Ljn-nummer: ad5318 Zaaknr: C00/024hr bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage



Dovnload 67.46 Kb.
Pagina3/3
Datum20.08.2016
Grootte67.46 Kb.
1   2   3

4.16 Het Hof heeft zich niet tot een van de twee door partijen genoemde uitlegregels bekeerd. Het heeft evenwel slechts geconstateerd dat niet valt in te zien dat onder "personen" slechts natuurlijke personen zijn te verstaan en niet ook rechtspersonen. Het Hof heeft zich daarbij beperkt tot een - weliswaar onjuiste - lezing van het artikellid.

4.17 Dit brengt mee dat onderdeel I.1.3a feitelijke grondslag mist, dat I.1.3b - dat daarop voortbouwt - eenzelfde lot treft, terwijl onderdeel I.1.3c weer feitelijke grondslag ontbeert.

4.18 Subonderdeel I.2.1 richt zich tegen de overweging van het Hof (rov. 5.2) dat er geen grond is om het begrip aansprakelijk in art. 21 lid 4 AVGE te beperken tot aansprakelijkheid uit de wet - zoals Océ heeft betoogd - maar dat het tevens ziet op aansprakelijkheid uit contract. Het Hof heeft met die overweging - aldus de klacht - miskend dat, naar het vóór 1 januari 1992 geldende recht, de artt. 6:76 en 6:171 BW "dat de door de gelaedeerde uit onrechtmatige daad aangesproken partij die handelingen heeft verricht waarbij ook een ander enig belang heeft, zich met succes tegen die aanspraken zou kunnen verweren, door zich er jegens die gelaedeerde op te beroepen dat hij met die ander een overeenkomst heeft gesloten, waarin is overeengekomen dat de gedragingen van die partij in de verhouding tot die ander geen aansprakelijkheid jegens die ander kunnen opleveren."

4.19 Deze klacht faalt reeds omdat zij langs 's Hofs oordeel heenschiet. De klacht ziet kennelijk op de doorwerking van een in de relatie Mega Limburg/ABB overeengekomen exoneratie. Daarop ziet 's Hofs overweging evenwel niet.

4.20 Subonderdeel I.2.2 voert subsidiair aan dat indien de ruime uitleg van het Hof (het gaat in art. 21 AVGE zowel om aansprakelijkheid uit de wet als om contractuele aansprakelijkheid) juist zou zijn, de in dat artikel genoemde "aansprakelijkheid" niet kan zien op aansprakelijkheid uit (thans) art. 6:76 BW omdat de aansprakelijkheid voor hulppersonen zich naar oud recht niet uitstrekt tot niet-ondergeschikte hulppersonen als ABB.

4.21.1 Vooropgesteld: deze klacht mist belang. 's Hofs uiteenzetting in rov. 5.3 bouwt voort op de hiervoor terecht bestreden lezing van art. 21 lid 4 AVGE; een lezing waarin van belang is of Mega Limburg aansprakelijk is voor fouten van ABB.

4.21.2 Hiervoor heb ik aangegeven dat en waarom rechtspersonen (zoals ABB) niet worden genoemd in art. 21 lid 4 AVGE. Aansprakelijkheid voor door hen (of hun werknemers) begane fouten is daarom niet aan de orde. Bij die stand van zaken is lood om oud ijzer of de regeling van het huidige art. 6:76 BW ook al onder het oude recht gold.

4.22 De klacht zou ook op inhoudelijke grond falen. Immers werd reeds naar oud recht aansprakelijkheid uit contract voor niet ondergeschikte hulppersonen (zoals ABB) aanvaard.(15) Océ heeft trouwens geen enkele bron genoemd waaruit het tegendeel zou kunnen blijken.

4.23.1 Subonderdeel I.2.3 richt zich met vijf subklachten (3a t/m 3e) tegen rov. 5.3, waarin het Hof heeft overwogen dat ABB als hulppersoon in de zin van art. 6:76 BW is te beschouwen en dat Mega Limburg uit dien hoofde voor de gedragingen van ABB - dus ook voor de in casu door Océ gestelde fouten van de werknemers van ABB ([betrokkene A] en [betrokkene B]) - aansprakelijk is jegens derden.

4.23.2 Het Hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat weliswaar de hoofdverbintenis van Mega Limburg strekt tot het leveren van elektriciteit, maar dat art. 6:76 BW ook betrekking heeft op bijkomende verplichtingen, zoals in casu de uitbreiding van de capaciteit van de schakelinstallatie in het HES.

4.23.3 Het Hof heeft er in dat verband op gewezen dat het hier gaat om werkzaamheden die noodzakelijk (althans gewenst) zijn om de hoofdverplichting na te komen. Met uitbreiding van de capaciteit van de schakelinstallatie was, naar het Hof overweegt, onder meer de elektriciteitslevering aan Océ gediend.

4.24 Het subonderdeel stelt vanuit verschillende gezichtspunten aan de orde dat het Hof heeft miskend dat art. 6:76 BW niet van toepassing is op gedragingen van derden die door de schuldenaar niet bij de uitvoering, maar slechts bij de voorbereiding van de verbintenis zijn betrokken, of hem daarbij slechts in het algemeen ten dienste staan.(16) Volgens Océ zou het Hof tevens hebben miskend dat art. 6:76 BW hooguit toepassing kan vinden in het geval sprake is van "nakoming door Mega Limburg van de door haar met Océ gesloten verbintenis in het bijzonder" (subonderdeel I.2.3.c).

4.25.1 Het middel bestrijdt 's Hofs onder 4.23.3 weergegeven oordeel niet. M.i. vindt het reeds daarin zijn Waterloo. Uitgaande van die feitelijke constellatie is alleszins begrijpelijk en rechtens juist dat het Hof heeft geoordeeld dat aansprakelijkheid van Mega Limburg gold voor eventuele fouten van ABB of haar personeel. Hierbij valt te bedenken dat de werkzaamheden nodig waren om een voortgaande leverantie aan (onder meer) Océ veilig te stellen. Zij zijn daarom onlosmakelijk verbonden met de hoofdverplichting van Mega Limburg.

4.25.2 Anders dan Océ doet betogen, gaat het in casu - gezien 's Hofs feitelijke vaststelling - om meer dan louter een voorbereidingshandeling.(17)

4.26 De poging die Océ onderneemt tot het afscheiden van de hoofdverplichting moet m.i. alleen al hierom stranden omdat onvoldoende uit de verf komt waarom de hier bedoelde werkzaamheden niet rechtstreeks van doen hebben met de nakoming van de hoofdverplichting van Mega Limburg jegens Océ.

4.27 Dat Océ niet om de werkzaamheden heeft gevraagd (zoals subonderdeel I.2.3c te berde brengt) is zonder gewicht. Immers zal mogen worden aangenomen dat zij prijs stelde op voortgezette leveranties die door de werkzaamheden werden veilig gesteld.

4.28 Ter onderbouwing van de onder 4.25.1 betrokken stelling verdient vermelding dat in de literatuur wordt aangenomen dat art. 6:76 BW niet slechts betrekking heeft op de hoofdverplichting van de schuldenaar maar tevens op zijn bijkomende verplichtingen.(18)

4.29 De parlementaire geschiedenis van art. 6:76 BW vermeldt ten aanzien van de gedraging van de hulppersoon waarvoor de schuldenaar aansprakelijk is onder meer het volgende(19):

"Dit laatste maakt ook duidelijk dat artikel 3 (6:76, JS) de grens terecht aldus trekt dat de schuldenaar slechts aansprakelijk is voor de gedragingen van de personen van wier hulp hij bij de uitvoering van de verbintenis gebruik maakt, en dat wel op dezelfde wijze als voor eigen gedragingen. (...) In de tweede plaats houdt deze omschrijving een beperking in, in die zin dat de schuldenaar niet voor alle gedragingen van door hem ingeschakelde personen aansprakelijk is, doch slechts voor die welke als zij door hemzelf waren verricht, tot zijn aansprakelijkheid zouden hebben geleid. Hier kan met name van belang zijn de zorgverplichting die in artikel 6.1.6.1 (art. 6:27, JS) op de schuldenaar wordt gelegd en waarvan hij zich niet kan ontlasten door de uitvoering ervan aan een ander over te laten."

4.30.1 Het komt dus - kort gezegd - aan op de vraag of sprake is van gedragingen die, indien door Mega Limburg zelf verricht, tot haar aansprakelijkheid zouden hebben geleid. Wanneer Mega Limburg deze montagewerkzaamheden aan haar stroomnet zelf had uitgevoerd met een stroomstoring tot gevolg, dan zou Mega Limburg zich niet jegens Océ met succes hebben kunnen verweren met de stelling dat zij niet in haar verplichting stroom te leveren tekort is geschoten, doch alleen een fout in de montage - die beoogde toekomstige stroomleveranties veilig te stellen - had gemaakt. Nu (een werknemer van) ABB in de uitvoering van deze montagewerkzaamheden tekort is geschoten, kan Mega Limburg zich evenmin op een dergelijk standpunt stellen.

4.30.2 Anders gezegd: de verplichtingen van Mega Limburg zijn ruimer dan slechts het leveren van stroom en zien tevens op montagewerkzaamheden. Nu Mega Limburg daarvoor ABB heeft ingeschakeld is zij voor tekortkomingen van ABB aansprakelijk.

4.31 Hiermee is tevens aangegeven waarom subonderdeel 1.2.4a faalt.

4.32 Subonderdeel I.2.4b behelst, naar wordt betoogd, een klacht die aansluiting zoekt bij een beschouwing in de memorie van antwoord onder I.9 (blz. 33/34). Hetgeen daar staat heeft betrekking op aansprakelijkheid (van Mega Limburg) op grond van art. 1403 (oud) BW.

4.33 Het Hof heeft zijn oordeel niet gebaseerd op art. 1403 (oud) BW. Het behoefde daarom niet in te gaan op uiteenzettingen daaromtrent. De klacht loopt daarop stuk.

4.34 Onderdeel II (dat in vijf klachten uiteenvalt) richt zich tegen rov. 5.4, waarin het Hof heeft overwogen dat ABB jegens Océ een beroep op art. 21 AVGE toekomt. Het Hof is er daarbij veronderstellenderwijs van uit gegaan dat de door Océ gestelde schade te wijten is aan een fout van [betrokkene A] en/of [betrokkene B] gemaakt in dienst van ABB. Het komt tot zijn conclusie onder meer op de grond dat Océ niet heeft gesteld en dat evenmin is gebleken dat de fout het gevolg is van opzet of grove schuld van de directie en de bedrijfsleiding van ABB.

4.35 De subonderdelen II.1a t/m II.1c klagen erover dat onbegrijpelijk is 's Hofs oordeel dat Océ niet heeft gesteld dat er geen sprake is van grove schuld van de directie of de bedrijfsleiding van ABB.

4.36 Alvorens op deze klacht in te gaan, zij opgemerkt dat het criterium dat het Hof heeft gehanteerd - het gaat om eventuele opzet of bewuste roekeloosheid van de directie of de bedrijfsleiding van ABB - juist is. Uit recente rechtspraak van de Hoge Raad is, zoals mr Meijer in zijn s.t. onder 3.3 en mr Wuisman onder 37 terecht opmerken, af te leiden dat opzet of grove schuld van een "gewone" werknemer die met de leiding van een concrete uitvoeringshandeling is belast in beginsel niet voldoende is.(20)

4.37 De klachten zijn evenwel niet toegespitst op het criterium dat het Hof heeft aangelegd. Zij voeren aan dat het onbegrijpelijk is dat het Hof heeft overwogen dat Océ niet heeft gesteld dat geen sprake is van opzet of grove schuld van de directie of de bedrijfsleiding van ABB.

4.38.1 In de memorie van antwoord heeft Océ op blz. 38 onder meer het volgende gesteld:

"Met het exonereren van "eigen" opzet of grove schuld wordt krachtens vaste rechtspraak, als het gaat om
rechtspersonen, immers gelijk gesteld het exonereren voor opzet of grove schuld van leidinggevende ondergeschikten(21). Daarvan is in dit geval sprake. [Betrokkene B] is te beschouwen als een leidinggevende ondergeschikte. Hij heeft een aantal missers gemaakt die zijn aan te duiden als grove schuld: (...)."

4.38.2 Op blz. 39 heeft Océ voorts gesteld:

"[Betrokkene B] is door ABB belast met de leiding van de uitvoering van de betreffende aannemingsovereenkomst(22)".

4.39 Deze passages zijn wellicht poly-interpretabel. Dat geldt met name voor "leidinggevende ondergeschikte" in de onder 4.38.1 geciteerde passage.

4.40 Niet valt uit te sluiten dat het Hof deze passage over het hoofd heeft gezien. Zeker is dat evenwel allerminst. Concrete aanwijzingen daarvoor bestaan niet. Bij die stand van zaken zal het ervoor moeten worden gehouden dat het Hof er wél acht op heeft geslagen en dat het deze heeft uitgelegd.

4.41 's Hofs uitleg is van feitelijke aard en daarmee in beginsel niet toetsbaar in cassatie. Onbegrijpelijk is hij zeker niet, met name in het licht van de onder 4.38.2 geciteerde passage. Daarin wordt immers het leiding geven betrokken op de desbetreffende overeenkomst. Zoals vermeld onder 4.36 is zulks in het hier bedoelde kader zonder gewicht.

4.42 De subonderdelen II.1a t/m II.1c stuiten hierop af. Subonderdeel II.1d behoeft geen afzonderlijke bespreking.

4.43.1 Volledigheidshalve wijs ik nog op een verweer van mr Meijer inhoudend dat de hierboven geciteerde uiteenzettingen, bezien in hun context, geen betrekking hadden op de AVGE (s.t. onder 3.2).

4.43.2 Strikt genomen is dat juist.(23) Daarom kan inderdaad de vraag rijzen of de in het onderdeel genoemde beschouwingen Océ, los van het voorafgaande, kunnen baten.

4.44.1 Subonderdeel II.2 verwijt het Hof in het midden te hebben gelaten of er sprake was van grove schuld van ABB en/of [betrokkene A], zulks in het kader van de vraag of een beroep op art. M sub 5 van de algemene voorwaarden van ABB kon worden gedaan.

4.44.2 Betoogd wordt dat het Hof een onderzoek had moeten instellen nopens de vraag of de wijze waarop [betrokkene A] zijn werkzaamheden heeft verricht grove schuld oplevert. Eerst dan zou ook kunnen blijken of sprake is van grove schuld van ABB.

4.45 De onder 4.44.1 weergegeven klacht ziet eraan voorbij dat het Hof heeft geoordeeld dat ABB zich ten opzichte van Océ niet op art. M sub 5 kan beroepen (rov. 4.1 in fine). Er bestond daarom voor het Hof geen aanleiding om op deze kwestie in te gaan.

4.46 Los hiervan faalt ook de onder 4.44.2 genoemde klacht omdat Océ niet heeft gesteld dat [betrokkene A] behoort tot de bedrijfsleiding van ABB. Mr Wuisman (s.t. onder 40) en mr Meijer (s.t. onder 3.9) wijzen daar met juistheid op.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar het Gerechtshof te Amsterdam.

De Procureur-Generaal bij de


Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal



1 Gelet op hetgeen, gezien berichten in de landelijke pers, van algemene bekendheid is, heb ik bij de KvK navraag laten doen naar deze kwestie. Van die zijde werd bericht dat inderdaad sprake zou zijn van een naamswijziging per 1 mei 1997 (een datum die ook wordt genoemd op blz. 1 van de mva zonder dat daaraan verder consequenties zijn verbonden). Het dossier zou omvangrijk zijn in verband met juridische verwikkelingen waarop een "volstrekte blokkade" rust.
2 Vonnis van de Rechtbank van 3 oktober 1996 onder 2. Het Hof is - met verbetering van een citaat - van dezelfde feiten uitgegaan; zie het bestreden arrest onder 2.
3 Zie voor dit citaat met name rov. 2 van het bestreden arrest.
4 Volgens de cva zou het gaan om ruim ( 500.000 (onder 12).
5 Dit betoog wordt in de cva uitgewerkt onder 9 e.v.
6 In vergelijkbare zin de cvd Mega Limburg onder 14 op blz. 6.
7 Citaat blz. 15.
8 Ten overvloede: in de s.t. voor ABB (onder 2.3) wordt dat nog eens uit de doeken gedaan. Vgl. s.t. mr Wuisman onder 18.
9 Vgl. mijn opmerkingen in Geschillenbeslechting in en buiten rechte, Iustitia et Amicitia-bundel (1985) blz. 185 e.v.
10 Dat zulks niet beslissend behoeft te zijn vloeit m.i. ook voort uit HR 16 mei 1997, NJ 2000, 1 CJHB.
11 Dat kan - los van een eventueel beroep op art. 6:109 BW - anders zijn ingeval sprake is van een zeer aanzienlijke schade, zeker wanneer betaling daarvan verstrekkende gevolgen zou hebben. Dat die situatie zich voordoet is niet gesteld en - gezien de hoogte zoals gememoreerd in noot 4 - ook niet aannemelijk.
12 Met juistheid wordt daarop gewezen in de s.t. van mr Meijer onder 2.1.3 en mr Wuisman onder 16.
13 Vgl. HR 31 mei 1996, NJ 1997, 259 MMM rov. 3.4.3.
14 Vgl. s.t. mr Grabandt onder 8, 10 en 15.
15 PG boek 6 (TM) blz. 266 met vindplaatsen; Asser-Hartkamp I (1988) nr 326/7; T&C Vermogensrecht (Olthof) art. 76 aant. 4; HR 15 juni 1990, NJ 1990, 716 PAS rov. 3.3.
16 S.t. mr Grabandt, nr. 19.
17 Daarvoor geldt art. 6:76 BW niet; zie Verbintenissenrecht art. 76 (Broekema-Engelen) aant. 7.
18 Asser-Hartkamp I (2000) nr. 327, alwaar expliciet fouten van personen die voor hem een zaak repareren worden genoemd; Verbintenissenrecht (Broekema-Engelen) art. 6:76, aant. 7.
19 MvA II, PG boek 6 blz. 269.
20 Vgl. HR 15 januari 1999, NJ 1999, 242 rov 3.3; zie voorts onder meer HR 12 december 1997, NJ 1998, 208 rov. 3.6.1 en daar nader genoemde rechtspraak. Ingevolge dit laatste arrest gold deze regel ook onder het destijds geldende recht.
21 Art. 1373 BW (oud); HR 3 juni 1938, NJ 920 en HR 20 januari 1976, NJ 1976, 486.
22 Categorie A in de annotatie van Scholten in NJ 1976, 486.
23 Dat onderkent de geëerde steller ook. Hij spreekt zelf van een correct maar nogal formeel verweer (blz. 17).

1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina