Leuven  ola stage godsdienst 1 observatiestage centrum Academische Lerarenopleiding



Dovnload 214.49 Kb.
Pagina1/5
Datum27.08.2016
Grootte214.49 Kb.
  1   2   3   4   5



T

Faculteit Theologie en Religiewetenschappen

Sint-Michielsstraat 6

B-3000 Leuven

KATHOLIEKE

UNIVERSITEIT

LEUVEN




OLA STAGE GODSDIENST 1

OBSERVATIESTAGE

Centrum Academische Lerarenopleiding

http://www.kuleuven.be/thomas/hoger_onderwijs/slo/

2013-2014



INHOUDSTAFEL

1. Toelichting p. 3

1.1. Bedoeling p. 3

1.2. Verschillende aspecten p. 3

1.3. Een invalshoek kiezen p. 4

1.4. Afspraak met de stagementor p. 4

1.5. Hoe rapporteren p. 5

2. Toelichting voor de stagementor m.b.t. de observatietaken p. 6

3. Observatietaken p. 7

1. Identiteitsprofiel en leercontext van een klasgroep p. 7

2. Diversiteit p. 10

3. Motivatie p. 13

4. Structuur van de godsdienstles p. 14

5. Leerinhoud: aaneren van (theologische) begrippen en woordbetekenissen p. 15

6. Leerinhoud: het leren van de christelijke godsdienst p. 16

7. Het stellen van vragen p. 17

8. Didactische werkvormen p. 19

9. Evaluatie p. 20

10. Hermeneutische knooppunten p. 21

4. Voorbeeld van verslaggeving van observatie p. 22

5. Bibliografie p. 27


1.
TOELICHTING


1.1. Bedoeling
De luisterstage heeft betrekking op de didactische observatie, nl. de waarneming van het onderwijsleerproces zoals het zich in de klas concreet ontwikkelt. Met observatie wordt hier dus bedoeld: het systema­tisch beschrijven van het waargenomen gedrag van leraar en leerlingen volgens een systeem van didactische gedragscategorieën. De observator komt op die wijze zo dicht mogelijk bij het concrete gebeuren, zonder er zelf rechtstreeks bij betrokken te zijn. In feite behoort de observator ook tot het totale gebeuren. De aanwezigheid in het lokaal beïnvloedt heet hele gebeuren.
Ontegensprekelijk biedt iedere observatie een beperkte, gereduceerde beschrijving van de werkelijkheid (de godsdienstles), ook al kunnen bepaalde aspecten kwantitatief weergegeven worden.

Een viertal factoren kunnen de weergave van de werkelijkheid vertekenen. De omstandigheden kunnen de waarneming bemoeilijken. De observatie gebeurt door waarnemende personen; verschillende personen kunnen dezelfde gebeurtenissen in de klas op verschillende wijze waarnemen en interpreteren. De waarneming is ook steeds selectief; niet alles kan tegelijkertijd waargenomen worden. Uiteindelijk kan de interpretatie van het waargenomene het beeld van de werkelijkheid vervormen.

Daarom wordt in de luisterstage de didactische invalshoek benadrukt om een objectiverende vorm van waarnemen te waarborgen. Dit wordt mogelijk geacht omdat het didactisch handelen doelgericht is en een model volgt van min of meer stabiele interacties tussen de betrokkenen (het onderwijsleerproces). In dit verband bestaan vele schema's om bv. de verbale interactie te observeren, of de cognitieve inhoud, de discipline, het niet verbaal gedrag, enz.
Het is belangrijk hierbij op te merken dat de observator poogt te beschrijven wat de leerkracht en de leerlingen doen in het kader van de les. Het gaat dus niet om een kritische beoordeling. Tevens wordt de waarnemer verondersteld voldoende afstand te kunnen nemen van wat het lesgebeuren bij hem/haar oproept.

Door zich te oefenen in het objectiverend waarnemen krijgt de kandidaat leraar duidelijker inzicht in het didactisch handelen. In het licht daarvan kan naderhand het eigen optreden als leerkracht doeltreffen­der beleefd worden.



1.2. Verschillende aspecten
Het leerresultaat van de luisterstage is ook afhankelijk van de intentionele (beperkende) concentratie op het lesverloop en deelaspecten van het onderwijsleerproces. Deze inspanning wordt ondersteund door observatieta­ken.

De achttien hiernavolgende taken leunen enerzijds aan bij het theoretisch didactisch model waarnaar zowel in de opleiding als in de leerplannen godsdienst verwezen wordt. Door de observatie wordt de aandacht gericht naar de wijze waarop deze principiële structurering in een concrete les is terug te vinden. Anderzijds wordt de stagiair uitgenodigd aandacht te schenken aan de bijzondere omstandigheden en de eigen stijl waardoor een les mede bepaald wordt. De observatietaken willen een directe hulp zijn om het didactisch handelen te begrijpen.


Overeenkomstig de afspraken binnen de praktische oefeningen kunnen volgende aspecten in aanmerking komen:



  1. identiteisprofiel en leercontext van een klasgroep

  2. globale, intuïtieve observatie,

  3. motivatie,

  4. structuur van de godsdienstles,

  5. leerinhoud: het aanleren van (theologische) begrippen en woordbetekenissen,

  6. leerinhoud: het leren van de christelijke godsdienst,

  7. het stellen van vragen,

  8. didactische werkvormen,

  9. evaluatie,

  10. leermiddelen

Voor iedere taak worden een aantal concrete aandachtspunten gesuggereerd om de waarneming te oriënteren.



1.3. Een invalshoek kiezen
Het ligt voor de hand dat al deze aspecten niet noodzakelijk in één en dezelfde les, noch in het kader van één enkel thema aan bod komen. Evenmin komen zij bij één en dezelfde leerkracht, noch t.a.v. gelijke welke groep leerlingen voor. Het onderwijsleerproces kan immers op vele wijzen doeltreffend en verantwoord opgebouwd worden. De begaafdheid, de ervaring en de mogelijkheden van de leerkrach­ten en leerlingen, de bijzondere situatie waarin zij samenwerken spelen hierin ook een rol. Het is theoretisch wenselijk dat al deze dimensies in het kader van een luisterstage in aanmerking genomen worden. Maar dit is niet noodzakelijk, en in de praktijk zal het zelden voorkomen dat alle aspecten in één en dezelfde les inderdaad expliciet te herkennen zijn.
Vanzelfsprekend komt slechts één observatietaak in aanmerking voor één en dezelfde les, indien men de bedoeling heeft een deelaspect nauwkeurig weer te geven. Daartoe zijn een selectieve aandacht en concentra­tie noodzakelijk om de bedoelde gegevens te kunnen verzamelen en er een indringende beschrijving van te geven. Daardoor komen andere (interessante) aspecten onvermijdelijk op de achtergrond te staan of worden helemaal niet in aanmerking genomen. Van de stagiair wordt dus verwacht dat hij/zij, althans voor een tijd, de aandacht specifiek richt op een deelaspect van het lesgebeuren. Dit is eigen aan de discipline van de didactische observatie.

1.4. Afspraak met de stagementor
Leerkracht en stagiair moeten duidelijk inzien dat het hier gaat om een informatieve observatie, m.n. het begrijpen van wat er precies in heet didactisch handelen gebeurt, en niet om een beoordeling ervan.

Iedere observatietaak bevat een beperkt aantal te observeren punten. Er kan tevens onderscheid gemaakt worden tussen een aanvankelijke observatie in de eerste licentie, en meer verdiepende, specifiek didacti­sche interesse in de twee licentie. Dit onderscheid wordt in de taken aangeduid. Het komt de stagiair toe te bepalen welke punten in aanmerking komen voor de observatie. Hierbij dient met de eigen aard van de les en met de omstandigheden rekening gehouden te worden.

Het is dus wel noodzakelijk de keuze van de observatietaak vooraf met de stagementor te bespreken. Het heeft nl. geen zin het "stellen van vragen" te willen observeren in een les waar de leerkracht niet van plan is vragen te stellen. Dergelijke 'misverstanden' leiden tot frustratie en ontmoediging. De rapporte­ring en bespreking achteraf bieden dan erg beperkte mogelijkheden. Het spreekt dan ook vanzelf dat de observatie in dat opzicht met de nodige soepelheid voorbereid wordt.

1.5. Hoe rapporteren?
Een goede rapportering omvat drie fasen: de voorbereiding van de observatie, de eigenlijke verzameling van gegevens, en het opstellen van het eindrapport. De voorbereiding heeft betrekking op het kiezen van de bijzondere invalshoek die bij de observatie vooral de aandacht zal krijgen. De eigenlijke observatie bestaat erin geduldig gegevens te verzamelen, wellicht méér dan wat in het eindrapport opgenomen wordt: wat gebeurt, wat gezegd wordt m.b.t. de concrete punten, dient zo volledig en nauwkeurig mogelijk genoteerd te worden.

Het eindrapport bevat een gesystematiseerde weergave van de relevante gegevens m.b.t. de opdracht, zodat een bespreking mogelijk wordt van wat door de observatie duidelijker is geworden.

Het volstaat dus niet een louter materiële weergave te bieden van de gedane observaties. Ze dienen tevens geordend te worden, zodat de stagiair kan aangeven in welke zin de observatie heeft geleid tot een leer-resultaat. Dat vraagt enig werk nà de observatie in de klas.
In sommige gevallen zal het noteren van het chronologisch verloop van de les vooral de aandacht krijgen. Na de les worden de notities geordend en in een klare formulering samengevat. Zij geven dan aanleiding tot bedenkingen omtrent de betekenis van wat geobserveerd wordt, of tot vragen.

In andere gevallen dient het materiaal verwerkt te worden om een objectiverende beschrijving te bereiken, bv. het identificeren van het cognitief niveau van vraag-en-antwoord sequenties.

Voor enkele taken dient (vooral) een rooster klaargemaakt te worden om de inhoudelijke gegevens te ordenen.
Het verslag van een observatietaak wordt kernachtig en overzichtelijk in een tweetal bladzijden opgesteld en omvat dus de observatiegegevens en een bespreking, met een eindbesluit. Hier kan dus melding gemaakt worden van vragen of bedenkingen die de stagiair zich persoonlijk stelt omtrent zowel de inhoudelijke als methodologische aspecten van de les. Zij komen in aanmerking voor verdere bespre­king met de stagementor of op andere momenten van de opleiding.

Elk observatieverslag wordt bij de eerstvolgende gelegenheid met de stagementor besproken. Deze leest en handtekent het verslag en bezorgt het aan de student terug.

Alle verslagen worden in de stagemap bewaard en samen met de stagemap aan de externe lector op de voorziene datum afgegeven.



  1. TOELICHTING VOOR DE STAGEMENTOR
    M.B.T. DE OBSERVATIETAKEN

De observatiestage biedt de gelegenheid om op rustige, enigszins afstandelijke wijze het lesgebeuren te volgen en duidelijker inzicht te krijgen in de didactische opdracht van de godsdienstleerkracht.



Deze momenten hebben zin bij de aanvang van de opleiding. Ze laten de stagiair toe zich enigszins in te leven in de rol van de leerkracht en modellen en werkwijzen te zien om het eigen optreden te anticiperen. Anderzijds kan het nuttig zijn, in aansluiting bij zelf gegeven lessen, enkele observatieoefe­ningen in te schakelen, teneinde bijzondere aspecten met grotere nauwkeurigheid te volgen en de eigen vaardigheid te verscherpen. De schoolstage wordt in die zin dus opgevat als een wisselwerking tussen verschillende wijzen om betrokken te zijn bij het klasgebeuren.
De gerichte aandacht bij de observatie vraagt evenwel concentratie en enige oefening. De stagiair heeft er een taak te vervullen, en het dient een leer-ervaring te zijn. Het uiteindelijk doel is zelf zo goed mogelijk leren werken met de leerlingen. Het is daarom belangrijk dat de student zich kan voorberei­den op de selectieve waarneming van het lesgebeuren, teneinde relevante gegevens te verzamelen die uiteindelijk zullen leiden tot een dieper inzicht in één of ander aspect van het didactisch optreden van de leerkracht.
De observatie vormt bijgevolg een aspect van de samenwerking tussen de stagementor en de kandidaat-leraar. Het zou jammer zijn indien de student alleen gelaten wordt met observatietaak als zou die volledig buiten het klasgebeuren liggen. Alhoewel niet direct actief betrokken bij de les, zit de student in het klaslokaal en beïnvloedt hij/zij de situatie. De student wordt ook geraakt door wat er gebeurt in de klas. Het is belangrijk dat observator, leerkracht en leerlingen in de juiste relatie staan tot elkaar, dus van elkaar weet hebben, en de nodige grenzen erkennen.
In dat opzicht zal de student erop rekenen dat de observatie kan voorbereid worden met de stagemen­tor. Om de taak voor te bereiden zal de student vóór de les contact opnemen om van de stagementor te vernemen op welke wijze de te observeren les zal verlopen, zodat de observatietaak kan aansluiten bij wat in werkelijkheid de nadruk zal krijgen. Vanuit de opleiding wordt de aandacht vooral gericht op enkele brede aspecten van het onderwijsleerproces: de motivatie, de structuur van de godsdienstles, de (godsdienstige) leerinhoud, het stellen van vragen, de didactische werkvormen, de evaluatie. Binnen de meeste observatieta­ken wordt bovendien onderscheid gemaakt tussen aanvankelijke opdrachten en meer verdiepende interessepun­ten. Dit onderscheid houdt een verschil in moeilijkheidsgraad in dat de evolutie van eerste en naar tweede licentie kan ondersteunen, maar dit is geen absolute norm.
Van de stagementor wordt dus een dubbele bijdrage verwacht m.b.t. de observatieopdrachten. Vóór de les aanduiden in welke zin een observatie voor de student dienstig kan zijn. Bv. als voorzien wordt dat een uitvoerig onderwijsleergesprek zal opgezet worden, dan kan dit een gelegenheid zijn om bijzondere aandacht te schenken aan de opbouw van de vraag-en-antwoord sequenties. Als er vooral gedoceerd zal worden kan eerder aandacht gegeven worden aan de structuur van de les, of het behandelen van de leerinhoud. Ná de les is het nuttig het resultaat van de observatie te bespreken en aandacht te geven aan wat de les bij de student heeft losgewerkt.

De rapportering is, naast de materiële weergave van het lesgebeuren, ook de neerslag van wat de student dank zij de observatie beter of anders heeft begrepen m.b.t. het godsdienstonderricht.

Vooral in de eerste licentie kan de observatieopdracht problemen stellen. Een goede communicatie en aandacht voor het uitvoeren van de observatie kan bijdragen tot het nut van deze oefening.

3.
OBSERVATIETAKEN


OBSERVATIETAAK 1:




  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina