Ljn-nummer: ae8457 Zaaknr: C01/095hr bron: Hoge Raad der Nederlanden 's-Gravenhage



Dovnload 75.89 Kb.
Pagina2/3
Datum20.08.2016
Grootte75.89 Kb.
1   2   3

1.10 Nadat de zaak, na bekrachtiging van het tussenvonnis van 1 maart 1994, ter verdere afdoening naar de rechtbank was teruggewezen, heeft de rechtbank in haar tussenvonnis van 29 oktober 1996, voor zover in cassatie van belang, een deskundigenonderzoek gelast naar de waarde van de betrokken gronden per 30 juni en 29 september 1988. De stelling van [eiser] dat taxatie van de gronden niet nodig zou zijn, heeft de rechtbank onder verwijzing naar het arrest van 25 maart 1996 verworpen. Voorts zag zij (in verband daarmee) voor een benoeming van accountants om de door [eiser] afgegeven beschrijving c.q. verklaring te toetsen op dat moment ("thans") geen plaats.

1.11 Nadat de rechtbank op 17 december 1996 en 21 januari 1997 verdere (en in cassatie niet van belang zijnde) tussenvonnissen had gewezen, is zij bij tussenvonnis van 16 december 1997 ingegaan op het deskundigenrapport, waarin de deskundigen de betrokken gronden per 30 juni 1988 op een onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en andere gebruiksrechten van fl. 290.000,- en per 29 september 1988 op fl. 325.000,- waardeerden. De rechtbank gelastte een aanvullend deskundigenonderzoek aan de hand van een vijftal, door haar geformuleerde vraagpunten.

1.12 In haar tussenvonnis van 26 januari 1999 oordeelde de rechtbank, gelet op het nadere deskundigenrapport, de door deskundigen in hun eerste rapport getrokken conclusies voldoende aannemelijk om daarvan bij de beoordeling van het geschil uit te gaan (p. 3, zevende alinea). Dan vervolgt rechtbank (p. 4, voorlaatste alinea):

"Waar de litigieuze beschrijving is gedateerd op 30 juli 1988(6) en op die datum het onroerend goed door [eiser] en [A] werd gewaardeerd op fl. 800.000,- en de deskundigen tot een verkoopwaarde komen op die datum van een bedrag van fl. 290.000,- is het aan [eiser], zoals ook het Gerechtshof in zijn arrest van 25 maart 1996 reeds heeft overwogen, om zijn standpunt dat zijn accountantsverklaring aan de door de rechtbank beschreven norm voldoet, te weten dat de accountantsverklaring juist was en dat de totale waarde van de inbreng dus tenminste even hoog was als de stortingsplicht, met argumenten te onderbouwen. De rechtbank zal [eiser] daartoe in de gelegenheid stellen bij conclusie na tussenvonnis."

1.13 Bij conclusie na tussenvonnis heeft [eiser] opnieuw betoogd dat de accountantsverklaring slechts inhoudt dat het bedrag van de stortingsplicht tenminste wordt gedekt door de waarde van de inbreng (zie ook hiervoor, 1.4). Deze waarde dient te worden bepaald met toepassing van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden, onder meer de marktwaarde en de rentabiliteitswaarde. Volgens [eiser] houdt het oordeel van de accountant slechts een marginaal oordeel in: de waarde van de totale inbreng dient de accountant, alles overwegende en gelet op de in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde methoden, in relatie tot de stortingsplicht van de oprichters aanvaardbaar voor te komen. In casu betrof de inbreng een onderneming die reeds een half jaar actief was. Uit de financiële prognoses voor de jaren 1989-1992, opgesteld door participatiemaatschappij APPM, blijkt volgens [eiser] dat er positieve verwachtingen waren. Positieve verwachtingen waren er ook bij kredietverstrekker ABN. De aanloopverliezen kunnen daaraan volgens [eiser] niet afdoen. In geval van positieve verwachtingen is het niet ongebruikelijk goodwill als waardefactor in aanmerking te nemen. De minst gunstige prognose vermeldt een resultaat na belastingen (nettowinst) van gemiddeld fl. 373.000,- per jaar.(7) [Eiser] stelt dat voor een branche als de onderhavige een goodwill van drie maal de gemiddelde nettowinst als ondergrens zeer verdedigbaar is. De goodwill had dan gewaardeerd kunnen worden op fl. 1.120.000,-. Daarmee dekte de waarde van de inbreng de stortingsplicht in meer dan voldoende mate.

1.14 Bij conclusie van antwoord na tussenvonnis heeft de curator aangevoerd dat de accountant zich niet tot een marginaal oordeel kan beperken. Volgens de curator is slechts de waarde van de inbreng (en het oordeel van de accountant daarover) op de datum van inbreng van belang. Het staat de accountant volgens de curator niet vrij om achteraf de hem best passende waarderingsmethode te construeren. Evenmin kunnen factoren die bij het opstellen van de verklaring buiten beschouwing zijn gebleven, achteraf alsnog in aanmerking worden genomen. Daarom dient de goodwillwaarde niet bij de waardering te worden betrokken. Overigens heeft de curator aangevoerd dat er (ten tijde van de inbreng) geen reële indicatie bestond om goodwillwaarde in aanmerking te nemen. Mede in het licht van de overige in de procedure overgelegde gegevens, zoals de jaarrekening over 1988, de voorlopige cijfers over het eerste halfjaar van 1989 en de cijfers die bij de beschrijving van de inbreng zijn gevoegd, acht de curator de omzetprognoses waarop [eiser] zich beroept, niet betrouwbaar. Ten slotte heeft de curator gesteld dat ABN en APPM, toen de werkelijke situatie hun - eind februari 1989 - duidelijk werd, terstond een interim-manager bij IBH hebben aangesteld.

1.15 In haar eindvonnis van 6 juli 1999 heeft de rechtbank het volgende overwogen:

"2.4 Nog afgezien van de onzekere waarde van eventuele goodwill, is kennelijk - zoals door [eiser] zelf bij dupliek ook aangegeven - de factor goodwill buiten beschouwing gebleven bij de waardering van de inbreng.


De waarde van eventuele goodwill maakte dus geen onderdeel uit van de inbreng en kan dus niet bijdragen tot het bedrag van de minimale stortingsplicht.
Waar deze, zoals thans in rechte is komen vast te staan fl. 490.000,- minder waard was dan aangegeven en [eiser] geen andere onderdelen van de inbreng heeft vermeld die tezamen tenminste ook dat bedrag zouden belopen zijn de door [eiser] gegeven argumenten onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als steekhoudend verweer."

De rechtbank heeft geoordeeld dat [eiser] aan de curator het verschil moet betalen tussen de waarde welke door hem op 30 juni 1988 aan het onroerend goed werd toegekend (fl. 800.000,-) en de door de deskundigen vastgestelde verkoopwaarde op die datum (fl. 290.000,-). Dat verschil beloopt fl. 510.000,-. Aangezien de curator primair een bedrag van fl. 490.380,- had gevorderd, achtte de rechtbank de vordering tot dat bedrag toewijsbaar.

1.16 [Eiser] heeft van het eindvonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Zijn grieven richtten zich, voor zover in cassatie van belang, tegen het oordeel van de rechtbank in de hiervoor geciteerde rov. 2.4. Volgens [eiser] had de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of de inbrengverklaring aan de daaraan te stellen eisen voldeed, goodwill als factor die de waarde van de inbreng kan bepalen, in aanmerking moeten nemen. [Eiser] heeft wederom betoogd dat erom gaat of een redelijk handelend vakgenoot tot eenzelfde inbrengverklaring had kunnen komen. Het oordeel van de accountant is marginaal. Het gaat er voorts niet om of bij de waardering goodwill in aanmerking is genomen, maar of goodwill daarbij in aanmerking had kunnen worden genomen. Dat is in casu het geval, aldus nog steeds [eiser]. De grieven bevatten ten slotte de klacht dat tussen het handelen van [eiser] en de gestelde schade geen causaal verband bestaat.

1.17 Het hof heeft in zijn arrest van 31 oktober 2000 het volgende overwogen:

"4.4 (...) Aan [eiser] is bij tussenvonnis van 26 januari 1999 gelegenheid geboden de betekenis van de lagere waarde van de onroerende zaken voor de correctheid van zijn verklaring te relativeren en aannemelijk te maken dat de stichting ondanks die lagere waarde toch tenminste tot aan haar stortingsplicht heeft ingebracht. Blijkens het eindoordeel van de rechtbank is [eiser] daarin niet geslaagd. Het hof deelt dit oordeel en de daartoe door de rechtbank gegeven motivering. Nu in de verklaring ten onrechte is vermeld dat de oprichters aan hun stortingsplicht hebben voldaan en die onjuistheid in de verklaring aan [eiser] toe te rekenen is, moet de daaruit voortvloeiende benadeling van (het vermogen van) de vennootschap mede aan de accountant worden toegerekend. De schade is mede door de accountant veroorzaakt. De in de wet verankerde eis van zulk een accountantsverklaring bij inbreng in natura dient mede ter bescherming van de opgerichte vennootschap en haar gezamenlijke crediteuren.

4.5 (...) Zoals [eiser] bij pleidooi voor dit hof heeft verklaard heeft hij bij het opstellen van zijn verklaring met goodwill geen rekening gehouden. Het buiten beschouwing laten van goodwill is ook uitdrukkelijk erkend in de conclusie van antwoord (5.3) zijdens [eiser] in dit geding. De inbrengverklaring verwijst naar de waarde van hetgeen volgens de beschrijving wordt ingebracht en in de beschrijving wordt goodwill niet genoemd. De oprichtingsbalans van 30 juni 1988 laat over het eerste half jaar een verlies zien van f. 362.246,--. Het bestaan van enige goodwill moet onder deze omstandigheden onaannemelijk worden geacht. Wat van dit laatste ook zij, nu bij de waardering en de beschrijving van de waarderingsmethode geen goodwill in aanmerking is genomen, kan deze thans niet worden opgevoerd om te verdedigen dat de verklaring deugdelijk was. (...)"

Op grond van het bovenstaande heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.18 [Eiser] heeft van het arrest van het hof tijdig cassatieberoep ingesteld. De curator heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. Vervolgens hebben zij van re- en dupliek gediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het eerste onderdeel van het cassatiemiddel richt zich tegen de rov. 4.4-4.5, waarin het hof verwijst naar rov. 2.4 van het vonnis van de rechtbank van 6 juli 1999 (zie hiervóór, 1.15 en 1.17). [Eiser] klaagt over het oordeel van het hof dat goodwill bij de waardering van de inbreng buiten beschouwing dient te blijven. Het tweede onderdeel van het cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel van het hof dat het bestaan van enige goodwill onaannemelijk moet worden geacht. [eiser] heeft slechts belang bij onderdeel 1, indien ook onderdeel 2 slaagt: als het bestaan van goodwill niet aannemelijk is, behoeft de betekenis daarvan met het oog op de inbrengverklaring niet aan de orde te komen. Bij onderdeel 2 heeft [eiser] slechts belang, indien onderdeel 1 slaagt: als eventuele goodwill niet aan de inbrengverklaring ten grondslag mocht worden gelegd, doet de aannemelijkheid daarvan niet ter zake.

2.2 Aan het eerste onderdeel ligt de gedachte ten grondslag dat het hof met de rov. 4.4-4.5 heeft miskend dat voor het antwoord op de vraag of [eiser] als een zorgvuldig accountant heeft gehandeld, slechts van belang is of de werkelijke waarde van de in te brengen onderneming zodanig was dat de verklaring van [eiser] dat de inbreng tenminste het in de verklaring genoemde bedrag van de minimale stortingsplicht beliep, voldeed aan de aan een dergelijke verklaring te stellen eisen. Het bepalen van de werkelijke waarde van de onderneming moet plaatsvinden volgens in het maatschappelijk verkeer aanvaarde waarderingsmethoden. Daarbij kan met goodwill rekening worden gehouden wanneer daartoe aanleiding is, ook wanneer goodwill niet als afzonderlijk bestanddeel op de balans van de onderneming is opgenomen. [Eiser] wijst erop in de feitelijke instanties te hebben gesteld dat hij bij de waardering van de in IBH ingebrachte onderneming rekening had kunnen houden met een goodwillwaarde van fl. 1.120.000,-, zodat zijn verklaring, ondanks de lagere waarde van de gronden, toch aan de daaraan te stellen eisen voldoet. [Eiser] meent dat beslissend is hoe een zorgvuldig en bekwaam handelend accountant de onderneming in redelijkheid had mogen waarderen. Het hof had dan ook moeten onderzoeken of [eiser], met inachtneming van de informatie waarover hij op 22 september 1988 beschikte, goodwill in aanmerking had mogen nemen en vervolgens of hij alsdan had kunnen verklaren dat de waarde van de inbreng, gewaardeerd volgens in het maatschappelijk verkeer aanvaarde methoden, het bedrag van de stortingsplicht beliep.

2.3 De leden 1 en 2 van art. 2:204a BW luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

1. Indien bij de oprichting inbreng op aandelen anders dan in geld wordt overeengekomen, maken de oprichters een beschrijving op van hetgeen wordt ingebracht, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden. Deze methoden moeten voldoen aan normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. (...)
2. Over de beschrijving van hetgeen wordt ingebracht moet een registeraccountant, of een accountant-administratieconsulent een verklaring afleggen. (...) De verklaring houdt in dat de waarde van hetgeen wordt ingebracht, bij toepassing van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden, ten minste beloopt het in de verklaring genoemde bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan. (...)

Art. 2:204a BW volgt de (nagenoeg) gelijkluidende bepaling ten aanzien van de naamloze vennootschap in art. 2:94a BW.(8) In het wetsvoorstel tot aanpassing van de wetgeving aan de tweede richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake het vennootschapsrecht(9) luidde de bepaling ten aanzien van de naamloze vennootschap, toen opgenomen als art. 94, tweede en derde lid, aanvankelijk als volgt:

"2. Indien op aandelen op andere wijze dan in Nederlands geld wordt gestort, maken de oprichters een beschrijving van de in te brengen goederen op met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden, die moeten voldoen aan normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. (...)
3. Over de beschrijving van de in te brengen goederen moet een deskundige als bedoeld in art. 102 van dit boek(10) een verklaring afleggen, die aan de akte van oprichting moet worden gehecht. (...) (cursivering toegevoegd; LK)"

Deze tekst is kennelijk naar aanleiding van de parlementaire behandeling gewijzigd. De leden van de CDA-fractie vroegen of goodwill, know how en voltooide projectontwikkeling zouden kunnen worden ingebracht en of octrooien, patenten, recht op merk en licentierechten goederen in de zin van bovenvermelde bepaling zijn.(11) De minister merkte naar aanleiding van deze vragen op dat de inbreng van goodwill en know how veelal samenhangt met de inbreng van een onderneming waarin die goodwill en know how aanwezig zijn. De minister meende dat deze waarden vatbaar zijn voor inbreng, evenals een naar economische maatstaven te waarderen voltooide projectontwikkeling, octrooien, merken- en licentierechten.(12) De term "goederen" is kennelijk mede met het oog op het debat over de mogelijk in te brengen waarden uit de bepaling geschrapt en vervangen door "hetgeen wordt ingebracht".

2.4 De regeling voor de naamloze vennootschap is gebaseerd op Richtlijn 77/91/EEG(13) (hierna: de Richtlijn), die ook, zij het "onverplicht", ten grondslag is gelegd aan de Wet van 12 december 1985, houdende nieuwe regeling voor het kapitaal van de besloten vennootschap (Stb. 1985, 656). De bepalingen van de Richtlijn over de inbreng in natura luiden, voor zover van belang, als volgt.

"Artikel 10


1. Over inbreng anders dan in geld moet voor de oprichting van de vennootschap of voordat zij toestemming krijgt om haar werkzaamheden aan te vangen, een rapport worden opgemaakt door een of meer van de vennootschap onafhankelijke deskundigen die door de overheid of de rechter zijn aangewezen of erkend. Deze deskundigen kunnen naar gelang van de wetgeving van elke Lid-Staat natuurlijke personen, rechtspersonen of vennootschappen zijn.
2. Het deskundigenrapport moet ten minste de omschrijving van elke inbreng, alsmede de toegepaste waarderingsmethoden betreffen en aangeven of de waarden waartoe deze methoden leiden, ten minste overeenkomen met het aantal en de nominale waarde of, bij gebreke van een nominale waarde, de fractiewaarde en, in voorkomend geval, met het agio van de tegen de inbreng uit te geven aandelen."

2.5 De bepalingen omtrent de inbreng in natura en de vereiste accountantsverklaring strekken ertoe schuldeisers een waarborg te bieden dat de waarde van de inbreng in natura niet wordt "opgeblazen".(14) De betrokken bepalingen, en meer in het bijzonder de daarin voorziene objectieve controle van de inbreng in natura waarvan de resultaten openbaar zijn, beogen de "kapitaalrealiteit" van de vennootschap zeker te stellen.(15) Van de bedoelde ratio blijkt ook uit de Richtlijn, die reeds in haar opschrift spreekt van waarborgen om met betrekking tot de oprichting van de vennootschap en de instandhouding en wijziging van haar kapitaal de belangen te beschermen, zowel van aandeelhouders als van derden.

2.6 Zoals uit de tekst van 2:204a lid 2 BW blijkt, dient de accountant (registeraccountant of accountant-administratieconsulent) een verklaring af te leggen over de beschrijving van hetgeen wordt ingebracht. Dit impliceert dat slechts de inbreng zoals die uit de beschrijving blijkt, door de accountant in zijn beoordeling mag worden betrokken. Gelet op de waarborgfunctie van de inbrengverklaring ligt dat ook voor de hand: met die waarborgfunctie zou moeilijk zijn te verenigen dat de accountant zijn verklaring baseert op een eigen perceptie van de inbreng, afwijkend van die van de oprichters. Daaraan doet naar mijn mening niet af, dat, anders dan voor de naamloze vennootschap uit art. 2:69 lid 1 jo 2:94 lid 2 BW voortvloeit, openbaarmaking van de beschrijving van inbreng in natura in de besloten vennootschap niet is voorgeschreven; juist het ontbreken van een openbaar gemaakte beschrijving aan de hand waarvan derden zich een indruk van de waarde van de inbreng kunnen vormen, vergroot het belang van de in de inbrengverklaring van de accountant gelegen waarborg. Dat de verklaring van de accountant zich niet mag verwijderen van hetgeen de oprichters als (object van) inbreng hebben beschreven, vloeit ook voort uit de Richtlijn, die in art. 10 lid 2 omschrijving van de inbreng, toegepaste waarderingsmethoden en waardering als samenhangende elementen van één en hetzelfde rapport voorstelt.

2.7 Bij de bepaling van "hetgeen wordt ingebracht" is de accountant gebonden aan de beschrijving. In zoverre staat de omvang van de in aanmerking te nemen inbreng voor de accountant vast. Vrijheid heeft de accountant vervolgens wel bij de waardering van de inbreng. Dat de accountant niet is gebonden aan de waarde die in de beschrijving aan de inbreng wordt toegekend, spreekt vanzelf: met inschakeling van een accountant beoogt de wet nu juist dat de door de oprichters aan de inbreng toegekende waarde wordt gecontroleerd. Naar heersende opvatting is de accountant óók vrij van de in de beschrijving gehanteerde waarderingsmethoden af te wijken. Daarbij moet intussen wel worden aangetekend dat de geschiedenis van totstandkoming van (het voor de naamloze vennootschap geldende) art. 2:94a lid 2 BW erop zou kunnen wijzen dat de accountant in zijn verklaring van een afwijking moet laten blijken:

"In het geval dat de door de oprichters gekozen waarderingsmethoden niet aanvaardbaar zijn, is het van belang dat de accountant de waarde van de inbreng ook volgens een andere, wel aanvaardbare methode mag vaststellen. Daarom moet ook de accountant de waarderingsmethoden vermelden, waarvoor hij in de regel kan verwijzen naar de methoden die de oprichters hebben toegepast."(16)

2.8 Naar mijn mening ligt aan het aangevochten oordeel van het hof ten grondslag, dat, nu in de beschrijving goodwill niet wordt genoemd (het hof releveert dit uitdrukkelijk in rov. 4.5, vijfde volzin), goodwill géén onderdeel vormde van de door [eiser] in aanmerking te nemen inbreng. Daarop wijst ook rov. 4.5, op één na laatste volzin, waarin het hof overweegt dat bij de waardering en de beschrijving van de waarderingsmethode geen goodwill in aanmerking is genomen. Het ligt voor de hand dat het hof, sprekende van de waardering en de beschrijving van de waarderingsmethode, heeft gedoeld op de in art. 2:204a lid 1 BW genoemde (en van de door de oprichters op te stellen beschrijving deel uitmakende) "vermelding van de daaraan (aan de inbreng; LK) toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden". Ook de rechtbank heeft in rov. 2.4 van haar eindvonnis (waarnaar het hof in rov. 4.4 impliciet verwijst) kennelijk het ontbreken van goodwill in de beschrijving op het oog gehad. In rov. 2.4 heeft de rechtbank overwogen dat de factor goodwill "bij de waardering van de inbreng" buiten beschouwing is gebleven. Weliswaar ligt niet slechts aan de beschrijving, maar ook aan de inbrengverklaring een waardering van de inbreng ten grondslag. Dat de rechtbank (slechts) op de inbrengverklaring zou hebben gedoeld, is echter niet aannemelijk. De door de rechtbank getrokken conclusie dat eventuele goodwill "dus" geen onderdeel van de inbreng uitmaakte, laat zich wèl afleiden uit het ontbreken van goodwill in de beschrijving van de inbreng, maar niet (althans niet zonder meer) uit het feit dat de accountant die over de beschrijving heeft verklaard, eventuele goodwill buiten beschouwing heeft gelaten.

2.9 Dat in de beschrijving waarover [eiser] diende te verklaren, goodwill niet als activum is genoemd, is juist. De beschrijving vermeldt slechts "(d)e onderscheidene aktiva en passiva naar de balans per 30 juni 1988". Op de genoemde balans per 30 juni 1988 zijn geen immateriële activa opgenomen. Goodwill wordt niet genoemd, ook niet in de bij de balans behorende toelichting, waarin de verschillende balansposten worden gespecificeerd.

2.10 [Eiser] stelt zich op het standpunt dat, anders dan hof en rechtbank kennelijk hebben geoordeeld, niet beslissend is of blijkens de beschrijving goodwill als zodanig is ingebracht. Volgens [eiser] bestaat de inbreng uit de voordien door de Stichting gedreven onderneming "Internationaal Boom- en Heestercentrum". Eventuele, aan die onderneming verbonden niet-identificeerbare goodwill is niet meer dan een bij de waardering van de ingebrachte onderneming in aanmerking te nemen factor. Ook als de oprichters in hun beschrijving aan eventuele goodwill zijn voorbijgegaan, stond het [eiser], die tot een eigen waardering van de inbreng was gehouden, vrij daarbij eventuele goodwill te betrekken.

2.11 Alhoewel het hof, overigens in navolging van de rechtbank, van inbreng door de Stichting van de door haar gedreven onderneming in IBH heeft gesproken (zie onder meer rov. 4.2, vierde volzin), heeft de beschrijving van de inbreng, die - kennelijk ook in de visie van het hof en de rechtbank - voor de verklaring van [eiser] beslissend is, de inbreng door de Stichting niet in die termen omschreven. Van inbreng door de Stichting van een gehele onderneming als "going concern", met al hetgeen daartoe rechtens en feitelijk behoort en met inbegrip van eventuele, al dan niet identificeerbare goodwill, is geen sprake, noch in de beschrijving, noch in de daarbij behorende halfjaarstukken van de vennootschap in oprichting. Naar mijn mening mocht aan een verklaring over die beschrijving niet ten grondslag worden gelegd, dat in wezen van inbreng van een gehele onderneming met mogelijk daaraan verbonden (maar niet als activum op de balans opgevoerde) goodwill sprake was. In dit verband is van belang, dat naar heersende opvatting strikte eisen aan de beschrijving van de inbreng in natura worden gesteld. In een aanbeveling van het bestuur van het Koninklijk Nederlands instituut van Registeraccountants met betrekking tot de inbrengverklaring wordt het standpunt ingenomen dat de inbreng aan de hand van de beschrijving ondubbelzinnig moet kunnen worden vastgesteld.(17) Daarvan is geen sprake als inbreng van een onderneming wordt beoogd, maar de inbreng in de vorm van een balans wordt beschreven:

"Vaak ziet men als beschrijving van de inbreng de balans van de in te brengen onderneming. Naar onze mening is alleen een balans onvoldoende als beschrijving van hetgeen wordt ingebracht. De inbreng is de onderneming en die moet worden beschreven."(18)

Overigens is, meer in het algemeen, in de literatuur het standpunt ingenomen dat een balans of een afgeleide daarvan, zelfs met een toelichting in de gebruikelijke vorm, niet als een beschrijving in de zin van art. 2:204a lid 2 BW kan dienen, omdat de ingebrachte goederen aan de hand van de beschrijving individualiseerbaar moeten zijn.(19)



1   2   3


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina