{libe}Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken



Dovnload 62.34 Kb.
Datum25.08.2016
Grootte62.34 Kb.


EUROPEES PARLEMENT

1999



2004

{LIBE}Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken

<RefStatus>IN VOORBEREIDINGRefStatus>

<RefProc>2000/0804RefProc><RefTypeProc>(CNS)

DEEL 2RefTypeProc>



{25-08-2000}25 augustus 2000

*

ONTWERPVERSLAG

over het initiatief van de Portugese Republiek met het oog op de aanneming van een besluit van de Raad tot oprichting van een secretariaat voor de gemeenschappelijke controleorganen voor gegevensbescherming ingesteld bij de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europolovereenkomst), de Overeenkomst inzake het gebruik van informatica op douanegebied en de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Schengenovereenkomst)

(7381/2000 – C5 0230/2000 – 2000/0804(CNS))

{LIBE}Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken

Rapporteur: Jorge Salvador Hernández Mollar





Verklaring van de gebruikte tekens

* Raadplegingsprocedure
Meerderheid van de uitgebrachte stemmen

**I Samenwerkingsprocedure (eerste lezing)


Meerderheid van de uitgebrachte stemmen

**II Samenwerkingsprocedure (tweede lezing)


Meerderheid van de uitgebrachte stemmen voor de goedkeuring van het gemeenschappelijk standpunt

Meerderheid van de leden van het Parlement voor de verwerping of amendering van het gemeenschappelijk standpunt

*** Instemming


Meerderheid van de leden van het Parlement, behalve in de in de artikelen 105, 107, 161 en 300 van het EG-Verdrag en in artikel 7 van het EU-Verdrag bedoelde gevallen

***I Medebeslissingsprocedure (eerste lezing)


Meerderheid van de uitgebrachte stemmen

***II Medebeslissingsprocedure (tweede lezing)


Meerderheid van de uitgebrachte stemmen voor de goedkeuring van het gemeenschappelijk standpunt
Meerderheid van de leden van het Parlement voor de verwerping of amendering van het gemeenschappelijk standpunt

***III Medebeslissingsprocedure (derde lezing)


Meerderheid van de uitgebrachte stemmen voor de goedkeuring van de gemeenschappelijke ontwerptekst
(De aangeduide procedure is gebaseerd op de door de Commissie voorgestelde rechtsgrondslag.)





INHOUD


Blz.

TOELICHTING 4


MOTIVERING
I.- DE MENSENRECHTEN
De mensenrechten kunnen worden gedefinieerd als de onvervreemdbare prerogatieven van het individu in zijn betrekkingen met particulieren en met de overheid.
Op nationaal niveau zijn deze rechten neergelegd in verschillende teksten, zoals bijvoorbeeld de "Habeas Corpus Act" uit 1689 in Engeland en de "Bill of Rights" uit 1789. Ook een aantal beroemde verklaringen zoals de Amerikaanse uit 1776 en de Franse uit 1792 bevestigen deze rechten. In alle landen ter wereld is in de grondwet een min of meer ruime waaier van rechten voor de burgers vastgelegd, ook al is dit soms slechts een formele erkenning.
Op internationaal niveau zijn de rechten van de mens na een aarzelend begin nu uitvoerig vastgelegd. Van de utopische dromen van enkele idealisten zoals Bartolomé de las Casas in de XVIe eeuw, Grotius in de XVIIe eeuw en later Kant en de Abbé de Saint-Pierre, tot de goedkeuring van de 30 artikelen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 10 december 1948 moest een lange en pijnlijke weg worden afgelegd.
De beroemde openingszin van het eerste hoofdstuk van het werk "Du contrat social" van Jean Jacques Rousseau "De mens is vrij geboren, en overal moet hij ketenen dragen", blijft echter waar. De mensenrechten kunnen openlijk en op wrede wijze, maar ook arglistig en heimelijk worden geschonden.

II.- HET FUNDAMENTELE RECHT OP EERBIEDIGING VAN HET PRIVÉLEVEN
Artikel 12 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens erkent het recht van eenieder op de eerbiediging van zijn privéleven in de volgende bewoordingen: "Niemand zal onderworpen worden aan inmenging in zijn persoonlijke aangelegenheden, in zijn gezin, zijn tehuis of zijn briefwisseling, noch aan enige aantasting van zijn eer of goede naam. Tegen een dergelijke inmenging of aantasting heeft een ieder recht op bescherming door de wet."
Dit recht wordt ook erkend in artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden van de Raad van Europa, dat op 4 november 1950 in Rome werd goedgekeurd en waarvan de tekst als volgt luidt:
"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."



In bijna alle landen ter wereld is dit recht op eerbiediging van het privéleven, althans formeel, in de grondwet verankerd en omvat steeds ten minste de onaantastbaarheid van de privéwoning en het briefgeheim.
Nu de geautomatiseerde verwerking van informatie steeds sterker toeneemt en daarmee ongelooflijke hoeveelheden gegevens in luttele secondes kunnen worden doorgespeeld over nationale grenzen en continenten heen, is het noodzakelijk dat men zich rekenschap geeft van de problematiek van bescherming van het privéleven in het licht van gegevens met een persoonlijk karakter.
Daarom is of wordt in de meeste ontwikkelde landen in de wereld wetgeving aangenomen die moet zorgen voor het tegengaan van handelingen die kunnen worden beschouwd als schending van het fundamenteel recht van de mens op privacy, zoals het ongeoorloofd opslaan van gegevens met een persoonlijk karakter die onjuist zijn, misbruik of niet-geautoriseerde verspreiding van deze gegevens. In enkele grondwetten van de laatste tijd, zoals die van Zuid-Afrika, Hongarije of Spanje van 1978 (lid 4 van artikel 18) wordt specifiek gesproken van de erkenning van de bescherming van mensen in verband met geïnformatiseerde verwerking van gegevens met een persoonlijk karakter.
Het is belangrijk te constateren dat in artikel 8 van het ontwerphandvest voor de fundamentele rechten van de Europese Unie uitdrukkelijk het recht wordt genoemd van de burger op bescherming van gegevens met een persoonlijk karakter die hem betreffen.
Dit is een recent verschijnsel. Voor het eerst heeft in 1970 de Duitse bondsstaat Hessen en vervolgens in 1973 het Koninkrijk Zweden wetgeving aangenomen die de privacy moest beschermen van mensen in verband met de geautomatiseerde behandeling van informatie. Later zijn de andere ontwikkelde landen gevolgd.
Aangezien in elk land de wetgeving anders is, bestaat het gevaar dat door deze verschillen in nationale wetgeving het vrij verkeer van gegevens met een persoonlijk karakter over de grenzen heen wordt belemmerd, terwijl de informatie de afgelopen jaren duizelingwekkend toegenomen is en dit proces nog steeds in volle gang is.
De algemene invoering van nieuwe computer- en telecommunicatietechnologie heeft gezorgd voor een echte revolutie in de economische betrekkingen. Deze kunnen worden geschaad wanneer de verschillen in nationale regelgeving zouden nopen tot beperking van het vrij verkeer van deze informatie.
Daarom is het nodig dat minimale regels worden goedgekeurd die harmonisatie mogelijk maken van de nationale wetgeving inzake bescherming van het privéleven en dat dit fundamenteel recht wordt geëerbiedigd, maar dat daarnaast de internationale stroom van gegevens niet wordt onderbroken.
In dit verband zijn er twee uiterst belangrijke internationale instrumenten goedgekeurd om in deze behoeften te voorzien en de ogenschijnlijk incompatibele fundamentele rechten met elkaar te verzoenen, namelijk het recht op privacy met het recht op vrije informatie.
Het eerste van deze internationale instrumenten is goedgekeurd door de OESO op 23 september 1980 in de vorm van een aanbeveling "richtlijnen voor de bescherming van het privéleven en grensoverschrijdende stromen van gegevens met een persoonlijk karakter".
Het tweede instrument is vrijwel onmiddellijk goedgekeurd door de Raad van Europa op 28 januari 1981 in de vorm van een conventie ter bescherming van personen in verband met de automatische behandeling van gegevens met een persoonlijk karakter (conventie nr. 108). Veel landen hebben deze conventie inmiddels geratificeerd waaronder de vijftien lidstaten van de Europese Unie. Deze conventie legt verplichtingen op, maar dan alleen ten aanzien van de staten en de Europese Unie.
III. - DE BESCHERMING VAN PERSONEN IN VERBAND MET DE VERWERKING VAN GEGEVENS BINNEN DE EERSTE PIJLER VAN DE EUROPESE UNIE
In lid 2 van artikel 6 van het Verdrag van de Europese Unie staat: "De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht...".
De implicaties hiervan zijn duidelijk: de Europese Unie is verplicht om de bepalingen van conventie 108 van de Raad van Europa toe te passen, aangezien deze conventie is aangenomen om de immense internationale overdracht van informatie met een persoonlijk karakter mogelijk en compatibel te maken met eerbiediging en het uitbouwen van artikel 8 (recht op privacy) en 10 (recht van vrije meningsuiting en informatie) van de Europese Conventie ter bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden, waarvan de tegenstrijdige belangen met elkaar verzoend moeten worden. Volgens uw rapporteur moet deze verplichting worden uitgebreid tot alle werkterreinen van de Unie, dus binnen de eerste, de tweede en de derde pijler.
In het kader van de eerste pijler zag de Europese Unie zich gedwongen een interne ruimte zonder grenzen (de interne markt) te creëren, zoals voorzien in artikel 14 van het Verdrag van de Europese Gemeenschap. Daarom heeft zij richtlijn 9546 op 24 oktober 1995 goedgekeurd over bescherming van de fysieke persoon bij de behandeling van persoonlijke gegevens en het vrij verkeer van deze gegevens. Enkele landen hebben deze richtlijn evenwel nog niet omgezet in hun eigen wetgeving, hoewel als termijn hiervoor oktober 1998 was vastgesteld. Het doel is de vrije stroom informatie tussen de vijftien landen van de Unie te garanderen en dezelfde criteria aan te leggen bij haar betrekkingen met de rest van de wereld met eerbiediging van het recht op privacy van de fysieke persoon.
Later heeft zich op technologisch niveau een fusie voorgedaan van de computertechnologie met de telecom-technologie en daarmee bestaat het gevaar dat gegevens met een persoonlijk karakter tegelijkertijd ter beschikking kunnen komen van miljoenen gebruikers over de hele wereld. Daarom heeft de Europese Unie richtlijn 97/66 van 15 december 1997 moeten goedkeuren over de behandeling van persoonlijke gegevens en de bescherming van de intieme levenssfeer in de telecommunicatiesector. Verschillende lidstaten moeten deze richtlijn nog steeds omzetten in hun wetgeving. Dat hadden zij eigenlijk al voor 24 oktober 1998 moeten doen.
Het Verdrag van Amsterdam van 2 oktober 1997 heeft in het Constituerend Verdrag van de Europese Gemeenschap artikel 286 opgenomen, waarvan lid 1 luidt:
"Met ingang van 1 januari 1999 zijn de besluiten van de Gemeenschap inzake de bescherming van personen met betrekking tot de verwerking en het vrije verkeer van persoonsgegevens van toepassing op de instellingen en organen die bij of op grond van dit Verdrag zijn opgericht".
Om aan de bepalingen van dit artikel te voldoen heeft de Raad aan het Europees Parlement een voorstel voor een verordening uitgebracht over de bescherming van de fysieke persoon "Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen en organen van de Gemeenschap en betreffende het vrije verkeer van die gegevens", (COM(1999) 337). Dit ontwerp ligt momenteel ter behandeling bij de commissie ten principale, namelijk de Commissie vrijheden en rechten van de burger, justitie en binnenlandse zaken.
IV. - DE BESCHERMING VAN PERSONEN IN VERBAND MET DE VERWERKING VAN GEGEVENS IN HET KADER VAN DE DERDE PIJLER VAN DE EUROPESE UNIE
Zoals uw rapporteur al eerder heeft opgemerkt, moeten de door de Europese Unie ter toepassing van titel VI van het Verdrag van de Europese Unie goedgekeurde wetten (dat is dus in het kader van de derde pijler) een strikte eerbiediging in acht nemen van de mensenrechten, zoals gewaarborgd in de Europese Conventie ter bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden.
Wat de eerbiediging betreft van het fundamenteel recht op privacy van personen in verband met de automatische behandeling van persoonlijke gegevens, acht uw rapporteur het nuttig om de volgende door de Europese Unie goedgekeurde bepalingen er uit te lichten die deze eerbiediging betreffen:
1. - Op het terrein van de politieke samenwerking:
a) De Europol-conventie (besluit van de Raad van 26 juli. Publicatieblad L 316 van 27 november 1995).

b) De toepassingsconventie van de Overeenkomst van Schengen van 19 juni 1990.


2. - Op het terrein van de douanesamenwerking:
a) De Conventie over het gebruik van informatietechnologie voor douanedoeleinden (SID-conventie. Besluit van de Raad van 26 juli. Publicatieblad nr. L 316 van 27 november 1995).

b) De Conventie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (Besluit van de Raad van 18 december 1997. Publicatieblad nr. C 24 van 23 januari 1998).




3. - Op het terrein van de justitiële samenwerking in strafrechtzaken:
a) Tweede protocol bij de conventie over bescherming van de financiële belangen van de EG (protocol II PIF). (Besluit van de Raad van 19 juni 1997, Publicatieblad nr. C 221 van 19 juli 1997).

b) Conventie over de besluiten tot intrekking van het rijbewijs (besluit van de Raad van 17 juni 1998. Publicatieblad nr. C 216 van 10 juli 1998).


4. - Op andere gebieden:
a) Gemeenschappelijke actie van 15 oktober 1996 over de oprichting en het instandhouden van de bevoegdheden, kennis en specialisten op het gebied van de bestrijding van de internationale criminaliteit met het doel de samenwerking te vergemakkelijken bij de toepassing van de wetgeving tussen de lidstaten (Publicatieblad L 273 van 25 oktober 1996).

b) Gemeenschappelijke actie van 29 november 1996 over het oprichten en instandhouden van een inventarisering van de bevoegdheden, kennis en specialisten op ter terrein van de bestrijding van de internationale criminaliteit met als doel de samenwerking te vergemakkelijken bij de toepassing van de wet tussen de lidstaten (PB L 342 van 31.12.1996).

c) Gemeenschappelijke actie van 24 februari 1997 over de bestrijding van de mensenhandel en de seksuele uitbuiting van kinderen (Publicatieblad nr. L 63 van 4 maart 1997).
V. - HET VOORSTEL VAN DE RAAD VOOR OPRICHTING VAN EEN SECRETARIAAT VOOR DE GEMEENSCHAPPELIJKE AUTORITEITEN DIE BESCHERMING VAN GEGEVENS MOETEN CONTROLEREN
De regels die zowel op nationaal niveau als bij de Europese Unie of internationaal zijn uitgevaardigd ter bescherming van de intieme levenssfeer van mensen in verband met de geautomatiseerde behandeling van gegevens met een persoonlijk karakter, hebben een Autoriteit nodig gemaakt die de naleving en de bescherming ervan moet controleren. De naam varieert, de ene keer spreekt men van Controleur, in andere gevallen "Controle-autoriteit", maar in grote lijnen gaat het om dezelfde functie.
De Europol-conventie van 26 juli 1995 en de Conventie ter toepassing van de Overeenkomst van Schengen van 19 juni 1990 alsook de Conventie over het gebruik van informatietechnologie voor douanedoeleinden van 26 juli 1995 hebben steeds autoriteiten nodig gemaakt die gegevens op nationaal niveau moeten controleren, en gemeenschappelijke autoriteiten voor controle op gegevens in het kader van de Europese Unie.
Dit betekent dat er, afgezien van de nationale Controle-autoriteiten, nu bovendien drie gemeenschappelijke Controle-autoriteiten in de Europese Unie bestaan, elk met een eigen secretariaat, die bevoegd zijn op de genoemde terreinen, ook al is de in de conventie over het gebruik van informatica met douanedoeleinden genoemde gemeenschappelijke Controle-autoriteit nog niet operationeel daar deze conventie nog niet van kracht is geworden.

Uw rapporteur is van mening dat men terecht kritiek kan hebben op deze toestand en hij heeft zo zijn twijfel over de vraag of het bestaande systeem werkelijk garanties biedt voor een effectieve bescherming van het onvervreemdbare recht op privacy dat elke burger heeft ten opzichte van het geautomatiseerde gebruik van zijn gegevens met een persoonlijk karakter.


Volgens de rapporteur is het voorstel voor een besluit van de Raad tot oprichting van één secretariaat voor de drie genoemde gemeenschappelijke Controle-autoriteiten een voorzichtige stap die positief moet worden gewaardeerd, maar nog geen oplossing biedt voor de dieperliggende problematiek.
Vandaar de amendementen die uw rapporteur wil aanbrengen in het voorstel voor een besluit van de Raad.
Bescherming van de privacy van personen maakt het absoluut nodig dat er een één juridisch kader wordt gecreëerd binnen de Europese Unie dat de burger voldoende garanties biedt en misbruik of verspreiding van gegevens die zijn intieme levenssfeer betreffen, tegengaat. Vandaag de dag laboreert deze bescherming nog aan allerlei zwakke punten die zo snel mogelijk moeten worden verholpen.
Daarom acht uw rapporteur het nodig dat er één Controle-autoriteit komt voor de bescherming van gegevens, natuurlijk met één secretariaat, dat beschikt over rechtspersoonlijkheid, een begroting en eigen personeel, dat de indeling in "pijlers" moet overschrijden en welks bevoegdheden alle activiteiten van de Europese Unie omvatten.
Deze autoriteit voor controle van gegevens moet haar taken absoluut onpartijdig en onafhankelijk van de overige kunnen verrichten; zij mag uitsluitend onderworpen zijn aan juridische controle van het Hof van Justitie, zij mag zich enkel en alleen bezighouden met de bescherming van personen bij de behandeling van persoonlijke gegevens met de door de wet genoemde uitzonderingen.
Deze Controle-autoriteit moet beschikken over een secretariaat dat toereikend personeel en materiaal heeft om zich van zijn taken te kwijten. De autoriteit krijgt opsporingsbevoegdheden, de mogelijkheid om in te grijpen en voor de rechter te brengen. Een voorzitter wordt uit eigen gelederen gekozen.
De onafhankelijkheid van de Controle-autoriteit is het kernstuk voor de garantie van de bescherming van de rechten en vrijheden van de Europese burgers tegenover het binnendringen in ons dagelijks leven van informatie- en telecommunicatietechnologie. Daarom meent uw rapporteur dat het voorstel van de Raad tekortkomingen vertoont, aangezien het op alle punten schort aan deze onafhankelijkheid.
Daarom is het aan het Europees Parlement in zijn functie van democratische controle op de instellingen van de Europese Unie, om de benoeming van de Controle-autoriteit ter hand te nemen. Tevens moet het Parlement een vaste weg bewandelen bij het afzetten van de autoriteit wanneer deze niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn aan de uitoefening van haar taken.
De rapporteur beseft dat deze doelstellingen op korte termijn een utopie vormen, maar tevens is hij ervan overtuigd dat dit doelstellingen zijn die zo snel mogelijk moeten worden bereikt ter bescherming van de privacy en de individuele vrijheden van de Europese burgers en daarnaast het vrij verkeer van informatie.


PR\419460NL.doc
PE 285.943/2

NL NL




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina