Literatuurdossier Nederlands 2007



Dovnload 223.63 Kb.
Pagina2/7
Datum16.08.2016
Grootte223.63 Kb.
1   2   3   4   5   6   7

Titelverklaring:


Kaas is ook de titel van het boek. Het boek gaat over kaas. Een klein deel van het leven van een mens wordt overheerst door kaas. In dit boek wil Elsschot z'n wrok tegenover z'n publiciteit uitdrukken. Omdat publiciteit te abstract was, heeft hij kaas genomen.

Motto:


Dit boek heeft geen motto, maar op de plek waar het motto zou kunnen staan, staat dat hij het boek opdraagt aan Jan Greshoff. Dit doet hij door middel van een gedicht.

Achtergrond:


Willem Elsschot is een pseudoniem voor Alfons Jozef de Ridder. Hij is geboren op 7 mei 1882. Z'n vader was bakker. Het eerste boek dat hij schreef was Villa des Roses. Na nog twee andere boeken schreef hij Kaas. Hij schreef in dit boek over een vent die kaas wilde verkopen, maar dat mislukte. Zijn boeken werden ook niet gelezen, dus was hij ook een mislukkeling.
Elsschot wil met dit boek laten zien hoe hij walgt van publiciteit.
Dit boek slaat wel aan en Elsschot wordt een bekende schrijver. Op 7 mei 1957 komen al zijn werken in een band: Verzameld werk. Elsschot sterft op 31 mei 1960 na een valpartij. Vierentwintig uur later sterft zijn vrouw.
Prijzen die Elsschot gewonnen heeft zijn:

  • Staatsprijs voor Vlaams verhalend proza. 1947

  • Als eerste Vlaming de Constantijn Huygensprijs. 1951

  • De Staatsprijs ter bekroning van zijn loopbaan. 1960

Samenvatting:


In de samenvatting van het boek is de fabel van het verhaal weergegeven.
Frans Laarmans heeft net zijn moeder verloren. Op de begrafenis komt hij een vriend van z'n broer tegen. Zijn broer is dokter. De vriend van zijn broer heet Mijnheer Van Schoonbeke. Hij is een rijke, welgestelde man. Van Schoonbeke vraagt of Laarmans niet eens bij hem op bezoek wil komen. Laarmans gaat naar Van Schoonbeke en als daar is, zijn er nog meer vrienden van Van Schoonbeke. Het zijn allemaal rijke zakenlui. Laarmans is klerk bij de General Marine and Shipbuilding Company. Van Schoonbeke schaamt zich daar een beetje voor en hij stelt hem voor als Laarmans van de Scheepstimmerwerven. Laarmans krijgt een nieuwe baan aangeboden als kaashandelaar. Van Schoonbeke heeft daarvoor gezorgd.
Na overleg met zijn vrouw neemt hij de baan aan. Hij gaat naar zijn nieuwe baas (Hornstra) in Amsterdam. Het contract laat hij zien aan zijn vrouw, Van Schoonbeke en aan zijn broer. Hij laat zijn broer een doktersverklaring schijven waarin staat dat hij drie maanden niet kan werken. Hierdoor kan hij zijn baan als klerk even laten zitten en kan hij zich helemaal richten op de verkoop van z'n kaas. Laarmans heeft Gafpa als naam voor zijn bedrijf gekozen. Op een dag vertelt zijn dochter dat er 20 ton Edammer kaas is aangekomen. Laarmans laat ze opslaan in het Blauwhoedenveem.
Een kist met 27 kazen laat hij thuis bezorgen. Hij laat zijn familie en Van Schoonbeke van de kaas proeven. Ze vinden de kaas lekker. Laarmans heeft inmiddels zijn kantoor ingericht en 's avonds gaat hij naar Van Schoonbeke. De vrienden die er zijn krijgen wat te proeven. Laarmans vertelt er over zijn bedrijf en de vrienden krijgen meer ontzag voor hem. De volgende dag schrijft Laarmans een advertentie om vertegenwoordigers van zijn bedrijf te krijgen. Zij moeten dan de kaas verkopen. Hij krijgt veel reacties.
's Middags komen zijn collega's van de General Marine and Shipbuilding Company op ziekenbezoek. Zij denken dat hij ziek is en hij krijgt een tric-trac doos als cadeau.
Met Laarmans' bedrijf gaat het niet goed. Zijn vertegenwoordigers blijken slecht te zijn. Een dezer dagen wordt hij door toedoen van Van Schoonbeke voorzitter van de Vakbond Belgische Kaashandelaren.
Hij is hier niet blij mee en hij treedt snel af. Na een paar weken krijgt hij te horen dat Hornstra, zijn baas, eens komt kijken. Laarmans raakt een beetje in paniek, omdat hij nog niets heeft verhandeld. Hij gaat leren handelen bij een zekere Boorman. Deze geeft lessen in handelen. Maar Laarmans krijgt maar niets verkocht. Hij faalt. Als hij op een middag thuis komt, blijkt dat zijn zoon al een kist kaas verkocht heeft.
Laarmans ziet dat zijn kaasavontuur een mislukking gaat worden en hij pakt alle spullen in. Als Hornstra langs komt, doet hij niet open.
Buurvrouw Peeters belt ook nog aan, maar die heeft ook geen resultaat. De deur blijft dicht. Als Hornstra weg is, loopt Laarmans naar zijn vrouw en hij barst in huilen uit. De volgende dag werkt Laarmans weer op de werf.
Hij schrijft een brief aan Hornstra, waarin staat dat hij met het handelen in kaas is gestopt. Een paar dagen later gaat hij naar het graf van zijn ouders.
Hij legt er een bos bloemen neer, maar hij haalt ze niet uit de verpakking. Hij ziet als hij weg loopt dat een ander de verpakking er afhaalt. Ook hier faalt Laarmans. Thuis wordt pas maanden later weer kaas gegeten.

Thema en motieven:


Het thema van het boek is dat iemand zich laat leiden door een ander en zo carriere probeert te maken. Hij wil carriere maken is iets waar hij niet goed in is, dus faalt hij.
Een motief dat ik gevonden heb is het falen. Laarmans faalt in meerdere dingen. Hij kan geen kaas verkopen, dus faalt hij in de kaashandel. De moeder van Laarmans sterft, maar pas aan het einde van het boek gaat hij naar haar graf toe. Ook hier faalt hij bij het leggen van bloemen. Hij haalt ze niet uit de verpakking en hij ziet hoe een ander dat voor hem doet. (Hoofdstuk 23, blz. 84)
Een ander motief is Laarmans en de handel (de kaas). Het speelt een heel belangrijke rol. In dit boek zie je dat hij de kaas en de handel er in wil vergeten. Zo was dat met zijn publiciteit (kaas en handel) ook. Hij was het zat.
Er is nog een heel belangrijk motief dat ik gevonden heb. Het is het familieleven. In de eerste regels van het boek schrijft hij al over zijn familie en in de laatste twee hoofdstukken schrijft hij : "Brave, beste kinderen. Lieve, lieve vrouw." Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het familieleven als diepste kern van het verhaal is bedoeld.

Perspectief en verteller:


Het boek kaas wordt volledig vanuit de ik-persoon beschreven. Het perspectief wisselt niet. Het begin van het verhaal lijkt op het begin van een brief.

Personages:


De belangrijkste personages zijn Frans Laarmans
(= de ik-persoon) en Van Schoonbeke.
Frans Laarmans is rond de vijftig jaar. Hij is de hoofdpersoon. Het is een man met ambities en hij wil graag veel berijken, maar alles mislukt. Van Schoonbeke wil dat hij kaashandelaar wordt, maar dat kan hij niet. Hij faalt. Hij probeert nog te redden wat er te redden valt, maar alles mislukt.
Van Schoonbeke is ook een belangrijk figuur. Het is een rijke man met veel invloed. Wat hij zegt, dat gebeurt. Hij dwingt Laarmans tot de verkoop van kaas. Hij is dus eigenlijk de
schuld van alles. Verder krijg je weinig over hem te weten.
De belangrijkste bijpersonen zijn: zijn moeder, zijn 12 jaar oudere broer die dokter is, z'n vrouw Fine, zijn zoon en dochter, Hornstra en de vrienden van Van Schoonbeke.

Tijd:


De verteltijd is ongeveer drie uur. Ik heb er elke dag even in gelezen. De vertelde tijd in het boek is een periode van iets minder dan drie maanden. (Laarmans moest drie maanden thuis blijven van de dokter, maar hij heeft dat niet gedaan. *zie blz. 80* ) Het verhaal is chronologisch opgebouwd en ik heb er geen flash-forwards in kunnen ontdekken. Wel komen er enkele flash-backs in voor.
vb: Op bladzijde 14 tm. 19 staat een hele grote flash-back. (Hoofdstuk 1 en 2) Hier wordt beschreven dat de moeder van Laarmans dood gaat en hoe Laarmans Van Schoonbeke leert kennen.
vb: Op bladzijde 79 staat onder aan de bladzijde een flash- back. Hij beschrijft hier, hoe hij dertig jaar geleden op een stil plekje stond en met z'n vrouw stond te huilen.
Tijdsprongen zijn er in het boek ook een paar te vinden.
vb: In hoofdstuk 23 beschrijft Laarmans wat hij heeft gedaan op de begraafplaats. In hoofdstuk 24 vertelt hij hoe het de maanden daarna gegaan is.
Tijdvertraging komt in dit boek ook enkele keren voor.
vb: In hoofdstuk 15 (blz. 64 tm. 67) wordt in twee bladzijden beschreven dat Laarmans een paar uur in Brussel is.

Ruimte:


Het verhaal speelt zich af in Belgie. Laarmans werkt voornamelijk thuis of in Antwerpen, waar hij trouwens ook woont. Verder is er heel weinig over de ruimte te vertellen.

Beoordeling:


Kaas was een fijn, humoristisch boek voor op de lijst. Het las wel lekker weg. Verder vond ik hem niet heel bijzonder ofzo.

Karakter : roman van zoon en vader

Bordewijk, F.

Hoofdstuk I Beschrijven

Karakter: roman van zoon en vader, Ferdinand Bordewijk, 1938

Jacob Willem Katadreuffe is de zoon van Jacoba Katadreuffe en deurwaarder A.B. Dreverhaven, die wordt geboren uit een kortstondige verhouding. “Zij” wil niet met de deurwaarder trouwen en erkent hem niet als vader van haar zoon. De jonge Katadreuffe groeit op in een arme wijk van Rotterdam. Na zijn lagere school zoekt hij het avontuur op in Den Haag. Hij leent geld van de kredietbank om een sigarenwinkeltje over te nemen en vertrekt. De zaak loopt niet en uiteindelijk wordt er door de kredietbank, waar zijn vader de eigenaar van is, zijn faillissement aangevraagd, Katadreuffe trekt weer bij zijn moeder in. Bij de taxatie blijkt dat de jonge Katadreuffe slecht een reeks boeken bezit ter waarde van vijftien gulden en zijn faillissement wordt opgeheven. Jacob weet de sympathie van zijn curator, Mr. de Gankelaar, te winnen en krijgt op zijn eenentwintigste een baantje als bediende op het advocatenkantoor van Mr. Stroomkoning. Katadreuffe is geheel onder de indruk van de vijf naamborder die naast de deur hangen en besluit dat hij hogerop wil komen om uiteindelijk zelf advocaat te worden.
Van zijn loon kan hij de huur betalen van zijn woonruimte op de zolder van de conciërge van het advocatenkantoor en hij volgt een zelfstudie. Opnieuw vraagt zijn vader het faillissement van Jacob aan. Het loon van Katadreuffe wordt deels ingehouden. De volgende dag treft Mr. Stroomkoning met hem een financiële regeling waardoor zijn zelfstudie mogelijk blijft. Na zijn schulden te hebben afbetaald, leent Katadreuffe opnieuw geld, ditmaal voor zijn studie. Wederom gaat hij naar een bank die Dreverhaven bezit om zijn vader te trotseren. Intussen werkt Jacob zich binnen het advocatenkantoor op tot personeelschef omdat Mr. Rentenstein geld verduisterde. Vlak voor het examen wordt wederom het faillissement van Katadreuffe aangevraagd. Ditmaal lukt het zijn vader niet om hem failliet te laten gaan. Jacob slaagt voor zijn staatsexamen en heeft het doel in zijn leven, advocaat worden, bijna bereikt. Lorna te George, secretaresse op het advocatenkantoor, trouwt niet veel later en neemt ontslag. Katadreuffe zag zijn relatie met haar puur zakelijk en om hogerop te komen. Lorna neemt ontslag en pas later beseft Katadreuffe dat zij zijn grote liefde was.
Katadreuffe ziet zijn vader voor het laatst wanneer hij tot advocaat wordt beëdigd. Mr. Schuwagt maakt tegen de beëdiging van Jacob bezwaar, maar dat wordt van de hand gewezen. Jacob stapt ten laatste male naar zijn vader toe en op een koele, zakelijke manier zegt hij: “Ik erken u niet meer als mijn vader, u bestaat niet meer voor mij.” Bij een bezoek aan zijn moeder komt Katadreuffe erachter dat zijn vader elke maand geld aan de oude Katadreuffe gaf. Dat geld komt hem na haar overlijden toe. Dreverhaven heeft hem niet alleen willen tegenwerken, zo verklaarde hij, maar hij deed het allemaal om zijn zoon te harden.

Van mevrouw Jansen-Moonen kreeg ik de tip om “Karakter” te lezen. Dit heb ik dan ook gedaan en ik heb het boek meteen geleend van de bibliotheek. Het boek boeide me. De realistische vertelsituatie, de manier van vertellen, de karakters, alles sprak me aan. Ik heb het boek dan ook vrijwel in een adem uitgelezen.


Hoofdstuk II Verdiepen

Ferdinand Johan Wilhelm Christiaan Karel Emiel Bordewijk werd op 10 oktober 1884 geboren in Amsterdam. In 1894 verhuisde hij naar Den Haag. Hij studeerde rechten te Leiden en promoveert in 1912 tot doctor. Een jaar later wordt hij beëdigd als advocaat en gaat hij werken bij een advocatenkantoor in Rotterdam. Op 1 augustus 1913 trouwde hij met Johanna S.H. Roepman. Uit dit huwelijk worden een dochter, Nina, en een zoon, Robert, geboren. Onder het pseudoniem van Ton Ven maakt hij in 1916 zijn debuut als schrijver met de gedichtenbundel Paddestoelen. In Blokken (1931), Knorrende Beesten (1933) en Bint (1934) ontwikkelt hij zijn eigen stijl. Zijn belangrijkste boek was Karakter (1938), waarvan hij al in 1928 de voorstudie in “De Vrijheid” publiceerde. In maart 1945 worden al zijn bezittingen vernield bij een bombardement en de Bordewijk verhuist tijdelijk met zijn gezin naar Leiden. In 1947 wordt hij voorzitter van de Ereraad voor Letterkunde, die oordeelt over het gedrag van schrijver in de tweede wereldoorlog. De P.C. Hooftprijs werd in 1953 toegekend aan Bordewijk en een jaar later werd hij benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. In 1957 ontvangt Bordewijk de Constantijn Huygensprijs voor zijn totale oeuvre. Op 28 april 1965 overleed Bordewijk op tachtigjarige leeftijd. Hij wordt gezien als een van de belangrijkste prozaschrijvers van de moderne Nederlandse letterkunde.


Karakter werd in 1997 verfilmd onder leiding van regisseur Mike van Diem. In 1998 krijgt de film zelfs een Oscar voor de beste buitenlandse film.

Hoofdstuk III Verwerkingsopdracht

Hoofdpersoon is Jacob Willem Katadreuffe. Hij is binnen het verhaal de held. Hij heeft doorzettingsvermogen, vormt een eigen karakter en krijgt uiteindelijk zijn vader klein.
Round-character is A.B. Dreverhaven. Hij is de antiheld, want hij ziet zijn zoon niet staan. Hij vraagt tot driemaal toe het faillissement van Katadreuffe aan. Hij reikt Katadreuffe een mes aan om hem te vermoorden. Kortom: hij werkt zijn zoon tegen en verklaart later dat hij dat deed om hem te harden. Uiteindelijk wil Katadreuffe geen contact met hem hebben.
De historische tijd. Het verhaal speelt zich over het algemeen in het begin van de jaren ’30 af. De vriend van Katadreuffe is een communist. Gedurende het verhaal zie je dat hij steeds meer geïndoctrineerd is aan zijn gedrag. Een ander feit is dat het salaris van Katadreuffe in het begin maandelijks zestig gulden bedraagt, dat is een salaris uit die tijd.
Het verhaal speelt zich af in Den Haag (sigarenzaak van Jacob) en Rotterdam (jeugd van Jacob en advocatenkantoor).
Karakter speelt zich af van de eerste wereldoorlog tot aan de tweede helft van de jaren ’30 . De vertelde tijd is in totaal ongeveer 25 jaar: het begint bij de geboorte van Katadreuffe en eindigt wanneer hij aan het begin van zijn loopbaan als advocaat staat. De gebeurtenissen zijn chronologisch verteld, afgewisseld met enkele flashbacks in het begin. Dan wordt er na de geboorte van Jacob terug geblikt naar zijn verwekking.
Karakter heeft een auctoriale vertelsituatie. Het verhaal is in hij-perspectief geschreven en vaak komen er dialogen in voor.
Het taalgebruik van Bordewijk is eenvoudig en dus goed te begrijpen. Het hoofdthema van Karakter is de strijd tussen vader en zoon. Onderliggende motieven zijn doorzettingsvermogen en wilskracht.
Het verhaal heeft ook een opdracht. Deze luidt: ‘Aan mijn kinderen Nina en Robert.’
Ook heeft het een motto:
A sadder and a wiser man
He rose the morrow morn
(S.T. Coleridge)

Hoofdstuk IV Evalueren

”Karakter leest door de korte zinnen makkelijk weg. De auctoriale vertelsituatie met de vele dialogen erdoorheen, maakt het boeken fris en afwisselend. Echte spanning komt er in het verhaal niet voor en toch blijft het boek boeiend om te lezen. Het lijkt alsof je te maken hebt met een huisje-boompje-beestje verhaal. Toch blijkt het tegendeel waar. De held in Karakter is iemand die je gedurende het boek ziet groeien, die je ziet zijn eigen karakter te vormen. Hij heeft een goed doorzettingsvermogen en wilskracht. Het enige wat in hem heerst is de eerzucht die hij heeft. Wanner hij uiteindelijk zijn staatsexamen heeft gehaald en tot advocaat is beëdigd, lijkt zijn leven perfect te zijn. Toch lijkt de liefde geen rol van betekenis te hebben, maar wanneer de jonge Katadreuffe Lorna te George weer ontmoet, beseft hij wat ‘dat vreemde gevoel’ was dat hem indertijd ziek maakte. Het boek voor mij zowel een gesloten als een open einde. Een gesloten einde omdat hij zijn eerste einddoel, advocaat worden, heeft bereikt. Dat deel van zijn leven is afgerond. Maar tevens een open einde om je niet weet wat hem nu nog in zijn verdere leven te wachten staat. Zal hij nog hogerop komen binnen het advocatenkantoor? Wat zal er verder met Dreverhaven, zijn moeder, zijn vriend en collega’s gebeuren? Het is een en al onduidelijkheid.
De titel van het boek heet Karakter, omdat je veelal ‘meeloopt’ met de jonge Katadreuffe. Toch zijn er ook andere sterke karakters, karakters die niet tijdens het verhaal zijn gevormd, maar er al waren. Zij (zijn moeder) is de tegenpool van Katadreuffe. Zij moet zichzelf haar misstap, het vallen voor Dreverhaven, zien te vergeven. Geen geld, huwelijk, nee niets neemt ze van hem aan, hoe erbarmelijk haar situatie ook is. Ook Dreverhaven heeft een sterk karakter. Hij is gekwetst door Jacoba, die de enige was die niet voor hem door de knieën ging. Zijn zoon behandeld hij als elk ander, om hem zo op te bouwen als iemand met een sterk karakter. Als je Jacoba en Dreverhaven ook als twee volwaardige hoofdpersonen ziet, zou het boek eigenlijk Karakters moeten heten.
Leuk is het volgens mij altijd om te kijken of de schrijver autobiografische elementen zoals zijn studie, woonplaats en namen van naasten gebruikt. Verder is het duidelijk dat het verhaal in hij-perspectief is geschreven. Daarom is het juist mooi dat er veel dialogen in voorkomen zodat het verhaal afwisselend blijft. De tijd bepalen was niet moeilijk, want je bent erbij met de geboorte van Katadreuffe, ziet hem opgroeien en vervolgens advocaat worden. Daarna eindigt het verhaal.”
Eigen mening:
Het leek mij een goed idee om karakter naast kaas op de lijst te zetten en ik sta nog steeds achter dit plan. Verder was ook dit boek in mijn opinie niet eentje die mij verder heel erg aansprak.

NOOIT MEER SLAPEN, WILLEM FREDERIK HERMANS

18' druk. Amsterdam 1984

(1' druk 1966)

Psychologische roman.



Korte inhoudsweergave:
Alfred Issendorf, een jonge geoloog, is op weg naar Noord-Noorwegen om materiaal te verzamelen voor zijn proefschrift. Professor Sibbelee uit Amsterdam had hem een briefje meegegeven voor Professor Nummedal in Oslo. Bij hem moet hij luchtfoto's halen van Finnmarken, het gebid dat hij gaat onderzoeken met twee van Nummedal's leerlingen: Arne Jordal en Qvigstad. De halfblinde professor laat hem zowat heel Oslo zien en aan het einde van de dag wijst hij hem voor de foto's door naar de geologische dienst in Trontheim, die in aanbouw is. Daar zijn de foto's wel, maar nog geen register, zodat hij er nog niets aan heeft.
Daarna gaat hij Arne ophalen, samen halen ze Qvigstad op, die ene Mikkelsen meebrengt, ook een onderzoeker. Nu hebben ze nog een paard nodig om de eerste 25 kilometer van hun tocht een gedeelte van hun lasten te dragen: ze stuitten echter op een sterke man.
Onderweg raakt Alfred steeds achter op de rest: hij heeft erg veel moeite met het lopen met een zware rugzak. Tijdens het lopen maakt hij steeds plannen voor de toekomst: Hij wil belangrijk en beroemd worden.
Op een dag blijkt, dat Mikkelsen de luchtfoto's heeft, waarvoor Alfred zoveel moeite heeft gedaan. Alfred denkt dat dit een smerige streek van Nummendal is geweest. Nummedal heeft niet zo'n hoge pet op van Sibbelee. Mikkelsen staat toe dat Alfred de foto's mag bestuderen. Op deze foto's ziet hij niets indrukwekkends.
Niet lang daarna wordt hij op een morgen wakker en zijn Qvigstad en Mikkelsen vertrokken. Arne zegt dadt zij een andere route nemen, omdat dat voor hun onderzoek het beste uitkomt. Zo gaan Arne en Alfred er met z'n tweeën op uit. Als zij onderweg de richting bepalen, zijn zij he oneens met elkaar en gaan beide een andere kant uit. Achteraf merkt Alfred, dat Arne toch gelljk had, maar hij vindt hem niet meer terug. Dan besluit hij terug te gaan naar een bepaalde berg, die hij nog kan zien aan de horizon (de plaats waar Mikkelsen en Qvigstad vermoedelijk zijn). Hij is bang dat Mikkelsen een belangrijke ontdekking doet en hij niet. Hij denkt namelijk dat dit ook weer een streek van Nummedal is geweest, om hem op een dwaalspoor te laten zetten. Hij kan hen niet vinden.
Dan gaat hij op zoek naar Arne: hij vermoedt dat hij in het kloofdal op hem wacht. Bij zijn eerste blik in het kloofdal ziet hij al meteen een voorwerp staan, dat Arne bij zich had. Als hij bij dat voorwerp is ziet hij verder niets: geen Arne, geen tent. Later vindt hij het lijk van Arne: hij is gevallen.
Hij besluit terug te gaan naar de bewoonde wereld. Een gesprek met Nummedal dat hij dan heeft maakt hem duidelijk, dat het niet zijn schuld was, dat hij de luchtfoto's niet had. Hij kon niet goed overweg met de direkteur van de Geologische dienst in Trontheim. Ook hoort hij dat er waarschijnlijk een meteorietinslag heeft plaatsgehad.
Thuis krijgt hij van zijn moeder twee manchetknopen. Op iedere knoop is een halve meteorietsteen bevestigd: dit is de steen, die zijn vader eens voor hem gekocht had. Zijn expeditie is totaal mislukt.

Tijd
De verteltijd, uitgedrukt in pagina's, is 253.
Het is onmogelijk zo te zeggen hoe lang de vertelde tijd is. Gevoelsmatig zoe ik zeggen: verscheidene weken. Maar misschien wel enkele maanden.
In het boek komen geen flash-backs voor, waardoor het wel chronologisch is. Wel denkt de hoofdpersoon, Alfred Issendorf, vaak terug aan zijn moeder en zijn zus, maar het verhaal verplaatst zich niet.
Continu is het boek echter niet. De sprongen in de tijd zijn weliswaar klein: je kunt raden wat er in de tussentijd gebeurt, maar er wordt niets over verteld.

Figuren
Alfred Issendorf:Deze hoofdpersoon leeft slechts voor één ding: hij moet zijn jong gestorven vader overtreffen. Hij moet geschiedenis maken. Hij moet op deze tocht meteoorkraters kunnen vinden, en daarmee een belangrijke ontdekking doen. Het lukt hem echter niet. (gefrustreerde artistieke ambitus)
Arne Jordal:Een nuchtere jongen van rijke afkomst. Hij wil niet met moderne spullen aan deze expeditie beginnen, want hij houdt rekening met de mogeljkheid dat hij niet vindtm en wil daardoor niet voor gek staan. Hij werkt hard, maar heeft niet zozeer de behoefte aan het opstrijken van eer.
Qvigstad en Mikkelsen: Zij worden in de ogen van de hoofdpersoon gezien als niet al te intelligente mensen.
Professor Nummedal: Een blinde professor, wiens tijd bijna voorbij is. Aanvangs ziet die hoofdpersoon hem als iemand die hem wil beletten meteoorkraters te ontdekken, omdat dan zijn stellig omver gegooid zou worden. Later blijkt dat Nummedal hem niet in de weg heeft gestaan, maar dat hij zichzelf in de weg heeft gestaan.

Ruimte
Ik denk dat de ruimten op een natuurlijke wijze zijn ontstaan in het verhaal. De enige ruimte die zich onderscheidt van de anderen is Finnmarken. Dit is de plaats waar alles misging. Hier werd Alfred duideljk, dat hij zijn ideaal niet zou bereiken en hier vond Arne de dood. Na zijn terugkeer hoorde Alfred dat daar vermoedelijk gevonden was wat hij zocht, maar door anderen.

Vertelwijze
Het verhaal is geschreven in de ik-vorm. Vanzelfsprekend ligt het perspectief bij deze ik-persoon, Alfred Issendorf. Hij wordt voortduren gevolgd in zijn gedachtengang, en zijn gevoelens worden voortduren beschreven.

Stijl
De zinnen zijn niet lang, zijnn beschrijvingen zijn vaak vrij lang, maar omdat de zinnen zeer gevariëerd zijn, veveelt dit niet. De zinnen zijn wel eenvoudig van opbouw, en ook de woordkeuze is niet moeilijk. Zijn zinnen bevatten over het algemeen weinig bijvoeglijke naamwoorden: de koude sfeer van Finnmarken komt goed over.

Titelverklaring
De hoofdpersoon leeft eigenlijk maar voor één ding: beroemd worden door een belangrijk e ontdekking te doen, en zo zijn vader te overtreffen: dit kan worden gezien als een soort slaap.
Op de expeditie komt hij tot inkeer, en beseft dat dat geen leven is: leven om beroemd te worden: in fiete wordt hij voorgoed wakker. Hij zal dus "Nooit meer slapen".
Een bijkmstigheid die kan worden genomed, is de dood van Arne: hij zal ook nooit meer slapen.

Thema
Mijns inziens is het thema van dit boek: de tegenslag die je krijgt als je je ideaal niet kunt vervullen, omdat het te hoog voor je gegrepen is.
De hoofdpersoon moet, van zichzelf, Sibelee's verklaring voor de gaten in het ijs kunnen bewijzen, om zo beroemd te worden en zijn vader te kunnen overtreffen.

Bio/bibliografie
Biografische gegevens:
W.F. Hermans werd geboren op 1 septembet 1921 in Amsterdam, als kind van ouders die beide werkzaam waren in het onderwijs. Na een mislukking van zijn studie sociografie aan de Universiteit van Amsterdam, ging hij fysich geografie studeren. Tijdens deze studie begon hij al met schrijven.
Belangrijkste werk:
1947: converse 1951: Ik heb altijd gelijk 1958: De donkere kamer van Damokles 1966: Nooit meer slapen 1980: Homme's hoest 1980: Filip's sonatine 1987: Een heilige van de horlogerie

Het motet voor de kardinaal door Theun de Vries

1. zakelijke gegevens

auteur: Theun de Vries

titel: het motet voor de kardinaal, qeurido / salamander, Amsterdam, 1989-7, 225 blz. (eerste druk 1960).

Genre: roman



2. verdieping

samenvatting

Wolf alias Lupos is aan het woord


Verhaal personen

In het kasteel als hij nog bij heer zweder is

- heer zweder ten weel de baas, de kasteeleigenaar, de hertog

- richardis de dochter van heer zweder de reden waarom wolf bij heer zweder weg is gegaan

- wolf de hoofdpersoon hij draagt de eerste tijd de valk van richardis op zijn hoofd daarna komt hij bij het wapengenootschap waar hij leert vechten
bij de groep muzikanten

- de leider

- de violist

- wolf de hoofdpersoon

- de rest van de muzikanten niet nader beschreven
bij de kardinaal zijn muzikanten

- Josquin de leider van de muziekanten

- Gaspar van weerbeke een der muziekanten

- Traugott de rijnlander ook een der muziekanten

- Wolf nu genaamd lupos

- Een aantal ander zangers niet nader beschreven


In Rome

- de dochter van richardis “walpurg”

- Dezelfde leden van het zanggenootschap als net genoemd

- het gezelschap van walpurg


wat gebeurt er

Wolf zijn ouders gaan in een veldslag dood waarna hij mee wordt genomen naar het kasteel van zweder ten weel waar hij lijf eigene wordt van richardis. Hij wordt om zijn mooie stem vaak ontboden in het kasteel om daar te zingen. Ook is hij in die tijd valk drager tijdens jachtpartijen. Nadat hij bij het gevechts-genootschap van heer Zweder gaat wordt hij weer ontboden voor een jachtpartij bij deze jacht partij lokte richardis hem mee weg van de groep en toen viel ze van haar paard in een kuil waar wolf haar uit haalt waarna ze hem in zijn gezicht wil slaan maar zijn hand raakt. Hij werd toen niet meer in het kasteel toegelaten en gaat dus zwerven, hij komt bij een stad aan waar hij huurling wordt en een aantal veldslagen voert en de helft van Europa ziet en een groot deel van Duitsland verovert. Nadat hij een tijd lang niet is betaald gaat hij weg. Hij komt een groep muzikanten tegen en reist een paar jaar met ze mee. Toen ze bij het val tellino kwamen ging hij alleen naar Italië. Waar hij een tijdje werkt voor een bakker en een slager. Op en dag ziet hij de koets van de kardinaal langs rijden en gaat erachteraan hij dringt de kathedraal binnen waar hij de zangers hoort zingen en zijn wil om te zingen weer terug krijgt. En na afloop vraagt of hij mee mag, dat mag hij en aangekomen in de residentie van de zangers een stuk moet zingen. Nadat ze er achter kwamen wat voor een stem hij had mocht hij blijven. Na een jaar of 25 gingen ze naar Rome om voor de nieuwe Sixtijnse kerk te zingen. Daar kwam hij walpurg tegen kwam en een goede band met haar opbouwde.


De afloop

Nadat hij met walpurg die goede band had opgebouwd ging hij naar het Noorden terug, alleen.


Het probleem

verliefd op iemand zijn maar aan diegene ondergeschikt zijn en dus geen relatie kunnen beginnen


de ruimte

het speelt zich af in Europa in de tweede helft van de 15de eeuw


thematiek

het thema is muziek, wolf doet alles voor muziek

de link tussen de titel en het thema is

een motet is een muziek stuk en het thema is muziek


11. MAARTEN ’T HART – EEN VLUCHT REGENWULPEN (1978)
Inhoud

De hoofdpersoon van deze in ikvorm geschreven roman, Maarten, groeit op in een strenggereformeerd tuindersgezin: een harde, zwijgzame vader en een zachte, vrome moeder, met wie de jongen zich zeer verbonden voelt. Doordat de kwekerij en de kassen ver buiten het dorp liggen, heeft hij geen vriendjes om mee te spelen. Hij moet zich alleen zien te vermaken. Van het dorp kan hij alleen in de verte de kerktoren zien; hij gaat er voor het eerst heen als hij naar de dokter moet. Dan voelt hij ook voor het eerst straatstenen onder zijn voeten en ziet hij een groot plein. De grote kerk werpt een lange schaduw over de stenen met een lichte rand erlangs, een vurige streep, waar Maarten bang voor is, zodat hij alleen langs de huizen wil lopen.

Ook als hij naar de lagere school gaat, blijft hij eenzaam. Hij moet een half uur lopen over het tegelpad door de weilanden. Omdat de bovenmeester wel iets in hem ziet en hij ook inderdaad altijd hoge cijfers haalt, verergert dat de situatie die hijzelf schept door geen pogingen tot toenadering te doen (wat hij ook niet kan opbrengen)(. Hij i ook de enige die ‘s middags moet overblijven.

Eén keer komt het tot een uitbarsting als een paar jongens hem gevolgd zijn en hem sarren. Hij gaat dan heftig te keer en wrijft er ten slotte een met zijn gezicht door de koeienpoep, zodat hij later verbijsterd is over die ongekende tomeloze woede. De meester krijgt gedaan dat hij mag ‘doorleren’ en laat hem het laatste jaar werken in zijn kamertje, waar hij hem al wat Frans, Engels en algebra leert; Maarten raakt daar vooral geïnteresseerd in boeken en scheikundige toestellen.

Iedere avond roeit hij door de rietlanden en ziet er de watervogels, die hij aandachtig observeert: roerdompen, grutto’s, karekieten, rietzangers en vooral de wulpen. Na schooltijd en in de vakanties moet hij helpen in de tuinderij – zwaar werk, vooral de veilingkisten en de lorrie voortduwen, maar hij wordt er erg sterk door.

Dan gaat hij naar de HBS, waar hij in het laatste jaar verliefd wordt op een meisje, Martha, wier beeld hem alle komende jaren zal blijven achtervolgen. Hij is te onhandig, helemaal niet gewend aan de omgang met meisjes, om bij haar iets te bereiken; hij ergert haar alleen maar door zijn al te opvallende schutterige pogingen om in contact te komen. Maar doordat ze veel boeken over muziek leent uit de schoolbibliotheek aar hij helpt, en zelf goed piano speelt, gaat muziek hem boeien en luistert hij ernaar, ’s avonds bij de radio, met zijn moeder. Vooral in Schuberts Unvollendete vindt hij zijn eigen vreemde, knagende verdriet terug.

Na het eindexamen wil hij haar nog ééns zien; hij gaat naar haar kerk, een andere dan de zijne, waar hij haar op de gaanderij vindt zitten. Ze verdwijnt direct als ze hem ziet en komt even later terug met een jongeman, blijkbaar haar vriend, want na de dienst rijdt ze achter op zijn scooter weg.

In Leiden gaat hij biologie studeren; vooral de weefselkweek trekt hem al dadelijk aan. Hij is nihilist, woont bij een oom en tante, krijgt wel een goede vriend, Jakob, maar blijft een onhandige figuur, ook letterlijk, want hij valt en struikelt nogal eens. Na de dood van de tante gaat hij thuis wonen, en als zijn vader gestorven is blijft hij bij zijn moeder. Alle kassen worden verkocht behalve twee; in een ervan gaat hij, net als vroeger zijn vader, druiven kweken. Hij studeert briljant, werkt op het laboratorium voor weefselkweek en doet doctoraal. Dan wordt zijn moeder dodelijk ziek; ze heeft keelkanker en kan eigenlijk nauwelijks meer praten. Soms neuriet ze nog iets van een psalm, maar verder is ze verward. Maarten kan niet verwerken dat een vrouw die zo gelovig is en vol vertrouwen, dit lijden als een soort straf moet doormaken. Er komen op het laatst nog twee ouderlingen op bezoek, ondanks Maartens protest. Hun vermaningen richten zich, als de moeder onbereikbaar blijkt, tegen Maarten, die ze nooit meer in de kerk zien; hun gebed vol dreigingen wordt hem te veel, hij trapt ze scheldend en slaand de deur uit, waarbij één in de sloot terechtkomt. De volgende dag sterft zijn moeder, heel sereen en blij, juist als een vlucht regenwulpen voorbijgaat, die zo zeldzaam, zo bijzonder zijn.

En nu is hij dertig jaar en hoogleraar in de celbiologie met een eigen laboratorium. Nog altijd heeft hij geen vrouw veroverd, meisjes willen blijkbaar niet door hem benaderd worden en nog altijd is daar het droombeeld van Martha. Dan ontmoet hij op het huwelijksfeest van Jakob haar zusje, dat erg op haar lijkt, en met haar maakt hij een afspraak voor een concert, als hij weer terug zal zijn uit Bern, waar hij spreken moet op een congres. Maar opeens wordt hij overvallen door de dwanggedachte (en een paar kleine ongelukken ziet hij als voorboden daarvan), dat hij binnen veertien dagen een vrouw zal moeten vinden en anders dood zal gaan.

Onverwacht kan hij nog voor hij op reis gaat naar een reünie van zijn oude HBS, waar hij Martha hoopt te ontmoeten. Hij durft haar, als hij haar ziet, niet aan te spreken, maar zij komt naar hem toe en doet heel gewoon. Ze is getrouwd, heeft twee kinderen en is eigenlijk weinig veranderd. Hij probeert zoveel mogelijk van haar gezicht te onthouden, al kan hij zich dat in een droom toch nooit voor ogen halen; het is een soort immaterieel gevoel van geluk, zoals muziek dat soms geeft.

Hij gaat met zijn auto naar Bern. In het stadje waar hij overnacht ziet hij bij een beek een zeldzame vogel, de waterspreeuw, die vlak over het water vliegt en tegen de stroom in door het water loopt, telkens met zijn kopje onder. Hij is heel gelukkig als hij hem de volgende dag, als hij verdergaat, weer ziet.

In Bern ontmoet hij al direct een Frans-Zwitserse collega, Adrienne, met wie hij luncht en een prettig gesprek heeft, voorla over muziek. Hij verzuimt de telegenheid die hij krijgt om haar koffer naar haar hotelkamer te brengen. Zijn lezing, de volgende dag, heeft veel succes. Alle avonden dineert hij met Adrienne; zij vertelt hem veel, over haar mislukte huwelijk en over haar eerzucht om als vrouw ook carrière te maken. Maar op de laatste avond, als er gedanst wordt, voelt hij zich weer eenzaam, want dansen kan en wil hij niet en Adrienne amuseert zich best.

Onderweg naar zijn hotel komt hij door de Laubengänge, waar onder de bogen vrouwen op klandizie wachten. Eén van hen doet hem zo sterk aan Martha denken dat hij haar aanspreekt, maar ze wijst hem bits af. Half buiten zinnen blijft hij daar nog uren rondlopen.

Op zondag maakt hij met Ernst, een vriend-collega en leider van het congres, en Adrienne, die ervaren bergklimmers zijn, een bergtocht: eerst met het tandradbaantje naar boven en dan klimmen naar de Oberberghorn. Ernst en Adrienne kunnen het goed samen vinden en Maarten benijdt Ernst om zijn handigheid en zekerheid. Tijdens de lunch vertelt Maarten over de uiterste mogelijkheden van de celbiologie: op den duur zal een mens opgekweekt kunnen worden uit een celkern, en met die mens kan met op dezelfde manier verder gaan; de voortplanting zal dan overbodig worden (en de mannen ook, zegt Adrienne).

De afdaling gaat langs een veel moeilijker weg, door een schoorsteen. Maarten, die voorop loopt, moet zich vasthouden aan kleine rotsrichels voor hij een voet kan verplaatsen, maar als het steengruis onder zijn voeten gaat glijden kan hij niet genoeg houvast vinden en valt omlaag. Op het laatste ogenblik kan hij zich nog een kwartslag draaien en tot stilstand komen tegen een bredere richel, geschaafd en met bloedende handen. Daarna wordt de afdaling minder moeilijk en kan hij wat uitrusten in een alpenwei. Hij realiseert zich dat hij wel aan doodgaan gedacht heeft, maar niet dood wilde gaan. En zo ligt hij nu in de grazige weiden, genezen van de dwanggedachte dat hij moet sterven en wetend dat hij voortaan anders tegen de dood zal aankijken. Hij heeft er vrede mee dat Ernst en Adrienne elkaar beter hebben leren kennen en beseft, dat hij een ander niet mag opschepen met zijn eigen neurosen. En nog diezelfde dat zegt hij de afspraak met Martha’s zusje af.

’s Avonds in bed komt de angst, die hij ’s middags niet gevoeld had. Telkens weer valt hij omlaag, wordt wakker, valt weer, in de bergen, boven pleinen. Ten slotte zweeft in zijn droom het gezicht van Martha voorbij en dat bezorgt hem een gevoel van vredigheid en welbehagen ‘dat een voorspelling lijkt in te houden van iets dat voor altijd geldig zal blijven’.


Personages

Maarten: Maarten is een eenzame man van dertig jaar. Hij is hoogleraar celbiologie en zijn werk is het enige waar hij zich mee bezighoudt. Een sociaal leven heeft hij niet en dat komt onder andere door zijn fobieën: pleinvrees en dwanggedachten over de dood. We leren Maarten kennen als een eenzaam kind dat erg naar zijn moeder trok (Oedipusmotief). Op de middelbare school ontmoet Maarten Martha, op wie hij vreselijk verliefd raakt. Hij durft echter geen contact met haar te leggen en een relatie zit er dus niet in. Zowel zijn moeder als de onbereikbare Martha blijven het leven van Maarten beheersen: iedere vrouw die hij ziet, brengt hij in relatie met een van die twee. Hij is een rond karakter.

Moeder: De moeder van Maarten is dol op hem, ze zorgt voor hem en geeft hem veel aandacht. Zij is een vlak karakter.

Vader: De vader van Maarten is tuinder, zoals ook zijn vader tuinder was. Hij is een zwijgzame godvruchtige man die het liefst zou zien dat zijn zoon ook tuinder zou worden. Hij is een type (de strenge, zwijgzame vader)

Martha: Martha is de onbereikbare liefde van Maarten: zij is de ideale vrouw. Zij is een vlak karakter.

Adrienne en Ernst: Zij zijn collega’s van Maarten die hij bij een congres in Bern tegenkomt. Maarten vindt Adrienne erg leuk, hij wordt zelfs een beetje verliefd op haar. Zij is echter meer geïnteresseerd in Ernst.
Stijl (vertelwijze, perspectief, chronologie)

Maarten ’t Hart heeft een beschrijvende stijl: de omgeving wordt vrij precies weergegeven, inclusief planten en dieren. De dialogen komen ook natuurgetrouw over. Daarnaast maakt hij, in overeenstemming met de opvoeding van de hoofdpersoon, veel gebruik van bijbelcitaten en andere verwijzingen naar de bijbel. Zo schrijft hij over het vuur in een brandende kachel als ‘de Heilige Geest in de kachel’ en een weiland wordt vergeleken met de ‘grazige weiden uit psalm 23’.

Het boek heeft een personaal perspectief, vanuit de hoofdpersoon Maarten. Diens voornaam doet vermoeden dat het boek autobiografische elementen bevat. Zie Situatie voor chronologie.
Vormgeving (titel, ondertitel, motto, opbouw, voorblad)

Een Vlucht Regenwulpen: Wanneer de moeder van de hoofdpersoon sterft, een van de belangrijkste personen in zijn leven, ziet hij buiten een vlucht regenwulpen. Het is een zeldzame gebeurtenis en geeft hem daardoor een soort van troost.

Motto: Een vraag uit het Heidelbergse catechismus over de ‘voorzienigheid Gods’. Deze teksten gaan over de gebeurtenissen in het dagelijks leven van de mens, zoals ziekte en dood, die bij de verantwoordelijkheid worden God gerekend. In het verhaal komt dit aspect naar voren als de moeder van de hoofdpersoon Maarten keelkanker krijgt en pas na veel lijden dood gaat. Maarten wil dan opeens in God geloven om hem te haten, aangezien hij dan de schuld toegeschoven kan krijgen. God is er de oorzaak van. Hij is een soort van beul, die onschuldige mensen leed aandoet.

Opbouw: In het begin wordt er een korte samenvatting van de carrière van de hoofdpersoon gegeven. Hierna vertelt hij over de latere gebeurtenissen in zijn leven, maar ook over herinneringen van vroeger. Herinneringen en gebeurtenissen wisselen elkaar af. Deze manier van schrijven is waarschijnlijk aangehouden om het verband tussen dingen aan te geven. Als iets in het heden gebeurt, volgt daarop een gedachte van Maarten die weer een flashback oplevert. Zo kun je soms zien welke invloed het verleden heeft op het handelen van Maarten in het heden. Een vlucht regenwulpen heeft 23 hoofdstukken die ongenummerd zijn, maar wel allemaal een titel hebben. Het boek eindigt met: Leiden, voorjaar en zomer 1971.
Situatie (historische tijd, tijdsduur, plaats en ruimte)

De vertelde tijd van het verhaal is een jaar of vijfentwintig: vanaf de vroegste herinneringen tot Maarten dertig is. Een vlucht regenwulpen wordt niet chronologisch verteld, maar springt heen en weer tussen verleden en heden. Er is dan ook sprake van twee tijdlagen: Maartens jeugd aan de ene kant en zijn hedendaagse leven waarin hij de reis naar Bern maakt etc. aan de andere kant. De tijd die zich afspeelt in het heden is ongeveer twee weken. De historische tijd is onduidelijk, wat doet vermoeden dat het verhaal zich rond de tijd van schrijven afspeelt. Maartens jeugd zou dan in de jaren ’50 zijn, het ‘heden’ in de jaren ‘60/’70.

Plaats: Maartens jeugd speelt zich af op een boerderij in de omgeving van Delft en op school. Later zien we Maarten in zijn laboratorium in Leiden en in Bern, in Zwitserland.

Analyse (genre, stroming, auteur, recensies, ontvangst)

Maarten ’t Hart wordt geboren op 25 november 1944 in Maassluis. Na de lagere school gaat hij naar de HBS en vervolgens studeert hij biologie in Leiden. Na het afronden van zijn studie krijgt hij een baan als etholoog aan de Leidse universiteit. In 1971 debuteert hij onder het pseudoniem Martin Hart met de roman Stenen voor een ransuil. In 1973 schrijft hij Ik had een wapenbroeder. In 1975 krijgt hij de Multatuliprijs voor zijn roman Het vrome volk. In 1978 volgt Een vlucht regenwulpen dat werd verfilmd in 1981. De aanleiding tot het schrijven van De kroongetuige (1982) stamt uit ‘t Harts studententijd. Enkele medestudenten maakten een film getiteld ‘Moord in het museum’. De opnamen werden gemaakt in het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie (Leiden), waarover het gerucht ging dat er een lijk in een pot alcohol verborgen zou zijn geweest. Over dit gegeven besloot ‘t Hart ooit een boek te schrijven.

De roman Een vlucht regenwulpen betekende ‘t Harts doorbraak. De breuk met het strenggereformeerde ouderlijk milieu en de herinneringen aan zijn vrome jeugd vormen belangrijke elementen in zijn autobiografisch geïnspireerde, realistische werk. Ook thema’s als verliefdheid, isolement en problematische relaties met vrouwen keren regelmatig terug. De roman vertoont kenmerken van een sleutelroman; de hoofdpersoon staat immers voor de schrijver zelf. Het is bovendien een psychologische roman: Maartens gedachtewereld staat centraal, zo ook de ontwikkeling die hij doormaakt. Het feit dat Maarten vooral getekend wordt door zijn familie en de plek waar hij opgroeit, doet aan het naturalisme denken. Plaatsen we dit echter wat later in de tijd, dan komen we eerder bij het existentialisme terecht. Wat we daarvan in deze roman missen is het engagement, en de verantwoordelijkheid die een individu moet nemen.

Het werk van ’t Hart is zeer populair, met name Een Vlucht Regenwulpen was een kassucces. Zijn boeken, maar ook zijn talloze artikelen in dag- en weekbladen hebben hem tot een min of meer nationale figuur gemaakt. Naast populariteit is hem echter veel verguizing ten deel gevallen. Feministen hebben zich mateloos geërgerd aan zijn opvattingen over vrouwenemancipatie en het moderne feminisme. Ook nogal wat literaire critici oordelen negatief over ’t Harts werk; zij vinden het sentimenteel en slecht geschreven en de inhoud niet veel meer dan onbeduidende anekdoten.





1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina