Literatuurdossier Nederlands 2007



Dovnload 223.63 Kb.
Pagina1/7
Datum16.08.2016
Grootte223.63 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
Literatuurdossier Nederlands 20071:
1315, Borchgravinne van Vergi 2

1654, Lucifer, Vondel*’ 4

1833, Jaromir, Staring* 9
1887, De kleine Johannes, Frederik van Eeden 11
1933, Kaas, Willem Elsschot 16

1938, Karakter, Bordewijk 19


1966, Nooit meer slapen, Willem Frederik Hermans 22

1973, Motet voor de kardinaal, Theun de Vries* 25

1978, Een vlucht regenwulpen, Maarten ’t Hart 28
1992, Ontdekking van de hemel, Mulisch*’ 31

1995, De kleine blonde dood, Boudewijn Büch*’ 44

1997, Hemel van Hollywood, Leon de Winter’ 51

1998, Hart van Steen, Dorrestein 55

2001, Passievrucht, van Loon 57
DE BORCHGRAVINNE VAN VERGI

Schrijver onbekend

Geschreven in de 14e eeuw,
voltooiing 24 mei 1315


Samenvatting

De burggravin van Vergi heeft een buitenechtelijke relatie met een knappe ridder. Zij ontmoeten elkaar elke avond in de boomgaard die naast de kamer van de burggravin ligt. Ze stuurt dan haar hondje vooruit als teken aan de ridder dat ze alleen in haar kamer is en dan brengen zij de nacht samen door. De ridder is een gewaardeerd man bij het hertogelijk hof en de hertogin is dan ook erg weg van hem. Ze laat dat ook aan hem merken maar hij gaat niet in op haar avances. Zij voelt zich erg beledigd door deze afwijzing en zegt tegen haar man, de hertog, dat het andersom is, dat de ridder geprobeerd heeft haar te verlijden, en nu wil ze dat hij wordt verbannen. De hertog gaat met de ridder praten en deze vergaat van angst en verdriet bij de gedachte dat hij dan ook zijn geliefde burggravin van Vergi niet meer kan bezoeken als hij het land uit moet. De hertog heeft gemerkt dat de ridder altijd zo opgewekt is en is er van overtuigd dat hij verliefd is, op zijn vrouw nog wel want dat is wat zij vertelde. De ridder is zeker verliefd, verteld hij, maar hij kan niet vertellen op wie omdat zij getrouwd is en zij beide dan zeker gestraft zullen worden. De hertog zegt dat hij hem kan verrouwen en dan vertelt de ridder over zijn liefdesrelatie met de burggravin. De bruggravin van Vergi is de nicht van de hertog en deze wil graag mee naar een van de afspraakjes tussen haar en de ridder als bevestiging van het hele verhaal. Hij mag mee en ziet met eigen ogen hoe zij elkaar kussen in de boomgaard en daarna in de kamer van de gravin verdwijnen.


Bij thuiskomst is de hertogin woedend dat haar man de ridder niet het land uit heeft gezet en eist dat hij verteld met wie deze ridder dan een verhouding heeft. Hij vertelt het haar, maar op een voorwaarde: als ze het ooit aan iemand anders zegt, zal hij haar vermoorden.
Dan op een hofdag, kan de hertogin toch niet haar mond houden en verteld aan de burggravin, die daar ook aanwezig is, dat zij afweet van haar grote geheim. Zij is nu zo teleurgesteld dat de ridder er met iemand over heeft gesproken dat zij sterft aan een gebroken hart. Een meisje ziet dit allemaal gebeuren en vertelt het aan de ridder. De ridder voelt zich daardoor weer schuldig en grijpt een zwaard en steekt zichzelf neer.
Het meisje dat daar nog is gaat angstig naar de hertog en vertelt hem alles. Deze neemt hetzelfde zwaard en vermoordt daarmee zijn eigen vrouw omdat ze niet haar mond kon houden.
Personages

De ridder


Hij is een edele man die veel voor heft hof doet. Hij bemint weliswaar een getrouwde vrouw maar geeft niet ook nog eens toe aan de toespelingen van de hertogin, hij gaat helemaal voor de Burggravin van Vergi. Hij houdt zoveel van haar dat hij zelfs nog liever hun relatie bekend maakt dan dat hij moet vertrekken uit het land en haar dus nooit meer kan zien.

De hertogin


De hertogin is een zeer egocentrische vrouw. Ze wil kosten wat het kost de liefde van de ridder krijgen en als hij dan niet wil, dan maakt ze hem zwart. Ze is erg jaloers en gunt de ander geen liefde en blijdschap toe. ze denkt alleen maar aan zichzelf en komt er uiteindelijk ook gewoon rond voor uit dat ze haar man wil bedonderen terwijl hij net nog voor haar met de ridder was gaan praten. Als ze uiteindelijk ook nog te weten komt met wie de ridder een relatie heeft, laat ze dat met genoegen blijken aan de Burggravin ven Vergi, zodat deze sterft aan haar verdriet.
De hertog vindt het ook vreselijk dat zijn vrouw door hem is gestorven en hij onderneemt een kruisvaart. Hij laat al zijn geloof en aanzien achter zich en gaat zich geheel wijden aan het geloof. Hij vaart naar het Heilige Land en sluit zich daar aan bij de Tempeliers.
Het soort boek

De borchgravinne van Vergi is een hoofse ridderroman omdat de ridder de gravin ontzettend bemint. De liefde is heel diep en zij kan dan ook sterven aan een gebroken hart: ‘Hierna sloeg de edele vrouw haar armen om haar borsten en zei: “liefste, ik beveel je aan in de genade van onze Heer.” Toen zuchtte ze van smart. Ze kneep haar armen toe, haar hart brak en ze stierf daar op het bed, echt waar.’ (blz. 43).


Het verhaal is afkomstig uit Bourgondie, Frankrijk.

Lucifer

Vondel
Thema



De hoofdpersoon van dit drama streeft naar geluk, althans naar datgene wat hij als geluk beschouwd. Daarin wordt hij gestuurd door eigenschappen en omstandigheden die naar de ondergang voeren. Zielsprocessen betekenen strijd, de hoofdpersoon beweegt zich tussen geluk en ongeluk, in op- en neergang. De 'Lucifer' behandelt de val der engelen en der mensen en zinspeelt op de komst van Christus.

Inhoud
1ste bedrijf
expositie

De engelen vernemen de schepping van de mens. Apollion moet gaan zien of alles wel zo geweldig is als gezegd wordt. Beginregels: "Myn Belial ging hene op lucht en vleugels drijven om uit te zien waar ons Apollion mag blijven". Weldra verschijnt hij en door genoten omringt vertelt hij zijn lotgevallen. Als bewijs van de schoonheid van de hof van Eden heeft hij vruchten meegenomen.
Belzebub wekt de kiem van jaloezie al op. "Men zou ons paradijs om Adams Hof verwensen"-"Geluk der Engelen moet wijken voor de menschen."
Apollion zegt geen volledig beeld te kunnen geven , omdat hij dan meer dan een engel zou moeten zijn. Dan geeft hij een nauwkeurige beschrijving van de wonderschone Eva. Wat Apollion vertelt is al voldoende om de ontevredenheid, die in de kiem van het hart der Engelen al was, te ontwikkelen. Niet alleen de natuur waarin de mens leeft geeft ontevredenheid, er is meer: "De engelen leven alleen, de mens is getweeig". Algemene bespreking als benijding van 's mensen geluk. Dan verschijnt Gabriël als Gods heraut.
Hij deelt mee:
- God zal menselijke natuur aannemen.
- De engelen moeten de mensen dienen
Dan is de Rey van Engelen aan het woord: Gods grootheid en heerlijkheid wordt bezongen.
2e bedrijf
Intrige
Lucifer, Gods stedehouder, heeft gehoord wat Gabriël vertelde. Hij is wrevelig, gekrenkt; 't onrecht dat mens wordt verheven boven engelen.
Het nieuwe bevel wakkert de ontevredenheid onder de hemelscharen aan. Gabriël heeft het gemerkt en komt hen waarschuwen. "Genoeg U met Uw lot. De wederspannigheid verplet haar hoofd en kroon. Indien ze wederstreef des Oppersten Ge boòn."
Lucifer: ik stel me niet tegenover God, maar ik wil God eer bewaren.
Gabriël: God weet wel wat hem tot eer strekt; de engelen moeten hem in alles gehoorzamen. (Waarschuwing is vruchteloos)
Belzebub stookt: "Men zal Uw mogenheid aldus de vleugel fnuiken". Belzebub bereikt zijn doel; dat blijkt uit het antwoord van Lucifer: "Nu zweer ik bij mijn kroon het al op een te zetten, te heffen mijnen stoel in aller hemelen trans. Door alle knechten hene, en Starrelichten glans."
De boodschap van Gabriël is algemeen bekend, het gevolg is een ontevredenheid in breder kringen.
Het 2e bedrijf eindigt met een Rey der getrouwe Engelen, waarin schrik wordt geuit voor naderend oordeel.

3e bedrijf
peripetia

Een groot deel van de engelen schaart zich om Lucifer, Belzebub en Belial. Rey der getrouwen komt hen vermanen zich toch te buigen onder Gods bevel. De Luciferisten spreken nu echter openlijk uit, dat ze zo'n gebod van God niet zullen gehoorzamen. Apollion versterkt dit door te zeggen: "Zo groot een ongelijk valt lastig te gedragen". Algemeen begint men aan te dringen dat Belzebub zich aan het hoofd van de opstand zal plaatsen. Intussen wapent Michaël zich en komt zien wat er aan de hand is. De Luciferisten roepen hem toe: "Zondt gij met wapens ons hertog recht verdrukken? Wij steunen op ons recht: rechtvaardigheid is stout."
Maar Michaël antwoordt; "D'inspanningen tegen God is allerminst rechtvaardig." Hij waarschuwt nogmaals. Dan verschijnt Lucifer en men vraagt hem het leiderschap op zich te nemen, want Belzebub heeft geweigerd. Na lang aandringen geeft hij toe, niet van harte lijkt het. De opstandelingen zweren hem de eed van trouw. "Wij zweren tegelijk bij God en Lucifer." Dan strijdzang.
Einde bedrijf: Rey der getrouwe Engelen, die zich zeer bezorgd uiten.
4e bedrijf
agnitio
Ze bewijzen Lucifer dus goddelijke eer. Gabriël bericht Michaël dus oproer en verraad, Michaël moet zich gereed houden om Gods eer te verdedigen. Lucifer wordt nog een keer gewaarschuwd namelijk door Rafaël, die hem smeekt zich te vernederen voor God, maar alweer vruchteloos. Lucifer meent dat hij al te ver is gegaan. Even komt hij tot een juist inzicht in zijn toestand; als opstandeling tegenover God voelt hij zich diep rampzalig, maar de legers stellen zich al op, zijn weifeling is te laat en met de moed er wanhoop stelt hij zich aan het hoofd van zijn legers. De strijd begint. Getrouwe engelen dringen op in een ▲-ige slagorde (symbool van Drieëenheid).
Michaël slaat hem neer en Lucifer verzinkt met de zijnen in de afgrond der ellende. Nu het Lucifer niet gelukt is God zelf te heffen, zal hij Hem heffen in zijn schepsel. In slangengedaante sluipt hij 't Paradijs binnen en verleidt de mens tot schending van het proefgebod.
5e bedrijf
catastrofe
Uriël, schildknaap van Michaël, vertelt het verloop van de strijd aan Gabriël. De strijd wordt voorgesteld als een gevecht tussen valk en reiger. Michaël's leger trekt op in een ▲ en Lucifer's leger in de vorm van een halve maan. Lucifer's wagen wordt getrokken door leeuw en draak. (hoogmoed en afgunst)
Na de val verandert God de gevallenen in monsters en duivels die wijzen op de zeven hoofdzonden.

Karakters
- Lucifer: Verhevenste geest die God schiep. In hem woedt strijd tussen goede en boze. Het laatste overwint in hem, maar als het naar buiten dreigt te zegevieren in de val van Adam en Eva, wordt Gods zegepraal duidelijk veilig gesteld. (zie Thema) Lucifer is ongebreideld, staatszuchtig, zijn hoogmoed is de oorzaak van zijn val; de trots niet te bukken voor de mens die van lager orde schijnt te zijn. Lucifer ziet in de gunst de mens bewezen een vernedering voor zichzelf en de engelen.
- Belial: al eerder 'gevallen' evenals Apollion. Samen drijven ze Lucifer naar opstand, ze verleiden en verblinden hem.
- Belzebub: Hij is de verpersoonlijking van leugen en bedrog.
- Apollion: Ook hij zit vol leugens en listen, ook is hij een figuur van openlijk geweld.
- Belzebub: Hij bereidt psychisch de wandaden van Lucifer voor.
- Belial: Hij is de verleider van Eva, is evenals Apollion werktuig van Belzebub.
- Gabriël en Rafaël: Zij zijn de zuivere trouw aan God. Rafaël is ook beeld van Gods ontferming.(in dialoog met Lucifer)
- Michaël: De krijgsman. Bondig en krachtig eist hij gehoorzaamhied. Na de victorie geeft hij alle eer aan God.

Situering
Stroming: Barok
Genre: episch klassiek drama. (christelijk en typisch Vondeliaans in zijn dramatisch tekort).
Tijd: imaginair (Adam Eva)
Tijdsverloop: één dag
Milieu: Engelachtig

Aantekeningen bij de inhoud
Algemeen
- Vondel droeg Lucifer op aan keizer Ferdinand III (1637-1657) Vondel zag in hem de 'vader van de pais (vrede)' (onder Ferdinand's regering werd de vrede van Munster gesloten in 1648). Boven dien werd Ferdinand lang door Wallenstein bedreigd en het had er lang de schijn van dat Wallenstein (Lucifer) de opstand zou winnen.
- 1ste opvoering 2 februari 1654.
- 2e opvoering 5 februari 1654. Toen werd het stuk verboden en in beslagname van exemplaren op aandringen van Amsterdamse predikanten. (Misschien omdat Vondel hen had aangevallen in hekeldichten en Palamedes). Juist door verbod steeg de belangstelling door stiekeme herdrukken.
- Na 200 jaar weer opvoering. 1890 in 'Hageveld' te Voorhout. Van 1908-1915 te Rolduc. 1910-1911 opvoering onder leiding van Royaards. Sindsdien opgevoerd en zijn er verschillende vertalingen verschenen.
- In zijn "Berecht van alle kunstgenoten" gaf Vondel in de 1ste uitgave de idee van Lucifer al aan: "Daar hij eindelijck, van Godts blixem getroffen ter helle stort , ten klaren spiegel van alle ondanckbare staet, zuchtigen, die zich stontelijck tegen de geheilighde Maeghten en majesteietn en wettige overheden durven veheffen."
- Latijnse onderschrift op titelblad is ontleend aan Romeinse dichter Vergilius en luidt volgens Vondels eigen vertaling: "dálmachtige Vader, dreef hem met eenen vreeschelijken dwarrelwint, dat hij tuimelde."
"Præcipitemque immani turnine adegit"

Bijzonderheden
- Compositie: vijf bedrijven, alle gesloten door een Rey van engelen. Anders en zuiverder klassiek(d.w.z. meer naar Grieks model) worden alle reien door Engelen gezegd. In de Gijsbrecht bv. Door verschillende personen.
- Structuur:
- 3 eenheden: van idee of thema: eerzucht is de ondergang van het schepsel. van tijd: alles verloopt binnen 24 uur. van plaats: alles speelt zich af in de hemel.
- Veel wordt herhaald: Apollion over aards paradijs. Uriël verhaalt de slag. Dit alles draagt niet bij tot de aard van het drama.
- Verzen zijn alexandrijnen. Opvallend is de stichomythie dwz. Een snelle dialoog van regel tot regel tussen twee personen of groepen.
- Klassiek spel is wel eens gedefinieerd als psychische voorbereiding van een catastrofe, zie thema. Dit is vast te leggen in de volgende grafiek.(100 staat voor opperst geluk, 0 voor de hel.)

A. Lucifer benijdde God.


B. Lucifer benijdde de mens
C. God besluit mensheid te verheffen.
D. Lucifer zegt: "dat zal ik keeren etc"
E. Zware beslissing in het 3e bedrijf
F. Lucifer: "Ick zal koestme dan gewelt te keeren met gewelt"
G. Herhaling van de eed door aanhang. Eigelijk teken van zwakheid(symptoom van twijfel aan zichzelf)
H. Verademing bij Luficer als Rafaël verschijnt. Kans tot opgang naar geluk niveau. "Spreeck, zoo langk het U behaagt," zegt Lucifer in zachtere stemming.
I. Rafaël roept zachtere en angstige gevoelens in hem wakker, dan weer boze Apollion:
J. "Heer Stedehouder, op, het is geen tijt te massen....."
K. Apollion schildert Lucifer een vals beeld voor van Michaël's legers. Lucifer's lot is beslist. De catastrofe is onvermijdelijk geworden. De volgende drie punten bepalen val:
L. Eis van Michaël, God gewonnen te geven, psychisch verkeerd middel om hoogmoed te keren
M. Nederlaag, maar toch zege. De val van de mensen? Lucifer schijnt op aarde te winnen.
N. Verderf onontkoombaar. Michaël werpt Lucifer in de hel.
Bedrijven
1ste bedrijf: Dat en waarom Lucifer en de anderen al eerder gevallen waren.
2e bedrijf: Lucifer zelf ten tonele. Verderf heeft hoge rangen aangetast.
3e bedrijf: Lagere orden worden ten dele ontrouw.
4e bedrijf: Meest dramatische weifeling van Lucifer, weegschaal slaat door naar het kwade.
5e bedrijf: Beschrijving van verwachte ondergang.
Dramatische waarde
De Dramatische waard van Lucifer kan niet zo hoog worden aangeslagen, hoe fraai de poëzie ook is. Het hoofdaktemoment is namelijk de strijd tussen hemelse legioenen; er wordt 27 keer naar vooruitgewezen (prospectieve elementen). Dit moment wordt echter niet verwerkelijkt, het valt ergens tussen het 4e en 5e bedrijf. Zo ontstaat een dramatisch vacuüm; de beschrijving van Uriël kan dit ook niet opvullen.
Het was Vondel duidelijk om het psychische verloop te doen, binnen Lucifer zelf, milder om 't dramatische.

Symboliek
De symboliek in dit drama zit vooral in de staart nm. In de beschrijving van Uriël:
A. Michaël's legers driehoekig opgesteld, Lucifers legers als een halve maan opgesteld.( zinspeling op de druk van Turkije) was ook waarschuwing aan het adres van Ferdinand II, hij was de beschermer van Christelijk Europa.
B. Leeuw en draak gespannen voor Lucifers wagen. Hoogmoed en nijd zijn de oorzaken van de oorlog en tweedracht.
C. Als Lucifer is verslagen verandert hij in 7 dierenvormen die staan voor de zeven hoofdzonden:
- Leeuw - hovaardij
- Zwijn - gulzigheid
- Ezel - traagheid
- Rinoceros - gramschap
- Aap - onkuisheid
- Draak - nijd
- Wolf - gierigheid
Eigen mening
Ik vind het een interessant verhaal, mijn plan was dan ook om Lucifer te gaan gebruiken als bron voor een stripboek dat ik zou gaan maken voor CKV3 (Ik heb een soort slideshow van plaatjes gemaakt die het verhaal vertellen, Tim heeft de muziek erbij gecomponeerd). Ik vond de tekst wel zwaar om doorheen te komen.

A.C.W. Staring, Jaromir. Zutphen (2e druk)



Samenvatting
Jaromir bestaat uit vier verhalen, elk met een aparte titel. Ik vat elk verhaal apart samen.

Jaromir te Praag
Vier eeuwen voor het schrijven van dit verhaal. Jaromir is een student theologie, aan de ‘Karels School’ te Praag. Hij heeft zijn beurs al helemaal opgemaakt en heeft ontzettende honger. Hij vindt op een erf een paar paardenpoten en een koeienstaart, hij wist meteen wat hij ermee moest doen. Hij besluit om naar een herberg te gaan en het er daar eens flink van te nemen. Hij zegt steeds “Schrijf het maar op de rekening”. Dan gaat hij slapen en de volgende ochtend als er iemand zijn kamer binnenkomt komen er twee hoeven en een staart onder het laken vandaan. Iedereen denkt dat de duivel in de herberg heeft geslapen en de herbergier zegt tegen Jaromir dat alles gratis was, omdat hij bang was de duivel boos te maken.

Jaromir te Lochem
De duivel vindt dat Jaromir zich misdragen heeft door zich voor de duivel uit te geven en de duivel wil hem straffen. Jaromir is inmiddels een reizende Franciscanen monnik geworden. Jaromir komt in Lochem aan na andere steden te hebben bezocht. Hij hoorde de kerkklokken luiden en vervloekte ze, omdat ze nog nieuw en nog niet gewijd waren. De duivel had tot op dit moment gewacht en omdat Jaromir de klepels in de klokken niet had vervloekt, gooide de duivel de klepels op Jaromir's kale monnikenhoofd. Dit werd bijna Jaromirs dood, maar de klokken werden naar beneden gehaald en in twee waterpoelen gegooid. De waterpoelen heten voortaan de ‘duivelskolken’ en elke keer met kerst, precies om middernacht luidt de duivel de klokken, wie goed luistert kan ze horen.

Jaromir te Zutpen
Jaromir is niet ernstig gewond, omdat hij op tijd de hulp van Sint-Michiel de aartsengel heeft ingeroepen die de klepels nog een beetje had afgeremd. Toch waren de klepels op het hoofd van Jaromir terechtgekomen. Omdat Sint-Michiel Jaromir heeft gered heeft Jaromir beloofd om eens in de twee weken op dinsdag te vasten. Het noodlot slaat weer toe als hij naar de bibliotheek van Zutpen gaat en daar af en toe wat te eten krijgt van de koster. Op een van de dinsdagen dat Jaromir heeft beloofd te vasten, is er een mandje met gebraden hoen voor hem neergezet. Hij kan zich beheersen tot hij zijn sleutels laat vallen en terwijl hij die wil oppakken tegen het mandje met de hoen aankomt. Hij eet de halve hoen op en voelt zich schuldig. De duivel grijpt deze kans met beide handen aan en komt in de gedaante van een hond de bibliotheek binnen. Hij neemt de rest van de hoen en de sleutels van Jaromir mee en sluit Jaromir op in de bibliotheek. Jaromir wordt pas de volgende ochtend weer vrijgelaten door de koster. Dan besluit Jaromir dat hij moet boeten voor zijn daden en hij gaat alles van Sint-Michiel zoeken en aanbidden. Hij reist zo ver en zo lang tot hij elk beeld en elk schilderij van Sint-Michiel heeft aanbeden, dan pas vindt hij dat hij genoeg heeft geboet voor zijn daden.

Jaromir gewroken
Na 300 mijl tot over de Appenijn te lopen om zijn excuses te maken bij Sint-Michiel komt hij terug in Lochem. Als hij terug is blijkt dat de kapelaan in bezeten door de duivel. De kapelaan is tot over zijn oren verliefd geworden op een van de nonnen, Leonoor. Alles gaat verkeerd doordat hij zo verliefd is, hij zingt de verkeerde teksten en hij zit steeds voor het raam dat over de moestuin, waar Leonoor werkt, uitkeek. Jaromir verdrijft de duivel uit de kapelaan met een spreuk en duivel maakt dat hij wegkomt, maar Sint-Michiel houdt hem tegen en gooit hem terug op aarde, bij Jaromir. Jaromir slaat hem in elkaar voor alles wat de duivel hem had aangedaan en de duivel verdwijnt onder de grond. De plaats waar hij onder de grond verdween heet nu ‘Duivelaars’. En de kapelaan wil niet eens meer verliefd worden en kijkt daarom niet meer naar vrouwen. Tenzij het een oude ongevaarlijke vrouw van tachtig is.

(678 woorden)




Verdiepingsopdracht

Staring was een groot liefhebber van de middeleeuwse geschiedenis en daarom heeft hij ook een verhaal geschreven over Jaromir, die in de middeleeuwen leefde. Toch is verhaal ook erg uit de negentiende eeuw, omdat het erg rationalistisch is en als bespotting van het Rooms-katholicisme in Starings tijd is bedoeld.


Jaromir heeft ook een relatie met literaire stromingen als de romantiek en het realisme. De romantiek wordt in Jaromir benadrukt door de gevoelens die niet altijd, maar af en toe toch duidelijk worden beschreven. Bijvoorbeeld als de kapelaan die verliefd is op Leonoor, zijn gevoelens worden toch duidelijk beschreven. De harde werkelijkheid van het realisme wordt ook beschreven door de manier waarop Staring de verschillende gebeurtenissen precies beschrijft alsof het allemaal werkelijk is gebeurd.
De aspecten van de romantiek waren niet allemaal terug te vinden in Jaromir, maar een aantal ook wel. De breuk met het klassicisme dat is niet zo heel goed terug te vinden in Jaromir, Staring was zoals gezegd een groot liefhebben van de middeleeuwse geschiedenis. Dat is waarschijnlijk een reden waarom hij zowel romantisch als realistisch dichter was. Hij beschrijft wel gevoelens in zijn verhaal over Jaromir, maar niet zoveel dat het een echt romantisch verhaal wordt. Hij beschrijft meer de gebeurtenissen en is daarom ook wel een realist. Hij heeft de onverklaarbare gebeurtenissen uit zijn streek met zijn eigen verhaal ingevuld en in Jaromir heeft hij dus het ontstaan van de ‘Duivelskolken’ en de ‘Duivelaars’ weergegeven.
Staring was niet een dichter die last had van Weltschmerz, hij had geen gevoel van onvrede met de eigen tijd. Hij had dan belangstelling voor het verleden, maar hij was in zijn eigen tijd ook zeer tevreden. Hij vond het niet zo erg dat er een kloof was tussen het ideaal en de werkelijkheid. Hij legde zich er bij neer. Staring was wel iemand die een ideaal wilde scheppen, hij was een perfectionist. Hij herschreef delen uit zijn verhalen en gedichten keer op keer om het maar beter te maken en perfect te krijgen, waardoor er ook bij Jaromir verschillende versies van het verhaal zijn verschenen, ieder weer net iets anders.
Het personage in Jaromir is een klein beetje een dolend personage, omdat hij steeds aan het rondtrekken is, maar dat is niet omdat hij een onvervulbaar verlangen heeft. Dit is omdat hij dat op die manier wil, hij is monnik en wil mensen helpen op zijn manier, waardoor hij zijn doel in zijn leven heeft bereikt. Hij heeft in zijn studententijd zich voor de duivel voorgedaan om er zelf beter van te worden. De duivel vond dat alleen niet zo leuk en probeert hem dat betaald te zetten gedurende de rest van Jaromir’s leven. Uiteindelijk overwint Jaromir de duivel en is ook dat probleem opgelost. Maar Jaromir is eerder een levensgenieter dan een lijder aan Weltschmerz.
Staring schetst het beeld in Jaromir alsof het allemaal echt gebeurd is. Het is natuurlijk allemaal verzonnen, maar Staring heeft geprobeerd het zo geloofwaardig mogelijk over te brengen. In dit opzicht is hij een realist. Maar Staring is geen objectief realist, omdat hij wel humor en ironie in zijn verhaal kwijt kan. Staring heeft het middeleeuwse duivelsgeloof als uitgangspunt genomen voor het verhaal van Jaromir, iets wat vroeger echt was en waar hij zich aan vast heeft gehouden. In dit opzicht was hij ook realist, hij heeft in Jaromir in veel opzichten zo realistisch mogelijk weergegeven.
Toch is het moeilijk om Jaromir in te delen, want het is eigenlijk geen romantiek, maar ook eigenlijk geen realisme. Het is iets daartussenin. Net zoals Staring eigenlijk was. Hij was geen echte romanticus, maar ook geen echte realist. Jaromir is dus een typisch Staring verhaal.
De Kleine Johannes – Frederik van Eeden

1887
Thema

De ontwikkeling van kind tot volwassene en de worsteling met de levensraadsels
De volgende elementen spelen hierbij een rol: de fasen van een mensenleven; contrasten (goed/kwaad, idealisme/materialisme); het verkleiningsmotief; kritiek op de huidige mensenmaatschappij; het zoeken naar geluk; positivisme pantheïsme (God is in alles aanwezig).
Vertelwijze

a. manier van vertellen: beschrijvingen van wat er ‘nu’ gebeurt

b. eigenaardigheden: geen eigenaardigheden
titel, ondertitel en motto

Titel: De hoofdpersoon van de roman is de kleine Johannes.

Geen ondertitel

Geen motto


Opbouw

a. proloog/epiloog: Een kleine inleiding waarin de schrijver ijst dat je hem gelooft.

b. hoofdstukverdeling: Het verhaal bestaat uit 14 genummerde hoofdstukken. In totaal worden er vier verschillende fasen behandeld, namelijk het Windekind-stadium (kinderlijke fantasie), het Wistik-stadium (kennisdrang), het Pluizer/Dr. Cijfer-stadium (rationalisme en materialisme) en het Ongenoemde-stadium (sociale roeping, adolescentie).

c. hoofdstuktitels: zijn er niet

d. opvallendheden hoofdstuktitels: n.v.t.

e. geleding indien geen hoofdstukken: n.v.t.


Personages

Johannes:

Johannes is de hoofdpersoon van het boek. Het personage is gebaseerd op Van Eeden zelf. In het begin van het verhaal leeft hij gelukkig met zijn vader, zijn hond en zijn poes. Hij woont in een groot huis, waar hij heerlijk kan spelen. Hij heeft een rijke fantasie en is erg nieuwsgierig. Johannes speelt ook graag in de natuur en hij interesseert zich voor alle dieren. In de loop van de tijd leert hij ook de minder leuke kanten van de mens en zijn leven kennen. Johannes is een rond karakter.



Windekind:

Windekind is normaal voor de mens slechts zichtbaar als ware hij een libel. Hij neemt Johannes mee naar een fantasiewereld en laat hem met de figuren die daar leven kennismaken. Zijn vader is de zon. Windekind staat symbool voor de kinderlijke fantasie.



Oberon:

Oberon is de elfenkoning van wie Johannes een gouden sleuteltje krijgt. Dit sleuteltje moet op een gouden kistje met allerlei kostbaarheden passen. Dit kistje moet naar het geluk leiden en staat dus symbool voor het vervulde verlangen naar geluk.



Wistik:

Wistik is de oudste en wijste van de kabouters. Hij symboliseert de dorst naar kennis en weetdrang.



Robinetta:

Johannes ontmoet Robinetta en hij wordt verliefd op haar. Zij mag van haar vader niet meer met hem omgaan, omdat hij een uitspraak doet over God. Zij symboliseert de ontluikende romantiek.



Pluizer:

Pluizer is een vleermuis. Hij is erg bazig en heeft Johannes een tijd lang in zijn macht. Pluizer symboliseert het materialisme.



Hein:

Hein is de personificatie van de Dood. Hij laat Johannes zien wat er met de mens gebeurt na diens dood.



Dr. Cijfer:

Johannes komt bij Dr. Cijfer om te leren en te werken. Dr. Cijfer is een systematische onderzoeker, die alles probeert uit te drukken in formules hij is het symbool voor de positivistische kijk op de wereld.



De Ongenoemde:

Met de Ongenoemde wordt waarschijnlijk God bedoeld het Allesomvattende maar Ongrijpbare.


Deze verhaalfiguren zijn allen types. Ze duiden de verschillende levensfasen van Johannes aan.
Historische tijd

a. wanneer: Het verhaal speelt rond 1900.

b. van belang of willekeurig? : nee – het is de tijd waarin de schrijver leefde, het heeft geen speciale betekenis
Plaats en ruimte

a. waar: De plaats waar het verhaal zich afspeelt, ligt in de duinen, in de buurt van Haarlem. Het speelt zich afwisselend af in de grote stad en in de vrije natuur.

b. van belang of willekeurig? : willekeurig, maar de stad is als Johannes meer volwassen wordt
Tijdsduur

a. Hoe lang duurt het verhaal: De vertelde tijd is ongeveer vijftien jaar (van Johannes’ tiende tot vijfentwintigste).

b. opvallende versnellingen/vertragingen: nee

c. speciale functie : n.v.t.


Tijdsvolgorde

a. tijdsvolgorde : chronologisch

b. functie afwijking van chronologiek : n.v.t.
Perspectief

a. auctoriaal/personaal: auctoriaal, hij-perspectief

b. bijzonderheden : n.v.t.
Idee

nee, het (autobiografisch) vertellen van de ontwikkeling van een kind.





Samenvatting

De kleine Johannes woont in een groot huis met een grote tuin, samen met zijn vader, zijn kat Simon en zijn hond Presto. Johannes gaat vaak met zijn vader wandelen. Johannes heeft een enorme bewondering voor de natuur om hem heen en groet tijdens zo’n wandeling de grote oude bomen, de merel in de bosjes en de hommel op de bloem. Johannes is een jongen die veel wil leren en overal een antwoord op zoekt. Tijdens de wandelingen met zijn vader stelt Johannes vaak vragen, zoals "waarom de wereld was, zoals zij was".'s Avonds voor het slapen.gaan bidt Johannes voor zijn vader, Presto en zichzelf. Hij was er van overtuigd dat de kat Simon geen gebed nodig heeft. Nadat Johannes amen heeft gezegd spreekt hij vaak de wens uit dat er een wonder zal geschieden.


Johannes is bij zonsondergang altijd graag bij een vijver. De wolken om de zon lijken dan de ingang van een grot, naar de plek waar de zon slaapt, daar zou hij graag een keer heen willen . Op een warme zomermiddag drijft Johannes samen met, Presto in een boot op de vijver. Terwijl Johannes aandachtig de dieren in de vijver aan het bestuderen is komt er op de rand van de boot een blauwe waterjuffer zitten. Terwijl hij naar de waterjuffer kijkt verandert deze in een elf met blond haar, met aan de schouders gazen vleugels en gehuld in een teder blauw kleedje. De elf stelt zich voor als Windekind en zegt geboren te zijn in de kelk van een winde uit de eerste stralen van de maan en de laatste van de zon, zijn vader. Windekind wil Johannes z’n vriend worden als Johannes het bestaan van Windekind geheim houdt. Johannes belooft dat. Windekind vertelt dat de zon de vader is van zowel Johannes als Windekind, leert hem de taal van planten en dieren, maakt hem klein en neemt hem mee op reis. Ze bezoeken een krekelklas. Daar hoort Johannes dat dieren de mensen schadelijk vinden. Hierna voert Windekind Johannes naar een weldadigheidsfeest dat gehouden wordt in een konijnenhol. De opbrengst van het feest is ten bate van dieren die het slachtoffer zijn geworden van de mensen en hun honden. Ook elfenkoning Oberon is aanwezig. Die schenkt Johannes een gouden sleuteltje dat past op een gouden kistje dat kostbare schatten bevat. Dat kistje zal Johannes zelf moeten zoeken. Daarna komt hij op een groot bal in een konijnenhol. Oberon, de koning van de elfen, geeft hem een gouden sleuteltje dat op een verloren gouden kistje moet passen.
Johannes moet om de dansers lachen. Windekind neemt hem mee voor hij de gasten nog meer kan beledigen. Een glimworm vertelt hen vervolgens het verhaal van zijn bruid die door mensen is meegenomen. Daarna valt hij tegen een konijn aan in slaap.
's Ochtends gelooft Johannes eerst niet wat hij heeft meegemaakt, tot hij het gouden sleuteltje weer ziet. Op school kan hij zich de volgende dag helemaal niet concentreren, wanneer de meester genoeg heeft van Johannes storende opmerkingen krijgt Johannes straf. Een muisje waarschuwt hem om niet met zijn nieuwe ervaringen en kennis te koop te lopen. Ook Windekind waarschuwt hem. Enkele dagen later ontmoet Johannes Windekind weer. Samen begraven ze het gouden sleuteltje bij de duinroos opdat het niet door de mensen ontdekt wordt. Al drie weken heeft Johannes niets gehoord van Windekind. Terwijl hij op zolder over het elfachtige wezen zit te dromen, komen zes duiven aangevlogen en een van hen geeft Johannes een rood veertje dat hem in staat stelt te vliegen. De duiven leiden Johannes naar Windekind en samen gaan zij op bezoek bij de mieren. Daar hoort Johannes over de Strijd- en Vredemieren, alle even oorlogszuchtig, hoewel elk volk aanspraak maakt op de naam Vredemieren. In het bos laat Windekind zien hoe een luidruchtig, lomp mensengezelschap het leven in het bos verstoort. Johannes is bedroefd om wat de mensen allemaal aanrichten en besluit om bij Windekind te blijven. Johannes vraagt Windekind naar God en hoe hij moet bidden. De elf neemt hem mee naar de duinrand. Roerloos staart Johannes naar de zee, de horizon en de lucht. Hij krijgt tranen in, zijn ogen van de prachtige zonsondergang. "Zo moet gij bidden!" zegt Windekind.
In de herfst ontmoet Johannes Wistik, de wijste kabouter. Die zegt dat elke diersoort een eigen boekje heeft, maar dat er ook een boekje moet zijn dat iedereen groot geluk en vrede brengt. Deze nieuwe kennis maakt Johannes erg nieuwsgierig. Hij wil het boekje gaan zoeken. Windekind vindt dat Wistik maar wat beweert. Veel mensen hebben met hem gesproken en die blijven daarna ontevreden, altijd op zoek. Toch gaat Johannes opnieuw met de kabouter praten. Nu vertelt deze dat mensen het gouden kistje hebben en de elfen de gouden sleutel. Alleen in een lentenacht kan het kistje gevonden worden en een roodborstje weet de weg. Johannes raakt opgewonden, want hij heeft de sleutel. Hij gaat Windekind zoeken, maar voor het eerst heeft Johannes weer een mensenstem. De elf komt dan ook niet.
Johannes dwaalt door het bos, verdrietig omdat Windekin hem heeft verlaten. Hij komt bij een tuinmanshuis, dat hem sterk doet denken aan het huis waar hij met zijn vader woonde.
Johannes mag gedurende de winter bij de tuinman en zij vrouw blijven. 's Avonds leest hij daar voor uit een dik boek waarin veel over God gesproken wordt. Johannes weet dat dit het "ware boekje" niet kan zijn.
Eindelijk breekt de lente aan. Aan de vijver bij het ontmoet Johannes Robinetta, een blond meisje in lichtblauw kleedje. Een roodborstje dat op haar schouder zit. Johannes en Robinetta worden verliefd op elkaar maken samen veel wandelingen. Tijdens deze wandelingen vertelt Johannes van zijn tochten in de natuur. Hij noemt Windekinds naam niet. Dan komt Wistik vragen wanneer Johannes naar het boekje op zoek gaat. Hij vertelt er Robinetta over, die belooft te helpen. Tijdens dit gesprek laat hij per ongeluk de naam Windekind vallen. De vogels en planten reageren verschrikt en praten daarna niet meer met hem.
De volgende dag brengt Robinetta Johannes bij haar vader. Die leest hem voor uit de bijbel.
Johannes reageert teleurgesteld: dit is het mensenboek, niet het echte boekje. De vader stuurt hem weg en verbiedt Robinetta om met zo'n oneerbiedige jongen om te gaan. Buiten staat
Wistik op hem te wachten. Ze proberen de sleutel te halen, maar Johannes kan die niet vinden. Dan komt Pluizer, een zwart vleermuisachtig wezen, naar hem toe. Die vertelt Johannes dat Wistik en Windekind niet bestaan en dat Johannes een mens is en geen elf. Hij brengt Johannes naar de grote stad en stelt hem voor aan Hein, de Dood. Daarna brengt hij Johannes naar dokter Cijfer. Deze is net bezig het konijn te ontleden in wiens hol Johannes naar het bal is geweest. Pluizer verleidt Johannes om dokter Cijfer te helpen. Dan laat Pluizer Johannes de armoede en de ellende van het mensenbestaan in achterbuurten en fabrieken. Ze komen bij een groot bal dat op het eerste gezicht kan wedijveren met dat in het konijnenhol. Johannes vindt met name een vrouw erg mooi. Maar Pluizer laat zien dat iedereen alleen maar doet alsof, niemand heeft echt plezier. Om te bewijzen dat hij alles kan wat Windekind kon, maakt Pluizer Johannes ook klein en gaat met hem op visite bij de insecten. Ze gaan onder de grond, waar Pluizer een worm beveelt om voor hen een gang te maken. Ze komen in een bedompte ruimte die een doodkist blijkt te zijn. Johannes herkent de mooie vrouw van het bal. Dat is mogelijk omdat Pluizer de niet-tijdgebonden waarheid kan laten zien. Na een tocht door vele kisten komen ze uiteindelijk in de doodkist van Johannes zelf terecht. Zodra hij zichzelf herkent, ligt hij in zijn kist en kan zich niet meer bewegen. De volgende dag wordt Johannes wakker in bed met Pluizer aan zijn voeteneinde. Die doet eerst alsof hij van niets weet, maar later op straat wijst hij iemand aan in wiens kist ze die nacht zijn geweest. Johannes blijft in de stad en leert bij dokter Cijfer over de vergankelijkheid en onvolmaaktheid van de natuur. Het is de bedoeling dat hij overal (ook van zijn gevoelens) cijfers maakt, dat is de enig mogelijke bevrediging. Als hij Robinetta op een dag op straat ziet, blijkt zij ook maar een gewoon meisje te zijn. Johannes leert zolang, dat het op een gegeven moment weer lente wordt. Pluizer vertelt hem dat de zon maar een kaars is waarachter het ook weer donker is. Als Johannes dan de mensen van de eerste lentezon ziet genieten, begint hij hard te huilen. Hij heeft medelijden met ze. Dan mag hij met Pluizer en dokter Cijfer mee naar zijn vader. Achter hen ziet hij een lange gestalte lopen: de Dood komt ook. In het huis ligt Johannes' vader op sterven. Johannes spreekt nog tegen hem, maar zijn vader zegt niets meer terug. Pluizer wil de vader dan gaan ontleden.Dat gaat Johannes te ver en er ontstaat een worsteling. Johannes wint en Pluizer verdwijnt in het niets. Volgens de Dood komt hij ook nooit meer terug als hij eenmaal is weerstaan. Johannes begint op zijn vaders bed te huilen Als hij weer opkijkt is de Dood weg en zonnestralen breken de kamer in. Hij hoort een stem 'Zonnezoon' zeggen. Het is Windekind. Johannes loopt naar buiten en Windekind vliegt weg, voor hem uit. Johannes gaat achter hem aan tot hij bij de zee komt. Daar gaat Windekind aan boord van een schip waar de Dood al in zit. Terwijl Johannes staat te kijken, komt er een gedaante over de golven aangelopen. Het is een mens met zeer weemoedige blik. Johannes wil hem 'God' noemen, maar de naamloze vindt dat een slechte en misbruikte term naamloze vertelt dat hij degene was die Johannes deed huilen om de mensen. Hij geeft hem de keuze tussen meegaan met Windekind en de Dood (bij wie Johannes een bestaan vol wonderen en waarheid kan hebben) of bij hem en de mensen in de duisternis blijven. Johannes voelt zo'n liefde voor de mensen en deze persoon, dat hij besluit te blijven.

Kaas

Elsschot, Willem


Wolters-Noordhoff,


Groningen, 1995.
De eerste druk van dit boek verscheen in 1933. Het boek is opgedragen aan Jan Greshoff. Elsschot heeft hiervoor zelf een opdracht verzonnen door aan Greshoff een gedicht te schrijven.
Ook schrijft Elsschot een inleiding, waarin hij schrijft hoe je iets spannend maakt. Het boek telt oorspronkelijk 23 hoofdstukken.
In 1942 werden dat er 24. De hoofdstukken zijn niet even
lang. Het verhaal wordt beschreven van bladzijde 14 tm. bladzijde 91. Op de kaft staat een kaas.


  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina