Lang leve beeldhouwkunst! 28 mei – 3 september 2006



Dovnload 28.11 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte28.11 Kb.

LANG LEVE BEELDHOUWKUNST!

28 mei – 3 september 2006







Deze zomer staat het Middelheimmuseum in het teken van Lang Leve Beeldhouwkunst!

Deze groepstentoonstelling brengt werken samen van elf internationale kunstenaars. Deze kunstenaars geven een eigentijdse visie op het klassieke medium beeldhouwkunst. Het zijn ruimtelijke werken, zowel vervaardigd uit traditionele materialen als klei, gips, brons, steen en hout als uit nieuwe kunststofmaterialen zoals polyester, siliconen en schuimrubber. Afhankelijk van de aard van het werk staan de werken ofwel in open lucht ofwel in een overdekte ruimte.

De deelnemende kunstenaars werden uitgenodigd omdat zij aan de beeldhouwkunst een bijzondere actuele gedaante geven. Bovendien werden zij gevraagd om na te denken over het thema ‘troost’. Als antwoord op die vraag maakten sommigen van hen een heel nieuw werk, voor anderen was de thematiek al jaren onderdeel van hun activiteiten.

Het kader voor deze tentoonstelling is het beeldenpark op zich, met zijn kunsthistorische verleden, met beelden vanaf het einde van de negentiende eeuw.


De werken uit de tentoonstelling staan verspreid opgesteld op Middelheim-hoog. Het parcours is afhankelijk van de route die u zelf kiest. In deze tekst komen de kunstenaars met hun werken in alfabetische volgorde aan bod. Elk werk heeft een nummer en op het bijbehorende plan vindt u deze nummers terug.
De Koreaanse kunstenaar Jeonghwa Choi (°1961, Seoel) toont in het park, tussen het groen de opblaassculpturen ‘Dragon Flower’ (2003) (10) en ‘Black Lotus’ (2005) (1).

Bloemen zijn vaak manifest aanwezig in Choi’s werk, reuzengroot en zeer kleurrijk. Maar het gaat hier om meer dan alleen een sterke visuele impact. Na de bestorming van onze zintuigen, opent zich een meer dubbelzinnige betekenis. Eigenlijk associëren we bloemen en fruit met de natuur en de natuur vertegenwoordigt wat echt is, wat gezond, schoon en vitaal is. Maar zijn die schoonheid en vitaliteit vandaag niet eerder te vinden in het artificiële? Het zijn de vertwijfelingen van iemand die nauwelijks nog natuur tegenkomt in zijn leefomgeving. Seoel is

volgebouwd. De Koreanen zijn immers met velen. Bovendien zijn het enthousiaste consumenten. Bloemen hebben in het Oosten van oudsher een eindeloze voorspoed gesymboli-seerd. Deze bloemen zijn dan ook zowel een viering als een kritiek op de ongelimiteerde consumptie waarin die voorspoed zich vandaag vertaalt.

Het werk ‘Encore, encore’ (1995) (4) is de voorstelling van een enorme gouden engel die de armen omhoog strekt in een overmoedig gebaar van uitnodiging of verlangen. Dit verlangen en ook de humor van de kunstenaar, worden nog versterkt door de titel van dit werk. Ook het tactiele is voor de kunstenaar een essentieel aspect in zijn oeuvre. De opblaassculpturen mogen dan ook zacht aangeraakt worden.

Heel belangrijk voor Choi is ook het werk met de plastic gebruiksvoorwerpen (19). Dit maakte de kunstenaar hier ter plaatse, samen met buurtbewoners en leerlingen van scholen uit de buurt. Net zoals bij vorige tentoonstellingen in Korea, Japan en de VS werden de mensen uitgenodigd om in de week voor de opening van de tentoonstelling met een persoonlijk plastic gebruiksvoorwerp naar het museum te komen en samen met de kunstenaar het kunstwerk op te bouwen. Iedereen die kwam, nam deel aan de creatie, jong en oud bouwde het kunstwerk mee op. “Everybody is an artist” is dan ook de leuze van deze kunstenaar. Alle deelnemers hadden persoonlijk contact met de kunstenaar. Hij stelde hen steeds de vraag: “Wat is kunst?” Choi doopt de verschillende publieksprojecten met de naam ‘Happy Happy Project’. Na afloop van de tentoonstelling belanden de gebruikte voor-werpen in een recyclagepark.
De Duitse kunstenares Katharina Fritsch (°1956, Essen) toont ‘Gartenskulptur’ (2006) (2). Deze zeer fragiele sculptuur uit polyester en verf ontstond op basis van de herinnering aan een droom die ze als vierjarige had. Ze woonde toen in een huis met een grote tuin, vergelijkbaar met de groene omgeving van het Middelheim-museum. Het was een groot huis, waar haar grootouders na de oorlog terechtkwamen. De droom transformeert de ervaring van weleer tot een beeld van de voeten van de eigenaar van het huis, een man -zeker in de beleving van een kind- met indrukwekkend grote voeten. Maar de man blijft onherkenbaar: Fritsch droomde hem louter als voeten en die voeten dan nog zonder vlees, als een skelet. Zo wordt een concreet portret ook een beeld van een universeel persoon en van een herinnering. Daarmee verwijst ‘Gartenskulptur’ rechtstreeks naar de traditionele gestalte van de beeldhouwkunst: monumenten zijn een verweer tegen de vergetelheid, al zolang de beeldhouw-kunst bestaat.
De Nederlandse kunstenaar Folkert de Jong (°1972, Alkmaar) maakt een groep zeer heftige sculpturen uit kunststof (styrofoam) onder de veelzeggende titel ‘The Sculptor, The Devil and the Architect’ (2006) (8). Ze staan opgesteld in het Braempaviljoen. Met dit werk richt de kunstenaar zich tot de beeldhouwkunst zelf. Drie figuren, de kunstenaar Constantin Brancusi, de architect Le Corbusier en de kunstenaar zelf of Abraham Lincoln als duivel, gezeten op de sokkel van hun eigen, overhoop gehaalde creaties, staan in relatie met kunstmecenas Peggy Guggenheim (de grote bril is haar handelsmerk). We kunnen slechts vermoeden welke worsteling er aan deze rampzalige situatie ten grondslag ligt.

‘In mijn onderzoek naar de beeldhouwkunst, in de context van deze tentoonstelling in het Middelheimmuseum, wil ik vanuit het hart van de collectie mijn bevindingen delen met het publiek. Het paviljoen van Renaat Braem leent zich bij uitstek als podium voor mijn enscenering, omdat de kunstmatig gecreëerde verstilling van het modernistische gebouw vanuit zijn typologie heel veel zegt over de traditie en functie van en de omgang met de beeldhouw-kunst.’


De jongste deelnemer aan deze tentoonstelling is de Belgische kunstenaar Philip Metten (°1977, Genk). Kleur en vorm zijn essentieel in zijn oeuvre. Metten beschikt over een archief met honderden foto’s van graffiti-spuitsels. Die foto’s verknipt en verplakt hij, tot hij figuren bekomt die futuristisch en oeroud aandoen. Ze vertonen onmiskenbaar gelijkenissen met voorstellingen uit de Incacultuur en zijn toch gloednieuw.

Speciaal voor deze gelegenheid maakte hij de monumentale polyestersculptuur ‘Zonder titel/ Untitled’ (2006) (15) dat als een baken op het nieuwe terrein aan de Middelheimlaan staat. In de sculptuur is de vorm van een stoepa te herkennen, een boeddhistische tempel. Deze sculptuur speelt met de aantrekkingskracht van een gebedshuis, een oord van stilte en contemplatie. Maar de kunstenaar verwerkt er ook angstaanjagende maskers in. Zo trekt het beeld aan en stoot het af. De spanning wordt nog opgedreven door de kleuren: felle kleuren contrasteren hevig met zacht grijze tinten.


De Japanse kunstenaar Yoshitomo Nara (°1959, Aomori Prefecture) toont het werk ‘Puff Marschie/ Antwerp version’ (2006) (11). Een sculptuur uit polyester van een hoofd van ongeveer drie meter diameter van een grimmig meisje. Hoewel het werk speciaal voor de tentoonstelling werd gemaakt, bestond het eigenlijk al eerder. Nara werkt bijna continu, meditatief, obsessief. Stilaan, gradueel, verande-ren er kleine dingen. Zo wordt het toch een nieuw beeld, maar het volgt in een reeks van honderden voorgaande, sterk gelijkend en toch individueel. Omdat dit kinderhoofd zo groot is, smelt het laatste medelijden dat we zouden kunnen koesteren voor dit arme, eenzame meisje. Wat er overblijft, is een kind zoals je er vast al één ontmoet hebt: een kind dat zich even verzet tegen affectie en warmte en dat onverzoenbaar, woedend in de wereld staat, aangewezen op het besef dat het de volwassenen het leven behoorlijk zuur kan maken!

De commerciële gadgets die worden afgeleid van de schilderijen en beelden van Nara zijn immens populair bij de Japanners. Ze verleenden hem op korte tijd een supersterstatus. Als dat pas nu in het Westen begint door te dringen, ligt dat aan het onderscheid tussen hoge en lage cultuur dat hier in Europa toch nog altijd gemaakt wordt. Vreemd genoeg is zijn huidige populariteit precies het resultaat van de isolatie waarin hij als kind is opgegroeid. Als enig kind op het platteland, niet omringd door leeftijdsgenootjes, had hij geen andere stimuli dan Japanse en Amerikaanse strips, Europese kinderboeken van bv. Dick Bruna en Amerikaanse tekenfilms van o.a. Walt Disney en Warner Brothers. De invloeden inspireerden hem tot een sterk vereenvoudigde, gestileerde vorm, gevoed door onder meer traditionele gekleurde Japanse houtgravures en historische technieken van de westerse kunst.


De Australische kunstenares Patricia Piccinini (°1965, Freetown) onderzoekt met haar werken de relatie tussen het kunstmatige en het natuurlijke.

In de loods staat het poëtische werk ‘Nest’ (2006) (3). Het werk is speciaal gecreëerd voor deze tentoonstelling. Het werd vervaardigd uit glasvezel,vinyl,acryl en echte scooteronderdelen. Het is de weergave van een liefelijk familietafereeltje. Het lijkt wel een ode aan de levenscyclus van de technologie. Moeder Scooter waakt alert over kindje Scooter. Je zou als toeschouwer haast vergeten dat het ‘maar’ machines zijn, die alleen op ons bevel reageren. Ze worden voorgesteld als tamme huisdieren. De kunstenares creëert met dit tafereel een sfeer die je ook ervaart bij negentiende-eeuwse dierenschilderijen en bij dierendocumentaires. Als toeschouwer voel je jezelf als een indringer en ben je bang deze intimiteit te verstoren.

Piccinini toont in het Braempaviljoen ‘The Bodyguard’ (2004) (7), het eerste werk uit een serie beelden met als titel ‘Nature’s Little Helpers’, die ook te zien was op de Biënnale van Venetië. Het wezen uit silicone, dierenhaar, acryl, leer en hout ziet er doodeng uit. Wat het om te imponeren mist in grootte, wordt ruimschoots goedgemaakt door de hyper-realistische uitvoering. Het beest heeft een geschubde rug en een paar enorme slagtanden. Toch is het in intentie goedaardig. Dit vervaarlijk uitziende beest werd door de kunstenaar bedacht om een uitstervende Australische vogelsoort te redden. Met zijn enorme tanden kan hij door de bast van de rubberboom bijten, zodat de vogeltjes zich kunnen voeden met de rubber. Dat lijkt fantasie, maar eigenlijk staat het dichter bij onze wetenschappelijk - technologische werkelijkheid dan we beseffen. De kunstenares verwijst met haar beeld naar ons vertrouwen in nieuwe verwezenlijkingen als gentechnologie. We kunnen nu al nieuw, levend weefsel maken, als oplossing voor bepaalde medische problemen. Natuurlijk ontsnap je bij dit onderwerp niet aan de keerzijde van de medaille. Piccinini heeft het ook over de onvoorziene gevolgen van de “schepsels”. Of ‘The Bodyguard’ verder niemand kwaad zal doen, valt nog te bekijken. Zo nieuw als de mogelijkheden zijn, zo onbekend zijn de consequenties ervan op langere termijn. Op het moment dat de wetenschap dieren kan maken zoals een ingenieur machines, is de interesse van de beeldenmaker natuurlijk gewekt.Als machine en dier equivalenten worden in een grotere technologie, “ten dienste van de mens”, zijn er dan niet veel meer mogelijkheden? Wat kunnen we nog maken?
De Duitse kunstenaar Thomas Rentmeister (°1964, Reken/Westphalia) vervoegt de tentoon-stelling met ‘Kiosk’ (2006) (13). Het gebouw, opgetrokken uit ytongstenen en sierlijk be-pleisterd volgens de methode ‘Spaanse bezetting’ (vooral gekend van pizzeria’s) doet een mysterieuze inhoud vermoeden. Maar binnen-kijken is onmogelijk. Door het zwarte glas is niets te zien. Alleen de eigen realiteit wordt weerspiegeld. ‘Het is de oppervlakte van de sculptuur die belangrijk voor mij is. Niet het volume geeft de doorslag, maar de huid.’

‘Kiosk’ heeft verdacht veel weg van een gebouwtje, een onderkomen. Het heeft vier muren, een raam, een dak. Wat het mist, is een functie. En dat is, volgens de kunstenaar, precies wat het terughaalt uit de wereld van de architectuur en onderbrengt in die van de sculptuur. Want zonder functie blijft er slechts een vorm over, een betekenisdrager. Hoe dichter de vorm en hoe groter het gemis van de functionele ervaring, hoe groter het besef: aantrekkelijk, maar eigenlijk niet bruikbaar.


De Belgische kunstenaar Peter Rogiers (°1967, Antwerpen) stelde al eerder werk tentoon in het Middelheimmuseum. In 2000, ter gelegenheid van de inhuldiging van het nieuwe depot van architect Stéphane Beel, toonde hij een aantal zeer plastische sculpturen uit schuim (poly-urethaan) en polyester. Nu ziet u van hem twee nieuwe sculpturen in openlucht ‘Two reclining figures on a Calder base (sculpture for Middel-heim)’ (2006) (14) en ‘’t Paardje’ (2006) (12).

Transformaties, overgangen en veranderingen maken deel uit van zijn continu onderzoek. De gedaanteverwisselingen in de evolutie en in de geschiedenis van de beeldhouwkunst verbindt hij met opvallende vormen. Kijk naar de vele, abrupte transformaties in comics, waaruit Rogiers telkens weer inspiratie put voor kleuren en vormen: na de ontploffing van het laboratorium verandert de goedhartige slappeling in een ijzersterke monsterachtige bestrijder van het kwaad. Het menselijke lichaam wordt uitgetrokken en gerokken en gaat naadloos over in zijn omgeving. Anders dan in de traditionele beeldhouwkunst, hebben de beelden in dit werk geen logische, geen moraliserende of waar-schuwende relatie met elkaar, maar eerder een absurdistische, bevreemdende relatie.


De Duitse kunstenaar Thomas Schütte (°1954, Oldenburg) was reeds in 1993 in het Middel-heimmuseum te gast. Ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Nieuwe Beelden’ in het kader van Antwerpen Cultuurstad, maakte hij voor het nieuwe terrein Middelheim-laag het poëtische werk ‘Tausend Zungen’.

Voor deze tentoonstelling maakte hij de maquette ‘Model for a Sculpture Zoo’ (2006) (20). Hij stelt met dit werk het gegeven ‘museum’ in vraag. Voorwerpen uit de meest uiteenlopende achtergronden worden samengebracht en naast elkaar opgesteld. Maar werkt dat wel? Functioneren kunstwerken wel buiten hun oorspronkelijke context van tijd en plaats? Dit is net als in een zoo, waarvoor ook van heinde en verre beesten worden aangevoerd, die uiteinde-lijk nog slechts een neurotische schaduw zijn van hun soortgenoten in de oorspronkelijke habitat. Zo ontstond dit werk bij wijze van denkoefening of ironisch commentaar.


De Australische kunstenaar Ricky Swallow (°1974, San Remo) is bekend geworden met hyperrealistische werken van alledaagse voorwerpen. Zijn waarneming heeft een wetenschappelijke precisie. Op die manier legt hij niet alleen bestaande elementen vast, maar ook zaken die hij zelf creëert of die enkel in zijn herinnering bestaan. Het voorkomt verlies.

Voor deze tentoonstelling toont Swallow twee heel uiteenlopende sculpturen in het Braem-paviljoen. ‘Model for a Sunken Monument’ (version 2) (2001) (5): een monumentale kop van Darth Vader, de held uit de Star Wars-films, is opgebouwd als een soort modelbouwsculptuur in verschillende lagen.

‘Flying on the Ground is Wrong’ (2006) (6); een kleine bronzen realistische sculptuur van een dood vogeltje. Dit beeld is een stilleven in de meest letterlijke zin van het woord: schoonheid en vergankelijkheid worden verbeeld. Het beeld zou zwaarmoedig kunnen worden, als daar niet de relativerende humor van de titel was.
De Duitse kunstenaar Iskender Yediler (°1953, Eskisehir) zet voor zijn werk de verbeelding van anderen in. Dat is voor hem interessanter dan uit het niets een nieuwe abstracte vorm te scheppen. In de plaatsen waar hij neerstrijkt, pluist hij de lokale geschiedenis uit aan de hand van verhalen en afbeeldingen. Dat doet hij zorgvuldig: symbolen,patroonheiligen,belangrijke gebouwen, kerken… details uit overleveringen of historische afbeeldingen groeien uit tot beelden, veel groter dan het oorspronkelijke object, veel groter ook dan de menselijke schaal.

Hier in het museum toont hij drie werken uit glasvezel ‘Zonder titel (plant blauw-groen)’ (2002) (16), ‘Zonder titel (plant) (discoballen)’ (2002) (17), ‘Zonder titel (plant) (vier vingers)’ (2002) (18) en de opblaassculptuur ‘Industry Tower ‘ (2002) (9). De vormen zijn geïnspireerd op kindertekeningen. ‘Als kinderen tekeningen maken, reduceren en abstraheren ze de wereld. Bomen, de zon, planten en bloemen worden zeer eenvoudige vormen met krachtige kleuren.’ De beelden eindigen ver weg van hun oorsprong.

De catalogus bij de tentoonstelling, met foto’s van de werken in situ, kan u kopen in het Braempaviljoen, aan 10€ .
Middelheimmuseum

Middelheimlaan 61 - 2020 Antwerpen

Tel: 03/827.15.34 en 03/828.13.50

Fax: 03/825.28.35



www.middelheimmuseum.be
Open van di t.e.m. zo, in mei en augustus van 10 tot 20u, in juni en juli van 10 tot 21u, in september van 10 tot 19u. Gesloten op maandag.
Museumwandeling met gids

Elke tweede zondag van de maand, van april tot november, op zondag 10/9 – 8/10 – 12/11, van 14 tot 16u, samenkomst aan hoofdingang, gratis, zonder reservatie.




Cultuur, sport en recreatie

Middelheimmuseum

Middelheimlaan 61 – 2020 Antwerpen



middelheimopenluchtmuseum@stad.antwerpen.be






De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina