Lesvoorbereiding Onderbouw (groep 1/2/3) Zakelijke gegevens



Dovnload 50.14 Kb.
Datum23.08.2016
Grootte50.14 Kb.






Lesvoorbereiding Onderbouw (groep 1/2/3)

Zakelijke gegevens
naam student: Sharon Dokter
stageschool: obs Bargerpaske
Iselinge klas: VR2B mentor/mentrix: Bianca Boeyenk
datum: 3 november 2014 aantal leerlingen: 23 tijd: 10:30-12:00 groep: 1a/2a


Inhoudelijke gegevens:

N.B. bij een speelwerkles (groep ½) of circuitles (groep 3) worden alle inhoudelijke gegevens tot en met de lesdoelen per activiteit ingevuld. Noteer bij de speelwerkles ook welke activiteit extra aandacht of begeleiding van de leerkracht krijgt.



Lesdoelen op verschillende niveaus (gebaseerd op het tussendoel):

proces-/productdoelen; kennis-, vaardigheids-, vormingsdoelen:


1. Stempelen

Inhoudelijke gegevens:

Ontwikkelingsgebied: Taal

Leerlijn: Ontluikende- en beginnende geletterdheid

Tussendoel: Oriëntatie op geschreven taal / Fonemisch bewustzijn en alfabetisch principe

Activiteit: De leerlingen stempelen letters en een woord die met kleding te maken heeft na (broek)

Rol van de leerkracht: Observerend

Organisatievorm: Gebonden opdracht

Materiaalgebruik: Grote en kleine stempels, bladen waar de leerlingen op kunnen stempelen en een voorbeeldblad (jongen met een broek aan, het woord ‘broek’ staat ernaast. De letter b is dikgedrukt).

Werkwijze loopronde: Met de klok mee.

Componenten van de les (of deelactiviteit)

Beginsituatie van de leerlingen op verschillende niveaus:

Groep 1: De leerlingen hebben vaker alleen letters gestempeld. Het is voor hen nog lastig om letters te vinden en te herkennen, vandaar dat ze alleen de ‘b’ moeten stempelen en dit doen ze met de grote stempels.

Groep 2: De leerlingen hebben vaker woorden gestempeld. Ze kunnen de letters al vinden en krijgen daarom een heel woord dat ze gaan stempelen (broek). De leerlingen van groep 2 mogen met de kleine stempels stempelen.



Lesdoelen op verschillende niveaus (gebaseerd op het tussendoel)

Proces-/productdoelen; kennis-, vaardigheids-, vormingsdoelen:

Groep 1: De leerlingen weten dat gesproken woorden kunnen worden vastgelegd op papier (kennis, product).

Groep 2: De leerlingen weten dat woorden zijn opgebouwd uit klanken en dat letters met die klanken corresponderen (kennis, product).


2. Collage maken (zomer- en winterkleding)

Inhoudelijke gegevens:

Ontwikkelingsgebied: Muzisch (kunstzinnige oriëntatie)

Leerlijn: Kunstzinnige oriëntatie

Tussendoel: Materiaal en techniek

Activiteit: De leerlingen maken een collage met twee vlakken. Aan de ene kant komt zomerkleding en aan de andere kant winterkleding

Rol van de leerkracht: Begeleidend en stimulerend

Organisatievorm: Gebonden opdracht

Materiaalgebruik: Tijdschriften, bladen om op te plakken, scharen en plakstiften.

Werkwijze loopronde: Met de klok mee.

Componenten van de les (of deelactiviteit)

Beginsituatie van de leerlingen op verschillende niveaus:

Niveau 1: De leerlingen weten het verschil tussen zomer- en winterkleding, maar dit is niet erg breed. Zij zullen echt duidelijke zomerkleding (bikini, rokjes, jurkjes, korte broeken etc.) en duidelijke winter­kleding (winterjas, sjaal, handschoenen etc.) opplakken.

Niveau 2: De leerlingen weten het verschil tussen zomer- en winterkleding. Zij zullen bijvoorbeeld ook een shirt met lange mouwen opplakken en kunnen uitleggen waarom zij dit bij de zomer- of win­ter­kleding hebben geplakt.



Lesdoelen op verschillende niveaus (gebaseerd op het tussendoel)

Proces-/productdoelen; kennis-, vaardigheids-, vormingsdoelen:

Niveau 1: De leerlingen kiezen erg duidelijke zomer- en winterkleding uit en plakken die aan de goede kant op. Er is duidelijk te zien dat dit bij zomer- of winterkleding hoort. De leerlingen kunnen het uitleggen waarom dat zo is (vaardigheid, product).

Niveau 2: De leerlingen kiezen kleding waarvan zij vinden dat het bij zomer- of winterkleding hoort en plakken die aan de goede kant op. Sommige kleding kan aan beide kanten en de leerlingen kunnen hun uitleg geven waarom zij vinden dat het bij zomer- of winterkleding hoort (vaardigheid, product).


3. Themahoek: dit-ben-ik-hoek

Inhoudelijke gegevens:

Ontwikkelingsgebied: Zaakvakken (natuur)

Leerlijn: Onderzoekend leren

Tussendoel: Experimenteren, verwerken en concluderen

Activiteit: De leerlingen zijn in de hoek bezig met onderzoekend leren. Ze zijn in de hoek vrij en kunnen expe­rimenteren met meten en wegen. Ze kunnen zichzelf meten en wegen, maar natuurlijk ook voorwerpen.

Rol van de leerkracht: Observerend en stimulerend

Organisatievorm: Vrije opdracht

Materiaalgebruik: meetinstrumenten (meetlint, schoenmaatmeter) en weeginstrumenten (verschillende soorten weegschalen).

Werkwijze loopronde: Met de klok mee.

Componenten van de les (of deelactiviteit)

Beginsituatie van de leerlingen op verschillende niveaus:

Groep 1: De leerlingen zullen nog niet vaak met zulke materialen hebben gewerkt, het is bij hen nog nodig om te stimuleren wat ze ermee kunnen.

Groep 2: De leerlingen zullen vaker met zulke materialen hebben gewerkt, daarom kunnen zij vrij experimente­ren met de materialen.



Lesdoelen op verschillende niveaus (gebaseerd op het tussendoel):

Proces-/productdoelen; kennis-, vaardigheids-, vormingsdoelen:

Groep 1: De leerlingen gaan experimenteren met de materialen, met af en toe aanwijzingen van de leerkracht.

Groep 2: De leerlingen gaan vrij experimenteren met de materialen en kunnen zo tot conclusies komen.


4. Kralenplank

Inhoudelijke gegevens:

Ontwikkelingsgebied: Sensomotorisch

Leerlijn: Fijne motoriek

Tussendoel: Kleuren herkennen en patronen nabootsen

Activiteit: De leerlingen leggen patronen na die te maken hebben met het thema kleding (broek en jurk bijvoor­beeld).

Rol van de leerkracht: Observerend

Organisatievorm: Keuze opdracht

Materiaalgebruik: kralenplanken en voorbeelden van patronen.

Werkwijze loopronde: Met de klok mee.

Componenten van de les (of deelactiviteit)

Beginsituatie van de leerlingen op verschillende niveaus:

Niveau 1: De leerlingen herkennen kleuren, maar hebben moeite met het nabootsen van patronen (het uittel­len).

Niveau 2: De leerlingen herkennen kleuren en kunnen door goed te tellen patronen nabootsen.



Lesdoelen op verschillende niveaus (gebaseerd op het tussendoel):

Proces-/productdoelen; kennis-, vaardigheids-, vormingsdoelen:

Niveau 1: De leerlingen proberen de patronen na te bootsen door de goede kleuren te gebruiken en uit te tellen, zij kiezen een vrij eenvoudig patroon met weinig kleuren en niet heel veel kralen.

Niveau 2: De leerlingen boosten de patronen na met goede kleuren en tellen goed uit, zij kiezen een patroon met meer kralen en meerdere kleurtjes.


5. Memory

Inhoudelijke gegevens:

Ontwikkelingsgebied: Taal

Leerlijn: Ontluikende- en beginnende geletterdheid

Tussendoel: Oriëntatie op geschreven taal

Activiteit: De leerlingen doen een memory met daarop kledingstukken. Door dit samen te doen, worden de namen van de kledingstukken hardop gezegd en dit is goed voor de taalontwikkeling.

Rol van de leerkracht: Observerend en stimulerend

Organisatievorm: Gebonden opdracht

Materiaalgebruik: Memorykaartjes

Werkwijze loopronde: Met de klok mee.

Componenten van de les (of deelactiviteit)

Beginsituatie van de leerlingen op verschillende niveaus:

Niveau 1: De leerlingen kennen memory, maar gebruiken hierbij niet alle kaartjes, zodat het voor hen goed te doen is.

Niveau 2: De leerlingen kennen memory en gebruiken hierbij alle kaartjes, voor hen is dat een uitdaging.



Lesdoelen op verschillende niveaus (gebaseerd op het tussendoel):

Proces-/productdoelen; kennis-, vaardigheids-, vormingsdoelen:

Niveau 1: De leerlingen pakken de helft van de kaartjes en gaan daarmee memory doen. Wanneer zij kaartjes omdraaien, zeggen ze wat er ligt, zo zijn ze echt met de kledingstukken bezig.

Niveau 2: De leerlingen gebruiken alle kaartjes en gaan daarmee memory doen. Elke keer als ze kaartjes om­draaien, zeggen ze wat er ligt, zo zijn ze met de kledingstukken bezig.


Verdere activiteiten (keuze opdrachten):

In dit lokaal is een constructiehoek, taal-kast en rekenkast te vinden. Hier kunnen de leerlingen kiezen om de bouwhoek in te gaan of iets met taal of rekenen te gaan doen.

In het lokaal zijn puzzels, kralenplanken en boekjes.

Achter in het lokaal staan ook nog twee computers, daar kunnen de leerlingen ook voor kiezen.


Doelen

Persoonlijk leerdoel (gericht op competenties):


Interpersoonlijk competent; deeltaak 53. Jonge leerlingen aanspreken op wat ze kunnen en hun de ruimte geven om zelf te kiezen. Dit doe ik door bij de uitleg leerlingen te vertellen wat zij kunnen en dat zij voor de speelwerk-les dit kunnen kiezen.

Pedagogisch competent; deeltaak 54. Leerlingen bemoedigend begeleiden, rekening houdend met hun basisbehoeften. Tijdens de speelwerk-les loop ik rond en moedig ik de leerlingen aan met wat zij kunnen, hiermee hou ik rekening met hun basisbehoeften.

Vakinhoudelijk en didactisch competent; deeltaak 59. Het ontwerpen van hoeken waarin leerlingen actief kunnen spelen en leren. Bij de speelwerk-les is een dit-ben-ik-hoek. Hierin kunnen de leerlingen actief en on­der­zoekend leren. Er staan allerlei weeg- en meetmaterialen.



lesfase


tijd


didactische route (wat doen de kinderen?)
leerstof leerling leefwereld



interventies van de leerkracht


organisatie en hulpmiddelen



inleiding


10’

3’

3’


Deze eerste stap geldt voor de speelwerk-les van maandagochtend.

X

De leerlingen luisteren naar de leerkracht die de uitleg van de speelwerk-les geeft en krijgen te horen dat het allemaal met het thema ‘kleding’ te maken heeft (gekoppeld aan een prentenboek).



X

De leerlingen luisteren naar de leerkracht die kort aangeeft wat er aan welke tafels wordt gedaan.

X

De kinderen mogen met behulp van het kiesbord kiezen wat ze deze



speelwerk-les willen doen.

De leerkracht legt de werkjes uit van de speel­werk-les uit en geeft de op­drachten die in de hoeken worden uit­ge­voerd. De leerkracht laat ook de platen van de kralenplan­ken zien waar de leerlingen mee gaan wer­ken. De leer­kracht laat voor de col­lage het blad zien waarop ze gaan plakken en voor het stempelen ver­telt hij welke letter of welk woord ze moeten stempelen.


De leerkracht vertelt aan welke ta­fels de verschillende werkjes moet worden gedaan en geeft als laatste aan dat de leerlingen die uit de kast kiezen een eigen plek mogen zoe­ken.
De leerkracht laat de leerlingen kie­zen m.b.v. het planbord.

Alle benodigdheden voor de werkjes: afbeelding voor het stempelen, tijdschriften en bladen voor de collage, een aantal materialen van de dit-ben-ik-hoek, kralen­plank voorbeelden en me­mo­ry­kaartjes.

De leerlingen zitten allemaal op hun eigen plek.

De leerlingen zitten allemaal op hun eigen plek.


Hulpmiddelen: planbord.

kern


3’
60’



X

De leerlingen pakken de materialen die ze nodig hebben voor hun activiteit.


X

De leerlingen gaan zelfstandig aan het werk met de activiteiten.


X

De leerlingen die gaan stempelen worden door de leerkracht geholpen door een korte uitleg, hij geeft de grote en kleine stempels en deelt de bladen uit.

X

De leerlingen die de collage gaan maken worden gewezen op de opdracht (zomer- en winterkleding zoeken en goed opplakken).


De leerkracht geeft aan dat de leerlingen de materialen die ze nodig hebben mogen pakken en helpt zelf waar nodig is (stempelen en collage).


De leerkracht zet de groepen zelfstandig aan het werk.
De leerkracht helpt de kinderen die gaan stempelen en legt de opdracht kort uit.
De leerkracht loopt rond om te kijken hoe het bij de verschillende activiteiten gaat.
De leerkracht vraagt of leerlingen voorbeelden kunnen noemen en dan deelt de leerkracht de bladen uit. In het midden van de tafel liggen de tijdschriften. Ook de scharen en plakstiften zijn verdeeld.
De leerkracht kijkt of de kinderen in de hoek goed met de materialen omgaan en kan hierbij stimuleren als dat nodig is.
De leerkracht kijkt of de leerlingen, die zelfstandig aan het werk zijn, het allemaal goed doen en of het lukt.
De leerkracht kijkt bij de leerlingen die aan het stempelen zijn of ze niet vastlopen.

De leerkracht kijkt bij de leerlingen die een collage maken of het allemaal lukt en of ze niet vastlopen.


Organisatie: tafelgroepen.

Hulpmiddelen: blad met het woord ‘broek’ erop, bladen om op te stempelen, grote en kleine stempels.
Loopronde: met de klok mee.
Hulpmiddelen: tijdschriften, bladen om op te plakken, zonnetjes en sneeuwpop­pen, scharen en plakstiften.

Materialen: meet- en weeg-materialen.

Materialen: grote en kleine stempels, bladen om op te stempelen en het voor­beeld­blad.
Materialen: tijdschriften, bladen om op te plakken, zonnetjes en sneeuwpop­pen, scharen en plakstiften.


afsluiting

5’


X

De leerlingen ruimen hun spullen op. De werkjes die af zijn, worden opgehangen. Alle leerlingen gaan ook weer op hun eigen plek zitten.


De leerkracht geeft aan dat de kin­de­ren moeten opruimen en helpt de leerlingen die de collages hebben ge­­maakt en hebben gestempeld.


Alle materialen die zijn gebruikt tijdens de speel­werk-les worden opgeruimd.




Hoe evalueer je met de leerlingen (per activiteit) de resultaten? Beschrijf ook of dit individueel, per tafelgroep of klassikaal wordt gedaan

Per activiteit vraag ik na de tijd hoe ze het vonden en of het is gelukt (klassikaal).

Wanneer er werkjes af zijn, bekijk ik hoe ze het hebben gedaan.







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina