Langs de lek



Dovnload 15.27 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte15.27 Kb.
Compacte beschrijving van de natuur in het Utrechtse deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie

(RER, 26 I 2001)

LANGS DE LEK
Dit gebied heeft een overwegend open karakter dat slechts doorbroken wordt door de lintbebouwing van Schalkwijk en Tull en ’t Waal. Deze openheid, en de grote rust die er ’s winters heerst maakt het gebied tot een zeer geschikte overwinteringsplaats voor zwanen en ganzen. Ondanks boerderijverplaatsingen overwinteren in de polders Vuylcop en Blokhoven duizenden Kol- en Rietganzen, in strenge winters ook enkele honderden Brandganzen. Samen met de Steenwaard vormt Polder Vuylcop één van de belangrijkste binnenlandse overwinteringsgebieden van de Kleine zwaan in Nederland.

In strenge winters zijn het Amsterdam Rijnkanaal en de hier parallel aan gelegen sloten de laatste wateren die dichtvriezen. Om deze reden is het Amsterdam-Rijnkanaal een belangrijke rust en slaapplaats voor allerlei watervogels. De parallel aan het kanaal gelegen sloten zijn dan in vorstperiodes voor IJsvogels de laatste open wateren om te foerageren. De IJsvogel broedt in enkele forten en fortgrachten. Daar maakt de soort zijn diepe nestgangen in steile oevers. De IJsvogel is in feite een soort van stromende wateren, maar kennelijk vormen de forten met fortgrachten een dusdanig goed leefgebied dat de soort er broedt. Dit is onder andere het geval op Fort Honswijk en het Lunet aan de Snel.

De uiterwaarden zijn het leefgebied van zeer veel amfibieën, waar onder de in Utrecht sterk bedreigde Heikikker en de in Utrecht bedreigde Kamsalamander.

In de Honswijkerwaard liggen een aantal kruidenrijke graslandpercelen die veelal pas laat in het jaar gemaaid worden. Door het late maaien zijn deze graslanden een goed broedbiotoop voor de zeldzame Kwartelkoning. Vrijwel jaarlijks worden er broedgevallen geregistreerd.

In de knotwilgen op de forten broeden Steenuilen. Forten zijn zeer geschikte overwinteringsplaatsen voor vleermuizen. Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die de winters in winterslaap doorbrengen. Hiertoe zoeken ze donkere ruimtes met een hoge luchtvochtigheid en een constante lage temperatuur. Extra voorwaarde daarbij is een grote mate van rust omdat de vleermuizen zeer verstoringgevoelig zijn. Veel forten en lunetten voldoen aan deze eisen.

De in het gebied aanwezige weilanden zijn wat vegetatie betreft weinig bijzonder. De vegetaties op de dijkhellingen langs de Lek zijn vaak wel bijzonder. Soms zijn ze zeer bloemrijk, waardoor ze in de bloeitijd een zeer fraaie aanblik vormen.

In enkele sloten in polder Vuylcop komen vegetaties van kranswieren voor die kenmerkend zijn voor helder water van goede kwaliteit. Ook is op een enkele plaats Dotterbloem aangetroffen. De Dotterbloem kwam vroeger algemeen voor lang sloten in weilanden, maar de soort is in de periode 1984 tot 2000 ten opzichte van de periode 1975 tot 1984 met circa 50% afgenomen.

Op een aantal forten komen bijzondere vegetaties voor die doen denken aan vegetaties van kalkgraslanden. Aangetroffen soorten op fort Honswijk zijn bijvoorbeeld Bevertjes, Geel walstro, Knolboterbloem Goudhaver, Grasklokje en Aardaker. Binnen de provincie komen dergelijke soorten buiten de forten alleen nog hier en daar op dijkhellingen voor.

Enkele muren van Fort Honswijk zijn fraai begroeid met Steenbreek- en Muurvaren.

OOSTFLANK UTRECHT
De graslandvegetaties op veel forten worden al vele jaren op dezelfde wijze beheerd. Veelal bestaat dat beheer uit het maaien van de vegetatie in de zomer, al dan niet in combinatie met nabeweiding met schapen. Hierdoor hebben zich op veel forten van de Oostflank schrale, vaak bloemrijke graslandvegetaties kunnen ontwikkelen. Op Fort Vechten bijvoorbeeld komen in de schrale graslanden veel Margriet, Gele morgenster, Veldlathyrus en Gewone veldbies voor. Deze geven de graslanden een kleurig aanzien.

Het schrale grasland van de binnenplaats van fort Rhijnauwen wordt jaarlijks gemaaid en nabeweid met schapen. Dit soort oude, stabiel beheerde graslanden komen maar weinig voor. Vaak zijn ze rijk aan kritische paddestoelen. Zo ook het grasland van fort Rhijnauwen dat landelijk vermaard is wegens het voorkomen van een groot aantal zeldzame tot zeer zeldzame paddestoelen, vooral wasplaten. Een aantal van die paddestoelen dragen aansprekende namen zoals Elfenwasplaat, Ridderwasplaat, Bleekbruinstaalsteeltje en Klokhoedsatijnzwam.

Op veel forten komen struweelbegroeiingen voor. Deze struwelen zijn als broedplaats van belang voor talrijke zangvogels. In de hoger opgaande begroeiing komen, dankzij de op de forten heersende rust, roofvogels als Buizerd en Sperwer tot broeden. In de veel langs fortgrachten voorkomende knotwilgen komen veel Steenuilen tot broeden. De lanen naar en tussen de forten zijn vaak eeuwenoude Eikenlanen met een ondergroei die aan open kleibossen doen denken. Vaak komen ook hier bijzonder paddestoelen voor. Voorbeelden zijn de Goudporieboleet en Bruine kleibosgordijnzwam.

Al eerder werd de waarde van forten voor vleermuizen beschreven. Ook in forten gelegen in de Oostflank komen overwinterende vleermuizen voor. Fort Rhijnauwen is daarvan de belangrijkste en één van de belangrijkste overwinteringsplaatsen van vleermuizen in Nederland, niet alleen vanwege de aantallen, maar ook vanwege de soorten die er overwinteren. Jaarlijks worden er van negen soorten circa 400 overwinterende vleermuizen geteld. Van één van die negen soorten, de Grote hoefijzerneusvleermuis, komt maar één exemplaar voor, maar het is wel het enige exemplaar in geheel Nederland!

In het kleinschalige landschap van de forten, de landgoederen en tussenliggende weilanden, sloten en grienden voelt de Ringslang zich goed thuis. De situatie van de Ringslang in de provincie Utrecht is zo precair dat er een apart soortbeschermingsplan voor wordt gemaakt. In de voorzomer kleuren bloeiende Pinksterbloemen slootkanten en vochtige weilanden paars. Vaak vliegt dan er dan ook het Oranjetipje, een dagvlinder die vrijwel alleen op Pinksterbloemen eitjes afzet. Door het veranderde beheer van veel weilanden en sloten neemt de Pinksterbloem sterk af. Hierdoor is het Oranjetipje al op veel plaatsen verdwenen. In de Oostflank komt dit fragiele vlindertje nog zeker voor op de landgoederen Oostbroek en de Niënhof.

Tussen Bunnik en Utrecht ligt het Landgoed Amelisweerd, nu een parkbos met vele oude eiken. Het bos wordt volop als wandelgebied gebruikt. Amelisweerd is vermaard vanwege zijn Stinzenplanten. Met de term ‘Stinzenplanten’ wordt een groep van voorjaarsbloeiende planten bedoeld die, in Nederland, vrijwel alleen voorkomen buitenplaatsen, pastorietuinen, landgoederen en stinzen. Het gaat in de regel om opvallende soorten, vaak met grote, opvallende bloemen. In Amelisweerd komen onder andere Bostulp, Boshyacinth en Italiaanse aronskelk voor. In het vroege voorjaar, wanneer de bomen nog kaal zijn geven deze planten, te samen met vele duizenden Sneeuwklokjes kleur aan het bos. Als de Stinzenplanten bloeien beginnen de Blauwe reigers er weer met broeden in de grote broedkolonie. Al in maart worden de eerste eieren gelegd.

Langs Amelisweerd stroomt de Kromme Rijn. Sinds een aantal jaren vliegt daar weer talrijk de Weidebeekjuffer. Deze fraai gekleurde en opvallende libel, die kenmerkend is voor stromende wateren, kwam tot het midden van de jaren tachtig nauwelijks in de provincie voor. Door de verbeterde waterkwaliteit, met name het zuurstofgehalte, heeft deze soort zich weer kunnen uitbreiden.

Oude beddingen van voorlopers van de Kromme Rijn zijn nu nog in het landschap te herkennen ten noordwesten van Houten. Nabij Bunnik zijn enkele van die oude beddingen weer open gegraven en zijn nu weer nevengeulen van de Kromme Rijn.



VECHTPLASSEN
Het Utrechtse deel van dit uitgestrekte deelgebied omvat de Loosdrechtse plassen en de daar bijhorende moerassen en het Noorderparkgebied. Het is een complex van grote open wateren, petgaten, moerassen, moerasbossen, weilanden en sloten. Daarbinnen liggen de lintbebouwingen van onder andere Loosdrecht, Westbroek, Tienhoven.

De moerassen zijn een overblijfsel van het eertijds aanwezige enorme veengebied. Vanaf de Middeleeuwen is het veen voor turfwinning afgegraven. Vanwege een steeds grotere brandstofbehoefte werd er steeds meer veen afgegraven. Men ging zelfs zover dat er ook onder water veen werd afgegraven. Zo ontstond een, ook aardkundige interessant, uitgestrekt complex van petgaten van elkaar gescheiden door smalle stroken grond, de legakkers. Op de legakkers werd het uitgebaggerde veen te drogen gelegd. Plaatselijk zijn de legakkers door water en wind afgebroken, waardoor uitgestrekt plassen ontstonden.



Nadat het veen verwijderd was werden de petgaten en legakkers aan hun lot overgelaten. Na verloop van tijd groeide het water weer dicht met allerlei waterplanten, waarvan Krabbescheer wel de belangrijkste is. Ook vanaf de kant groeiden er steeds meer planten het water in. En zo ontstond een dunne mat van organisch materiaal die door plantenwortels bijeen werd gehouden, het zogenaamde trilveen. Onder het trilveen bevindt zich nog een laag van 60 tot 120 cm modderig water. Op het trilveen kan je wel lopen, maar bij elke stap golft het op en neer. Door de aanvoer van kwelwater kregen de trilvenen een zeerbijzondere vegetatie met zeer zeldzame zeggesoorten, orchideeën en vleesetende planten. Deze trilveenvegetaties zijn in Europa nergens zo goed ontwikkeld als in het Utrechts plassengebied. Met name de moerassen van de Molenpolder en de Westbroekse zodden zijn vermaard om hun zeer bijzondere moerasvegetaties. Na verloop van tijd gaan deze vegetaties, als er niet door de mens ingegrepen wordt, nog verder verlanden en ontstaan er moerasbossen. Het is begrijpelijk dat dergelijke uitgestrekte moerasgebieden ook veel bijzondere diersoorten voorkomen. Van de vogels zijn dat bijvoorbeeld de Purperreiger. Deze soort broedt alleen in uitgestrekte moerassen met in de buurt daarvan voldoende weilanden en sloten met helder water en veel vis. Buiten Nederland liggen de dichtstbijzijnde broedgebieden van de Purperreigen in Zuid-Europa. Ook de kleinste reigersoort van Europa, het Woudaapje broedt met enkele paren in de moerassen. Voor Purperreiger en Woudaapje is een gecombineerd provinciaal soortbeschermingsplan opgesteld. Ook de Zwarte stern komt in het gebied nog tot broeden, vaak in oude Krabbescheervegetaties. Krabbescheervegetaties zijn in hun voorkomen in West-Europa vrijwel beperkt tot de moerasgebieden van Noordwest-Overijssel en het Utrechts-Hollandse plassengebied. Krabbescheervegetaties zijn de basis van een ingewikkelde levensgemeenschap met soorten die slechts op Krabbescheer voorkomen. Eén van die soorten is de Europees bedreigde libel de Groene glazenmaker. Deze libel zet alleen eieren af op Krabbescheerplanten. Ook voor zoogdieren, vlinders, amfibieën en reptielen zijn de moerassen van bijzondere betekenis.

Deze bijzondere betekenis voor bijvoorbeeld een aantal zeer zeldzame vogelsoorten wordt ook weerspiegeld in de bescherming van het gebied. Vrijwel het hele beschreven onderdeel Vechtplassengebied van de Hollandse waterlinie valt onder de zogenaamde Vogelrichtlijn. Dit is een door Nederland geratificeerd internationaal verdrag dat de bescherming en beheer regelt van vogels, hun eieren en nesten en hun leefgebieden binnen het aangewezen gebied. De lidstaten verplichten zich maatregelen te nemen voor de instandhouding vogelsoorten die karakteristiek zijn voor het gebied of bedreigd of kwetsbaar zijn. Op deze wijze wordt dit zeer bijzondere gebied met zijn bewoners beschermd.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina