Loodzware stenen Jozua 3: 9-12



Dovnload 14.05 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte14.05 Kb.


Loodzware stenen

Jozua 3:9-12
Jozua riep het volk bijeen en zei:

"Kom hier en luister naar wat de HERE, uw God, heeft gezegd.

Vandaag zal het u duidelijk worden dat de levende God in uw midden is en dat Hij vast en zeker de Kanaänieten, Hethieten, Hevieten, Ferezieten, Girgasieten, Amorieten en Jebusieten zal verdrijven.

Want de ark van het verbond van God, Die de HERE van de hele aarde is, zal u over de rivier leiden! Kies nu twaalf mannen, één uit elke stam, voor een speciale opdracht.

Hoe had hij zo dom kunnen zijn!

Natuurlijk was hij vereerd geweest toen ze hem vroegen.

Hij had er geeneens over nagedacht om nee te zeggen.

Het was gewoon niet in zijn hoofd opgekomen.

Pas een uur later had hij zich gerealiseerd wat hij gedaan had,

hij had ja gezegd, terwijl hij nee had moeten zeggen.

Op begrip of medelijden van zijn vrouw had hij niet hoeven te rekenen.

Ze had hem ook nu alleen maar spottend aangekeken, is het weer zover?

Om hem vervolgens een aai over het hoofd te geven. “En toch houd ik van je!”

Ze hadden samen al zoveel meegemaakt in die 5 jaar dat ze nu getrouwd waren, meer dan andere mensen in hun hele leven.

Daarom had hij ook nee moeten zeggen.

Gewoon, ik kan het niet. Ik ben er nog niet aan toe.

Nu zou hij die loodzware gang moeten maken en de last moeten dragen van zijn eigen beslissing.

Hij had later die dag samen met elf andere mannen de instructies in ontvangst genomen.

Het had zo op het eerste gezicht een simpele opdracht geleken:

Licht een steen uit de rivierbedding en breng hem naar de overkant.

Alsof het een wedstrijd was,

een soort spel zonder grenzen opdracht voor twaalf mannen.

Hij was sterk en zou geen enkele moeite hebben de zware steen op zijn schouders te heffen en naar de overkant te brengen.

Het was het doel van de hele missie die hem kippenvel bezorgde,

hij kon het gewoon niet.

“Wie had zoiets bedacht?!”

Er was teveel gebeurd om schijnheilig zijn dankbaarheid te tonen.

Hij was helemaal niet dankbaar, hij was boos, verontwaardigd.

Als zij Gods uitverkoren volk waren, waarom was alles dan gegaan zoals het was gegaan.

Zijn ouders waren vroeg gestorven, net als zijn opa’s en oma’s en ooms en tantes.

De dood was als vanzelfsprekend de hele dag aanwezig geweest.

Wennen deed het echter nooit.

Altijd het gevaar van ziektes die in deze omgeving zo makkelijk waren op te lopen.

De melaatsheid die altijd op de loer lag, maar meestal op commando leek te komen.

De vele ruzies en vechtpartijen en altijd om zich heen dat eeuwige geklaag.

Als kind had hij zich ervoor willen verstoppen, maar de tentdoeken waren te dun geweest voor de woorden die door merg en been gingen.

O ja, het begon met die belofte van een land vloeiende van melk en honing,

het was de reden geweest dat zijn voorouders op weg waren gegaan.

De realiteit was echter anders geweest, zand, zand en nog eens zand,

nu al 40 jaar lang.

Echt gevarieerd was het voedsel ook niet geweest: manna, manna en voor de verandering manna. Als kind kon hij geen manna meer zien. Ja, ooit hadden ze eens een maand kwakkels gegeten, totdat die ook zijn neus waren uitgekomen.

Als een zware last waren er altijd weer die wetten die onhoudbaar bleken te zijn en die alleen maar meer geklaag opleverden.

En die onmogelijke opdracht:



Gij zult de Here uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht.

Hij was reeds lang geleden tot de conclusie gekomen dat, wilde je overleven in de woestijn, je het beste van jezelf kon houden.

Nu, juist nu,

nadat hijzelf 25 jaar in de woestijn had rondgetrokken, werd er van hem verwacht dat hij ging meewerken aan een gedenkteken, een monument van dankbaarheid en herinnering.

Hij had nee moeten zeggen! Er was geen reden tot dankbaarheid en herinneringen moesten juist uitgewist worden.

Alsof Jozua zijn gedachten kon raden, was er plotseling die vraag gekomen:

“Zullen we een stukje lopen?”

Hij had het in eerste instantie niet zo op Jozua gehad, hij miste Mozes, de man die hen zoveel jaar geleid had en die ze verplicht hadden moeten achterlaten.

Ook al zoiets oneerlijks.

Samen waren ze een eindje het kamp uitgelopen en gaan zitten tegen een boom.

Toen Jozua zijn arm om hem heensloeg, had hij gehuild alsof alle frustratie, boosheid en verdriet een uitweg zochten om te ontsnappen aan zijn lichaam.

Jozua had niets gezegd althans niet tegen hem, zachtjes bewoog zijn mond om woorden te vormen die het hier en nu ontstegen.

Alsof ze rechtstreeks de hemel bereikten.
Daarna had hij gesproken over een God die van hem hield en altijd gehouden had.

Een God die Zijn nabijheid had laten blijken ’s nachts in de vuurkolom en overdag in de wolk.

Een God die verdriet had over de pijn die mensen elkaar aandeden.

Een God die beschermende regels gaf die wij met voeten traden.

Over oorzaak en gevolg en Zijn onmetelijke trouw.

Hij had geluisterd met zijn hart en de liefdevolle woorden ingedronken.

Voor het eerst in zijn leven had hij het gevoel dat zijn geestelijke dorst gelest werd.

Hij ging iets begrijpen van een God die rivierstenen uitzocht voor een monument, een teken van herinnering aan Zijn zorg voor hen.

Stenen uit de rivier die een lange weg hebben afgelegd voordat ze glad gepolijst zijn door het water en de vele obstakels die ze zijn tegengekomen.

Ietwat onzeker liep hij daarna samen met de andere mannen de droge rivierbedding in en pakte uit het midden ervan een grote steen.

Met opgeheven hoof droeg hij hem daarna op zijn sterke schouders naar de overkant.

Samen met de elf andere stenen zou de steen een plek vormen van een blijvende herinnering aan wat God had gedaan in ons leven.

Een monument om, ondanks de pijn uit het verleden, trots op te zijn.

Een plek om ons, met ons hoofd omhoog, uit te strekken naar de toekomst



Jozua 4



Loodzware stenen: Frits Jongboom




De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina