Logische verbanden



Dovnload 57.55 Kb.
Datum22.08.2016
Grootte57.55 Kb.

logische verbanden





  1. voorzetsels en bijwoorden


verband
betrekking quant à wat betreft

à propos de met betrekking

tot, over

en matière de “

au sujet de “

à l’égard de jegens


tijd avant (de) voor, alvorens

à la fois tegelijk

à partir de vanaf

à présent tegenwoordig


au cours de in de loop van

autrefois vroeger

l’autre jour onlangs

brusquement plotseling

depuis sinds, vanaf

dès meteen vanaf

désormais voortaan

en même temps tegelijkertijd

entre-temps intussen

jadis vroeger, lang

geleden

jusqu’ici tot nu toe



à la longue op den duur

le lendemain de volgende dag

naguère vroeger,

kortgeleden

parfois soms

peu à peu beetje bij beetje, langzaam maar zeker

quelquefois soms

récemment onlangs

soudain(ement) plotseling

tout à coup plotseling

tout à l’heure zojuist, zo meteen

la veille de de vooravond van


samenvatting bref kortom

en somme alles bij elkaar genomen

somme toute alles bij elkaar genomen
tegenstelling/tegenwerping cependant toch, echter

en revanche daarentegen

néanmoins niettemin

par contre daarentegen

pourtant toch, echter

quand même toch, echter

tout de même toch, echter

toutefois toch, echter


toevoeging d’ailleurs trouwens

outre behalve

en outre bovendien

de plus bovendien


oorzaak à cause de wegens

à force de door steeds maar

dû à dankzij, te wijten

aan


en dépit de ondanks

en effet inderdaad,

namelijk

étant donné gegeven

faute de bij gebrek aan

malgré ondanks

vu gezien

b) voegwoorden
(de cursief gedrukte voegwoorden worden gevolgd door een subjonctif)
verband

tijd après que nadat



avant que voordat

depuis que sinds

dès que zodra

jusqu’à ce que totdat

lorsque als, toen , wanneer (= quand)

pendant que terwijl

tandis que terwijl (daarentegen)

tant que zolang
oorzaak car want

c’est que dat komt omdat

comme aangezien

d’autant (plus) que des te meer omdat

parce que omdat

puisque omdat immers

vu que aangezien
gevolg de façon que zodat

de manière que zodat

de sorte que zodat

si bien que zodat

(aus)si … que zo … dat

tellement … que zo … dat
doel pour que opdat

afin que opdat
tegenstelling, tandis que terwijl (daarentegen)

tegenwerping alors que terwijl (daarentegen)


toegeving (même) si ook al

bien que hoewel

quoique hoewel
voorwaarde, si als, indien

veronderstelling au cas où in het geval dat



à condition que op voorwaarde dat

sauf si behalve als



sans que zonder dat

à moins que tenzij

pourvu que mits, als … maar
vergelijking au point que zozeer dat, in die mate dat

à tel point que zozeer dat, in die mate dat




Algemeen leesplan
Eigenlijk komt het nooit voor dat je helemaal niets van een Franse tekst begrijpt. Integendeel – vaak weet je meer dan je zelf denkt. Maar merkwaardig genoeg is wat je eigenlijk best weet op de meest ongelegen momenten niet “beschikbaar”.


  • Bekijk de titel van de tekst.
    Als je de titel begrijpt, ga je in principe de tekst lezen.
    Als je de titel niet begrijpt, kijk je naar de lay-out, de tussenkopjes en, zo mogelijk, de illustraties bij de tekst.
    Geen touw aan vast te knopen? Ga dan maar eerst (een stuk van) de tekst lezen of pak er een woordenboek bij.



  • Ga na wat je zelf al over het onderwerp van de tekst weet.



  • Lees alleen de vragen / de vraag van de (multiple choice) opdracht(en). De antwoorden komen later aan bod. Deze stap is met name handig als je te maken hebt met een relatief lange tekst waar slechts één vraag over wordt gesteld! Bovendien weet je dan ook beter “waar” je zoeken moet.



  • Lees de tekst aandachtig door.
    Als je de tekst redelijk begrijpt, ga je – als het een tekst met meerdere vragen betreft – de vragen stuk voor stuk beantwoorden.
    Mocht het om een tekst met slechts één vraag gaan, beantwoord dan nu die vraag.
    Als je delen van de tekst niet begrijpt, gebruik dan je voorkennis, of de mogelijkheden om woorden te raden, zoals je die geleerd en geoefend hebt. In laatste instantie kun je altijd nog je woordenboek pakken.



  • Geef een samenvatting van iedere alinea. Doe dat kort in het Nederlands!



  • Lees nu de eerste vraag opnieuw. Geef in het Nederlands antwoord. Kijk in het geval van multiple choice bij de alternatieven: welk alternatief past het beste bij jouw antwoord?
    Als dat lukt, ga je door naar de volgende vraag.
    Als dat niet lukt, sla dan de vraag over en ga door naar de volgende vraag.



  • Je hebt de laatste vraag bij de tekst beantwoord. Ga nu terug naar de vragen die je onbeantwoord hebt gelaten. Let op de volgende punten:
    1. Begrijp je de vraag zelf wel goed?
    2. Kijk je op de juiste plaats in de tekst om het antwoord te vinden?
    3. Begrijp je het tekstgedeelte wel goed?
    4. Klopt je eigen antwoord op de vraag met wat er in de rest van de tekst
    staat?
    5. Begrijp je – als het multiple choice betreft – de alternatieven wel goed?



  • Kun je nu de onbeantwoorde vraag toch beantwoorden?
    Als dat niet het geval is, zet je – als het om multiple choice gaat – de laatste stap:



  • Wegstrepen.
    Geef voor jezelf antwoord op de volgende vragen:
    1. Is er een antwoord dat heel duidelijk niet in overeenstemming is met de
    tekst? Streep dat antwoord weg.
    2. Is er een antwoord dat niets met de tekst te maken heeft? Streep dat
    antwoord weg.
    3. Zijn er antwoorden die bij elkaar horen? Welke bij elkaar horende
    antwoorden zijn het meest onwaarschijnlijk? Streep deze antwoorden weg.
    4. Zijn er concrete antwoorden bij abstracte teksten, of andersom? Streep
    deze antwoorden weg.
    5. Kies tenslotte uit de antwoorden die je nu nog overhoudt.


skimmen
Begin niet onvoorbereid aan het lezen van een tekst. Als je dat doet, en linksboven begint en woord voor woord doorleest tot het eind, kun je nogal eens op het verkeerde been worden gezet door een verkeerde veronderstelling die je aan het begin van de tekst maakte. Je kunt dit voorkomen door steeds de eerste zin (en eventueel ook de laatste) van iedere alinea goed te lezen, want meestal staat daar de belangrijkste informatie. In de rest van de alinea wordt die hoofdgedachte meestal uitgewerkt of nader verklaard d.m.v. van voorbeelden. Door steeds de eerste zin te lezen, kun je vaak ook al iets te weten komen over de structuur van de tekst. Je zult sleutelwoorden (zoals d’abord, puis of d’une part, d’autre part) herkennen. Op je examen mag je aantekeningen maken in de tekst om de opbouw duidelijk te maken
vragen en valkuilen
In multiple choice teksten worden bewust zgn. afleiders verwerkt om je op het verkeerde been te brengen. Dat kun je opvatten als een zeker sadisme van de toetsontwerpers, maar ook hier is het verstandiger met beleid te werk te gaan. Laat je niet afleiden! Hoe doe je dat?


  1. Lees eerst de vraag aandachtigen zorg ervoor dat je precies weet wat er gevraagd wordt.

  2. Ga nu vooral niet de antwoorden doorlezen! Maar bepaal eerst waar je het antwoord in de tekst kunt vinden.

  3. Als je de betreffende passage gevonden en gelezen hebt, probeer je voor jezelf in het Nederlands een antwoord te formuleren, alsof het het antwoord op een open vraag is.

  4. Ga nu pas de meerkeuze-antwoorden lezen (let daarbij goed op eventuele ontkenningen) en bepaal welk antwoord overeenkomt met het door jou geformuleerde antwoord.

Wees op je hoede als je in een antwoord dezelfde woorden tegenkomt als in de tekst. Dat kan een veelgebruikte valkuil zijn! Omdat je de woorden herkent, kies je voor dat antwoord, zonder goed te kijken hoe de woorden in het zinsverband gebruikt zijn (bijv. die al eerder genoemde ontkenningen!). Meestal worden in het goede antwoord synoniemen of omschrijvingen van woorden uit de tekst gebruikt.


tips


  • Het is verstandig aantekeningen te maken; dat voorkomt onnodig (terug)zoeken.

  • Laat je niet verleiden tot het letterlijk vertalen van de teksten. Houd de hoofdlijn aan.

  • Voordat je de tekst intensief gaat lezen, neem je eerst de vragen door. Je weet dan precies wat je moet zoeken.

  • Kijk bij kortere teksten altijd meteen hoeveel vragen erbij horen. Je weet dan meteen waar je je op moet concentreren.

  • Een examen vraagt veel van je concentratie en uithoudingsvermogen. Verdeel je krachten dus goed. Dat betekent vooral: lees de vragen goed. Zeker bij zoekopdrachten is dat van kapitaal belang.

  • Neem op tijd pauze. Het leesvaardigheidsexamen is in zijn volle lengte een hele zit: tweeëneenhalf uur. Het is daarom heel verstandig af en toe even te pauzeren en je gedachten te richten op iets anders. Je zult merken dat je daarna frisser kunt doorgaan en dat komt het eindresultaat zeker ten goede.



vragen van het type Comment cette phrase se rapporte-t-elle au contenu de la phrase précédente?
controleren of je de structuur van de tekst herkent. Hoe verhoudt zich een zin tot de vorige zin, een alinea tot de vorige etc?
Hier volgen veel gebruikte termen in dit soort vragen.
elle en indique la cause hij geeft er de oorzaak van

elle en indique une conséquence hij geeft er een gevolg van aan

elle l’affaiblit hij zwakt hem af

elle s’y oppose hij zegt het tegenovergestelde

elle la résume hij vat hem samen

elle le contredit carrément hij weerspreekt hem volledig

elle l’illustre à l’aide d’exemples hij verduidelijkt hem aan de hand

van enkele voorbeelden

elle l’explique hij geeft er een uitleg van

elle y apporte quelques nuances hij brengt enkele nuanceringen aan

elle en conteste la justesse hij betwist er de juistheid van

elle la met en doute/cause hij trekt hem in twijfel / stelt hem ter

discussie
de toon
In VWO-examens komt altijd wel een vraag voor die vraagt naar de toon die uit het commentaar van de schrijver spreekt. Spreekt er ironie uit of juist bewondering? Zoek eerst de juiste combinaties:
admiratif bewonderend

agacé geërgerd

alerte op zijn hoede

amusé geamuseerd

attristé bedroefd

blessé gekwetst

coupable schuldig

désapprobateur afkeurend

enthousiaste enthousiast

ému ontroerd

étonné verbaasd

nostalgique terugverlangend

encourageant bemoedigend, aanmoedigend

dédaigneux minachtend

menaçant dreigend

neutre neutraal

provocant provocerend

confus in de war

de pitié medelijdend

déçu teleurgesteld

désillusionné ontgoocheld

gêné gegêneerd

fâché kwaad

fasciné geboeid

fier trots

surpris verrast

honteux beschaamd

impatient ongeduldig

indigné verontwaardigd

indifférent onverschillig

innocent onschuldig

inquiété ongerust, bezorgd, verontrust

passionné hartstochtelijk

prudent voorzichtig

soulagé opgelucht

rassuré gerustgesteld

résigné berustend (je erbij neerleggend)

réticent terughoudend

sévère streng

timide verlegen

vexé gekwetst
Vaak vallen ook de termen ironisch, sarcastisch en cynisch. Wat betekenden deze aanduidingen ook al weer?
We hebben het over ironie als er sprake is van milde spot. Degene die ironiseert, heeft niet de bedoeling de ander te kwetsen. In spreektaal komt ironie vaak voor in de vorm van spottende opmerkingen waarin het tegenovergestelde gezegd wordt van wat eigenlijk wordt bedoeld.
Wanneer een schrijver op bijtende, felle wijze de spot drijft met iets, dan spreken we van sarcasme. Sarcasme betekent bloed willen zien, minachten en kwetsen. Het voorwerp van bespotting staat bij sarcasme bloot aan een ongenadige en onverzoenlijke aanval.
Iemand getuigt van cynisme als hij ergens schijnbaar schaamteloos en ongevoelig de spot mee drijft, maar tegelijkertijd beseft dat hij niet bij machte is de toestand of de situatie te veranderen. Het is vaak een kenmerk van mensen die heel teleurgesteld zijn en voor wie blijkbaar weinig anders overblijft dan bitter te reageren.
De volgende Franse woorden kun je ook nog tegenkomen met de betekenis “spottend”:
moqueur (van het werkwoord: se moquer de) / belachelijk makend /

railleur (van het werkwoord: railler) / schertsend /



de gatentekst



  1. Je moet over een goede woordenschat beschikken. Maak dus telkens wanneer je een oefentekst maakt, aantekeningen. Woorden die je herhaaldelijk tegenkomt, maar waar je de betekenis niet (meer) van kent, schrijf je op. Leer ze regelmatig. Dit is heel belangrijk in 6 VWO, aangezien je dan geen vocabulairetoetsen meer hebt!

  2. Lees heel aandachtig de context (direct) voor en na het weggelaten woord. Let hierbij in het bijzonder op structuurwoorden en eventuele ontkenningen.

  3. Bovendien moet je de structuur van de tekst in zijn geheel ook goed in de gaten houden. Lees dus ook hier weer steeds de eerste zin van iedere alinea en let in het bijzonder op structuurwoorden!

  4. Een tip voor wie wel een redelijke woordenschat heeft, maar toch twijfelt over de keuze: vaak (maar niet altijd!) is de goede oplossing de vreemde eend in de bijt. Als bijvoorbeeld drie van de vier alternatieven een negatieve betekenis hebben, en één een positieve, dan is de kans groot dat de uitzondering het goede antwoord is!


Controleren van beweringen
Kijk bij dit soort teksten eerst even naar de vraag/vragen. Je weet dan meteen waar je naar moet zoeken. Lees in dit geval de tekst een keer snel door en ga vervolgens aan de hand van de beweringen na of ze waar of niet waar zijn. De beweringen staan ook vrijwel altijd in de volgorde waarin ze in de tekst voorkomen.

Teksten met slechts één multiple choice vraag
Lees bij dit soort opdrachten eerst de vraag en de afleiders. Als de afleiders moeilijke woorden bevatten, pak dan je woordenboek. Als je de afleiders begrijpt, heb je de sleutel tot succes in eigen hand.
Vragen waarbij je informatie moet opzoeken
Lees eerst de opgave. Wat wil/moet je weten? Neem goed in je op waarnaar gevraagd wordt. Lees dan de (meestal vrij lange) tekst nog eens vluchtig door en zoek – met de vinger langs de regels lopend – de plek waar de verlangde informatie staat. Lees dit gedeelte gedetailleerd en geef het gevraagde antwoord.
De hoofdgedachte van een tekst of van delen van een tekst aangeven
Het gaat erom of je de tekst globaal begrepen hebt. Wat is de belangrijkste informatie die erin staat? Advies: Markeer de kernwoorden en de kernzinnen. Je krijgt dan beter zicht op de tekst.
De betekenis van belangrijke elementen van een tekst aangeven
Er wordt vooral gevraagd naar hoofdzaken. De vorm van dit type vragen is ook vaak gesloten. Dat kun je zien aan het zwarte blokje.
Verbanden leggen tussen delen van de tekst
Aan het slot van een tekst staat vaak de samenvatting of de conclusie. Maar ook tussen andere delen van een tekst kan een bepaald verband bestaan. Voorbeelden:
- oorzaak – gevolg;
- stelling – argument(en);
- constatering – bewijs;
- verschijnsel – verklaring.
Verwijsvragen
Bij verwijsvragen moet je het antecedent letterlijk uit de tekst kunnen noemen. Vaak wordt gevraagd waar een woord als en, y, le of cela naar verwijst.
Lezen zoals je leest in je moedertaal en nog enkele laatste tips
Lees teksten in een vreemde taal zoveel mogelijk zoals je ook in je moedertaal leest:



  • Begin met de titel en ondertitel en eventuele foto’s. De titel van een stuk geeft meestal een zeer korte samenvatting van de tekst die volgt. De ondertitel voegt daar meestal nog een belangrijk element aan toe.

  • Lees dan zoekend/snuffelend: waar gaat de tekst ongeveer over, wat valt op? Een bekende techniek om jezelf tot zoiets te dwingen is het zogeheten diagonale lezen, een tekst doorsnuffelen van linksboven naar rechtsonder – ongeveer hetzelfde wat je doet als je een krant doorbladert. Kijk vervolgens ook even snel hoeveel vragen er over de tekst worden gesteld en als er weinig vragen worden gesteld, kijk je op welk gedeelte van de tekst ze betrekking hebben.

  • Vervolgens globaal: lees de tekst van voren tot achteren zo snel mogelijk helemaal door. Noteer eventueel op een kladje de hoofdlijnen, in trefwoorden bijvoorbeeld. Niet blijven hangen bij onbekende begrippen of extreem moeilijke fragmenten – het gaat erom naar boven te krijgen wat je wel weet!
    Het loont de moeite hierna de vragen en opdrachten langs te lopen. Heb je het idee dat je ze nu al kunt beantwoorden, doe dat dan en aarzel niet! Met name de opdrachten bij korte authentieke teksten beperken zich vaak tot de rode draad in een tekst. En die weet je na globaal doorlezen!

  • Tekst met veel vragen? gedetailleerd lezen: elke alinea nu echt uitspitten, van zin tot zin, maar wel kijken waar de vragen over worden gesteld!

  • Standaardopbouw van teksten:
    Een gemiddelde tekst vertoont meestal een vast patroon:
    - inleiding;
    - presentatie van het probleem;
    - mogelijkheden om het probleem op te lossen;
    - dingen die de oplossing van het probleem bemoeilijken;
    - probleemoplossing;
    - slot.
    Ook veel fictie vertoont een dergelijke opbouw. Het is de moeite waard bij het lezen te kijken of de tekst inderdaad een dergelijke opbouw kent: dat vereenvoudigt het begrip.

  • De aandacht van de lezer trekken.
    Auteurs en journalisten hanteren allerlei trucs om de aandacht van de lezer te trekken. Bijvoorbeeld doordat ze
    - met een pittige anekdote beginnen, of
    - een vliegende start maken midden in hun verhaal, of
    - iets schokkends invoegen.

  • Woordenboek.
    Je mag tijdens het Centraal Schriftelijk Eindexamen een woordenboek gebruiken. Doe dit echter zeer sporadisch want het kost veel tijd. De betekenis van de meeste woorden kun je uit de context afleiden. De juiste betekenis in een woordenboek vinden vraagt oefening.

  • Tips voor meerkeuzevragen.
    Algemeen geldt dat je eerst een tekst helemaal doorleest, daarna eventueel nog een tweede keer en daarbij wat woorden en begrippen die je belangrijk vindt onderstreept of met een kleurstift markeert. Ga daarna pas naar de vragen. Beantwoord vraag voor vraag. Bedenk zelf het antwoord.
    Om meerkeuzevragen met succes te beantwoorden, geldt als belangrijkste regel dat je niet eerst alle alternatieven doorspit maar allereerst probeert de vraag rechtstreeks voor jezelf te beantwoorden en daarna pas kijkt welk alternatief het dichtst bij jouw antwoord-idee komt. Twijfel dan niet verder maar kies dat alternatief: tien tegen een dat het correct is!
    Bij twijfel is het een kwestie van wegstrepen.

Veel voorkomende woorden en uitdrukkingen in de vraagstelling
Pourquoi est-ce que l’auteur ajoute… ? toevoegen

Pourquoi appelle-t-on… ? noemen



Sur quoi veut-il attirer l’attention ? aandacht vestigen op

Quelle est l’attitude de l’auteur? houding

Qu’est-ce que l’auteur avoue ? toegeven

Sur quoi l’auteur se base-t-il ? / se fonde-t-il ? baseren op

Dans quel but / objectif? A quelle fin ? doel

Comment peut-on caractériser… ? kenmerken

Pourquoi l’auteur compare-t-il… ? vergelijken

En quoi consiste… ? bestaan uit

Que peut-on déduire… ? afleiden

Que peut-on dire de l’attitude de l’auteur

à l’égard de… ? ten opzichte van

Pourquoi l’auteur emploie-t-il… ? gebruiken

Comment peut-on expliquer… ? uitleggen

Comment exprime-t-il… ? uitdrukken

Qu’est-ce que l’auteur veut illustrer par cette illustreren, verduidelijken

phrase ?


Qu’est-ce que l’auteur veut indiquer… ? aanwijzen, vaststellen

Pourquoi l’auteur mentionne-t-il… ? vermelden

Qu’est-ce que l’auteur veut montrer par cet laten zien, aantonen

exemple ?

Que dit l’auteur à propos de / au sujet de… ? over

Quelle en est la raison ? reden

Pourquoi l’auteur regrette-t-il… ? betreuren

Par quel mot peut-on remplacer… ? vervangen

Le pronom personnel « il » renvoie àverwijzen naar

Qu’est-ce que l’auteur reproche… ? verwijten

Qu’est-ce qui ressort du premier alinéa ? uitkomen, naar voren komen

Comment peut-on résumer…? samenvatten

De quoi s’agit-il? gaan over

Qu’est-ce que l’auteur se demande ? zich afvragen

A quels mots se rapporte « ils » ? betrekking hebben op

Selon / D’après l’auteur… volgens

Dans quel sens…? in welke betekenis / in welk

opzicht?


A quoi sert le passage…? dienen tot

Qu’est-ce que cela signifie / veut dire ? betekenen

Qu’est-ce que l’auteur souligne… ? onderstrepen, verduidelijken

Les termes de woorden









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina