Limited access societies



Dovnload 1.06 Mb.
Pagina5/22
Datum19.08.2016
Grootte1.06 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22

HOOFDSTUK III

ZACHTE HEELMEESTERS MAKEN STINKENDE WONDEN
In theorie klinkt het prachtig. Arme landen gaan meestal gebukt onder grote schulden. De rente die zij voor deze torenhoge schuld moeten betalen, eet zo’n groot deel van hun overheidsbudget op dat zij weinig of niets meer overhouden voor investeringen in onderwijs en gezondheidszorg. Zonder schuldverlichting zullen zij nooit flink gaan groeien. Er valt op het eerste gezicht geen speld tussen te krijgen.

Bovendien is het onrechtvaardig dat de nieuwe regering van een derdewereldland niet kan gaan hervormen door de enorme schulden die het oude regeringshoofd is aangegaan. Het volk is toch niet verantwoordelijk voor de daden van een dictator? Bovendien heeft de Koude Oorlog ervoor gezorgd dat het westen onmogelijke leningen verstrekte om de steun van Afrika te verwerven. Iedereen die een hart in zijn lijf heeft, zal die schulden dan kwijtschelden.

Beleid dat alleen maar gebaseerd is op het hart en niet op het hoofd, is riskant. De geschiedenis kent vele voorbeelden waarbij ethisch verantwoordelijkheidsbesef in zijn tegenpool uitmondde. Zachte heelmeesters maken soms stinkende wonden.

Laten we eens proberen om in dit hoofdstuk het schuldenvraagstuk rationeler te benaderen. Daarbij zal ik dieper ingaan op de geschiedenis van de schuldverlichting, en welke rol Nederland in het bijzonder daarbij gespeeld heeft. In dit hoofdstuk zal ik mijn visie uiteenzetten over structurele verbetering van de schuldsanering, waardoor Afrikaanse overheden geprikkeld worden om verstandiger beleid te ontwikkelen.


Vanaf het midden van de jaren ’90 stond schuldverlichting opeens in de schijnwerpers. Van de Ierse popster Bono tot paus Johannes Paulus II, bijna iedereen had er de mond van vol. Zelfs de conservatieve Amerikaan Jesse Helms, voormalig senator voor de staat North Carolina, verklaarde de oorlog aan de schuldenlast die arme landen meetorsen. Al deze krachten bundelden zich in de Jubilee-beweging die schuldverlichting hoog op de agenda wist te krijgen. In 1998 wist deze in Birmingham 70.000 mensen te laten demonstreren voor schuldverlichting.

Men zou bijna de indruk krijgen dat de vertegenwoordigers van Jubilee de eersten waren die aandacht vroegen voor het schuldenvraagstuk. Niets is minder waar. Al in 1967 waarschuwden vertegenwoordigers van de United Nations Conference on Trade and Development dat de schuldenlast van veel arme landen in een kritieke fase was gekomen. Tien jaar later schreven bilaterale crediteuren 6 miljard dollar schuld aan vijfenveertig arme landen af. En daar waren ook goede redenen voor. De oliecrisis, de hoge rentevoet en de recessie leidden tot een drastische verlaging van de grondstofprijzen, waardoor de ruilvoet van derdewereldlanden verslechterde. Zij moesten dus wel lenen om hun uitgavenpatroon te kunnen voortzetten. De hoge leningen gecombineerd met de lage besparingen en politieke instabiliteit, maakten deze landen volledig afhankelijk van crediteuren aangezien duurzame groei helaas uitbleef. Vandaar dat de gedachte van schuldverlichting terrein won als ultieme poging om groei te stimuleren.

Weer zeven jaar later kwam een Wereldbankrapport met de conclusie dat financiële steun aan arme landen zou moeten worden aangevuld met langjarige schuldverlichting en langere terugbetalingstermijnen. U raadt het al: zo geschiedde. Sinds 1987 leidden opeenvolgende G7-toppen tot genereuzere voorwaarden zoals uitstel van betaling. Ironisch genoeg werden die mildere voorwaarden bedacht in de meest luxueuze hotels in Venetië, Toronto en Londen. En zo kregen de regeringen van arme landen steeds mildere voorwaarden die spoedig de namen van de drie bovengenoemde drie steden droegen.
Internationale instellingen hebben er belang bij dat nieuwe leningen worden uitgegeven, want met dat geld – of een deel daarvan – kunnen eerdere leningen van internationale instellingen worden afgelost. De internationale instellingen hebben dus twee petten op, namelijk enerzijds de rol van poortwachter ter voorkoming dat een land de afgrond inglijdt en anderzijds de rol van crediteur. Overbodig te zeggen dat deze twee rollen moeilijk met elkaar te verenigen zijn (Dijkstra, 2003; zie ook IOB, 2003, p.1).99

Tussen 1980 en 1999 hebben het IMF en De Wereldbank aan 119 arme landen 1055 structurele aanpassingsleningen verstrekt om economische groei te bevorderen. De voorwaarden waren helder; met deze leningen zouden regeringen hun fiscale schulden afbetalen en economische hervormingen, zoals privatiseringen en handelsliberalisering, invoeren.

Helaas hebben zesendertig landen het gepresteerd om in deze periode een gemiddelde groei per hoofd van de bevolking van 0% te verwezenlijken. Minstens zo ernstig is het feit dat deze leningen geen economische hervormingen teweeg brachten. Ontwikkelingslanden zagen de nulgroei als een teken dat structurele aanpassingsleningen niet voor economische groei zorgen, en de roep om schuldverlichting werd steeds heviger. Het aandringen tot hervormingen door internationale instellingen, zorgt niet altijd voor een gedragsverandering bij deze landen, en blijkt juist het tegenovergestelde tot gevolg te hebben gehad, namelijk dat de eerstgenoemde de schuld krijgt van te strenge kredietvoorwaarden. Is schuldverlichting dan effectiever in het veranderen van overheidsbeleid in HIPC-landen dan het verstrekken van leningen? Waarschijnlijk niet. Hoe dan ook is het duidelijk dat van buitenaf opgelegde hervormingen niet werken. Daarop volgt een spel dat het niveau van een jij-bak niet overstijgt.

Verlichting van schulden en het van buitenaf opleggen van complexe hervormingen, zijn volgens Easterly (2006, p.6) gedoemd te mislukken, net als eerdere pogingen tot schuldverlichting en aanpassingsleningen. Eastery stelt daarom voor om internationale instellingen alleen advies te laten geven indien regeringen van ontwikkelingslanden daar werkelijk in geïnteresseerd zijn. Arme landen zouden zelf het initiatief moeten nemen om hervormingsprogramma’s op te stellen. Instellingen zouden alleen programma’s moeten financieren die enige slagingskans hebben. Deze aanpak heeft gewerkt in het stimuleren van economische hervormingen in China, India en zelfs Oeganda.


Vanaf het einde van de jaren ’80 begonnen de Wereldbank en het IMF speciale financieringsprogramma’s voor Afrikaanse landen, waarbij leningen met hoge rente werden vervangen door leningen met een lage rente, hetgeen niets anders is dan een gedeeltelijke afschrijving van schulden. Het is goed om hier te vermelden dat de leningen aan arme landen op zich al een grote vooruitgang zijn. Nog geen twee eeuwen geleden zou het westen oorlogsschepen hebben gestuurd om de douane-inkomsten van een land in financiële problemen te confisqueren.

Het IMF liet gezond verstand prevaleren boven puur mededogen, en stelde een aantal rationele voorwaarden dat met name economische hervormingen behelsde. De methode bleek succes te hebben in Azië en Zuid-Amerika. Zo hielp deze Zuid-Korea en Thailand door een ernstige financiële crisis in de jaren ’80 heen, waarna de landen spontaan begonnen te groeien.


In Afrika verliep de schuldverlichting helaas minder succesvol. In de jaren ’90 bleven de schulden van dit continent, mede door de steeds mildere voorwaarden van de G7-toppen, gestaag stijgen. In 1996 kwam er een initiatief tot stand dat arme landen met hoge schulden zou moeten helpen. Het initiatief ten behoeve van arme landen met hoge schulden (Heavily Indebted Poor Countries, in het vervolg HIPC’s) werd geïntroduceerd door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds. De crediteuren, de Wereldbank en het IMF zelf inbegrepen, bereikten voor het eerst in de geschiedenis consensus over de sanering van openstaande schulden.

Dit initiatief werd in 1999 herzien en versterkt na de G7-top van Keulen, en staat nu bekend als het "versterkt HIPC-initiatief". Dit initiatief was oorspronkelijk voor twee jaar vastgelegd, maar werd daarna wegens vermeend succes vier keer voor een zelfde periode van twee jaar verlengd.

Door het initiatief kunnen landen die kampen met een ondraaglijke schuldenlast aan de slag met de fundamentele herstructurering en ontwikkeling van hun land. Deze landen moeten sowieso in aanmerking komen voor het Poverty Reduction and Growth Facility-programma van het Internationaal Monetair Fonds, en daarenboven eigen initiatief en een duidelijke strategie voor armoedebestrijding (een zogenoemd Poverty Reduction Strategy Paper) tonen. Sociale hervormingen op het gebied van macro-economie, vrouwenemancipatie, milieu, waterbeheer, onderwijs en ict moeten hierin worden opgenomen (IMF, 2008, p.1). Dit zou voor hooggekwalificeerde beleidsmakers in rijke landen al een hele opgave zijn, maar voor arme landen waarin gekwalificeerde managers schaars zijn, is het welhaast ondoenlijk. De voorwaarden bestaan dus vooral op papier, en de internationale instellingen wassen hun handen vervolgens in onschuld met de verklaring dat hun advies niet is opgevolgd.

Hierin schuilt een dilemma voor schuldverlichtingadvocaten. Zij willen graag dat schuldverlichting de positie van de armen verbetert, maar zij willen niet dat rijke landen arme landen voorschrijven wat de laatste moeten doen. Het maatschappelijk middenveld is in de meeste arme landen klein. Het valt niet te verwachten dat het schuldverlichtingspakket de positie van de armen verbetert, zonder dat de donoren hierin harde voorwaarden opnemen.


Op dit moment nemen achtentwintig landen deel in dit programma. In totaal krijgen zij over een periode van zo'n veertig jaar maximaal 37 miljard dollar aan schuldverlichting. In 2008 werd er in totaal 51 miljard dollar aan schuldverlichting toegekend.

Dit is een merkwaardige gang van zaken. Als het hulpgeld in de vorm van schuldverlichting naar de landen gaat die in het verleden hebben aangetoond niet met publieke middelen om te kunnen gaan, dan passeert de internationale gemeenschap daarmee landen als India en Bangladesh die hun zaakjes wél op orde hebben maar niet in aanmerking komen voor het HIPC-programma. Pijnlijk genoeg mag Ivoorkust, dat niet één maar twee nationale hoofdsteden in de geboorteplaatsen van vorige leiders bouwde en mede daardoor in de financiële problemen kwam, wél in de grote pot graaien, omdat er na gemanipuleerde verkiezingen sprake was van een nieuwe wind.


Op het moment dat de Wereldbank en het IMF bepalen dat een land in aanmerking komt voor het schuldverlichtingsprogramma, zeggen alle schuldeisers toe hoeveel schuldverlichting ze uiteindelijk zullen schenken. Nederland, dat in de meeste gevallen een exportkrediet heeft uitstaan, geeft vaak honderd procent verlichting. Deze kwijtschelding lijkt genereuzer dan hij werkelijk is, want het percentage bestrijkt slechts de schulden die het land is aangegaan voordat het afspraken heeft gemaakt over schuldvermindering met de Club van Parijs100. Recente schulden worden dus niet verminderd.

De daadwerkelijke schuldverlichting wordt pas van toepassing als de schuldeisers het erover eens zijn dat het land in kwestie zijn hervormingsprogramma heeft waargemaakt en in staat is zijn macro-economische stabiliteit te handhaven. Om ervoor te zorgen dat landen niet al te lang hoeven te wachten op schuldvermindering, geeft Nederland overigens ook in de tussenliggende periode enige schuldverlichting.

Beleidsmakers gebruiken de weinig realistische stelling dat schulden van derdewereldlanden niet legitiem zijn, als argument voor schuldverlichting. Hoewel het inderdaad niet aardig is om een volk op te zadelen met de schuld van hun voormalige onderdrukker, is het nog veel fouter om de nieuwe leider te vrijwaren van zijn plicht om schulden af te betalen. Het is weliswaar niet goed te praten dat het westen de vorige dictator leningen heeft verstrekt, maar dat onthoudt ons niet van de morele plicht om ook de nieuwe leider kritisch te volgen. Helaas heeft het verleden uitgewezen dat nieuwe leiders op den duur vaak ook corrupte trekjes gaan vertonen. De vraag die dan ook gesteld kan worden is hoe “schoon” een nieuwe regering moet zijn om volledig afstand te nemen van de misdaden van het voormalige corrupte regime. Zo lang de wereld daarop geen antwoord heeft, en de kans is erg klein dat dit er ooit nog komt (IMF, 2008, p.2), is het niet realistisch om de nieuwe leider vanaf zijn inauguratie als een tabula rasa te behandelen die binnen de kortste keren met corruptie weet af te rekenen.

Overigens heeft dit argument ook een ongewenst effect op de financiële markten. Weinig commerciële banken zullen leningen willen verstrekken aan landen als zij weten dat de volgende regeringen schulden eenvoudigweg kunnen afschrijven. De banken willen niet in de situatie komen dat ze hun geld niet meer terugkrijgen, en zullen dus eerder geld lenen aan landen waar schuldverlichting niet aan de orde is. Dat blijkt ook uit de cijfers van de afgelopen jaren. In 1991 kregen de zevenenveertig armste landen tezamen vijf procent van de totale directe buitenlandse investeringen bestemd voor de ontwikkelingswereld. In 2000 is dit gedaald naar slechts tweeënhalf procent. Slechts multilaterale ontwikkelingsbanken die leningen verschaffen met weinig tot geen rente en met zeer lange terugbetaalperiodes, blijven lenen aan HIPC-landen, maar alleen onder zeer strenge voorwaarden (IMF, 2008, p.5). Easterly stelt dat schuldverlichting er uiteindelijk zelfs toe zou kunnen leiden dat ontwikkelingslanden hun kredietwaardigheid verliezen (Fikru en Getachew, 2008, p.8).


De Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie heeft in haar rapport Resultaten van internationale schuldverlichting (Dijkstra, 2003) onderzocht in hoeverre schuldverlichting doelmatig, doeltreffend en doelgericht was. Als belangrijkste impactvariabele is economische groei gekozen. Hieraan bleek schuldverlichting zelden bij te dragen, en de HIPC-landen behielden hun hoge schulden. Dat kwam enerzijds door de keuze voor herstructurering in plaats van kwijtschelding, maar anderzijds ook doordat de schuldverlichting ertoe leidde dat landen nieuwe leningen namen die de kwijtschelding ruimschoots overtroffen (Dijkstra, 2003). Dit heeft de toorn gewekt van de econoom William Easterly. Aan de eenenveertig landen die tussen 1989 en 1997 als HIPC’s werden aangemerkt, zijn in deze periode nieuwe kredieten verstrekt ter waarde van 41 miljard dollar, terwijl de schuldverlichting 33 miljard dollar bedroeg (Easterly, 2001, p.1). Met een nog veel grotere schuld dan tevoren, blijkt de term ‘schuldverlichting’ een pijnlijk eufemisme.

De pijnlijkste conclusie is echter nog wel dat de internationale gemeenschap de verkeerde methode heeft toegepast om deze landen te helpen. Er is namelijk sprake van een hardnekkig solvabiliteitsprobleem en geen tijdelijk liquiditeitsprobleem.


Tot 1992 bestond ontwikkelingshulp niet alleen uit giften maar ook uit leningen. Deze 'zachte' leningen hebben over het algemeen een lagere rente. De hulpschulden aan Nederland bedroegen (eind 2002 - recentere cijfers stelt de overheid niet ter beschikking) 1,8 miljard euro. Daarvan staat 1,3 miljard uit bij de armste landen. Exportkredietschulden zijn 'harde' leningen met een hogere rente. De totale exportkredietschuld aan Nederland bedroeg (in juni 2005) 2 miljard euro. Opvallend is dat India en Indonesië samen verantwoordelijk zijn voor ongeveer zestig procent van de totale hulpschuld aan Nederland. Prettig is het wel dat deze twee landen tegelijkertijd als grootste aflossers uit het rapport van eind 2002 komen.
Tussen 1990 en 1999 is uit de begroting voor Ontwikkelingssamenwerking bijna 1,5 miljard euro aan schuldverlichting uitgegeven. Het grootste gedeelte hiervan, achtentachtig procent, werd besteed aan de kwijtschelding en verlichting van bi- en multilaterale schulden.

Omdat het Ministerie van Financiën 200 miljoen euro toevoegde voor de gedeeltelijke kwijtschelding van bilaterale exportkredietschulden, kwam de totale schuldverlichting van de Nederlandse overheid in deze periode uit op 4,6 miljard gulden (1,7 miljard euro) (Dijkstra, 2003). Met bilaterale middelen heeft de Nederlandse Staat een belangrijke rol gespeeld in de multilaterale opkoop van commerciële schulden en op die wijze een bijdrage geleverd aan het verminderen van de schuld van ontwikkelingslanden. Maar ook Nederland is uitgegaan van de veronderstelling dat de schuldenlanden slechts een tijdelijk liquiditeitsprobleem hadden, en dat nieuwe leningen de oplossing hiertoe zouden zijn. Nederlandse schenkingsmiddelen werden om deze reden omgezet in een lening, en dat leidde ertoe dat de schuldenlast juist werd vergroot.

Sinds de millenniumwisseling zijn de donaties van landen die lid zijn van het Development Assistance Committee (DAC) bijna verdubbeld. Nederland had hierin een belangrijk aandeel, door van meer dan 2,2 miljard euro aan ontwikkelingsgelden in 2001 naar ruim 4,6 miljard euro in 2007 te gaan (OECD, jaartal). Die stijging is natuurlijk een gevolg van de koppeling aan het BNP.

Volgens de regels van het DAC mag kwijtschelding van overheidsschulden in het kader van de Club van Parijs, worden aangemerkt als ontwikkelingsgeld.101 Behalve Noorwegen en Zwitserland, passen alle donoren deze regel toe. In een artikel in het Financiële Dagblad (2007) stellen prof. J.W. Gunning en prof. S.J.G. van Wijnbergen dat deze regeling ervoor zorgt dat Nederlandse schuldverlichting door de ontwikkelingslanden zelf betaald wordt. Ook het IOB maakt zich hierover druk102. Dit is een beetje misplaatst, omdat het uiteraard goed is voor de ontwikkelingslanden zélf indien de schuld tot een houdbaar niveau wordt teruggebracht.

In 2007 bedroeg de kwijtschelding van Exportkredietverzekering en Investeringsgaranties (EKI) 282,5 miljoen euro en in 2008 102,5 miljoen euro. Voor het jaar 2009 is 50 miljoen euro aan schuldverlichting begroot. Het terugbrengen van de EKI-kwijtschelding zal dus ook in 2009 teruggebracht worden (HGIS, 2008b). De reden hiervoor is dat de zogenoemde ‘schuldhoudbaarheidsanalyse’ heeft uitgewezen dat de kwijtschelding van Congolese en Liberiaanse schulden vertraagd moet worden (HGIS, 2008a, p.5). Ook is er de laatste jaren minder uitgegeven aan schuldkwijtschelding omdat er eenvoudigweg minder schulden waren om kwijt te schelden. Dit drukt uiteraard de kostenpost.
Ons land heeft in de periode 1998 tot 2006 in totaal 1,1 miljard euro aan schuldverlichting verleend aan Sub-Sahara Afrika, waarvan 1 miljard euro aan exportkredieten (IOB, 2008, p.144). Tien partnerlanden konden rekenen op een kleine 250 miljoen euro, zeven niet-partnerlanden ontvingen 136 miljoen. Het grootste gedeelte van deze kwijtschelding, de rest, was echter bestemd voor de Democratische Republiek Congo en Nigeria (715 miljoen euro) (IOB, 2008). Deze gang van zaken is niet onomstreden. Zo was en is Nigeria geen HIPC-land; de schuldverlichting aan Nigeria was een voorstel van het Verenigd Koninkrijk, gehonoreerd door de G8. Het gegeven dat deze boekhoudkundige goocheltruc één van de grootste schuldkwijtscheldingen uit de geschiedenis van de Club van Parijs is, deed de wenkbrauwen in de Nederlandse media en het Parlement fronsen. Waarom waren er richtlijnen vastgelegd zoals die van het HIPC-initiatief, als er zelfs voor zulke gigantische kapitalen aan uitzonderingen ingebouwd werden? Bovendien stond Nigeria te boek als een zeer corrupt land met rijkelijke olie-inkomsten, en is de reputatie van Nigeria en de DRC als armoedebestrijder twijfelachtig. 103

De schuldverlichting aan de DRC veroorzaakte daarnaast groot tumult, omdat de leden van de Club van Parijs al aan het begin van de HIPC-deelname een groot bedrag aan schulden kwijtscholden, terwijl dat niet conform de regels van de Wereldbank en het IMF was. In 2002 had de DRC circa 510 miljoen euro exportkredietschuld uitstaan aan Nederland, en 8,9 miljard dollar aan de Club van Parijs. Daarmee was het land er zorgwekkend genoeg aan toe om zich voor het HIPC-programma te kwalificeren, waardoor 67% van de schulden zouden worden kwijtgescholden. Het HIPC-programma verhielp de problemen overigens niet geheel; de totale schuld aan andere landen bleef een last, omdat deze veel groter was dan de schuldverlichting (HGIS, 2008a, p.5).

Bovendien is de relativiteit van vrijkomend geld een probleem. Geld dat vrijkomt door schuldverlichting, kan besteed worden aan onderwijs. Indien dat gebeurt, wordt de bevolking daarmee geholpen en worden de voorwaarden geschept voor het ontvluchten van armoede. Helaas kunnen landen het vrijgekomen geld ook uitgeven aan wapens. Schuldverlichtinglanden als Angola, Ethiopië en Rwanda geven een verontrustende hoeveelheid geld uit aan militaire projecten. Het is maar de vraag of zij hun nieuwe geldbronnen wel aan onderwijs zullen uitgeven, als ze met hun huidige budget niet bepaald de indruk wekken belang te hechten aan onderwijs.

Overigens weten de regeringen in dergelijke landen ook nauwelijks waar het geld precies blijft. Het IMF en de Wereldbank stelden in het jaar 2000 vast dat slechts twee van de onderzochte vijfentwintig HIPC-landen konden aangeven waar de overheidsuitgaven in de periode van de schuldverlichting jaarlijks naartoe gingen. In Oeganda kwam slechts dertien procent van de hulpgelden die voor lokaal onderwijs geoormerkt in het laatste decennium van de twintigste eeuw, daar ook echt terecht (HGIS, 2008a, p.3).


In totaal schold Nederland 620 miljoen euro kwijt, waarvan 304 miljoen euro aan exportkredietschuld tussen 2002 en 2006. In 2003 had de DRC voortgang geboekt op een aantal IMF- en HIPC-indicatoren en achtte Nederland het een sympathiek gebaar om circa 44 miljoen euro aan schulden kwijt te schelden, uitgesmeerd over de periode tussen 2003 en 2006104 zoals de Ministers van Financiën en voor Ontwikkelingssamenwerking waren overeengekomen (IOB, 2008, p.145).

Het IMF stond, mede vanwege de hoge inflatie in het land, niet toe dat de DRC en Nigeria de verleende schuldkwijtschelding meteen in lokale valuta omzetten. Hierdoor verbeterde wel de solvabiliteit, maar niet de liquiditeit van de landen (IOB, 2008, p.150). Ook in andere (HIPC-)landen deed dit probleem zich voor. In Nigeria deed zich een uitzonderlijke situatie voor, omdat dit land stante pede nieuwe leningen uit China ontving, waardoor de solvabiliteit in eerste instantie lichtelijk verslechterde. Voornamelijk vanwege de stijgende olieprijzen, zette de verslechtering zich al wel snel om in een verbetering.


Het IOB concludeert dat het effect van schuldverlichting in het algemeen en van kwijtschelding van exportkredietschulden positief is, ondanks de nuance van solvabiliteit en liquiditeit. Veel van de schulden zouden namelijk nooit zijn afgelost indien er geen regeling getroffen was, nu is in ieder geval een deel terugbetaald.

Interessant is natuurlijk de vraag in hoeverre het Nederlandse schuldverlichtingbeleid de armen in Nigeria en de DRC heeft geholpen. Het IOB heeft hier helaas geen onderzoek naar verricht, maar de transacties zijn ook nog betrekkelijk recent. Wel merkt het IOB op dat het virtuele armoedefonds in Nigeria ertoe geleid heeft dat het land middelen oormerkt voor armoedebestrijding. In het geval van de DRC ontbrak helaas een specifieke oormerking, maar er was in ieder geval een nationaal armoedebestrijdingsplan.


Zorgt schuldverlichting voor economische groei?

De schuldenlast van Afrika ondermijnt investeringen in de fysieke en sociale infrastructuur – daarover hoeven we geen ruzie te maken. Dat geldt wel voor de theorie dat alleen een permanente oplossing voor de schulden in combinatie met meer hulp en handel, kan leiden tot duurzame groei. Dit veronderstelt dat schuldverlichting leidt tot (meer) groei, maar dat is maar de vraag. Onderzoek naar deze theorie geeft opmerkelijke uitkomsten: er blijken globaal gesproken drie verschillende uitkomsten te zijn: dat er een positieve relatie bestaat tussen schuldverlichting en groei, dat er geen effect bestaat, of dat er zelfs een negatief effect is van schuldverlichting op groei.


Niemand minder dan Jeffrey Sachs stelde in 2002 een positief effect vast (2002, p. 1-28). Sachs gebruikte een Solow-groeimodel105 om het effect van schuldverlichting op groei te kunnen vaststellen. Zijn conclusie was dat schuldverlichting groei verhoogt. Ook een studie van Clements e.a. (2005) nam een positief effect waar. Dit onderzoek toonde aan dat schuldverlichting de per capita groei van het BNP met 0,8% tot 1,1% verhoogde voor vijfenvijftig HIPC-landen in de periode 1970-1999. Ook zou een vermindering van de schuldenlast met zes procent van het BNP, de publieke investeringen met driekwart tot één procent van het BNP doen toenemen. De economische groei profiteert hiervan met 0,2 procentpunt. Hieruit mogen we concluderen dat het verhogen van de publieke investeringen met de middelen die vrijkomen door schuldverlichting, een positief effect heeft op economische groei.
Ralf Hepp (2005) bestudeerde honderdtweeëntwintig ontwikkelingslanden, zowel lage- als middeninkomenslanden. Op basis van Wereldbank-data kwam hij tot de conclusie dat lagere rentebetalingen een positief effect hadden op de groei van non-HIPC-landen, maar géén effect op de HIPC-landen. Die conclusie impliceert dat schuldenverlichting arme landen in principe harder kan laten groeien, maar dat dit om één of andere reden niet werkt in de HIPC-landen.

Op basis van de DAC-definitie van schuldverlichting vond Hepp een geheel ander resultaat. In het geval van HIPC-landen ontdekte hij een positief effect op groei en bij non-HIPC-landen een negatief effect. Hepp merkt wel aan dat deze de werkelijke schuldverlichting in zijn waarde overschat.

Uiteindelijk komt Hepp tot de conclusie, dat schuldverlichting gemiddeld genomen geen effect heeft op de groeicijfers van ontwikkelingslanden, aangezien de groeicijfers van HIPC-landen stagneren en deze niet van schuldverlichting profiteren.
Fikru and Getachew hebben in 2008 onderzoek gedaan naar 14 Afrikaanse HIPC-landen die schuldverlichting hebben verkregen tussen 1990 en 2001.106 In het onderzoek hebben zij het BBP-groeicijfer en de schuldverlichting in verhouding tot de schuld die betaald moet worden, tegen elkaar afgezet. Hun conclusies zijn niet mals. Zij ontdekten namelijk dat de landen die de meeste schuldverlichting ontvingen, hun inkomen per hoofd van de bevolking in de jaren daarna zagen dalen. Voor een significant aantal landen met weinig schuldverlichting, gold juist het tegenovergestelde. Zo had Niger grote per-capita-groei terwijl de schuldverlichting slechts marginaal was. Mali kreeg honderd-en-elf keer minder schuldverlichting dan Ethiopië, maar kreeg wel voor elkaar de per capita groei van 1,2% naar 3,2% te laten stijgen (Fikru en Getachew, 2008, p. 13). Bovendien bleek dat de economische groei die er wél was, niet noodzakelijkerwijs een gevolg was van schuldverlichting. Ook hieruit mogen we concluderen dat schuldverlichting onvoldoende is indien het vrijgekomen geld en de uitgespaarde rentelasten niet fatsoenlijk besteed worden, omdat schuldvermindering niet automatisch tot hogere publieke investeringen leidt (p.4-5). Deze conclusie is uiteraard een open deur van jewelste, waardoor het des te ironischer is dat de hulpindustrie alsmaar tegen het kozijn blijft aanlopen.

De Tanzaniaanse econoom en politicus Ibrahim Haruna Lipumba kwam tot het inzicht dat meer schuldverlichting voor HIPC-landen zal leiden tot een beperking van wereldwijde hulp aan andere arme landen die niet in het HIPC-initiatief betrokken zijn. Schuldverlichting zal de millenniumdoelen van Jeffrey Sachs dan ook niet dienen. Arme niet-HIPC-landen hebben meestal beter economisch beleid en bestuur, en zijn daarom beter in staat om bij te dragen aan Sachs’ stokpaardje.


Net als de relatie tussen hulp en economische groei, blijkt het verband tussen schuldverlichting en economische groei onduidelijk. Wetenschappers komen met uiteenlopende onderzoeksresultaten. Het feit dat landen nauwelijks of niet groeiden ondanks het feit dat ze veel schuldverlichting kregen, kan niet beschouwd worden als een bewijs dat schuldverlichting niet werkt, omdat die landen zonder schuldverlichting misschien nog veel slechter zouden hebben gepresteerd. Toch zou het debat mede moeten gaan over het feit dat landen waarvan de schuld het meest werd verlicht, niet of nauwelijks groeiden. Waarom zijn zoveel mensen desondanks eigenlijk zo’n warm voorstander van schuldverlichting?


1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   22


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina