Literatuuronderzoek naar wetenschappelijk onderbouwde assessmentinstrumenten die door ergotherapeuten gebruikt kunnen worden voor de evaluatie van het kook- en eetgebeuren (adl) bij vrouwelijke parkinsonpatienten



Dovnload 181.52 Kb.
Pagina1/2
Datum16.08.2016
Grootte181.52 Kb.
  1   2
LITERATUURONDERZOEK NAAR WETENSCHAPPELIJK ONDERBOUWDE ASSESSMENTINSTRUMENTEN DIE DOOR ERGOTHERAPEUTEN GEBRUIKT KUNNEN WORDEN VOOR DE EVALUATIE VAN HET KOOK- EN EETGEBEUREN (ADL) BIJ VROUWELIJKE PARKINSONPATIENTEN
Annelies Schepers, Provinciale Hogeschool Limburg, opleiding ergotherapie, afstudeerproject,

promotor: Rudi Ghysels, Hasselt, 2006

TREFWOORDEN
Parkinson’s disease, assessment, activities of daily living (ADL), occupational therapy, rating scales

ABSTRACT
Doel: huidige stand van zaken weergeven op gebied van wetenschappelijk onderbouwde assessmentinstrumenten die door ergotherapeuten gebruikt kunnen worden voor de evaluatie van het kook- en eetgebeuren bij vrouwelijke Parkinsonpatiënten.

Methode: literatuuronderzoek door het raadplegen van wetenschappelijke (elektronische) tijdschriften, databanken (Ebsco, Cinahl en Precinahl) en zoekmachines (Pubmed, Google Scholar).

Resultaten: Er wordt een overzicht gegeven van 6 assessmentinstrumenten, nl. Unified Parkinson’s Disease Rating Scale (UPDRS), Short Parkinson’s Evaluation Scale (SPES), Short Parkinson’s Evaluation Scale/Scales for Outcomes in Parkinson’s disease (SPES/SCOPA), Assessment of Motor and Process Skills (AMPS), Parkinson’s Disease Activities of Daily Living Scale (PADLS) en Self-assessment Parkinson’s Disease Disability Scale (SPDDS). Elk instrument wordt kort omschreven, o.a. de ontwikkelaar(s), doelgroep, meetvariabele(n). Verder worden de validiteit, betrouwbaarheid, voor- en nadelen besproken.

Conclusie: De AMPS is het enige specifiek ergotherapeutisch meetinstrument, maar ook de andere schalen kunnen door ergotherapeuten gebruikt worden. Buiten het feit dat de validiteit van de AMPS in de literatuur bediscussieerd wordt zijn alle schalen betrouwbaar en valide en hebben zowel voor- als nadelen. De AMPS en SPDDS zijn de enige schalen die zich richten op de evaluatie van zowel het kook-als het eetgebeuren bij Parkinsonpatiënten, in tegenstelling tot de andere schalen die enkel aspecten i.v.m. het eten onderzoeken. Verder zijn bij alle instrumenten, uitgezonderd de AMPS, de items ‘koken’ en/of ‘eten’ slechts een onderdeel van een grotere (ADL)subschaal of vragenlijst. De ontwikkeling van een (ergotherapeutisch) meetinstrument dat zich uitsluitend richt op de evaluatie van het functioneren van een Parkinsonpatiënt op gebied van koken en eten is dan ook aanbevolen. Dit instrument zou eveneens meer aandacht moeten besteden aan alle vaardigheden die vereist zijn tijdens het koken en eten, waaronder ook de psycho-sociale.
ACHTERGROND
Dit literatuuronderzoek is uitgevoerd in het kader van een afstudeerproject in de opleiding ergotherapie, en handelt over assessmentinstrumenten bij patiënten met de ziekte van Parkinson. Volgens het begrippenkader van de ICF1 werkt een ergotherapeut grotendeels op het niveau van de ‘beperkingen’, waarmee de moeilijkheden die iemand ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten bedoeld worden. Uit de assessmentinstrumenten die in deze studie besproken worden zal dan ook een aspect belicht worden dat zich situeert op dit beperkingniveau, nl. het kook- en eetgebeuren bij Parkinsonpatiënten. Koken en eten zijn activiteiten van het dagelijkse leven (ADL) en behoren tot het handelingsgebied ‘zelfredzaamheid’, zoals beschreven in het Adaptation Through Occupation Model door Reed en Sanderson2. Uit onderzoek (Caap-Ahlgren e.a., 2002) blijkt dat er ook bij vrouwen met de ziekte van Parkinson nog steeds een grote behoefte bestaat om zo lang mogelijk zelfstandig te blijven op gebied van koken en eten. Het niet kunnen uitvoeren van typisch vrouwelijke activiteiten zoals koken leidt tot een verlies van het vrouwelijkheidgevoel, en bijgevolg een verminderd zelfbeeld en zelfwaardegevoel.

INLEIDING
De ziekte van Parkinson is een chronische neurodegeneratieve en progressieve aandoening die veroorzaakt wordt door het afsterven van de dopaminerge zenuwcellen in de middenhersenen. (Siderowf e.a., 2001). Naar schatting zou 1% van de bevolking ouder dan 65 jaar te kampen krijgen met de ziekte (Caap-Ahlgren e.a., 2002).
De arts James Parkinson beschreef in 1817 de ‘shaking palsy’ (schudverlamming) en definieerde het als autonome ziekte. Later werden de door hem beschreven symptomen bekend als de ziekte van Parkinson.
De aandoening wordt in de eerste plaats gekenmerkt door motorische stoornissen. De drie hoofdsymptomen zijn dan ook rigiditeit, rusttremor en bradykinesie (Siderowf e.a.,2001).

Een bijkomende last is het vaak onvoorspelbare “on-off fenomeen”, waarbij de off-periode verwijst naar een overgang van een onafhankelijke toestand met normale bewegingen (on-periode) naar een toestand van afhankelijkheid en immobiliteit (Caap-Ahlgren e.a.,2002; Gaudet, 2002).


Naast deze motorische symptomen is er ook sprake van emotionele (vb. depressie), cognitieve (vb. visueel-ruimtelijke problemen, problemen met volgorde), sensorische (vb. pijn, paresthesie) en autonome ( vb. tachycardie, orthostatische hypotensie) stoornissen (Caap-Ahlgren e.a., 2002; Siderowf e.a., 2001).
Al deze ‘stoornissen’ hebben verscheidene functionele en psychosociale ‘beperkingen’ in het dagelijkse leven tot gevolg. Zo verhoogt vb. het risico op vallen door problemen met de houdingscontrole (evenwicht). Maar ook verscheidene bewegingsmoeilijkheden die ontstaan door o.a. rigiditeit beperken het handelen van de patiënten. Op ADL-gebied uit zich dat bijvoorbeeld in moeilijkheden met het dichtdoen van knopen, koken en eten…
Dit literatuuronderzoek beperkt zich tot het laatste aspect, nl. de beperkingen die optreden bij het kook- en eetgebeuren bij Parkinsonpatiënten.

Andersson en Sidenvall (2001) deden een onderzoek naar o.a. de problemen die iemand met de ziekte van Parkinson bij deze ADL-taken kan ondervinden. Uit de resultaten van de kwalitatieve interviews bleek dat 6 van de 10 onderzochte vrouwen nog zelfstandig kookten, maar de meeste vrouwen hadden hun kookstijl aangepast en/of vereenvoudigd. De vrouwen die niet in staat waren om zelf te koken aten (aan huis geleverde) kant-en klare maaltijden of werden geholpen door echtgenoot of gezinshulp.


Alle vrouwen ondervonden problemen bij het eten zelf, o.a. bij het hanteren van bestek en snijden van vlees, voedsel dat van de vork viel tijdens het transport van het eten naar de mond, moeilijkheden met drinken en verminderde kracht in de armen en handen.

Enkele vrouwen gaven eveneens aan last te hebben van kauw- en/of slikproblemen, waardoor het eten meer tijd in beslag nam en de vrouwen last kregen van stress omdat de echtgenoot sneller klaar was met eten en altijd moest wachten. Twee vrouwen namen bijgevolg kleinere porties, om zo samen met de echtgenoot klaar te zijn met eten. Ook de aanwezigheid van nieuwe gasten werd als stressvol ervaren. Bij het merendeel van de vrouwen was er verder sprake van een afname van het reukvermogen, veranderde of verminderde eetlust en/of smaakverandering.


Een combinatie van voorgenoemde problemen kan een risico vormen voor een goede en gezonde voedselinname. Alle vrouwen slaagden er wel in om zelfstandig te eten, maar de tremor en zwakheid zorgden ervoor dat enkelen hun eetmethodes dienden te veranderen. Verder wordt aangegeven dat de onderzochte patiënten ondanks al hun problemen zo lang mogelijk zelfstandig en onafhankelijk wilden blijven wat betreft het kook- en eetgebeuren, omdat dit hen een positief zelfwaardegevoel en zelfbeeld gaf. Afhankelijkheid en nood hebben aan externe hulp bleken negatieve factoren te zijn voor een goede voedselinname (Andersson en Sidenvall, 2001).
Het is bijgevolg van groot belang dat er met de hele situatie van de patiënt, dus niet enkel de fysieke maar ook de psychosociale en stressfactoren, rekening gehouden wordt tijdens een assessment of behandeling bij personen met de ziekte van Parkinson (Andersson en Sidenvall, 2001).
Dit laatste blijkt eveneens uit een onderzoek dat beschreven wordt in het artikel ‘A Delphi survey of best practice occupational therapy for Parkinson’s disease in the United Kingdom’ (Deane e.a., 2003). Uit deze Engelse enquête bleek dat 99% van de ergotherapeuten de psychosociale aspecten even belangrijk vinden als de fysieke, ook al richten de huidige behandeldoelen zich nog steeds grotendeels op het motorisch aspect.
Verder blijkt o.a. dat 85% van de ondervraagde ergotherapeuten nood had aan gestandaardiseerde assessmentinstrumenten tijdens de uitvoering van hun praktijk bij mensen met de ziekte van Parkinson.

Toch zou slechts 7% ook effectief een meetinstrument gebruiken (Deane e.a.,2003). Ook in de Nederlandse ergotherapiepraktijk worden slechts weinig meetinstrumenten gebruikt, waarvan meer dan de helft door de instelling zelf ontwikkeld werden en niet getoetst zijn op validiteit en betrouwbaarheid (Van de Berg e.a., 2000).


Als besluit van dit alles komen we tot de probleemstelling van dit onderzoek, nl. dat Parkinsonpatiënten omwille van hun verscheidene motorische en psychosociale beperkingen die optreden in het dagelijks leven, o.a. tijdens het koken en eten (ADL), nood hebben aan blijvende rehabilitatienoden. Onderzoek van Deane e.a. (2003) heeft uitgewezen dat een ergotherapeut tijdens deze rehabilitatie een grote rol moet spelen en dat er bij de therapeuten een grote nood is aan gestandaardiseerde assessmentinstrumenten tijdens hun behandeling bij patiënten met de ziekte van Parkinson. Maar meer dan de helft van deze therapeuten ervaart hierin een tekort en heeft bijgevolg geen idee van welke instrumenten er beschikbaar zijn voor deze doelgroep.
Het doel van dit literatuuronderzoek is dan ook het weergeven van de huidige stand van zaken op gebied van bestaande en beschikbare assessmentinstrumenten die gebruikt kunnen worden voor de evaluatie van het kook- en eetgebeuren bij vrouwelijke Parkinsonpatiënten, en bijgevolg luidt de onderzoeksvraag: Welke bestaande (wetenschappelijk onderbouwde) assessmentinstrumenten kunnen door ergotherapeuten gebruikt worden voor het evalueren van het kook- en eetgebeuren (ADL) bij vrouwelijke Parkinsonpatiënten? Wat zijn de voor- en nadelen van deze instrumenten?

METHODE
Aangezien oorspronkelijk het algemene onderwerp voor deze literatuurstudie ‘onderzoek naar het gebruik van assessmentinstrumenten m.b.t. levenskwaliteit bij Parkinsonpatiënten’ was, heb ik in de eerste plaats in de bestaande literatuur (tijdschriften, databanken) gezocht naar welke instrumenten gebruikt (kunnen) worden bij deze doelgroep. Tijdens het begin van die zoektocht kwam ik terecht bij de publicatie ‘De ergotherapeutische behandeling van cliënten met de ziekte van Parkinson - een eerste concept richtlijn’ (Best e.a., 2004), die ik als uitgangspunt genomen heb. De publicatie is erg uitgebreid en ik heb me daarom beperkt tot het lezen van het onderdeel ‘ergotherapeutische diagnostiek’, waar een tiental assessmentinstrumenten kort beschreven en kritisch bekeken worden door de projectgroep. Toen ons tijdens één van de afstudeerprojectgroepen gevraagd werd het onderwerp af te bakenen, heb ik besloten mij te richten op het ADL-gedeelte (koken en eten) bij Parkinsonpatiënten. Bijgevolg heb ik uit de instrumenten die beschreven staan in voorgenoemde publicatie een selectie gemaakt die zich richt op dit ADL-aspect, nl. de Parkinson’s disease Activities of Daily Living Scale (PADLS), Self-assessment Parkinson’s Disease Disability Scale (SPDDS), Unified Parkinson’s Disease Rating Scale (UPDRS) en Assessment of Motor and Process Skills (AMPS). Vervolgens heb ik in de literatuurlijst van deze publicatie de gebruikte bronnen van deze meetinstrumenten opgezocht. De titels van deze bronnen heb ik ingegeven op de databanken ‘Ebsco’, ‘Cinahl’ en ‘Precinahl, en de zoekmachines ‘Pubmed’ en ‘Google Scholar’. Zo heb ik een aantal fulltext-artikels gevonden. Deze strategie heb ik gedurende mijn hele zoektocht naar literatuur aangehouden, nl. na het lezen van een artikel steeds de literatuurlijst ervan nakijken en de bruikbare referenties opzoeken via databanken en zoekmachines. Aangezien niet alle artikels gratis te verkrijgen zijn op de voorgenoemde databanken, ben ik naar de universiteitsbibliotheek van Maastricht (Randwijck) geweest, waar er een grotere toegang is tot elektronische tijdschriften.
Naast het ingeven van titels van artikels die handelen over ADL, assessment en/of Parkinson op de databanken, heb ik deze databanken nog verder doorzocht door enerzijds het ingeven van kernwoorden zoals ergotherapie, occupational therapy, assessment, Parkinson, ADL, food, kitchen performance, UPDRS, SPES… en anderzijds het doorklikken naar ‘related articles’ wanneer ik een bruikbaar artikel gevonden had. Verder heeft een korte zoektocht op internet me zinvolle informatie opgeleverd over meetinstrumenten zoals bv. de AMPS en UPDRS.
Naderhand heb ik besloten om ook de Short Parkinson’s Evaluation Scale (SPES) en Short Parkinson’s Evaluation Scale/Scales for Outcomes in Parkinson’s disease (SPES/SCOPA) in deze studie te verwerken, omdat deze schalen gebaseerd zijn op de UPDRS. De zoekstrategie die ik voor deze instrumenten gebruikt heb komt overeen met die zoals eerder uitgelegd.

Nadat ik alle informatie verzameld en globaal gelezen had, heb ik een selectie gemaakt van bruikbare artikels en teksten i.f.v. het ADL-gebeuren bij Parkinsonpatiënten. Deze teksten heb ik vervolgens grondig gelezen, samengevat en vergeleken. De resultaten van dit literatuuronderzoek staan hieronder beschreven.



RESULTATEN
In dit deel wordt een overzicht gegeven van 6 assessmentinstrumenten die gebruikt kunnen worden bij de evaluatie van Parkinsonpatiënten, nl. de UPDRS, SPES, SPES/SCOPA, AMPS, PADLS en SPDDS. Elke schaal wordt kort beschreven, de betrouwbaarheid en validiteit worden besproken en voor- en nadelen weergegeven. De UPDRS en AMPS komen uitgebreider aan bod dan de SPES, SPES/SCOPA, PADLS en SPDDS omdat er meer informatie over deze schalen beschikbaar was in de literatuur. Elk meetinstrument wordt in de bijlagen geïllustreerd.



  • Unified Parkinson’s Disease Rating Scale

De Unified Parkinson’s Disease Rating Scale (UPDRS) is wereldwijd het meest gebruikte assessmentinstrument voor de evaluatie van de klinische symptomen van de ziekte van Parkinson (Goetz e.a., 2003; Martignoni e.a., 2003; Rabey e.a., 2002; Siderowf e.a., 2002). De schaal is in de jaren tachtig ontstaan tijdens een poging van een groep van Parkinsonspecialisten (Fahn en collega’s) om alle meetinstrumenten samen te brengen die op dat ogenblik beschikbaar waren voor het evalueren van de ziekte van Parkinson (Goetz, 2003; Siderowf e.a.,2002) . In 1987 is de UPDRS officieel gepubliceerd (Siderowf e.a., 2002).


De schaal bestaat standaard uit 4 onderdelen, nl. geestesgesteldheid/gedrag/gemoedstoestand, activiteiten van het dagelijks leven (ADL), motorisch evaluatie en complicaties/bijwerkingen van de medicamenteuze behandeling (Goetz, 2003). De subschalen Modified Hoehn and Yahr rating scale en de Modified Schwab and England scale worden echter dikwijls ter aanvulling gebruikt en daarom ook vaak als ‘standaard’ onderdeel van de UPDRS beschouwd (Gaudet, 2002; Martignoni e.a., 2003).
De eerste subschaal (geestesgesteldheid/gedrag/gemoedstoestand) van de UPDRS bestaat uit vier items: intellectuele stoornis, hallucinaties, depressie en motivatie/initiatief (Siderowf e.a.,2002; Wade, 1998). De data voor deze subschaal worden verzameld op basis van informatie uit het verleden van de patiënt (Siderowf e.a., 2002). Deze subschaal kan eveneens ingevuld worden door de patiënt zelf.

Het ADL-gedeelte van de schaal bestaat uit 13 items, nl. spraak, speekselvloed, slikken, schrijven, snijden van eten/ hanteren van bestek, aankleden, hygiëne, draaien in bed, vallen, freezing tijdens het stappen, stappen, tremor en sensorische stoornissen (Gaudet, 2002; Siderowf e.a., 2002; Wade, 1998). Ook bij deze subschaal zijn de data gebaseerd op informatie uit het verleden van de patiënt (Siderowf e.a., 2002), en kan bijgevolg ingevuld worden door de patiënt.


De evaluatie van het motorisch gedeelte gebeurt d.m.v. gestructureerd onderzoek. Spraak, gelaatsuitdrukking, rusttremor, houdingstremor, rigiditeit, tikken van de vingers, handbewegingen, snelle wisselende bewegingen van de handen, lenigheid van de benen, opstaan van een stoel, houding, stappatroon, evenwicht en bradykinesie/hypokinesie zijn de 14 items waaruit deze subschaal bestaat (Siderowf e.a., 2002; Wade, 1998).

De eerste drie subschalen van de UPDRS worden gescoord op kwantitatieve, ordinale schaal gaande van 0 (geen problemen) tot 4 (ernstige problemen).


De subschaal ‘bijwerkingen van de medicamenteuze behandeling’ evalueert of de patiënt last heeft van dyskinesieën, klinische schommelingen van de symptomen of andere bijwerkingen t.g.v. de medicatie.

De Modified Hoehn and Yahr rating scale deelt de ziekte op in acht stadia of niveaus, gaande van stadium 0 (geen symptomen van de ziekte aanwezig) tot stadium 5 (de patiënt is rolstoelgebonden of bedlegerig) (Gaudet, 2002).

Het niveau van onafhankelijkheid van de patiënt wordt geëvalueerd door de Modified Schwab and England Scale, en dit op een schaal van 0% ( uitval van vegetatieve functies, bedlegerig ) tot 100% ( volledig onafhankelijk ) (Gaudet, 2002).
De afnametijd van de UPDRS schommelt tussen 10 en 20 minuten (Goetz, 2003) met een gemiddelde van 17 minuten (Gaudet, 2002) wat eventueel nog verkort kan worden wanneer de patiënt subschaal 1 en 2 zelfstandig invult (Goetz, 2003). In sommige gevallen neemt de afname echter ook 40 minuten (Gaudet, 2002) in beslag, waardoor de bruikbaarheid ervan in bepaalde klinische settings in het gedrang komt.
Volgens Best e.a. (2004) en Goetz e.a. (2003) beschikt de UPDRS over een goede validiteit en betrouwbaarheid. De interne consistentie van de schaal kan beschouwd worden als ‘bijna perfect’ (Gaudet, 2002; Martignoni e.a., 2003; Ramaker e.a., 2002), net als de interbeoordelaars-betrouwbaarheid (Marinus e.a, 2004; Ramaker e.a., 2002). Volgens Siderowf e.a. (2002) beschikt de UPDRS over een excellente test-hertestbetrouwbaarheid.

De construct validiteit van de schaal wordt door Ramaker e.a. (2002) als matig omschreven, en door Marinus e.a. (2004) en Martignoni e.a. (2003) als goed.


De UPDRS kan dus als betrouwbaar en valide instrument beschouwd worden, maar verscheidene onderzoeken hebben uitgewezen dat de betrouwbaarheid van de het ADL- en motorisch gedeelte van de schaal pas als goed beschouwd kon worden na verwijdering van een aantal items uit de schaal.
Volgens Martignoni e.a. (2003) is er nl. sprake van misplaatsing en overtolligheid van items in de ADL- en motorische subschaal van de UPDRS. Verscheidene items van het ADL-gedeelte, dat het onderzoeken van de mogelijkheden en beperkingen van de dagelijkse activiteiten tot doel heeft, refereren eerder naar stoornissen dan beperkingen (bijvoorbeeld slikken, tremor, freezing, sensorische stoornissen …). Uit onderzoek (Hariz e.a., 2003) blijkt dat deze stoornis-gerelateerde items de scores en resultaten van de schaal kunnen verijdelen. De onderzochte patiënten vertoonden op de totale ADL-schaal namelijk allemaal verbetering. Wanneer deze schaal opgesplitst werd in stoornis- en beperkinggerelateerde ( de ‘eigenlijke’ ADL) items, werd duidelijk dat niet alle patiënten zo positief scoorden op de ‘eigenlijke’ ADL. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan de bruikbaarheid het ADL-gedeelte van de UPDRS in vraag gesteld worden.
Als oplossing hiervoor worden in de literatuur meerdere suggesties gegeven. Enerzijds stelt men voor om een meer uniform taalgebruik te hanteren, waarbij de ICF een kader kan zijn voor een éénduidige communicatie en interpretatie van de resultaten (Hariz e.a., 2003). Ook dienen alle aspecten van de ADL-subschaal geformuleerd te worden in termen van functionele activiteiten die nodig zijn om onafhankelijk te leven (Goetz e.a., 2003). Anderzijds is er een suggestie naar het gebruik van een meer éénvoudige schaal waarvan de onderdelen homogener zijn dan die van de UPDRS (Martignoni e.a., 2003). Om deze reden werd er een nieuwe schaal voorgesteld, die besproken zal worden in het volgende punt, nl. de Short Parkinson’s Evaluation Scale.
De UPDRS is geen ergotherapeutisch instrument (Best e.a., 2004), niet cliëntgericht en heeft een gebrekkige sensitiviteit, waardoor er weinig rekening gehouden wordt met het veranderen of evolueren van de symptomen tijdens de ziekte (Best e.a.,2004; Gaudet, 2002). Dit laatste wordt echter tegengesproken door Goetz (2003). Volgens hem hebben verscheidene studies aangetoond dat de UPDRS wel gevoelig is voor therapeutische interventies. De schaal zou zich vooral richten op de matige en ernstige symptomen van de ziekte, en minder op milde symptomen tijdens het beginstadium van Parkinson (Goetz, 2003).
De schaal houdt wel rekening met de beperkingen die ontstaan wanneer de ziekte in een gevorderd stadium komt (bijvoorbeeld het on-off fenomeen en geestelijke beperkingen), wat bij vele instrumenten niet het geval is volgens Gaudet (2002).

Verder is er een videotape beschikbaar waardoor de praktische toepassing van de schaal gestandaardiseerd wordt (Goetz, 2003)


Toegepast op het kook- en eetgebeuren evalueert de UPDRS wel het snijden van eten en hanteren van bestek bij Parkinsonpatiënten, maar is er geen item dat refereert naar het koken.



  • Short Parkinson’s Evaluation Scale

De SPES is een ziektespecifiek meetinstrument dat in 1994 door een Europese werkgroep (J.M. Rabey en collega’s) ontwikkeld werd en uit vier onderdelen bestaat die qua inhoud hard overeenstemmen met de UPDRS, nl. geestesgesteldheid (3 items), ADL (8 items), motorische evaluatie (8 items) en de bijwerkingen van de medicamenteuze behandeling (5 items). Verder bevat het instrument de Hoehn and Yahr rating scale en de evaluatie van schommelingen in het motorisch functioneren (Martignoni e.a., 2003; Rabey e.a.,2002).

In de SPES werden echter de ADL- items die bij de UPDRS beschouwd werden als moeilijk te evalueren, overtollig of van minder belangrijke klinische betekenis weggelaten (Martignoni e.a., 2003). De items van het ADL-gedeelte van de SPES zijn spraak, eten (slikken en kauwen), voeden (snijden van eten, vullen van beker), kleden, hygiëne, handschrift/schrijven, stappen en draaien in bed (Rabey e.a., 1997).

Nog een verschil met de UPDRS is dat de score-opties verminderd zijn tot een ordinale schaal van 0-3 i.p.v. 0-4. Daardoor neemt het instrument minder registratietijd in beslag, gemiddeld tussen 7 en 10 minuten (door neurologen) volgens Ramaker e.a. (2002).


Onderzoek (Martignoni e.a., 2003) bij 59 Parkinsonpatiënten van gemiddeld 68 jaar wees uit dat het ADL- en motorisch gedeelte van de SPES net als de UPDRS een goede interne consistentie en validiteit bezit, ondanks het verminderde aantal items en ordinale niveaus bij het scoren van de schaal. Eerder werden de betrouwbaarheid en validiteit van de totale SPES reeds aangetoond (Rabey e.a., 1997).
De SPES onderzoekt 1 item wat betreft het eetgebeuren, geen enkel item verwijst naar het koken.



  • Short Parkinson’s Evaluation Scale/Scales for Outcomes in Parkinson’s disease

De ontwikkeling van deze schaal door Marinus en collega’s maakte deel uit van een groter onderzoek over ‘Scales for outcomes in Parkinson’s disease’ dat in 1999 in Leiden van start ging (Marinus e.a., 2004). De SPES/SCOPA bestaat uit drie onderdelen, nl. motorische evaluatie, ADL en motorische bijwerkingen. In tegenstelling tot de originele SPES werd het onderdeel ‘gemoedstoestand’ verwijderd omdat de auteurs van mening zijn dat deze aspecten niet onderzocht kunnen worden op een betrouwbare en valide manier door enkel het stellen van éénvoudige vragen. Verder werden aanpassingen gemaakt aan de drie overgebleven onderdelen van de originele SPES op basis van ondervindingen uit de literatuur en empirische testen. In het ADL-gedeelte werden de antwoordmogelijkheden o.a. zo éénduidig mogelijk geformuleerd, het aspect ‘slikken’ werd verwijderd en het aspect ‘veranderen van positie’ werd vervangen door ‘draaien en uit bed kunnen’ (Marinus e.a., 2004). Hierdoor richt de ADL-subschaal zich enkel nog op activiteiten-, en niet meer op stoornisniveau.

Net zoals bij de SPES zijn bij deze schaal ook vier antwoordmogelijkheden, gaande van 0 (normaal) tot 3 (ernstig). De gemiddelde afnameduur van de SPES/SCOPA is 8 minuten (Marinus e.a.,2004)
De schaal is betrouwbaar, en verder is de correlatie tussen de subschalen van de SPES/SCOPA en UPDRS hoog, wat aangeeft dat de schaal eveneens valide is (Marinus e.a.,2004).
Wat betreft het koken en eten wordt er binnen de SPES/SCOPA slechts 1 aspect uitgewerkt, nl. ‘voeden’. Dit item omvat o.a. snijden van eten en vullen van een beker.



  • Assessment of Motor and Process Skills

De Assessment of Motor and Process Skills (AMPS) is een Nederlandstalig, specifiek ergotherapeutisch observatie-instrument dat het functioneren van een patiënt in alledaagse huishoudelijke en zelfzorgtaken beoordeelt (Hensgens e.a.). Het instrument werd in 1985 ontwikkeld door Anne Fischer en collega’s (Hensgens e.a). Het theoretisch referentiekader van de AMPS is gebaseerd op het Model of Human Occupation, ontwikkeld door Kielhofner (Josman en Birnboim, 2001).


De AMPS bestaat uit 83 taken, die gerangschikt zijn naar moeilijkheid en in diverse culturen gebruikt kunnen worden (Hensgens e.a). 47 van die 83 taken zijn keukenactiviteiten zoals bv. koffie zetten, eieren bakken, tafel zetten, opruimen, afwassen … en 2 activiteiten slaan terug op het eten van een maaltijd… De kwaliteit van het functioneren op elke uitgevoerde activiteit wordt beoordeeld a.h.v. 16 motorische en 20 procesvaardigheden (Hensgens e.a). Elke vaardigheid wordt gescoord op een ordinale vierpuntenschaal, gaande van 1 (ernstig tekort aanwezig dat schade of gevaar kan veroorzaken) tot 4 (competent, geen terkort merkbaar).
De AMPS kan afgenomen worden bij personen vanaf 4 jaar, ongeacht de diagnose, waarbij men problemen vermoedt of constateert bij het uitvoeren van ADL. Idealiter wordt de test uitgevoerd in de natuurlijke woon- en leefomgeving van de patiënt. Indien de observatie in de thuissituatie niet mogelijk is dienen de taken uitgevoerd te worden in een omgeving die erbij past, zoals bv. koken in een keuken, tuinieren in de tuin … (Hensgens e.a.)
De werkwijze voor het gebruik van de AMPS verloopt als volgt: allereerst neemt de ergotherapeut een interview af bij de patiënt, waarin afgetast wordt of de AMPS een geschikt instrument is voor die patiënt. Aandachtspunten hierbij zijn het ondervinden van problemen met het handelen in ADL-situaties en de eventuele negatieve gevolgen die de patiënt ondervindt van zijn stoornis. Verder is het noodzakelijk dat de patiënt bereid is tot het uitvoeren van een aantal huishoudelijke en/of zelfzorgtaken.

Na het interview worden er 2 à 3 taken uitgekozen die de patiënt zal moeten uitvoeren. Op basis van deze taken geeft de AMPS dan een voorspelling over het functioneren van de patiënt op meer dan 75 ADL-taken (Hensgens e.a.) De therapeut geeft op voorhand gestandaardiseerde instructies. Indien de patiënt de taak niet in zijn thuissituatie uitvoert worden ook de plaats van de ingrediënten en materialen duidelijk beschreven. Tijdens het uitvoeren van de taken observeert de ergotherapeut de patiënt en bekijkt – aan de hand van de motorische en procesvaardigheden – hoe de kwaliteit van de uitgevoerde taken is (Hensgens e.a.). Assistentie door de therapeut, hulpmiddelen of aanwijzingen mogen aangereikt worden om gevaarlijke situaties ( vb. zichzelf verbranden) te voorkomen (Josman en Birnboim, 2001).


De administratie van de schaal is éénvoudig, het scoresysteem is echter heel complex en vereist een veelomvattende training en ‘ijking’ van de onderzoeker, waardoor de AMPS niet bruikbaar is voor veel clinici (Josman en Birnboim, 2001). Het maken van een taakanalyse is de eerste stap van het scoresysteem, verdere analyse en interpretatie van de resultaten gebeurt met een computerprogramma (Hensgens e.a.; Josman en Birnboim, 2001).
De totale duur van het interview, observatie, scoren en rapporteren bedraagt ongeveer 2 à 3 uur, omdat voor elke taak 36 items (16 motorische en 20 procesvaardigheden) geanalyseerd dienen te worden. Uiteraard is dit enigszins afhankelijk van het tempo van de patiënt en de ervaring die de therapeut heeft met het instrument. De afname van de AMPS is mogelijk binnen een tijdspanne van 30 minuten (de Boer en ter Wee, 2005).
Volgens Josman en Birnboim (2001) is de AMPS betrouwbaar en valide. Dit laatste wordt echter tegengesproken door Gaudet (2002). Volgens haar kan de AMPS niet gevalideerd worden, omdat enkel de on- en niet de offtoestand van de patiënt geëvalueerd kan worden. De AMPS kan nl. enkel gebruikt worden wanneer de patiënt wel in staat is om deel te nemen aan de activiteiten. Omwille van deze reden stelt Gaudet de bruikbaarheid van het instrument bij patiënten met de ziekte van Parkinson in vraag.
De AMPS is cliëntgericht en beschikt over een goede sensitiviteit, waardoor het instrument gevoelig is voor vroege tekens of symptomen van ineffectieve compensatiestrategieën tijdens de procesmatige vaardigheden en veranderingen in fijnmotorische en houdingsmechanismen. Ook kunnen er vroegtijdig cognitieve stoornissen opgespoord worden. Hieruit volgt dat de therapeut het verlies van onafhankelijkheid kan voorkomen of minimaliseren, en veiligheid verzekeren (Josman en Birnboim, 2001).

De AMPS geeft omwille van zijn erg gedetailleerd scoresysteem ook een heel gedetailleerd beeld over het handelen van de patiënt weer (Josman en Birnboim, 2001).




  • Parkinson’s disease Activities of Daily Living Scale

De Parkinson’s disease Activities of Daily Living Scale is een door de patiënt in te vullen scorelijst bestaande uit 14 items, die de Parkinsonpatiënt de mogelijkheid biedt om zijn subjectieve kijk te geven op de impact die de ziekte heeft op zijn ADL-functioneren (Hobson e.a., 2001). Het instrument is ontwikkeld door Hobson en collega’s op basis van een selectie van de meest relevante ADL-items na het afnemen van interviews met specialisten, patiënten en hun verzorgers, gevolgd door een literatuurstudie. Daarna werd aan 15 patiënten gevraagd om 16 ADL-items te scoren voor de voorbije maand (Hobson e.a.,2001).

De PADLS is een vijfpuntenschaal, waarbij een hoge score wijst op meer problemen op ADL-gebied. Het invullen van de test neemt niet veel tijd in beslag (Hobson e.a., 2001).
Aangezien de PADLS de subjectieve kijk van de patiënt geeft op het ADL-gebeuren maar hem geen mogelijkheid biedt om de ernst van zijn problemen te scoren, mag deze schaal niet geïsoleerd gebruikt worden (Best e.a., 2004). Enkel wanneer de PADLS in combinatie met andere bestaande schalen afgenomen wordt levert dit bruikbare informatie op voor de clinici.
Voor het onderzoeken van de validiteit werden 132 Parkinsonpatiënten van minimum 60 jaar uitgenodigd om 5 vragenlijsten, waaronder o.a. de PADLS, de Webster Scale en de PDQL, in te vullen. Na vergelijking bleken de resultaten van de schalen overeen te komen, wat aangeeft dat de PADLS valide is. Ook de test-hertestbetrouwbaarheid van de schaal is goed (Hobson e.a.,2001).
Het instrument is niet specifiek ergotherapeutisch maar wel ontwikkeld voor afname bij Parkinsonpatiënten. Verder moet de gevoeligheid voor het meten van veranderingen nog vastgesteld worden (Best e.a., 2004).



  • Self-assessment Parkinson’s Disease Disability Scale

De Self-assessment Parkinson’s Disease Disability Scale is een ziekte-specifieke en door de patiënt in te vullen scorelijst die bestaat uit 25 ADL-gerelateerde items, waarvan er een vijftal verwijzen naar activiteiten i.v.m. koken en eten (openen van een blik, melk gieten uit fles of brik, kop koffie of thee maken, vasthouden van kop en schotel, snijden van eten met mes en vork). De patiënt wordt gevraagd om op de lijst aan te duiden in hoeverre hij nog activiteiten kan uitvoeren in zijn thuissituatie zonder hulp. De antwoorden worden gescoord op een vijfpuntenschaal, gaande van ‘in staat om de activiteit moeiteloos zonder hulp uit te voeren’ tot ‘niet in staat om de activiteit uit te voeren’ (Biemans e.a.,2001).


De SPDDS beschikt over een zeer hoge interne consistentie (betrouwbaarheid), en ook de validiteit van de schaal is goed wegens een sterke en significante relatie van de resultaten van de schaal met die van andere onderzochte schalen (Biemans e.a.,2001)
De SPDDS is niet specifiek ergotherapeutisch en kan dus ook door andere disciplines gebruikt worden (Best e.a., 2004)
Een overzichtstabel met een samenvatting van de gevonden resultaten is te vinden in schema 1 (p. 13- 15). De vraagtekens in de tabel geven aan dat er geen informatie over dat aspect beschikbaar is in de bestudeerde literatuur. Aan het einde van de tabel worden ook de voor- en nadelen van elk meetinstrument weergegeven. Aangezien de ICF een belangrijke plaats inneemt in het huidig onderzoek naar meetinstrumenten, wordt in schema 2 (p.16) het ADL-gedeelte (waartoe koken en eten behoren) van de besproken instrumenten gekaderd in de ICF.

: eindwerk -> gez -> ergo
ergo -> Provinciale Hogeschool Limburg Departement Gezondheidszorg Opleiding Ergotherapie literatuuronderzoek naar de arbeidsreïntegratie ten behoeve van arbeidparticipatie
eindwerk -> Op 1 januari 2003 is in Nederland het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg (btp) van kracht geworden
eindwerk -> Ontwerpopgave Sport- en Educatief Centrum te Alphen aan den Rijn
eindwerk -> Departement Gezondheidszorg Opleiding Ergotherapie
eindwerk -> Therapietrouw stimuleren bij patiënt en mantelzorger in een thuissetting
eindwerk -> Offerte Roel Raats 3de pc-technicus 2003-2004 Index
ergo -> Bollen Kristof, Gielis Iona, Mallet Michelle, Schraepen Brigitte, Vanoppen Karel en Van Rijmersdael Anneke
ergo -> Arbeidsreintegratie ten behoeve van arbeidsparticipatie en ervaren levenskwaliteit bij oncologische revalidanten
ergo -> Departement Gezondheidszorg Opleiding Ergotherapie


  1   2


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina