 in zaak nr. 30 HLAR 29/03; zie eveneens de uitspraak van 30 mei 2005 in zaak nr. 56 HLAR 25/04). 54

Vergelijk ook de uitspraak van 29 november 2004 in zaak nr. 48 HLAR 12/04: Dat het niet nodig is om, ter verkrijging van rechterlijke toetsing, ook tegen de reële beschikking beroep in te stellen, vindt geen steun in de Lar NA. Nu het Gerecht aanleiding heeft gezien voor analoge toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht [het huidige artikel 6:20, derde lid], en het beroep mede gericht heeft geacht tegen de reële beschikking, is het Gerecht in zoverre zijn bevoegdheid te buiten gegaan. 55


Bijzondere rechters 55

Ingevolge artikel 8 van de Lar NA doet het Gerecht uitspraak op beroepschriften ingevolge artikel 9 van de Cessantialandsverordening (P.B. 1983, no. 85) en beroepschriften inzake sociale en volksverzekeringen, voor zover in de daarop betrekking hebbende landsverordeningen beroep op het Gerecht is opengesteld. Alsdan is deze landsverordening van overeenkomstige toepassing. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Lar NA geschieden, wanneer artikel 8 van toepassing is, de behandeling en de uitspraak door de meervoudige kamer van het Gerecht, bestaande uit een lid van het Hof als voorzitter en twee bijzondere rechters. Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Lar NA worden de bijzondere rechters bedoeld in artikel 11, tweede lid, bij landsbesluit benoemd en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een tijdvak van zes jaren. Op hun verzoek wordt aan hen bij landsbesluit voor de afloop van voornoemd tijdvak ontslag verleend. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Lar NA is benoembaar tot bijzondere rechter iedere Nederlander, die de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.


Overigens bedraagt het griffierecht in deze zaken Naf. 50,- (P.B. 2006, no. 71, artikel art. VII, onder A, sub 1º. 55

5.2 Geen beroepsmogelijkheid voor degene die geen bezwaar heeft gemaakt 55

5.3 Procesrecht en procedure in beroep 55

5.4 Omvang van het geding 58

5.4.1 Grondslag uitspraak, ambtshalve beoordelen en toetsen, aanvullen van gronden en feiten en toepasselijk recht 58

Het Gerecht is allereerst gehouden procedurele voorvragen betreffende de geadieerde instanties ambtshalve te beoordelen. 58

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Lar NA beraadslaagt en beslist het Gerecht in raadkamer en grondt de uitspraak uitsluitend op hetgeen ter zitting te berde is gebracht en op de stukken, bedoeld in paragraaf 6 van dit hoofdstuk. Blijkens het in die paragraaf vermelde artikel 31, eerste lid, worden onder evenbedoelde stukken het beroepschrift en de daarop betrekking hebbende schrifturen en bewijsstukken begrepen. Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Lar AUA grondt de rechter zijn uitspraak uitsluitend op hetgeen ter zitting is gebleken, op het verslag van de bezichtiging ter plaatse en op de stukken waarvan hij overeenkomstig de artikelen 36 en 39 kennis kan nemen. Ingevolge deze artikelen betreft het de op de zaak betrekking hebbende stukken en hetgeen partijen en hun gemachtigden ter zitting uiteenzetten. Bij de behandeling ter zitting worden geen nieuwe stukken overgelegd, indien de wederpartij of zijn gemachtigde daartegen bezwaar maakt.
Weliswaar is het beroepschrift, anders dan in artikel 8:69, eerste lid, van de Nederlandse Algemene wet bestuursrecht, niet uitdrukkelijk in de artikelen 47, eerste lid, van de Lar NA en de Lar AUA opgenomen, maar gelet op de verwijzing naar bepalingen die in voormelde artikelen 47 wordt gedaan, wordt ook ingevolge de Lar NA en de Lar AUA door de rechter uitspraak gedaan op grondslag van het beroepschrift. 58

Ingevolge artikel 47, tweede lid, van de Lar NA vult het Gerecht ambtshalve de gronden aan en kan het ambtshalve de feiten aanvullen. In de Lar AUA is een vergelijkbare bepaling niet opgenomen.


De in artikel 47, tweede lid, van de Lar NA neergelegde verplichting brengt met zich dat het Gerecht gehouden is eigener beweging al het, ter beoordeling van de door appellant aangevoerde feitelijke argumenten, relevante recht bij te brengen.
Het Gerecht bepaalt zelf welke rechtsregels van toepassing zijn, of die op het relevante tijdstip van kracht zijn en wat ze inhouden. Een – zelfs eensluidend – standpunt van partijen hierover bindt hem niet. Het kan hierbij ook gaan om rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal en Europees recht. 58

Weliswaar is, zoals hiervoor is vermeld, een zodanige bepaling in de Lar AUA niet opgenomen, maar het Hof lijkt op dit punt geen onderscheid te maken tussen de Lar NA en de Lar AUA. 58

Een verzoek om van een eerdere beschikking terug te komen in evenbedoelde zin, betrof het in de uitspraak van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 012/10: Niet in geschil is dat de bij de beschikking van 15 augustus 2005 verleende vergunning in rechte onaantastbaar is. In de brief van 23 november 2006 heeft The Cinemas de minister als volgt verzocht: "Primair Megaplex geen vestigingsvergunning te willen verlenen voor het vestigen van een zaak te Palm Beach (en omstreken), dan wel, - zo deze aparte vergunning inmiddels reeds bij een, aan The Cinemas onbekende, beschikking moge zijn verleend - subsidiair dit verzoek als een bezwaarschrift ex artikel 12, derde lid, van de Lar AUA te beschouwen, en de nieuwe vergunning van Megaplex te willen heroverwegen, en bij beschikking op bezwaar in te trekken o.g.v. art. 7 van de Vestigingsverordening." Het Gerecht heeft dit verzoek, waarin de term bezwaarschrift is gebezigd, niet ten onrechte mede opgevat als een verzoek om van de vergunningverlening terug te komen. 62

Ook een verzoek gericht aan een ander bestuursorgaan dan het bestuursorgaan dat de in rechte onaantastbare beschikking heeft gegeven, kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een verzoek om van een eerdere beschikking terug te komen in evenbedoelde zin. In de uitspraak van 2 december 2011 in zaak nr. HLAR 47352/11 heeft het Hof overwogen: Weliswaar is de beschikking van 20 mei 2010 door de gezaghebber gegeven en die van 10 augustus 2005 door het bestuurscollege, maar de beschikkingen betreffen dezelfde last. Gelet hierop, heeft het Gerecht het verzoek van 29 december 2008 terecht aangemerkt als een verzoek om van een in rechte onaantastbare beschikking terug te komen. 63

Een herhaalde aanvraag betrof het in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 20 mei 2011 in zaak nr. HLAR 041/10: De aanvraag die tot de beschikking van 8 oktober 2009 [waarbij is geweigerd bouwvergunning te verlenen] heeft geleid, heeft dezelfde strekking als een eerder door […] ingediende aanvraag. Die aanvraag heeft het bestuurscollege afgewezen. Tegen die afwijzing zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat zij in rechte onaantastbaar is. [Appellante] heeft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Onder deze omstandigheden heeft het bestuurscollege geen aanleiding hoeven zien van de eerdere weigering om bouwvergunning te verlenen terug te komen. 63

Geen verzoek om van een eerdere beschikking terug te komen in evenbedoelde zin, betrof het in de volgende zaken: 63



In de uitspraak van 9 juni 2008 in zaak nr. 205 HLAR 33/07 en de uitspraak van 9 juni 2008 in zaak nr. 206 HLAR 34/07: Nu de grondslag voor het nemen van een beslissing op een verzoek om nadeelcompensatie een andere is dan die voor het nemen van een beslissing op een verzoek om vrijstelling van logeergastenbelasting, is het verzoek van 31 mei 2006 ten opzichte van het eerdere geen herhaald verzoek, waarvoor het in de uitspraak van het Hof van 30 mei 2005 in zaak nr. 74 HLAR 44/04 uiteengezette toetsingskader geldt.
In de uitspraak van 20 november 2008 in zaak nr. 278 HLAR 50/08: Niet is gebleken dat de eerder op 20 december 2004 door appellant ingediende aanvraag om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf is afgewezen. Nu voorts in de Lar NA noch elders is bepaald dat het uitblijven van een besluit als afwijzing van de desbetreffende aanvraag heeft te gelden, heeft het Gerecht de beschikking van
29 oktober 2007 ten onrechte aangemerkt als een na een eerdere afwijzende beschikking gegeven beschikking van gelijke strekking.
In de uitspraak van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 099/09: Niet is gebleken dat de minister op het verzoek van 18 juli 1994 een beschikking heeft gegeven. In rechtsmiddelen tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek om toekenning van pensioen voorziet de Pensioenregeling niet. Voorts is de Lar AUA in 1997 in werking getreden en is zij op het uitblijven van een beschikking op dat verzoek niet van toepassing. Onder deze omstandigheden strekt het verzoek van 28 mei 2007 niet tot heroverweging van een eerdere afwijzende beschikking.
In de uitspraak van 2 december 2011 in zaak nr. HLAR 47610/11 betrof het een beschikking van 24 juni 2008 strekkende tot aanwijzing van een gebouw tot beschermd monument. Het bestuurscollege had het gebouw eerder, bij beschikking van 18 september 1997, tot beschermd monument aangewezen. Daartegen had appellante beroep bij de eilandsraad ingesteld. Nu de eilandsraad niet binnen de in artikel 5, derde lid, van de Monumenteneilandsverordening Curaçao gestelde termijn op het aldus ingestelde beroep heeft beslist, wordt die aanwijzing ingevolge die bepaling beschouwd te zijn vernietigd. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een in rechte onaantastbare weigering om het gebouw als monument aan te wijzen; de bestreden beschikking is geen beschikking van gelijke strekking als die van 18 september 1997, aldus het Hof.
In de uitspraak van 28 mei 2012 in zaak nr. HLAR 47364/11: Op 29 maart 2007 heeft appellante onder nummer 6001058921/1 een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf voor haar minderjarige zoon ingediend en op 29 december 2008 heeft zij dat onder nummer 6001058921/2 opnieuw gedaan. De minister heeft die aanvragen op 30 juni 2009 bij gelijktijdig aan appellante uitgereikte onderscheiden beschikkingen van gelijke strekking met de kenmerken 6001058921/1 en 6001058921/2 afgewezen. Appellante heeft tegen de laatstvermelde beschikking bezwaar gemaakt. (…) Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen één van de twee door de minister gelijktijdig gegeven beschikkingen van gelijke strekking. Dat bezwaar was daarom niet gericht tegen een beschikking, volgend op een eerdere van gelijke strekking. Het Gerecht heeft het gemaakte bezwaar ten onrechte aangemerkt als gericht tegen een na een eerdere beschikking van gelijke strekking gegeven beschikking. 63

Nova in de zin van de uitspraak van 29 november 2004 in zaak nr. 34 HLAR 33/03 zijn aangenomen in de uitspraak van 30 mei 2005 in zaak nr. 75 HLAR 45/04: Na het eerdere verzoek [dat ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Lar AUA geacht wordt te zijn afgewezen en tegen welke afwijzing Diario geen rechtsmiddelen heeft aangewend] hebben onderhandelingen plaatsgevonden tussen Diario en de toenmalige minister van Financiën, die geresulteerd hebben in een op 6 september 2001 gesloten overeenkomst, waarin nadere afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de financiële bijdrage van Diario aan de bevordering van sportactiviteiten op Aruba. Op 7 september 2001 is de ministerraad akkoord gegaan met die overeenkomst en is beslist dat het proces van de afgifte van de benodigde vergunning aan Diario in werking diende te worden gesteld conform de wettelijke kaders. Die beslissing is op 29 oktober 2001 aan de Directie Wetgeving en het Centraal Bureau Juridische en Algemene Zaken toegezonden met het verzoek om met de werkzaamheden in verband met de benodigde vergunningen aan te vangen binnen het kader van voormelde overeenkomst. Deze voorgeschiedenis stellend, heeft Diario aan het verzoek nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd, zodat moet worden onderzocht of de minister in die feiten en omstandigheden terecht geen aanleiding heeft gezien om terug te komen van de eerdere – fictieve – afwijzing. 64

In de uitspraak van 30 mei 2005 in zaak nr. 74 HLAR 44/04: De Sociale Verzekeringsbank heeft aanleiding gezien bij beschikking van 4 augustus 2003 de definitieve premieaanslagen over voormelde jaren te vernietigen, omdat deze niet binnen vijf kalenderjaren na afloop van het premiejaar zijn opgelegd. Anders dan het Gerecht heeft overwogen, dient de vernietiging van de definitieve premieaanslagen te worden aangemerkt als een nieuw feit dat de Sociale Verzekeringsbank aanleiding had moeten geven de voorlopige aanslagen naar aanleiding van het verzoek in dit licht opnieuw te beoordelen. 64

En in de uitspraak van 21 november 2005 in zaak nr. 98 HLAR 18/05: Bij de beschikking van 26 april 2004 heeft de Sociale Verzekeringsbank, voor zover thans van belang, de vernietiging van de definitieve premieaanslagen over de jaren 1991 en 1993 gehandhaafd en voorts de definitieve premieaanslagen over de jaren 1987 en 1988 vernietigd, voor zover appellante daarbij belang heeft. Anders dan het Gerecht heeft overwogen, is de vernietiging van voormelde definitieve premieaanslagen een nieuw feit dat de Sociale Verzekeringsbank aanleiding had moeten geven om de voorlopige premieaanslagen over die jaren naar aanleiding van de verzoeken van appellante in dat licht opnieuw te beoordelen. 64

Zie in dit verband ook de uitspraak van 4 juni 2007 in zaak nr. 157 HLAR 31/06, waarin het Hof heeft overwogen dat een voor appellant relevante wijziging van het recht een novum in evenbedoelde zin is: Het bestuurscollege heeft bij beschikking van 11 oktober 2002 een eerder verzoek van appellant om zodanige toestemming [voor geneeskundige behandeling van personen met zogenoemde garantiekaarten] afgewezen. Tegen die afwijzing zijn geen rechtsmiddelen aangewend. De aan de thans in geding zijnde afwijzing ten grondslag gelegde Beleidsnota Zorgvoorzieningen Sint Maarten, vastgesteld door het bestuurscollege in mei 2005, is een voor appellant relevante wijziging van het recht. Onderzocht moet worden of het bestuurscollege ten onrechte daarin geen reden heeft gevonden om van de eerdere afwijzing terug te komen. 64

Geen nova in evenbedoelde zin zijn aangenomen in onder meer de uitspraak van 29 november 2004 in zaak nr. 34 HLAR 33/03 en de uitspraak van 18 december 2009 in zaak nr. HLAR 043/09. In de laatstvermelde uitspraak geeft het Hof een nadere definitie van nova in evenbedoelde zin: Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn feiten of omstandigheden die na de eerdere beschikking zijn opgekomen of niet vóór deze beschikking konden worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het geven van de eerdere beschikking konden worden geproduceerd (18 december 2009 in zaak nr. HLAR 043/09). 65

Zie ook de uitspraak van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 012/10, waarin het Hof geen nova in evenbedoelde zin heeft aangenomen omdat niet gesteld en aannemelijk gemaakt is dat niet eerder over de nieuw aangevoerde feiten en omstandigheden werd beschikt en daarover niet eerder kon worden beschikt: Aan het verzoek heeft The Cinemas ten grondslag gelegd dat Aruba Megaplex een dochteronderneming is van, althans een joint venture heeft met "Cinemas Management" en geen lokale onderneming in de zin van de Richtlijnen Vestigingsverordening bedrijven is of daarmee kan worden gelijkgesteld, nu de feitelijke exploitatie, dan wel de meerderheid van de aandelen, in handen is van de "Caribbean Cinemas-groep." Dit is haar gebleken uit gevoerde correspondentie, daterend van 7 november 2005. Uit deze brieven blijkt volgens The Cinemas dat Caribbean Cinemas een bedrijfspand heeft gehuurd. Aldus heeft The Cinemas aan het verzoek ten grondslag gelegd dat Aruba Megaplex niet aan de in de Vestigingsverordening Bedrijven en in de Richtlijnen Vestigingsverordening Bedrijven voor vergunningverlening gestelde vereisten voldoet. The Cinemas heeft niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat zij niet eerder over deze informatie beschikte en daarover niet eerder kon beschikken. 65

En de uitspraak van 14 december 2012 in zaak nr. HLAR 55148/11: Nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in evenbedoelde zin zijn feiten of omstandigheden die na de eerdere beschikking zijn opgekomen of niet vóór deze beschikking konden worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het geven van de eerdere beschikking konden worden geproduceerd. Het Gerecht heeft in het in beroep aangevoerde met juistheid geen grond gezien voor het oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellante aan het verzoek van


20 april 2010 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die hem noopten om terug te komen van de in rechte onaantastbare landsbesluiten. Een latere uitspraak in een gelijksoortig geschil is, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, op zichzelf geen nieuw feit of veranderde omstandigheid in evenbedoelde zin. 65

5.4.2 Toetsing 65

5.4.3 Procesorde 66

Is het beroep ontvankelijk, dan kunnen de beroepsgronden ook na afloop van de beroepstermijn nog worden aangevuld, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Bij de beoordeling of de goede procesorde in de weg staat aan het betrekken van nader ingediende beroepsgronden, komt de eerste rechter enige beoordelingsruimte toe. 66

In de uitspraak van 9 juni 2008 in zaak nr. 225 HLAR 53/07 heeft het Hof overwogen dat de mogelijkheid na afloop van de daarvoor gestelde termijn aanvullende beroepsgronden in te dienen, haar begrenzing vindt, zo al niet in de desbetreffende bepalingen van de Lar NA, dan toch in de goede procesorde. Bij de beoordeling of de goede procesorde aan het betrekken van in een zeer laat stadium ingediende beroepsgronden in de weg staat, komt het Gerecht enige beoordelingsruimte toe. 66

Ten aanzien van het voor het eerst ter zitting gevoerde betoog dat ingevolge artikel VI van de verordening tot wijziging van de Landsverordening toelating en uitzetting (LTU) artikel 15, derde lid, van de thans geldende tekst van de LTU op haar van toepassing is, nu zij met toepassing daarvan instemt, waardoor in de uitzettingsbeschikking van 31 augustus 2005 haar toelating tot Aruba ten onrechte voor onbepaalde tijd is geweigerd, overwoog het Hof in de uitspraak van 4 juni 2007 in zaak nr. 165 HLAR 39/06 dat, nu appellante dit voor het eerst ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd en het aangevoerde verder strekt, dan dat het Gerecht de rechtsgronden ten onrechte niet ambtshalve heeft aangevuld, het Hof hieraan voorbij zal moeten gaan.


In de uitspraak van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 035/10 heeft het Hof overwogen: Voor zover Setel in dit verband voorts heeft verwezen naar hetgeen zij voor het eerst ter zitting heeft aangevoerd, heeft het Gerecht dat terecht, wegens strijd met de goede procesorde, niet bij de beoordeling betrokken, nu Setel niet heeft gesteld dat zij dat niet eerder heeft kunnen aanvoeren.
In de uitspraken van 2 december 2011 in zaak nr. HLAR 48662/11 en in zaak nr. HLAR 48665/11 heeft het Hof overwogen: De vreemdeling heeft niet eerder dan voor het eerst ter zitting van het Gerecht gesteld dat aan andere vreemdelingen in een met de hare vergelijkbare situatie wel op voet van de Brooks Tower Regeling een vergunning tot tijdelijk verblijf is verleend. Nu zij niet heeft gesteld en aannemelijk gemaakt dat zij dat niet eerder heeft kunnen doen, heeft het Gerecht het betoog dat de minister het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden, terecht als te laat, kennelijk wegens strijd met de goede procesorde, niet bij de beoordeling van het beroep betrokken.
In dezelfde zin: de uitspraak van 28 juni 2013 in zaak nr. HLAR 51765/12. 66

5.5 Uitspraak 66

5.5.1 Uitspraakmogelijkheden 66

Het Gerecht mag van evenbedoelde bevoegdheid geen gebruik maken, indien een naderhand gegeven motivering de vernietigde beschikking niet kan dragen. In de uitspraak van 20 november 2008 in zaak nr. 253 HLAR 25/08 heeft het Hof overwogen: Voor zover de minister beoogt te betogen dat het Gerecht de rechtsgevolgen van het met ongegrondverklaring daarvan gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het bezwaarschrift van 3 mei 2005 ten onrechte niet in stand heeft gelaten, nu daaraan naderhand een dragende motivering ten grondslag is gelegd, faalt dat betoog evenzeer. Appellant stelt dat hij de enige kandidaat voor de te vervullen functie was, die aan alle door de minister terzake gestelde functie-eisen, onder meer die van een academische vorming, voldeed. De minister heeft onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat de persoon die in de functie is benoemd aan met name die door de minister gestelde eis voldeed en waarom, indien dat niet het geval is, toch tot diens benoeming is en mocht worden besloten, hoewel appellant, naar niet in geschil is, wel aan die eis voldoet.


Zie ook de uitspraken van 18 december 2009 in zaak nr. HLAR 063/08 en van 20 mei 2011 in zaak nr. HLAR 46361/11. 68

Indien het Gerecht het beroep gegrond verklaart, kan het bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beschikking of het vernietigde deel ervan. Het Gerecht is in daarvoor in aanmerking komende gevallen gehouden van deze bevoegdheid gebruik te maken. Zo heeft het Hof in de uitspraak van 27 november 2006 in zaak nr. 138 HLAR 12/06 overwogen: Appellante klaagt met succes dat het Gerecht het gemaakte bezwaar ten onrechte niet zelf


niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een beschikking is een middel om het desbetreffend bestuursorgaan tot besluitvorming te nopen. Het bestuursorgaan zal in het algemeen alsnog een beslissing dienen te nemen, waartegen desgewenst rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. In de Lar NA noch elders is bepaald dat het uitblijven van een besluit als afwijzing van de desbetreffende aanvraag heeft te gelden. Het Gerecht heeft het uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar dan ook ten onrechte als ongegrondverklaring ervan aangemerkt en het beroep gegrond verklaard. Omdat het Gerecht het inleidend verzoek van Bouwlab terecht als invordering van zieken- en ongevallengeld, als bedoeld in artikel 11 van de Landsverordening Ziekteverzekering en de Landsverordening Ongevallenverzekering, noch als enig ander verzoek om het geven van een beschikking heeft aangemerkt, kon appellante het door Bouwlab gemaakte bezwaar niet anders dan niet-ontvankelijk verklaren. Het Gerecht heeft ten onrechte niet zelf in de zaak voorzien, door dat te doen. Voorts heeft het Hof . de uitspraak van het Gerecht vernietigd, voor zover het door Bouwlab gemaakte bezwaar daarbij niet niet-ontvankelijk is verklaard en, doende hetgeen het Gerecht had behoren te doen, dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Zie ook de uitspraak van 29 november 2007 in zaak nr. 189 HLAR 17/07: Nu het Gerecht – met juistheid – tot het oordeel is gekomen dat appellant geen belanghebbende is bij het verzoek terug te komen van het bevel tot verwijdering van appellante, heeft het het door hem tegen de brief van 28 maart 2006 gemaakte bezwaar ten onrechte niet, zelf in de zaak voorziend, niet-ontvankelijk verklaard. Het Hof zal dat alsnog doen. 68

Proceskostenveroordeling


Ingevolge artikel 50, negende lid, van de Lar NA is het Gerecht bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep en in voorkomend geval van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Een natuurlijk persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld, in geval van een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij of krachtens landbesluit, houdende algemene maatregelen, worden nadere regels gesteld omtrent de kosten waarop de veroordeling, bedoeld in de eerste volzin, uitsluitend betrekking kan hebben, en omtrent de wijze waarop in de uitspraak het bedrag van de kosten worden vastgesteld. Deze nadere regels zijn gesteld in het Landbesluit houdende algemene maatregelen bevattende een nadere regeling betreffende de proceskostenveroordeling in bestuursrechtelijke procedures (Besluit proceskosten bestuursrecht, P.B. 2001, no. 127). Ingevolge het besluit proceskosten bestuursrecht komen voor vergoeding in aanmerking kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. In de uitspraken van 27 november 2006 in zaak nr. 137 HLAR 11/06 en in zaak nr. 138 HLAR 12/06 heeft het Hof overwogen: Gebleken is dat voornoemde [gemachtigde] Curcon Holding N.V. soms van advies dient met betrekking tot belasting- en invorderingskwesties, niet juridisch geschoold is en voor de door hem verleende rechtsbijstand aan Curcon Holding N.V. geen salaris in rekening brengt. Onder die omstandigheden is geen sprake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 50, negende lid, van de Lar NA, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 69

Overigens is, gelet op het bepaalde in voormeld artikel 50, negende lid, van de


Lar NA de bevoegdheid tot proceskostenveroordeling niet beperkt tot die gevallen waarin het Gerecht het beroep gegrond verklaart. 69

5.5.2 Gevolgen uitspraak 71

5.6 Procesbelang 74

5.6.1 Definitie 74

Als beginsel geldt dat om een rechtsingang te hebben ten tijde van de beoordeling van het rechtsmiddel procesbelang is vereist. Het procesbelang is het belang dat de aanwender van een rechtsmiddel heeft bij de uitkomst van de procedure, beoordeeld naar de feiten, omstandigheden en het recht ten tijde van het (hoger) beroep. De eis van procesbelang is derhalve niet betrokken op de beschikking zelf, maar op het daartegen ingestelde rechtsmiddel. Het betreft niet de vraag of de indiener gelijk heeft, maar of hij er belang bij heeft om het te krijgen. Anders gezegd, of degene die een rechtsmiddel instelt, daarmee in een gunstiger positie kan geraken. 74

In de volgende uitspraken heeft het Hof geen procesbelang aangenomen, omdat de insteller van het (hoger) beroep daarmee niet in een gunstiger positie kon geraken: 74

Uitspraak van 20 april 2006 in zaak nr. 114 HLAR 36/05: 74

Tegen een beschikking kan een belanghebbende bij de terzake bevoegde rechter slechts opkomen, indien hij door het gebruik van het rechtsmiddel in een gunstiger positie kan geraken. Appellante kan door het instellen van hoger beroep niet in een gunstiger positie geraken, nu gegrondbevinding van het hoger beroep niet tot een ander resultaat kan leiden dan dat waartoe de aangevallen uitspraak strekt, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. 74



Uitspraak van 5 juni 2006 in zaak nr. 122 HLAR 43/05:
Nu appellant tegen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met gebruikmaking van voormelde toestemming geen rechtsmiddel heeft aangewend en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in rechte onaantastbaar is, valt niet in te zien dat appellant door het instellen van het hoger beroep in een gunstiger positie kan geraken, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Zie in dit verband ook de uitspraak van 25 januari 2011 in zaak nr. HLAR 004/10 en de uitspraak van 28 mei 2012 in zaak nr. HLAR 53601/11. En eveneens de uitspraak van 14 december 2012 in zaak nr. HLAR 56021/12: Bij brief van 28 januari 2011 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst met de werkneemster met gebruikmaking van de door de directeur bij de beschikking van 23 november 2010 verleende toestemming met ingang van 4 april 2011 beëindigd. De werkneemster heeft de nietigheid van die beëindiging niet ingeroepen, maar op 1 oktober 2011 tegen de werkgever een vordering tot schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging ingesteld. Door het instellen van die vordering heeft zij in die beëindiging berust. Zij kon de nietigheid daarvan nadien niet meer inroepen. De directeur heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de werkneemster ten tijde van het geven van de beschikking op bezwaar geen belang had bij heroverweging van de inmiddels benutte toestemming.
In deze zaak had het Gerecht het beroep tegen de beschikking op bezwaar, waarbij het bezwaar niet-ontvankelijk was verklaard, eveneens niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang daarbij. Het Hof overwoog terzake: De bij het Gerecht bestreden beschikking strekte tot niet ontvankelijkverklaring van het door de werkneemster gemaakte bezwaar. Het belang bij het door haar ingestelde beroep was er in gelegen dat werd onderzocht of die beschikking rechtmatig was. Dat belang was voldoende om het beroep te ontvangen.
Uitspraak van 27 november 2006 in zaak nr. 129 HLAR 02/06: Ter zitting is gebleken dat appellant niet beoogt inhoudelijke gronden aan te voeren tegen de uitspraak van 24 januari 2006, doch slechts klaagt dat, zowel de beslissing op bezwaar als de uitspraak, formeel niet geheel volgens de daarvoor geldende regels tot stand is gekomen. Die klacht kan echter niet tot een inhoudelijk ander resultaat voor de aanspraak van appellant op ouderdomspensioen leiden. Appellant heeft derhalve geen belang bij het door hem ingestelde hoger beroep.
Uitspraak van 4 juni 2007 in zaak nr. 176 HLAR 04/07: Eerst wanneer de ongewenstverklaring van een vreemdeling afloopt, is vernietigd of ingetrokken, dan wel opgeheven, heeft deze belang bij beroep tegen een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een vergunning tot (tijdelijk) verblijf, dan wel intrekking van zodanige vergunning. (..) Onder de omstandigheden dat de ongewenstverklaring van appellant voortduurde en aan het verlenen van een verblijfsvergunning in de weg stond, kon zijn beroep niet leiden tot zijn toelating, zodat bij daarbij geen belang had. In dezelfde zin: Uitspraak van 29 november 2007 in zaak nr. 198 HLAR 26/07.
Uitspraak van 20 mei 2011 in zaak nr. HLAR 44869/10:
Nu [appellant sub 1] niet heeft toegelicht dat hij door gegrondbevinding van het beroep in een gunstiger positie in evenbedoelde zin zou kunnen geraken en ook ambtshalve geen grond bestaat om dat aan te nemen, heeft het Gerecht het door hem ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang daarbij.
Het ging in deze zaak om de waardering van de door appellant sub 1 ter afronding van de studie rechtswetenschappen verdedigde scriptie met het cijfer zes. Het beroep was ingesteld tegen de ongegrondverklaring door de commissie van beroep van de Universiteit van de Nederlandse Antillen van het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep.
74

5.6.2 Feitelijke ontwikkelingen, actueel, principieel 76

In de uitspraak van 21 november 2005 in zaak nr. 85 HLAR 02/05 heeft het Hof gedeeltelijk geen procesbelang aangenomen, gelet op de ter zitting bij het Hof afgelegde verklaringen.
In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 18 december 2009 in zaak nr. HLAR 028/09, betrof het een intrekking van een verleende vergunning voor het hebben en exploiteren van een radio-omroepbedrijf, waarvan de uitzendingen door middel van frequentiemodulatie in de omroep frequentieband 88.0 – 108.0 MHz. plaatsvinden. Het Hof heeft geen belang bij het ingestelde hoger beroep aangenomen: Ter zitting is namens de minister te kennen gegeven dat de aan de ingetrokken vergunning verbonden frequentieband intussen aan een andere gebruiker is vergeven en [appellante] niet langer voldoet aan de eisen voor een vergunning voor het gebruik van frequentieruimte. Voorts is niet gebleken dat [appellante] nog enig belang heeft bij het herkrijgen of houden van deze frequentieband of om vergoeding van als gevolg van de intrekking van de vergunning geleden schade heeft verzocht. 76

Zie in dit verband ook de uitspraak van 27 november 2006 in zaak nr. 129 HLAR 02/06: Ter zitting is gebleken dat appellant niet beoogt inhoudelijke gronden aan te voeren tegen de uitspraak van 24 januari 2006, doch slechts klaagt dat, zowel de beslissing op bezwaar als de uitspraak, formeel niet geheel volgens de daarvoor geldende regels tot stand is gekomen. Die klacht kan echter niet tot een inhoudelijk ander resultaat voor de aanspraak van appellant op ouderdomspensioen leiden. Appellant heeft derhalve geen belang bij het door hem ingestelde hoger beroep.


In de uitspraak van 20 mei 2011 in zaak nr. HLAR 44869/10, waarin het de waardering van een ter afronding van de studie rechtswetenschappen verdedigde scriptie met het cijfer zes door de examencommissie van de Universiteit van de Nederlandse Antillen betrof, heeft het Hof overwogen: Nu het Gerecht het beroep van [de examinandus] tegen de beschikking van 1 maart 2010 [waarbij het door de examinandus tegen de waardering ingesteld beroep door de commissie van beroep van de UNA ongegrond is verklaard] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, hebben de commissie en de UNA geen belang bij het door hen ingestelde hoger beroep. De gestelde wens om, mede met het oog op eventueel toekomstige gevallen, een rechterlijk oordeel te verkrijgen over de vragen of de beschikking van 1 maart 2010 voor beroep vatbaar is en of de commissie een bestuursorgaan is, levert zodanig belang niet op. 78

5.6.3 Reële beschikking na beschikking van rechtswege 79

5.6.4 (Rechtens onaantastbare) vervolgbeschikkingen 80

Het geven van vervolgbeschikkingen of andere nadere beschikkingen tast het procesbelang bij beoordeling van de eerdere beschikking niet aan. Procesbelang gaat voorts niet zonder meer verloren doordat een vervolgbesluit in rechte onaantastbaar is geworden. Zo heeft het Hof in de uitspraak van 18 december 2009 in zaak nr. HLAR 045/09, waarin het een door het Uitvoeringsorgaan, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Landsverordening algemene ziektekostenverzekering gegeven beschikking tot toekennen van een behandeling in een medische instelling buiten Aruba betrof en het Uitvoeringsorgaan inmiddels tevens omtrent vergoeding van kosten had beschikt, tegen welke beschikking geen rechtsmiddelen waren aangewend, terzake van het belang van appellant aldus overwogen: Dat het Uitvoeringsorgaan inmiddels, bij beschikking van 1 april 2009, omtrent de vergoeding van kosten heeft beslist en [appellant] daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend, geeft voorts geen grond voor het oordeel dat [appellant] geen belang heeft bij het door hem ingestelde hoger beroep en evenmin voor het oordeel dat hij dat niet heeft bij het door hem ingestelde beroep. Niet is uitgesloten dat het Uitvoeringsorgaan in geval van vernietiging van de in beroep bestreden beschikking in de zaak voorziet op een wijze die betekenis heeft voor de beschikking van 1 april 2009. Dat deze beschikking inmiddels in rechte onaantastbaar is, betekent niet dat het Uitvoeringsorgaan daarop niet kan terugkomen, als het dat wenst te doen. 80

5.6.5 Schade en procesbelang 80

5.6.6 Procesbelang bestuursorganen 81




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   29


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina