Lossingen met of zonder inversie eindverslag seizoen 2011



Dovnload 1.14 Mb.
Pagina9/10
Datum23.07.2016
Grootte1.14 Mb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10

2.FOLKLORE EN MYTHOLOGIE

Voordat de wetenschap met de verklaring voor het ontstaan van het poollicht kwam, waren er meerdere verklaringen voor het poollicht te vinden in de folklore en mythologieën van verschillende culturen. Het beeld op leven en dood, het verband met de geestenwereld en de strijd tussen bovennatuurlijke krachten in de hemel, zijn hiervan een voorbeeld. Men denkt ook dat het verschijnsel voor veel mensen angstaanjagend was.


In de middeleeuwen zagen sommige Europeanen de roodgloeiende aurora als een voorteken van onheil, oorlog en bloedvergieten. Er zijn ook nog andere gedachtegangen. Zo was er een Noor die al in het jaar 1250 dacht dat het ijs op Groenland zo veel kracht genereerde dat het licht van de aurora ermee kon ontstoken worden. Andere Scandinaviërs vroegen zich af of het een weerspiegeling van de zee of zelfs van een school haringen was.

De Cree-indianen geloofden dat wie stierf, in een dansende geest – de geest van de aurora – belandt. Zij hebben de aurora’s altijd als heilig beschouwd. Ook de folklore en mythologie van volkeren, zoals de Inuitmythologie en de Nieuw-Zeelandse Maori’s, staat bol van verwijzingen naar de aurora’s, of “het branden van de hemel”.


3.RELATIE MET ZONNEVLEKKEN

Rond 1840 ontdekte de Ierse sterrenkundige en militair Sir Edward Sabine (1788 - 1883) dat er een relatie bestaat tussen de activiteit van zonnevlekken en het magnetische veld van de aarde. Sabine onderzocht magnetische stormen, die naalden van kompassen deden afwijken. De wisselingen in het aardmagnetisme traden tegelijkertijd op met noorder- en zuiderlicht. Om dit fenomeen verder te onderzoeken kreeg hij de Engelse regering zover dat zij in 1840 een netwerk van meetstations bouwde. Na analyse van zeer veel meetgegevens ontdekte Sabine dat de magnetische stormen een cyclus hadden van tien tot elf jaar.


De Duitse apotheker en sterrenkundige Samuel Schwabe had sinds 1826 dagelijks het aantal zonnevlekken geregistreerd. Ook hij nam een cyclus waar van tien à elf jaar. Sabine legde hun gegevens naast elkaar en kwam tot de conclusie dat er een verband bestaat tussen zonnevlekken en storingen in het aardmagnetisme.

4.WAARNEMING

De kans op poollicht is het grootst in jaren met grote activiteit op het oppervlak van de zon. Om de elf jaar maakt de zon zo'n actieve periode door (het laatst in 2011), wat zich uit in een groter aantal zonnevlekken. Wanneer zo'n zonnevlek naar de aarde is gericht kunnen de geladen deeltjes die bij de uitbarsting vrijkomen de aardse atmosfeer bereiken en poollicht veroorzaken. Radiozenders op de korte golf worden enige uren tevoren ernstig gestoord.


In Nederland wordt jaarlijks gemiddeld ongeveer zeven dagen poollicht waargenomen, het vaakst in jaren met veel zonneactiviteit

5.OP ANDEREN PLANETEN


Zowel Jupiter als Saturnus hebben een sterker magnetisch veld dan de aarde: de veldsterkte op de evenaar van Jupiter is 0,43 millitesla, tegen 0,03 mT op aarde en beide planeten hebben stralingsgordels. Poollicht is op beide planeten waargenomen, vooral door de Hubble Space Telescope. Ook Uranus en Neptunus hebben volgens waarnemingen poollicht.

De poollichten op deze gasreuzen lijken net als op aarde veroorzaakt te worden door de zonnewind. Maar ook de manen van Jupiter, vooral Io, leiden tot poollicht op Jupiter, door elektrische stromen langs veldlijnen ("field aligned currents"), die opgewekt worden door een dynamomechanisme ten gevolge van de onderlinge beweging van de draaiende planeet en de maan. Io heeft actieve vulkanen en een ionosfeer en is een sterke bron. Haar elektrische stromen geven ook radiostraling, die sinds 1955 onderzocht worden. Io heeft zelf ook poollicht, net als de andere manen van Jupiter Europa en Ganymedes, zo bleek uit waarnemingen van onder meer de Hubble Space Telescope. Deze aurora's ontstaan als plasma uit de magnetosfeer van Jupiter invalt op hun ijle atmosferen.


2.7 MAGNETISCHE STORMEN BRON: WIS EN WAS

ZONNEVLAMMEN

Het patroon van het aardmagnetisch veld, zoals, hiervoor beschreven, kent voortdurend tijdelijke afwijkingen in richting en sterkte. Bij een forse afwijking wordt er gesproken van een 'magnetische storm'. Magnetische stormen worden veroorzaakt door zonnevlammen; explosies in de atmosfeer van de zon. Deze zonuitbarstingen worden waargenomen als donkere vlekken op de zon, zogenaamde zonnevlekken ('sunspots').


Het aantal zonnevlekken wordt weergegeven in het zonnevlekkengetal (Ri, Wolffgetal of Sunspot number). Het zonnevlekkengetal, ofwel de activiteit van de zon, volgt een cyclus.
Tussen twee minima zit een periode van 8 tot 14, en gemiddeld ongeveer 11 jaar. In figuur 5 is de laatste cyclus weergegeven. Op het moment dat dit rapport afgerond wordt (eind 2007) bevinden we ons in het dal van de cyclus. De zonuitbarstingen brengen zonnewinden voort. Zonnewinden zijn stromen van geladen deeltjes (protonen, elektronen, ionen) en straling uit heel het elektromagnetische spectrum, dat met hoge snelheid de ruimte ingeslingerd wordt. Wanneer de zonnewind het magneetveld van de aarde raakt ten daarin doordringt, is dit soms zichtbaar als 'poollicht'. Het gebied waarin het aardmagnetisch veld zich uitstrekt (de magnetosfeer) beschermt de aarde door de zonnewinden op te vangen. Aan het aardoppervlak kan het magnetisch veld toch heel kort, of soms enkele dagen, uit evenwicht zijn. Bij sterke zonnewinden kunnen radioverbindingen gestoord zijn, elektriciteitsnetwerken uitvallen en het GPS-signaal van navigatiesatellieten niet meer worden ontvangen. Door deze verstoringen kunnen postduiven misschien gedesoriënteerd raken.
METINGEN AAN HET AARDMAGNETISCH VELD

In Nederland werden er tot 1988 metingen verricht aan het aardmagnetisch veld door het KNMI, in De Bilt (Utrecht) en Witteveen (Drenthe). In België verricht het Koninklijk Meteorologisch Instituut metingen in het Geofysisch Centrum te Dourbes, gelegen tussen de losplaatsen Charleroi en Charleville- Mézières. Ook in Engeland (Hartland), Duitsland (Wingst nabij Hamburg, Niemegk nabij Berlijn, Fürstenfeldbruck nabij Munchen) en in Frankrijk (Chambon la Forêt nabij Parijs) zijn er meetstations.


Op diverse websites kunnen actuele metingen en verwachtingen worden geraadpleegd. Op de website van de NaM in Boulder, USA bijvoorbeeld, wordt een tweedaagse verwachting gegeven voor de toestand van het aardmagnetisch veld en is veel informatie te raadplegen.

(http://www.noaa.org/solar.html).


DE K-INDEX

De mate van verstoring kan worden uitgedrukt in verschillende getallen en indexen, waaronder de K-index. De K-index wordt per meetstation berekend uit de maximale fluctuatie van de horizontale veldsterkte gemeten met een magnetometer, in nanoTesla, gedurende een drie uur durend interval (acht keer per dag: 00.00 tot 03.00 uur, 03.00 tot 06.00 uur, enz.). De maximale fluctuatie is de hoogst gemeten waarde minus de laagst gemeten waarde in dat tijdsinterval.


Deze maximale fluctuatie wordt gecorrigeerd voor de normale dagelijkse/maandelijkse fluctuatie voor het meetstation. Hoe groter het 'ongewone restant' in de fluctuatie, hoe hoger de K-index. De K-index heeft 10 waarden; van waarde 0 tot 9 (zie tabel 6). Bij waarde 5 en hoger is er sprake van een magnetische storm.
DE 10 WAARDEN VAN DE K-INDEX

Toestand

magnetisch veld

Fluctuatie

(nT)

K-index


Rustig, ongestoord

0-5

5-10


0 1

Veranderlijk, actief


10-20 20-40

2 3

Kleine magnetische stormen

40-70 70-120

4 5

Zware magnetische stormen

120-200 200-330

6 7

Zeer zware

magnetische stormen



330-500 >500

8 9



BRON: National Oceanic and Atmospheric Administration

(NOAA) op http://www.noaa.gov.
DUIVEN ’VOELEN’ MAGNETISCHE VELDEN

Het is vrij zeker dat duiven magnetische velden kunnen 'voelen'. In een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Nature beschrijven Mora en anderen dat hun postduiven in een slimme proefopstelling onderscheid kunnen maken tussen de aan- en afwezigheid van een kunstmatig opgewekt magnetisch veld [Mora, 2004]. Na het verdoven van het neusslijmvlies, het toedienen van zinksulfaat of het doorsnijden van de reukzenuw

verloren de proefduiven dit vermogen. In overeenstemming hiermee vinden andere wetenschappers microscopisch kleine mag netietdeeltjes in zenuwuiteinden in de bovensnavel van postduiven. Vermoedelijk kunnen deze deeltjes functioneren als magneetreceptoren[Hanzlik, 2000; Williams, 2001; Fleissner, 2003;

Fleissner, 2007]. Deze studies verklaren misschien waarom andere studies een verband vinden tussen navigatie en het reukvermogen van duiven, en waarom duiven met het ornithose complex zich slechter zouden oriënteren.
De onderzoeker Keeton loste postduiven die een magneet op hun rug gelijmd hadden gekregen zodat zij het aardmagnetisch veld niet konden 'voelen'. Om eerlijk te kunnen vergelijken, droeg een ander deel van de duiven een 'nepmagneet' . Keeton verrichte in totaal 30 proeflossingen van verschillende losplaatsen op 27 tot 50 km van het hok. Van iedere duif noteerde Keeton de verdwijnrichting aan de horizon, in graden. Vooral onder bewolkte omstandigheden (wanneer duiven waarschijnlijk aangewezen zijn op het aardmagnetisch veld) was de oriëntatie van veel 'magneetduiven' minder nauwkeurig. [Keeton, 1971]. Waarschijnlijk geeft het aardmagnetisch veld duiven dus informatie over de juiste vliegrichting.
VERSTOORD MAGNEETVELD,VERSTOORDE THUISKOMST

Als duiven het aardmagneetveld kunnen voelen en gebruiken bij hun oriëntatie,kunnen magnetische verstoringen dan leiden tot slechte thuiskomsten? Naar aanleiding van deze vraag is er een serie interessante wetenschappelijke experimenten verricht.


Tussen 1953 en 1958 onderzocht Wallraff bijvoorbeeld, of het jaarlijkse aantal zonnevlekken verband hield met de thuiskomst van de duiven. De thuiskomst bleek gemiddeld genomen wat slechter te zijn naarmate het zonnevlekkengetal toenam tot 1958. Wallraff concludeert dat het aantal jaren en vluchtdagen per jaar te klein is om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen [Wal/raft, 1960].
Een studie die in dit verband vaak wordt genoemd is die van Keeton [1974]. Keeton loste herhaaldelijk zijn proefduiven van dezelfde losplaats (Weedsport, USA) op 45,7 mijl van het thuishok. In totaal ging het om maar liefst 82 lossingen in drie series, in 1970, 1972 en 1973. Telkens werden dezelfde, ervaren en volwassen duiven gebruikt. De duiven werden alleen gelost onder zonnige weersomstandigheden, maar bij zowel een kalm als een onrustig aardmagnetisch veld. Uit dit experiment concludeert Keeton dat de verdwijnrichting van zijn duiven negatief is gecorreleerd met de K-index (de 'K12': de som van 4 drie-uurlijkse K-waarden voorafgaand aan de proeflossing). Hoe hoger de K12' hoe meer richtingsgestoord de duiven vertrokken, en wel telkens meer naar 'links', of 'tegen de klok in', aldus Keeton.
Ook de Belgische meteoroloog Schietecat vindt in zijn studie geen duidelijk verschil in het vluchtverloop tussen verschillende waarden van de K-index of het zonnevlekkengetal. Maar; hoge K-waarden boven waarde 5 kwamen ook in zijn studie niet voor [Schietecat, 1987]. Tamboryn vindt geen duidelijk verband tussen de Planetaire geomagnetische index Ak en het vluchtverloop [Tamboryn, 1992]. Schietecat concludeert wél dat het luchtverloop gecorreleerd is met de Planetaire geomagnetische index Ak. Schietecat merkt zelfs op: "geen rekening houden met de activiteit van de zon is vragen om een rampzalig vluchtverloop'
Ook op verschillende websites wordt beweerd dat wedvluchten zeer slecht kunnen verlopen bij magnetische stormen. Vaak zijn het verhalende analyses met weinig bewijskracht.
CONCLUSIE:

Op basis van de beschreven experimenten en studies kan worden geconcludeerd dat duiven het magneetveld van de aarde gebruiken bij hun oriëntatie/navigatie. Het is lastig om uit deze studies een duidelijke algemene conclusie te trekken over het effect van magnetische verstoringen op het verloop van de vluchten. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de sterk wisselende omstandigheden waaronder de experimenten plaats vinden (verspreid over verschillende decennia, in verschillende landen, met verschillende soorten postduiven, zowel ervaren als onervaren, met een verschillende verzorging, gelost bij verschillende weersomstandigheden en landschappen, enz.). Bovendien vonden de meeste experimenten plaats bij zonnige weersomstandigheden wanneer de duiven ook hun zonnekompas kunnen gebruiken. Het is de vraag hoe de oriëntatie van de duiven zou zijn geweest als ze waren gelost bij een verstoord magnetisch veld in combinatie met een dichte bewolking. Met enige voorzichtigheid kan worden geconcludeerd dat de beschreven studies weinig overtuigen dat magnetische verstoringen kunnen leiden tot een slechte thuiskomst.


2.8 DE ONTDEKKING DOOR STEVEN VAN BREEMEN

ONTDEKKING

Mijn ontdekking wat er aan de verliezen van jonge duiven ten grondslag ligt, heeft een karrenvracht aan reacties opgeleverd uit de gehele wereld. Het blijkt bijna een wereldwijd probleem te zijn en dat klopt met mijn bevindingen. Er was zelfs een vraag uit Sydney Australië bij. Daar bleven ongelooflijke aantallen duiven achter. Na veel googlen vond ik een identieke kaart, met info die hier door de overheid ook op internet is gezet. De oplossing bleek om niet meer vanuit het noorden te concoursen, maar vanuit het zuiden. Dit bleek zeer goed uit te pakken en na enige gewenning bleven er bijna geen duiven meer weg.


OPLEER ROUTE

Aan de hand van de gevonden informatie, heb ik de opleer route van mijn jonge duiven aangepast en houd ik ze door goed op de wind te letten, en daardoor de route aan te passen, uit het grote probleem. Ineens blijkt dat jonge duiven als een spoor naar huis kunnen komen zonder verliezen. Op vluchten van 20-25-35-40-60-70 km blijkt dus dat je er gewoon niet tegen kunt rijden. Het blijkt dus dat zoals het vroeger was nog steeds te kunnen: heel rap naar huis en niks kwijt. Wat een openbaring! Ook bij de groep zomerjongen werken de aanpassingen in de route als een speer, want ik kan er echt niet tegen rijden. Op de oude route, logischerwijze in de vluchtlijn zoals iedereen doet, dat was wel wat anders!


NETWERK KAARTEN

Je kunt op eenvoudige wijze inzoomen op http://geodata.rivm.nl/netkaart.html en veel meer: Goed dat u nu bij de les bent! Routes uitstippelen kan iedereen nu zelf!


De roden 380kv zijn nekkenbrekers. Blijf er vandaan tot ze goed aan de blauwen 150kv gewend zijn. Eerst test los 1x aan de goede kant van de blauwe dan pas enkele km’s eroverheen en dan zie je zelf wel wat ze doen. Dan pas de rode doen en best over enkele met goede wind dat ze erover gaan Maar pas als ze 10x zijn weggeweest.


Zoals ik schreef hebben ze de eerste keer moeite met een blauwe lijn. Daarna niet meer; tenminste bij mij niet. Ik zoek daarom een blauwe lijn op om ze ermee kennis te laten maken bij Westbroek; aan de goede kant. Daarna Utrecht Noord bij Intratuin; de eerste keer stuiteren ze terug maar gaan er wel overheen. Gelost bij het stadion, of bij Vianen of Culemborg kan ik er niet meer tegen rijden.
De Belgische Netkaart voor de rode 380kv lijnen kunt u vinden op de site:

http://www.elia.be/repository/pages/a8647b8fabf84821ab39c16803125d3.aspx

PUBLICATIE RIJKSOVERHEID

Het kabinet onderzoekt of mensen die in de directe nabijheid van een 220 kV of 380 kV verbinding wonen, uitgekocht kunnen worden. Bij een 380 kV verbinding gaat het dan om woningen binnen 38 meter van de hoogspanningslijn, bij een 220 kV verbinding om woningen binnen 25 meter van de hoogspanningslijn. Bewoners zijn niet verplicht te verhuizen. Ook onderzoekt het kabinet of verbindingen van 110 kV en 150 kV die door woongebieden lopen, onder de grond gebracht (verkabeld) kunnen worden. Hierdoor verbetert de leefbaarheid.


2.9 LOSSINGPROTOCOL AFD. 6 NOORD – HOLLAND

DOELSTELLINGEN

Binnen de voorziene mogelijkheden streven naar:



  • Een acceptabel verloop van de vlucht en het voorkomen van verliezen

  • Een optimale inzet voor het inwinnen van veelzijdige lossinginformatie

  • Een slagvaardige besluitvorming (snel duidelijkheid, heldere informatie via Blog)

  • Zo vaak als mogelijk lossen, waarvoor is ingekorfd, het terugrijden met de duiven is een uitzondering.

  • Informatie over 2011 van de heer Zwanenburg over te vroeg lossen en de daar door langere concoursduur zal meegenomen worden in onze besluitvorming.

NB. Dit protocol dient mijns inziens te worden aangepast.(Zie aanbevelingen)

WERKWIJZE

Er wordt vroegtijdig veelzijdige informatie ingewonnen waarbij de lossing en weeradviezen, de weerinformatie en de beelden over het weer op de vluchtlijn via internet zullen worden verzameld. Ook zal, indien daar aanleiding voor is, weer, los en vertrekinformatie van andere afdelingen en derden worden ingewonnen.


In combinatie met het bovenstaande en de lokale omstandigheden op de losplaats, zal in overleg met de hoofdconvoyeur en de ervaringen van de commissie zelf, zorgvuldige afwegingen en besluiten worden genomen.

Met het IWB wordt vroegtijdig contact gezocht over het losvoornemen en de afstemming van dit tijdstip met andere afdelingen.


In opdracht van het bestuur van de afdeling, heeft de heer Erik Chavanu (Zimoa), in de vroege ochtend, bruikbare weervoorspellingen en losadviezen opgesteld. In twijfelachtige situaties zal telefonisch overlegplaats vinden.
Voor 2012 bestaat de lossingcommissie uit de heren A. van Dam, C. Limmen en J. Nijman. los van de bovenstaande doelstellingen zal in 2012 op de eerste 3 oude duiven vluchten, gezien de vele onervaren jaarlingen, geen enkel risico genomen worden bij het lossen ook wanneer er slechts sprake is van lichte inversie, in samenhang met wind uit het oosten. Bij de jonge duiven zullen wij hier ook nauwlettend op toe zien, het spreekt voor zich dat het de verantwoordelijkheid van de liefhebber is, zijn duiven goed voor te bereiden en het aan te bevelen is het oefenprogramma af te werken.
*voor dit protocol is het N.P.O regelement vervoer en transport geraadpleegd, alsmede kennisgenomen van de adviezen van het WOWD (wetenschappelijke onderzoeken welzijn dieren) en het I.W.B. Ook is kennis genomen van de concept nota ’optimalisering wedstrijdsport voor postduiven’ ( Heer Steven van Breemen)
2.10 AFRICHTEN EN LOSSEN, VOORSTEL ONS GENOEGEN, BEVERWIJK

Aan : Verenigingen rayon B Noord-Holland Datum 29-08-2011

Van : 1401, Ons Genoegen, Beverwijk

Betr: Africhtingen en lossingen
INLEIDING

Het jaar 2011 is voor veel duivenliefhebbers teleurstellend verlopen. Met name de vluchten voor de jonge duiven werden geteisterd door slechte weersomstandigheden en grote verliezen. De ontevredenheid daarover werd nog vergroot door het lossingbeleid. Een aantal vluchten werd gelost terwijl de omstandigheden van dien aard waren dat verwacht kon worden dat de duiven grote moeite zouden hebben om hun hok te bereiken.


Wij willen benadrukken dat we begrijpen dat het voor het afdelingsbestuur en voor de lossingverantwoordelijken een heel moeilijk jaar is geweest en dat we beseffen dat er grote inspanningen zijn gedaan met goede bedoelingen. Daarvoor hebben we absoluut respect.
Dit laat onverlet dat we van mening zijn dat het zo niet verder kan. Als het plezier in de sport door de hiervoor genoemde oorzaken verloren gaat, zal een deel van de liefhebbers de handdoek in de ring gooien. Daarnaast zijn wij van mening dat als we zelf geen maatregelen nemen om de verliezen te beperken, de politiek dit voor ons gaat doen. Dan zijn we verder van huis. We vragen uw aandacht voor een paar onderwerpen in het kader van de africhtingen.
1.ALGEMEEN

Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat jonge duiven steeds moeilijker de weg naar huis vinden. Wat daarvan de oorzaak is, weten we niet. We stellen alleen vast dat zelfs kleine stukjes opleren regelmatig moeizaam verlopen. De gezondheid van de duiven is van belang, het weer, uiteraard, maar ook andere oorzaken, zoals de aanwezigheid van electromagnetische velden, lijken van belang te zijn. In ieder geval is het belangrijk gebleken om de jonge duiven veel op te leren.


2. FLEXIBILTEIT

Het lijkt onverstandig om jonge duiven op te leren in geval van:

- Inversies

- (zuid) oosten wind

- Te hoge zonkracht (zonder bewolking)

- Te hoge temperaturen

- Onweersstoringen

- Een volledig gesloten wolkendek

- De aanwezigheid van de mogelijkheid op kruisingen van lossingen

- E.d.
Deze opsomming zegt eigenlijk zoveel als: het maken van een harde planning is onmogelijk. Het verwijt van het afdelingsbestuur aan ons adres is wel eens geweest dat als er een africhting gepland is, wij niet met onze duiven komen. Dezerzijds is daarop gereageerd door te stellen dat als wij het een goed moment vinden om onze duiven af te richten, er geen africhting georganiseerd wordt. Er zijn maar weinig duivenmelkers die nog werken. Wat de liefhebbers betreft is er bijna altijd gelegenheid tot africhten.


Wij stellen voor om te proberen te bewerkstelligen dat er een flexibel africhtingprogramma komt. Dat betekent: niet africhten als de omstandigheden niet goed zijn en wel africhten als de omstandigheden goed zijn. Als de vooruitzichten voor de zaterdag niet goed zijn; beoordelen of er op vrijdag gevlogen kan worden, of op zondag, of op allebei de dagen. Kwestie van het ijzer smeden als het heet is. Dat betekent dus wel afspraken maken met partijen en flexibiliteit kost waarschijnlijk geld.
3. DOEL VAN JONGE DUIVENVLUCHTEN

In haar geboortejaar moet een jonge duif worden opgeleerd. Ze moet leren met de omstandigheden onderweg om te gaan en ze moet uitgroeien tot een volwassen duif. We willen zo weinig mogelijk duiven verliezen en door middel van selectie de hokken bevolken met oude duiven. Vluchten met jonge duiven staan daarmee in het teken van de opleiding tot ervaren oude duif.


Wat ons betreft mogen wedstrijden met jonge duiven ter discussie gesteld worden. Waarom zouden we niet veel vaker africhten op momenten dat dat het beste kan, zonder de belemmering van al het gedoe rondom het organiseren van een wedstrijd en een kampioenschap? Zelfs als we de opleiding centraal stellen, zou er ruimte kunnen zijn voor afsluitende wedstrijden, maar die zijn geen doel op zich.
Het zou de onder 1. genoemde gewenste flexibiliteit enorm bevorderen. Wij kunnen ons voorstellen dat we vaak africhten van losplaatsen met een betrekkelijk geringe afstand. Gebleken is dat de afstand voor een duif minder belangrijk is in het leerproces.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2016
stuur bericht

    Hoofdpagina