Limited access societies



Dovnload 1.06 Mb.
Pagina1/22
Datum19.08.2016
Grootte1.06 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


VOORWOORD
Een boek als dit kan alleen tot stand komen dankzij de medewerking van velen. Ik volg hierbij in mijn dankwoord de chronologie van de medewerking. Ik dank Prof. dr W. Gunning en Prof. dr. S. van Wijnbergen voor hun waardevolle adviezen op het gebied van de onafhankelijke beleidsevaluatie.

Ik dank Prof. dr. R. van der Veen voor een aantal waardevolle gesprekken waarin hij bereid was zijn inzichten te delen. Zijn boek Afrika, van de Koude oorlog naar de 21ste eeuw bevat een aantal waardevolle inzichten zonder welke dit rapport niet geschreven had kunnen worden. Met name zijn nadruk op client-patroon netwerken, die ook door Douglass North worden uitgewerkt in zijn inmiddels beruchte artikel over limited access societies, zijn onmisbaar voor een beter begrip van de obstakels die Afrika moet overwinnen wil het moderniseren.

Ik dank ook Prof. dr. F. Reyntjens voor zijn adviezen op het Rwanda dossier. Hij heeft mij voor vele fouten behoed. Ik dank ook Dr. Wiet Jansen. Hij was in een vroeg stadium bereid belangrijke resultaten van zijn proefschrift met mij te delen.

Ten slotte bedank ik de Freischwebende Intelligenz die zich spontaan aanbood via mijn website. Marleen Marra heeft belangrijk werk verricht voor hoofdstuk 2 dat gaat over de relatie tussen hulp en groei. Gijs Wilhelmij deed hetzelfde op het gebied van de schuldverlichting en groei. Bernard van Schaardenburg onderzocht het ontwikkelingsbeleid van de EU. Koos Richelle legden in een tweetal gesprekken geduldig ingewikkelde zaken uit.

Stefanie Kooiman droeg bij aan gezondheidszorg en coördineerde alle bijdragen. Ik ben haar veel dank verschuldigd. Sam van der Staak, Ralph van Graafeiland en Frans de Graaf legde mij het vuur aan de schenen op het gebied van democratisering. Sam nam mij veel werk uit handen. Daan Harmsen deed belangrijk werk op het gebied van microfinanciering. Linda Polman en Ingrid de Jong legden mij de dilemma’s van noodhulp uit. Luc Steenhorst wijdde mij in in de wereld van de NGO’s. En Sander van Deijck deed hetzelfde op het snijvlak van OS en defensie. Benjamin Livestro onderzocht de Chinese uitdaging.

Rob Goossens is de beste editor die een auteur zich maar kan wensen. Zijn bijdrage ging echter veel verder dan het verbeteren van de stijl van dit boek. Hij heeft ook grote invloed gehad op de wijze waarop ik mijn argumenten hier naar voren breng. Ik ben hem daarvoor zeer erkentelijk.

Ik dank ook prof. Hoebink, prof. Voorhoeve, prof. van Lieshout, prof. Rosenthal, prof. Bolkestein, Koen Petersen, de VVD Commissie Buitenlandse Zaken, Frank van Kappen en Marcia Luyten voor hun bereidheid om met mij te spreken over de stellingen in dit boek. Hun opmerkingen hebben mij voor vele canards behoed.

Mark Rutte heeft vanaf het begin dit project geestdriftig gesteund. Die steun had ik niet graag willen missen.

Helaas is er maar een persoon verantwoordelijk voor het geheel. En dat ben ik. Het schrijven heeft mij veel hoofdbrekens gekost. Ontwikkelingssamenwerking bestrijkt zo ongeveer alle disciplines. En van al die disciplines beheers ik er slechts een paar. En dan nog gebrekkig.

Naast het drukke parlementaire werk vond ik weinig tijd om te schrijven. Menig bewaker van de Tweede Kamer heeft mij diep in de nacht aangetroffen in mijn kamer in het parlement. Ik zal die nachtelijke conversaties missen.


Den Haag, november 2009
Arend Jan Boekestijn

INHOUDSOPGAVE

Voorwoord

Inleiding

Deel I: Historische inzichten

Hoofdstuk I: De armoedeval

Hoofdstuk II: Hulp en economische groei

Hoofdstuk III: Zachte heelmeesters maken stinkende wonden

Hoofdstuk IV: De onschendbaarheid van de 0.7 % doelstelling

Hoofdstuk V: De maakbaarheidsutopie

Hoofdstuk XI: De Chinezen gaan ons voor

Hoofdstuk VII: ‘Om erger te voorkomen’




Deel II: Een pleidooi voor de rede

Hoofdstuk VIII: concentratie, burgers en markt

Hoofdstuk IX: Geen hulp maar handel

Hoofdstuk X: Zaaien in onvruchtbare bodem

Hoofdstuk XI: Veiligheid en Ontwikkeling

Hoofdstuk XII: Aan niemand verantwoording schuldig



Conclusies

INLEIDING
In het najaar van 2007 bracht ik voor de eerste keer een bezoek aan het Grote Merengebied. In een Landrover reed ik van Burundi via Rwanda naar de Oost-Congo. Na een dag door de binnenlanden te hebben gedwaald, passeerde ik een enorme vuilnisbelt. Schrijnende armoede toonde zich daar in al zijn lelijkheid. Tientallen kinderen waren naarstig op zoek naar dingen die misschien nog een beetje geld zouden opbrengen. De vervuilde kinderen prikten in het smeulende mengsel van as en afval.
Iedereen die een dergelijke ervaring heeft meegemaakt, zal zich onwillekeurig afvragen hoe een dergelijke mensonterend schouwspel te voorkomen zou zijn. Zo ook ik. Ik dacht aan de gitzwarte koloniale erfenis en aan de westerse steun aan dictator Mobutu, maar vervolgens ook aan de oneindige moeite en kapitalen die wij als westen in dit gebied hebben gestoken. Waarom zijn we niet in staat geweest het lot van deze mensen een beetje te verlichten? Helaas hebben al onze goede bedoelingen die scène op de vuilnisbelt niet voorkomen.

Natuurlijk, er zijn louche westerse ondernemers die met hun begeerte naar coltan de bloedige conflicten aan de gang houden, en die hebben geen boodschap aan armoede. Corruptie wordt echter niet alleen gestimuleerd door bedenkelijke westerse lieden. Ik vreesde dat onze ontwikkelingsgelden hebben geleid tot bestendiging van foute regimes. De kleptocraat Mobutu werd natuurlijk tijdens de Koude Oorlog wel degelijk gesteund door het Westen en dan met name de VS. Ook na de Koude Oorlog werden dubieuze regimes bestendigd door Westerse hulp. Dit kwam mij voor als een legitieme zorg.

Dat het Westen de miljardenschuld kwijtschold die Mobutu had veroorzaakt, kon ik me voorstellen. Maar waarom vroeg niemand zich af of Kabila (en nu zijn zoon) niet dezelfde weg zou kunnen kiezen en uiteindelijk dus net als zijn voorgangers geen boodschap zou hebben aan armoedebestrijding. Ik kaartte de kwestie uiteindelijk zelf in de Kamer aan.

Als ik zulke zaken bij mijn collega’s in de Tweede Kamer aan de orde stelde, werden zij boos, en niet zo’n beetje ook. Deze reactie verbaasde mij aanvankelijk hogelijk. Niet alleen negeerden ze hiermee elk zwart scenario, maar ook de bezorgdheid van anderen, voortvloeiend uit een zelfde betrokkenheid met de Congolese bevolking die zij hadden, resulteerde in een giftige reactie.

Een kerngezond OS-beleid zou geen allergie voor kritiek moeten kennen, dus hier was iets niet helemaal in de haak. De constatering van deze allergie voor nieuwe inzichten – ook al zullen ook deze soms fout zijn – werd één van mijn belangrijkste drijfveren.

En toen brak die ene dag in oktober 2008 aan. Na een tumultueus verlopen Algemeen Overleg op 22 oktober over een evaluatie van de Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie (IOB) over acht jaar Nederlands Afrikabeleid met Minister Koenders, trok ik in de tweede termijn mijn steun voor zijn beleid in. Zoals ik van tevoren had afgesproken met mijn fractie, kondigde ik eveneens aan dat mijn fractie tegen het deel van de begroting Buitenlandse Zaken zou stemmen dat ter dekking dient van ons hulpbeleid. En ten slotte kondigde ik aan dat ik een rapport zou gaan schrijven met aanbevelingen over hoe het dan wel zou moeten.

Hoe kwam ik tot deze ongebruikelijke parlementaire mededelingen? Verschillende overwegingen speelden daarbij een rol. In de eerste plaats was ik buitengewoon teleurgesteld omdat Minister Koenders niet bereid was om zijn beleid werkelijk onafhankelijk te evalueren. Ontwikkelingsbeleid is buitengewoon lastig. Juist omdat niemand eigenlijk goed weet wat werkt en wat niet, is onafhankelijke beleidsevaluatie cruciaal. Ik betreurde het zeer dat de regering niet bereid was deze stap te zetten, omdat daarmee de effectiviteit van ons beleid in het geding kwam. Maar ook een meerderheid van de fracties in de Kamer was daartoe niet bereid.

Ik kreeg het onaangename gevoel dat sommigen vreesden dat externe evaluatie een aantal onbehaaglijke waarheden aan het licht zou brengen. Het is voor niemand fijn om gevestigde belangen te verliezen. Deze lijken voor de weinig dynamische hulpindustrie wel degelijk op het spel te staan. Het leek er sterk op dat zij bescherming van die belangen lieten prevaleren boven beleid dat leert van in het verleden behaalde resultaten en misstappen, en daarmee werkelijk de allerarmsten helpt. Alleen al die constatering zou voldoende zijn geweest om mijn steun voor dit beleid in te trekken, maar er speelde nog meer.

Zoals gezegd werd er die dag ook gesproken over de IOB-evaluatie van acht jaar Afrikabeleid. In die evaluatie kwam duidelijk naar voren hoe verderfelijk de koppeling van ons OS-budget aan de groei van ons BNP uitpakt. Ambassadeurs vertelden de inspecteurs van de IOB dat zij eind december hoog bezoek hadden gekregen met de mededeling dat er honderd miljoen extra te verdelen zou zijn. De vrees dat het budget niet zou opraken, leidde er vervolgens toe dat eenvoudigweg tientallen miljoenen aan extra begrotingssteun zouden worden gegeven, tegen de wil van onze ambassadeurs in1.

Duidelijker hadden de gebreken van het huidige beleid niet kunnen worden neergezet. Alleen een ontkoppeling van het OS-budget en de groei van ons BNP zou dit euvel werkelijk kunnen oplossen, maar daar waren de Minister en een meerderheid van de Kamer niet voor te porren. En dus ging het omvangrijke IOB-rapport in een diepe la. En bleef het beleid ongewijzigd. Dit keer echter wel zonder de steun van de VVD.

Een maand later passeerde er nog meer ongemak. Terwijl de pers uitgebreid berichtte over de steun aan de rebellenleider Nkunda2 door president Kagame van Rwanda, bleef onze Minister maar aarzelen over zijn plan om Rwanda weer algemene begrotingssteun te geven. Onder druk van de Tweede Kamer - ik heb mij daarbij niet onbetuigd gelaten - besloot de Minister begin 2009 om geen algemene begrotingssteun te geven. Helaas besloot hij om wel de sectorale begrotingssteun te continueren. Ik heb dat zeer betreurd. Indien wij geld oormerken voor onderwijs, zou Kagame eenzelfde bedrag aan eigen geld uit zijn onderwijsbegroting kunnen schrappen en vervolgens kunnen bestemmen voor de aanschaf van afluisterapparatuur. Hiermee voldoet hij technisch gezien geheel aan de Nederlandse eisen, maar hebben wij hem wel de financiële ruimte gegeven om zijn eigen bevolking te terroriseren. Het heeft er alle schijn van dat dit scenario zich heeft voltrokken.

Onze Minister hoopte evenals Eurocommissaris Louis Michel, dat een politieke dialoog en een zak geld Kagame in de rails zouden houden. Dat strookte niet met signalen die ik uit de academische wereld ontving. Door de publicaties van de Antwerpse hoogleraar Filip Reijntjens en zijn staf, was ik tot de conclusie gekomen dat verdere steun aan de Tutsi-slachtoffers van de genocide, namelijk Kagame en zijn vrienden, ons medeverantwoordelijk zou maken voor de stelselmatige uitsluiting van Hutu’s en rurale Tutsi’s. Dat was namelijk wat Kagame feitelijk deed. In tegenstelling tot Minister Koenders en Eurocommissaris Michel, die een week na de consternatie in Nederland besloot om via het Europese kanaal begrotingssteun naar Rwanda door te blijven sluizen, had ik geen enkele behoefte om geld te geven aan deze man. Door zijn beleid van uitsluiting kon hij namelijk gemakkelijk weer een nieuwe ronde van gewelddadigheden uitlokken.

En weer een paar maanden later vond er verdere verwijdering plaats. In mei 2009 debatteerde de Kamer met de Minister over een nieuw medefinancieringsstelsel voor onze NGO’s in de periode 2011-2015. In de aanloop van dat debat had ik mij samen met collega Irrgang van de SP kwaad gemaakt over het feit dat zoveel geld wordt uitgetrokken voor zogenoemde ‘draagvlaksubsidies’ voor ons beleid. Alleen dat woord al! Wij begrepen niet waarom de overheid geld moest uitgeven om de bevolking ervan te overtuigen dat het goed is dat wij veel geld aan ontwikkelingssamenwerking uitgeven. De Minister wekte de indruk aan onze kant te staan, en stelde ons gerust door aan te kondigen dat hij de hulpindustrie zou gaan openbreken. Dat viel echter tegen.

Minister Koenders was slechts bereid om de helft van de draagvlaksubsidies af te schaffen. De andere helft ging dus vrolijk door, zonder dat daar ook maar een enkele Afrikaan beter van werd.

Het kon echter nog erger. Tijdens de voorbereiding van het debat speelde ook een tussentijdse IOB-evaluatie van ons medefinancieringsprogramma in de periode 2007-2010 een rol. In dat rapport stonden de verschrikkelijkste dingen. Zo was er in oktober 2006 afgesproken dat onze NGO’s vijftien procent van hun subsidie jaarlijks zouden evalueren. Spoedig bleek dat sommigen dat niet hadden gedaan, en de organisaties die dat wel hadden gedaan, hadden vaak verzuimd om meetbare doelstellingen en nulmetingen te formuleren. Tijdens dat debat heb ik voorgesteld om het debat over het tweede medefinancieringsprogramma (MFS II), over de periode 2011-2015, te verdagen tot begin 2010, wanneer wij de beschikking zouden hebben over de IOB-evaluatie van MFS I. Ook daartoe was de Minister niet bereid en dat gold overigens, tot mijn grote teleurstelling, ook voor een meerderheid van de politieke partijen in de Tweede Kamer. Kennelijk waren er belangrijkere zaken dan de effectiviteit van het beleid.
Het zal duidelijk zijn dat dit rapport niet is ontstaan uit bewondering voor het huidige beleid. De linkse partijen hebben geen monopolie op de moraal. Liberalen zijn een voorstander van een effectief OS-beleid, en daar bestaat in de samenleving grote steun voor. Willen we invloed hebben, dan zullen wij wel met goed doortimmerde plannen moeten komen. Dit rapport is daartoe een aanzet.

Wetenschappers hebben in de afgelopen decennia veel nuttige kennis gepubliceerd. Daar zal ik in het eerste deel van het rapport dieper op ingaan. Zo zal ik uiteenzetten waarom een grote zak geld, eufemistisch een Big Push genoemd, geen oplossing is voor de armoedeval. Verder zal ik betogen dat ontwikkelingssamenwerking vooral afgerekend dient te worden op zijn bijdrage aan economische groei. Ook zal ik de willekeurigheid van de beroemde de 0,7%-doelstelling in een historisch perspectief plaatsen. Voorts zal ik betogen hoe merkwaardig de veronderstelling is, dat wij dictators in de rails kunnen houden met een zak geld. Ten slotte zal ik u het politieke belang van de ontwikkelingstheorie van de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Douglass North uiteenzetten. North’s verhaal maakt duidelijk waarom het verkeerd is dat schuldverlichting, begrotingssteun, civil society en democratisering zo prominent aanwezig zijn in het vocabulaire van ontwikkelingswerkers, maar dat dezen tegelijkertijd de zo belangrijke private sector verwaarlozen.

Het tweede deel van dit rapport bestaat uit concrete voorstellen voor een alternatief Nederlands ontwikkelingsbeleid op basis van de filosofische en historische lessen uit deel I. In dit laatste deel worden de contouren van een beleid geschetst dat een bijdrage zou kunnen leveren aan het scheppen van voorwaarden voor geweldsbeheersing, ontwikkeling en zelfredzaamheid in Afrika.

Laat u als lezer daarbij gewaarschuwd zijn: geen enkel heilig huisje zal ik ontzien. Steun van regering tot regering leidt in de meeste gevallen tot machtsbestendiging en hulpverslaving. Veel regimes in Afrika hebben een twijfelachtige staat van dienst op het gebied van mensenrechten en integriteit. Zij zouden geen begrotingssteun moeten krijgen. Steun aan democratisering in instabiele staten zonder sterke instituties, betekent soms het uitlokken van gewelddadigheden. Beleid gericht op bevordering van democratisering en mensenrechten dient dus geen naïef beleid te zijn. Echte democratisering groeit van binnenuit. Alleen als er een Afrikaanse middenklasse ontstaat, zullen de Afrikanen zich succesvol gaan verzetten tegen slecht bestuur. Economische groei is in dit proces essentieel. Vrijheid is niet exporteerbaar, maar een logisch gevolg van ontwikkeling.

Ontwikkelingsbeleid dient zelfredzaamheid te stimuleren. We have to get the incentives right. En het is precies dat waarin het huidige beleid tekortschiet. Als het Westen via de VN zo goed en zo kwaad als dat gaat veiligheid verschaft, en daarnaast via NGO’s en particuliere projecten onderwijs en gezondheidszorg voor zijn rekening neemt, wat blijft er dan nog over voor Afrikanen zelf? Een werkelijk liberaal beleid zal een intelligent antwoord moeten formuleren op dit probleem van moreel risico3. Indien mensen stelselmatig worden beschermd tegen de gevolgen van hun eigen handelen, dan weten wij zeker dat zelfredzaamheid sneuvelt. En dat is precies wat er nu maar al te vaak gebeurt. In die zin is het huidige beleid van ons land maar zeker ook van de EU en de Wereldbank immoreel.

Het roer moet dus om. Afrika verdient beter dan goede bedoelingen met desastreuze gevolgen. De Gesinnungsethik4 heeft nu wel genoeg schade aangericht. Liberalen hebben de historische opdracht om op het belang van Verantwortungsethik te wijzen. Ik hoop dat dit rapport daaraan een bijdrage mag leveren.



HOOFDSTUK I
DE ARMOEDEVAL

In 1943 publiceerde de Oostenrijkse econoom Paul Rosenstein-Rodan een artikel met de wat prozaïsche titel ‘Problems of Industrialization of Eastern and South-Eastern Europe’.5 In dit artikel propageerde Rosenstein-Rodan het zogenaamde ‘’Big Push-model’’. Deze theorie kwam erop neer dat de private sector in Oost- en Zuidoost-Europa niet goed in staat zou zijn om op eigen kracht te industrialiseren door coördinatieproblemen die zich kunnen voordoen bij economische ontwikkeling.

Hij wees bijvoorbeeld op ontbrekende verbanden. Zo heeft het geen zin om staal te produceren indien er geen industrieën aanwezig zijn die staal nodig hebben. En tegelijkertijd zouden er geen industrieën ontstaan die staal nodig hebben indien er geen staal zou worden geproduceerd. Curieus genoeg had Rosenstein-Rodan geen oog voor internationale handel, die dit probleem natuurlijk zou kunnen oplossen.6 Precies door deze veronachtzaming hield hij een vurig pleidooi voor door de staat gefinancierde industrialisatieprogramma’s in landen met een groot arbeidsurplus in de agrarische sector teneinde met behulp van netwerkvoordelen en schaalvoordelen te ontsnappen aan een laag evenwichtsniveau. Hij adviseerde daarom grote investeringen in massale industriële complexen die elkaar wederzijds in de vaart der volkeren omhoog zouden stuwen.

In het klassieke model speelde dit probleem natuurlijk helemaal niet. Het prijsmechanisme zou vanzelf staal producerende en staal consumerende industrieën creëren. Elke vraag schept zijn eigen aanbod. Bovendien zou een staalindustrie zowel staal kunnen produceren als consumeren.

Rosenstein-Rodan verwierp echter dit klassiek model omdat het bovengenoemde coördinatieprobleem in zijn ogen leidde tot marktfalen. Met andere woorden: landen zouden in een armoedeval verstrikt kunnen raken waaruit zij alleen bevrijd kunnen worden indien de staat een indrukwekkende en gecoördineerde industriepolitiek zou gaan voeren.

Het was een merkwaardige theorie. Rosenstein-Rodan staarde zich geheel blind op het coördinatieprobleem en had geen oog voor geografische factoren of de kwaliteit van instituties of het politieke systeem, terwijl deze factoren wel degelijk een rol spelen. Het was ook een a-historische theorie. Verreweg de meeste rijke landen zijn geïndustrialiseerd zonder een strak gecoördineerd overheidsoptreden. Neem het voorbeeld van het 19e-eeuwse Engeland. De textielindustrie deed het inkomen toenemen waardoor er vraag kwam naar de producten van nieuwe industrieën. Dit proces lijkt wel op een big push-theorie, maar dan wel zonder staatsinterventie. Toegegeven - in het 19e-eeuwse Pruisen draaide de staat wel meer aan de knoppen, maar ook hier is bij lange na geen sprake van de ingrijpende staatsplanning die Rosenstein-Rodan voorschreef.

De ideeën van Rosenstein-Rodan kwamen natuurlijk voort uit het intellectuele klimaat van het interbellum, waar de ongebreidelde markt en het klassieke economische denken door de economische crisis natuurlijk de grote boosdoeners waren. Het klimaat was rijp voor overheidsingrijpen en heden ten dage herontdekte economen als Keynes en Rosenstein-Rodan leverden er de argumenten en de instrumenten voor aan.

In de wereld van het Marshallplan waren de ideeën van Rosenstein-Rodan populair. Ook de importsubstitutie en industrialisatiepolitiek van menig westers land in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw sloten naadloos aan op de ideeën van de Oostenrijkse econoom. Dat de meeste van deze experimenten faalden, was een onderwerp van later zorg.

Ook Walt Rostov’s theorie van de take-off paste in deze wijze van denken. In zijn bestseller The Stages of Economic Growth (1960) claimde hij dat landen met financiële steun hun investeringen konden verhogen en daardoor stagnatie konden inruilen voor zichzelf versterkende economische groei. En enkele jaren eerder varieerden Ragnar Nurkse7 (1953) en Gunnar Myrdal8 (1957) op het thema van Rosenstein-Rodan dat het marktmechanisme geen antwoord had op de coördinatieproblemen resulterend in onderontwikkeling die alleen door staatsinterventie (van binnen of van buiten) zouden kunnen leiden tot groei. Nurkse wees bijvoorbeeld op de vicieuze cirkel van armoede in derdewereldlanden. Lage inkomens leidden automatisch tot lage besparingen. Ontwikkeling vereist dus een investeringsimpuls van buiten, oftewel een big push, aangezien de nationale economie eenvoudigweg onvoldoende besparingen opleverde.

Vrij snel bleek in economenkring dat dit big push-denken eindigde in een doodlopende steeg. In de eerste plaats bleek het lastig om schaalvoordelen en onvolkomen concurrentie te vangen in modellen, en daardoor was empirische toetsing eveneens problematisch.9 In de tweede plaats bewees Solow10 al in 1956 dat technologische vooruitgang de motor was van economische vooruitgang en niet kapitaal. Vanaf de jaren zestig werd het idee van Rosenstein-Rodan over groei die door kapitaalinvestering gedreven wordt, dan ook verlaten en vervangen door een focus op technologische vooruitgang.

De idee van een big push kwam dus al snel in intellectueel ruw vaarwater. Dat weerhield natuurlijk voorstanders van ontwikkelingssamenwerking er niet van om de oude modellen te gebruiken om het hulpbedrag te verhogen. Ook het vermeende succes van het Marshallhulp, dat overigens door economisch historici11 behoorlijk wordt gerelativeerd, kwam natuurlijk als geroepen. We kunnen het de heren en dames geleerden nog horen zeggen: ‘als het in West-Europa werkt, waarom dan niet elders?’

Economen wilden er, zoals gezegd, al snel niet veel meer van hebben. Het falen van industrialisatiepolitiek sinds de jaren zestig maakte de oude modellen er natuurlijk niet populairder op. Ironisch genoeg was het de latere Big Push-profeet Jeffrey Sachs12 die in 1996 de balans opmaakte. Staatsplanning kon op zijn best leiden tot een inhaalslag in achtergebleven landen op het gebied van moderne productietechnieken. Het kon echter geen continue innovatie garanderen. En het kon al helemaal niet de opkomst van nieuwe markten inleiden. Het succes van de export-georiënteerde strategie-en van Oost-Aziatische landen, bewees bovendien dat een industrialisatiepolitiek niet altijd noodzakelijk was.13

Vanaf de jaren ‘60 kwam het idee van een Big Push dus in academia behoorlijk onder vuur te liggen. Zoals gezegd, deze academische ontwikkelingen weerhield de OS-lobby er natuurlijk niet van om de oude modellen te blijven gebruiken om de beleidsmakers zover te krijgen het OS-budget te verhogen. In de jaren negentig kreeg zij opeens onverwacht steun van een nieuwe generatie Big Push-denkers




  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina