Leven is voortdurend afscheid nemen



Dovnload 21.93 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte21.93 Kb.
Leven is voortdurend afscheid nemen.

Verlieservaringen bekeken vanuit een contextueel kader.

Door Petra Hofman (vrij bewerkt door Herberd Prinsen)
Verlies ervaringen bekeken vanuit de contextuele theorie.

Rouw is het geheel van reacties dat optreedt na het verlies van een persoon (maar ook van een der of iets anders), met wie een betekenisvolle relatie bestond. Zonder band met een ander, is er namelijk geen rouw mogelijk. Rouw is eigenlijk de prijs die betaald wordt, voor de band die men met iemand had. Hierbij maakt het niet uit of dit een positieve of negatieve band was. Beiden kunnen aanleiding geven tot intense rouw.

Bij rouw wordt vaak gedacht aan volwassen mensen, maar ook kinderen rouwen. Ook een kind kan worden geconfronteerd met verles van een dierbaar iets of iemand.
Verlies ervaringen horen bij het leven. Dit begint al heel vroeg, bijvoorbeeld bij de geboorte. Als het kind de baarmoeder verlaat, ondergaat het een grote verlieservaring. Deze is noodzakelijk om aan iets nieuws te beginnen. Zo zijn er in het leven vele verlieservaringen die noodzakelijk zijn om te groeien. We kunnen hierbij stellen dat de mens de mogelijkheden heeft om op een groeiende manier met deze verliezen om te gaan. Pas als het niet meer lukt om hier mee om te gaan, is er hulp nodig.
Veel hulpverleners hebben zich gericht naar d beleving. Ze hebben gekeken naar hoe iemand gevoelsmatig reageert op een verlies en hem daarin begeleidt. De theorie over rouwverwerking sluit hier ook bij aan. Er zijn veel boeken geschreven die de verliesverwerking als proces van bewust wording zien, zoals Polspoel.

Ik denk verder aan J. Viorst met haar boek “het noodzakelijk verlies” of aan E. Kubler Ross(1971) en de faseringen in het rouwproces (ontkenning – marchanderen en onderhandelen – woede en boosheid – depressie en aanvaarding). Maar ook aan Bowlby (1961 en 1980) en Parkes welke de volgende fases kennen: ontkenning – marchanderen en onderhandelen – woede en boosheid – depressie en aanvaarding.

De Amerikaanse psychiater W. Worden gaat er vanuit dat mensen, na het verlies van een dierbare, vier taken dienen te volbrengen. (1. Het aanvaarden van het verlies. 2. Het voelen van de pijn die het gevolg is van verlies. 3. Het aanpassen aan een leven en een situatie waar de overleden dierbare geen deel meer van uitmaakt. 4. De overledene emotioneel een plek geven en verder leven zonder de overledene.)
Concluderend ka gesteld worden dat al deze personen zich plaatsen binnen de individueel gerichte modellen van hulpverlening. Maar rouwen doe je niet alleen.

Het is belangrijk om rouwen e verdriet in de context te plaatsen. Dus te kijken naar de persoon die een verlieservaring heeft opgedaan en naar zijn omgeving.

Samen te zoeken met de mensen die op een of andere manier ook rouwen om het verlies, samen te zoeken naar de betekenissen van het verlies. Het s belangrijk dat betekenissen bespreekbaar worden gemaakt. Dit om zo te kijken naar wat mensen voor elkaar kunnen betekenen.
Bij de contextuele hulpverlening richten we ons op de feiten, de beleving, de interactie en op de ethische relationele dimensie: op de balans van geven en ontvangen in de horizontale en verticale relaties.

We vertrekken vanuit de overtuiging dat alle familieleden behoefte en baat hebben bij betrouwbare relaties. In de contextuele visie zijn die het resultaat van: gepast krediet geen, verantwoordelijk reageren, zorg voor de billijke verdeling van relationele baten en lasten.


In het dagelijkse leven komen verschillende vormen van verlies naar voren. Deze zijn in het algemeen als volgt te onderscheden:

  1. Een feitelijk verlies ervaring met geen ruimte meer voor directe dialoog. Hiervan sprake bij de dood, de ander is er niet meer.

  2. Een feitelijke verlieservaring (echtscheiding van ouders, loslaten van kinderen, ziek zijn), waarbij de personen nog wel aanwezig zijn, maar er een belemmering is in de feiten. De mogelijkheid tot rechtstreeks aanspreken blijft bestaan.

  3. Een verlies ervaring m.b.t. de dialoog in de balans van geven en ontvangen.

Ad 1.


De dood, zorgt voor een breuk op de generatie lijn. Men kan niets meer ontvangen, maar ook niets meer geven aan de betreffende persoon. Dit doet pijn, welke nog lang voelbaar zal blijven. Het verlangen om te geven aan iemand die men graag ziet/zag, blijft aanwezig. Door hierover te spreken met andere overlevenden, kan de verbondenheid tussen hen groeien.

Rouwen betekent in deze dat men de emotionele relatie met de overledene afwerkt en beëindigt. Soms werken overlevenden elkaar tegen, ontstaat er een conflict waardoor het herstel wordt vertraagd. Anderzijds kunnen overlevenden ook een hefboom zijn om tot herstel te komen.

De dialoog aangaan met andere overlevenden is nodig om te kijken naar wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Oude patronen (bijv. parentificatie) zulle aan de orde moeten worden gesteld om verder te kunnen komen. Hierbij is timing erg belangrijk.

Ook het eventueel inrichten van een moratorium is belangrijk, waarin mensen eerst de kans krijgen om aan andere dingen te werken (kiemen leggen).


Ad 2.

In deze is het belangrijk om te kijken naar wat er op de vierde dimensie gebeurd. Belangrijk is om te kijken naar wat betekent t.a.v. een echtscheiding bijvoorbeeld. Het kind ervaart dat het niet bij een van de ouders kan gaan wonen. Het kind zal zich vele vragen stellen over wat zijn schuld hieraan is. Wat heeft het gegeven, en wat ontvangen? Wat kan het nog doen? Wat wil het graag nog weten en kan et dat nog vragen? Door hierover in gesprek te gaan, kan men komen tot begrip voor elkanders situatie en komen tot ontschuldiging van de ouders.

Door het kind de ruimte te geven om gepast te zorgen / te geven en zich zelf te leren afbakenen, vermindert de neiging tot schuldgevoel. Dit verlicht het verdriet. Hierbij is ook aandacht nodig voor het kind zijn (zijns en verworven) loyaliteiten. Mag het kind openlijk loyaal zijn aan beide ouders, is er sprake van onzichtbare loyaliteit of zelfs van gepleten loyaliteit? Hoe is de relatie t.a.v. stiefouders?

Ad 3


De essentie van dialoog is de wederkerigheid in de betrokkenheid. Deze staat niet alleen voor de gespreksdialoog, maar voor een uitdrukking van wederkerige betrokkenheid op elkaar. Pas als er geen actie meer is, spreken we van een verlies van dialoog in de balans van geven en ontvangen. Om hier verandering in aan te brengen dien je als hulpverlener steeds in te zetten op aanzet tot verandering (moratorium, hulpbronnen activeren). Niet dat wat wordt gezegd, gevoeld, bedoeld, maar dat wat wordt gedaan (ACTIE) zorgt voor effect op de balans. Gepaste zorg.
Kinderen, verlieservaringen en rouw.

Kinderen rouwen net als volwassenen. Ook zij hebben verdriet en ervaren pijn bij het wegvallen van een dierbare binnen hun context. Kinderen beleven verdriet om het grote gemis, niet om de dood / het verlies zelf. Het is de pijn van het gemis die vragen laat rijzen over het onbekende. Zij uiten hun verdriet meestal open en spontaan, mits er iemand is die hen opvangt. Voor hen is het erg belangrijk dat er iemand is op wie ze kunnen bouwen. Die ze kunnen vertrouwen. Iemand die hen veiligheid biedt. Iemand die hen uitlegt wat er is gebeurd, de hen de waarheid op een begrijpelijke manier laat vernemen. Iemand die er voor hen is, die hen helpt te begrijpen, te verdragen en te aanvaarden. Jonge kinderen hebben niet de mogelijkheid om hun gevoelens via taal te uiten / begrijpen. Het is belangrijk om te beseffen dat het uiten van rouwgevoelens iets anders is dan het ervaren van rouwgevoelens. Kinderen hun rouw, komt vaak tot uitdrukking in (fantasie)spel en tekeningen, klei-werkjes, etc. Ook in hun gedrag laten ze zien wat er in hen omgaat: agressie, boos zijn, zich terugtrekken, overdreven vrolijk zijn en veranderende schoolprestaties. B. Raphaël wijt op het belang van het behoud van een veilige gehechtheid aan de ouder of aan iemand die de ouder vervangt.

Als het leven met anderen gedeeld wordt, ontstaat er communicatie, nabijheid en verbondenheid. “Ik en de pijn – Wij en de gedeelde pijn”.
Kinderen, die te maken hebben met een verlieservaring, maken zich vaak zorgen over bijvoorbeeld de overgebleven ouder. Ze belasten zichzelf of worden belast (parentificatie) met taken die niet bij hun leeftijd horen. Ze voelen zich ook vaker schuldig of verantwoordelijk voor het verdriet van hun ouders. Dit terwijl ze zelf de kracht nodig hebben om het verlies te verwerken. Ze worden heen en weer geslingerd tussen kiezen voor zichzelf en hulp/troost bieden aan de ander. Ook denken kinderen soms dat wat hen overkomt een straf is en dat beangstigd hen.

Kinderen kunnen met een versnelde groei naar volwassenheid geconfronteerd worden. Regelmatig worden zij bij latere verlieservaringen geconfronteerd met nog (deels) onverwerkte rouw uit het verleden.


Het feit dat een traumatische gebeurtenis op jonge leeftijd plaats vindt / heeft plaatsgevonden, maakt dat deze ervaring diepgaande invloed kan hebben op de ontwikkeling van de persoonlijkheid en identiteit van de persoon.

Een aantal oorzaken hiervan kunnen zijn:



  • Men heeft niet kunnen rouwen

  • Men heeft zich niet gezien gevoeld, geen erkenning voor het verlies gekregen

  • Er was geen plaats voor het uiten van gevoelens, b.v. omdat er gezorgd moest worden, parentificatie, delegaten (“wij huilen niet”) etc.

  • De gezinsstructuur veranderde ingrijpend, waardoor er geen tijd was om te rouwen.

  • Veiligheid en vanzelfsprekendheid waren verdwenen, waardoor velen een manier zochten om te “overleven”. Bij jongeren wankelt de identiteit. Hun zelfvertrouwen krijgt een deuk, ze voelen zich minder veilig. Ook vormen van schaamte en schuld steken de kop. Ze voelen zich ánders’, iets wat zeker in de puberteit heel moeilijk is.

Aandachtsgebieden zijn:



    • Zelfbeeld en identiteit

    • (Buitensporig) gedrag

    • Omgaan en gevoelens bij recente rouw

    • Relaties

    • Gevoeligheid voor depressie, angst en paniek aanvallen

    • Opvoeder zijn

    • Fysieke klachten

    • Bindingsangst, verlatingsangst, scheidingsangst

    • Sociaal functioneren

Het is belangrijk om betekenis te geven aan gedrag, aan de pijn, erkenning van de oijn en het verdriet, woorden te geven aan wensen en verlangens, hulpbronnen te zoeken, etc. Alles dient gericht te zijn op het toewerken naar echte dialoog tussen de betrokkenen. De hulpverlener zet in op de actie.

Verbindende vragen stellen is een belangrijke werkwijze van de hulpverlener, net als het meerzijdig partijdig zijn.

Het kind moet zo uiteindelijk komen tot zelfafbakening, zelfvalidatie en ontschuldiging van bijvoorbeeld de ouders. Dit kan maken dat kinderen hun leven weer kunnen gaan oppakken, dat ze vertrouwen en constructief recht gaan opbouwen.


Deze vrije bewerking komt van de afstudeeropdracht van de tweejarige opleiding Contextuele hulpverlening door het opleidingsinstituut ‘Leren over leven’ geschreven door Petra Hofman
Petra Hofman is hulpverlener bij bureau jeugdzorg en heeft zich gespecialiseerd op het gebied van rouw en verdriet bij jongeren.
Herberd Prinsen heeft een trainings- en adviesbureau (www.hpc.nu) o.a. op het gebied van communicatie, leerlingbegeleiding, sociale vaardigheden, faalangst en rouw en verdriet. Verder heeft hij een eigen praktijk voor contextuele psychotherapie (met name voor pubers) en is hij auteur van diverse boeken



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina