Lezingen: Jeremia 32: 36-41 en Lucas 24: 35-48



Dovnload 12.03 Kb.
Datum25.07.2016
Grootte12.03 Kb.
Fonteinkerk, 10 april 2016

Lezingen: Jeremia 32:36-41 en Lucas 24:35-48


De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was, en hoe Hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.” Zo begon vandaag de lezing uit het evangelie volgens Lucas. Deze openingszin is in feite een slotzin, een zin die het verhaal van de Emmaüsgangers besluit. Twee volgelingen van Jezus lopen op de dag van de opstan­ding van Jeruzalem naar het dorpje Emmaüs, en raken in gesprek met een vreemdeling. Ze nodigen deze vreemdeling uit voor de avondmaaltijd, en als deze gast het brood breekt en deelt, zien de beide mannen opeens dat het Jezus is, de opgestane Heer.

Ik heb jullie weleens verteld dat het verhaal van de Emmaüsgangers een liturgische structuur heeft. De hoofdpunten van een eredienst komen stuk voor stuk aan de orde. Het begint met het kyrie: het aan God voorleggen van de nood van de wereld. Twee verdrietige mannen zijn onderweg. Ze spreken met elkaar over het sterven van Jezus, en over het raad­sel van het lege graf. Al pratend maken zij waar wat Jezus eens had gezegd: “Waar twee of drie in mijn Naam bijeen zijn, daar ben Ik in hun midden…” Jezus loopt opeens met hen mee, en vraagt naar wat hun zo bezighoudt. Daarop vertellen ze Jezus over hun ver­warring, teleurstelling, verdriet, vervlogen hoop en bitterheid. Hun nood en wanhoop leggen ze aan Jezus voor, zoals we dat in de kerk nog elke week doen in het kyriegebed.

Dan komt de opening van de Schrift, en de verkondiging. Jezus vertelt over de woorden van Mozes en de profeten, over de trouw van God aan zijn volk en over de beloften van toekomst. Hij maakt duidelijk dat de weg van de Messias geen doodlopende weg, maar de weg naar het leven is geweest. Door zijn woorden slaat de sombere stemming van zijn metgezellen vol­ledig om. Er begint in hun hart weer iets te gloeien. Straks zullen ze zeggen: “Brandde ons hart niet, toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?” En nog altijd doen we elke zondag in al onze kerken de Bijbel open, om met elkaar de oude verhalen te lezen, in de hoop dat we wat meer zicht krijgen op de kern van ons bestaan, en weer wat goede moed voor de toekomst ontvangen. Opdat het vuurtje in ons hart brandend blijft…

Daarna het gebed: “Blijf toch bij ons!” Het zijn woorden die in talloze gebeden en liederen een plek hebben gevonden. Denk aan het Lutherse avondgebed: “Heer, blijf bij ons, want het is avond en de nacht zal komen.” Denk aan het bekende lied “Abide with me”, bij ons ver­taald in Gezang 247: “Blijf mij nabij, wanneer het duister daalt…” Misschien is het wel de geeste­lijke kern van elk gebed: “God, blijf bij ons, ga met ons mee, ook als de nacht van zorgen of ziekte, van schuld, wanhoop of dood over ons komt…”

Dan gaan ze aan tafel. Jezus neemt en zegent het brood, breekt het en deelt het rond. Door dit gebaar, door deze symboliek van Jezus’ liefde en lijden, worden de ogen van zijn tafelgenoten geopend. Opeens zien zij met Wie ze te maken hebben. Maar precies op het moment van de herkenning wordt Jezus “…onttrokken aan hun blik.” Ze zien Hem, maar tegelijkertijd zien zij Hem niet. In de viering van het Avondmaal ervaren we dat nog steeds zo. We breken het brood en laten de wijn rondgaan, en “zien” dan weer even wie God voor ons is. Herinneringen komen boven, aan God die altijd al heeft gezorgd voor “brood uit de hemel”, voedsel voor onderweg, en aan Jezus die alles aan ons gaf, zijn Geest en zijn lichaam. Deze herinneringen voeden ons, geven ons moed, doen onze harten branden. Niet voor niets zei Jezus: “Doet dit tot mijn gedachtenis, blijf dit doen om Mij te gedenken…”

Het verhaal van de Emmaüsgangers eindigt met de “opstanding” van die twee mannen. “Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem…” Door het openen van de Schriften en het delen van het brood hebben zij gezien dat Jezus nog altijd de Levende is. Ze hebben hun wanhoop losgelaten, en pakken vol nieuwe moed de draad van het leven weer op. En zo doen we het nog steeds aan het einde van iedere kerkdienst: we staan op en keren ons gezicht weer naar het leven toe.

Het verhaal van de Emmaüsgangers behoort tot de “verschijningsverhalen”: verhalen over de levende Heer die na zijn dood en begrafenis weer nieuw onder de mensen verschijnt. En als Lucas zijn verschijningsverhaal in de vorm van een eredienst giet, dan geldt het omgekeerde óók: elke eredienst is in wezen een verschijningsverhaal. In kyrie of Schriftuitleg, in gebed of tijdens Avondmaal, - het kan zomaar gebeuren dat Jezus verschijnt en in ons midden zichtbaar wordt. Hij is dan, in de gedaante van de Geest, onder ons aanwezig. We hebben daar geen greep op; de liturgie is geen garantie voor het verschijnen van de Levende. Er is ook geen enkele garantie dat we het allemáál zullen “zien” of ervaren. Maar het kan zomaar gebeuren…

Maar waar blijft de zegen? De kerk heeft de mooie gewoonte ontwikkeld om elke viering af te sluiten met een zegen. Die zegen ontbreekt in het verhaal van de Emmaüsgangers, omdat Jezus meteen na het delen van het brood verdwijnt. Maar even later is die zegen er alsnog. De twee Emmaüsgangers vertellen aan de anderen hun belevenissen, en dan staat Jezus opeens in hun midden. En dan zegt Hij een zegenspreuk: “Vrede zij met jullie!” Hij wenst zijn vrienden “shalom, eirene” toe. Dat is een veelomvattend begrip. “Vrede” is in de Bijbel veel méér dan de afwezigheid van oorlog en conflict. Het betekent ook méér dan een innerlijk gevoel van rust en tevredenheid. Wat “vrede” is, hebben profeten als Jesaja en Micha beschreven in hun Messiaanse visioenen, hun dromen van een wereld waarin mensen elkaar de ruimte geven en tot hun recht laten komen, een toekomst waarin eindelijk zichtbaar wordt hoe God de mensen en de dingen bedoeld heeft. We hoorden vandaag ook Jeremia vertellen over een visioen van vrede en vreugde. Die “vrede” wenst Jezus zijn vrienden toe, en probeert Hij met zijn zegen in hun hart te leggen. Dat heeft ook met hoop en met verlangen te maken. Omdat de vrede in onze wereld nog altijd bedreigd is, roept Jezus met zijn woorden ook het verlangen naar die nieuwe wereld op. En in iedere kerkdienst gaat het daar nog steeds om. Wij wensen elkaar vrede en Gods nabij­heid toe, bij de begroeting, bij de zegen, en bij het handen schudden tijdens het avondmaal. Daarmee proberen we elkaar te bemoedigen, maar ook in elkaars hart het verlangen en de hoop levend te houden. We herinneren elkaar aan de vrede van het komende Koninkrijk.

Het is opvallend dat de leerlingen op de prachtige zegen van Jezus reageren met een totale verbijstering: “Verbijsterd en door angst overmand, meenden zij een geestverschijning te zien.” Dat zegt iets over de wereld waarin wij leven. Er is zóveel om bang voor te zijn, dat wij op nieuwe en onverwachte dingen met schrik en angst reageren. Wij leven in een wereld waar­­in je voortdurend op je hoede moet zijn. Dat is in al die eeuwen niet veranderd…

Het zou ook nog iets anders kunnen betekenen: dat de vrede van Christus confronterend voor ons is! Misschien laat deze vrede ons wel heftig schrikken, omdat zij ons confronteert met alle angst, verdriet, machtswellust en haat die wij met ons meedragen. De vredeswens doet ons ontdekken hoeveel onvrede er nog zit in ons hart en in onze ziel. Dat roept onze afweer op, omdat wij die onvrede niet onder ogen willen komen. Maar zolang wij nog op de vlucht zijn voor de donkere schaduwen in onze ziel, hebben wij onszelf nog niet aanvaard, en kunnen wij niet werkelijk openstaan voor de uitgestoken hand van God, voor de vredeswens van Christus. Misschien roepen de woorden van Jezus die angst in ons op…

Jezus reageert op hun angst met het tonen van zijn handen en voeten. Zijn handen: dat zijn dezelfde handen die aan tafel bij de Emmaüsgangers het brood hebben gebroken en gedeeld. Deze handen vormen het “visitekaartje” van de gekruisigde en opgestane Heer. Met deze doorboorde en gebroken handen laat Jezus zien dat Hij de gebrokenheid van het bestaan niet uit de weg gaat. Hij weet wat het is: hoe je als mens stuk kunt lopen op de hard­heid van het lot en van je medemensen. Hij kent ons tekort en onze duistere kanten, en Hij aanvaardt ons juist dáárin. En juist dáárom, omdat we bij Hem geen vrome, geslaagde en gelukkige mensen hoeven te zijn, geeft Hij ons moed en voedt Hij ons. Het breken en delen van het brood herinnert ons daaraan. Met deze door het leven getekende handen zegent Hij ons ook, en wenst Hij ons vrede toe.

Zo vertelt Lucas ons een liturgisch verhaal, een verhaal dat we iedere week opnieuw vorm­geven in onze eredienst. We leggen de nood van de wereld aan God voor, we bidden en we zingen, we openen de Schriften en we breken het brood. En tegen het einde openen wij ons voor de zegen. Zo geven wij de opgestane Heer de kans om te verschijnen in ons midden.



Straks, na het delen van het brood en na het ontvangen van de zegen, nemen we de boodschap dat Jezus de Levende is mee in ons hart, en geven die aan anderen door via een woord of een roos, een gebaar of een gebed. Als het goed is, worden we er ándere mensen van, van die vol­gehouden reis door de liturgie. En ik denk daarbij niet aan spectaculaire verande­ringen, aan dramatische bekeringservaringen. Ik denk daarbij aan een vonkje dat overspringt, door een lied of een gebed, aan een lichtpuntje dat zichtbaar wordt, in een bemoedigend woord of een gebaar van betrokkenheid, aan een vlammetje dat brandend blijft, tegen alle twijfel en on­verschilligheid in. Ook in de kleine vonken en flakkerende vlammetjes is de Heer in ons midden. “Vrede zij met jullie…” “Blijf dit doen, om Mij te gedenken!”


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina