Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina1/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Pieter Marits U I T R E K S E L




LOTGEVALLEN VAN
EEN TRANSVAALSEN BOERENJONGEN
- Uitreksel -

Door: Wouter van den Berg.





Hoofd­stuk 1: In het moord­hol van Maka­pan­spoort.

Op een namid­dag in januari 1878 trok een ruiter, naast wiens paard een jongen van ongeveer veertien jaar voort­stapte, door het dal van de rivier de Vaal in Transvaal, Zuid-Afrika. Lang­zaam ging de kleine stoet voor­waarts, ze hadden al een vermoei­ende lange tocht achter de rug. De ruiter had een kolos­sale ge­stal­te, met brede borst en schouders, over zijn éne schouder droeg hij een brede leren riem met patro­nen, over de andere een buks. Evenals de ruiter was ook het paard gewend aan de jacht en de oorlog, het was een fraai en sterk dier.

De linkerhand van de ruiter hing roerloos aan zijn zijde en was met een door bloed rood gekleurd windsel omwonden, ook op de borst was de ruiter in de strijd gewond geraakt. Op deze bloed­vlekken richtten zich de bezorgde blikken van de jongen, hij liep dicht tegen het paard aan om zijn vader in het za­del te houden. Het was een krachtige jongen die veel op zijn vader leek. Hij had, net als zijn vader, een gordel om, waarin hij een jachtmes droeg. "We zullen zo niet lang meer kunnen voortgaan mijn jon­gen" zei de vader. "En wie weet of de zwarte duivels ons toch nog niet inhalen, als ze onze sporen ontdekken. Ik weet in de buurt een schuil­plaats waar we ons kunnen verbergen, het is voor jou Pieter, want ik voel dat het met me ten einde loopt".
De ruiter stuurde zijn paard een grot in, het was er voch­tig en koud. Er waren ver­schillende ruimtes en gangen, het leek of de jongen zich in een onderaards paleis bevond. Pieter ontdek­te een menigte voorwerpen die de bodem be­dekten. Het waren ver­bleekte beenderen. Een met ledige oogholten naar omhoog staren­de mensen­schedel en witte beenderen van armen en benen. Pieter hielp zijn vader van het paard en gaf hem te drin­ken. "Hier zijn we vei­lig voor vervolging, geen kaffer waagt zich hier, want ze zijn bevreesd voor de do­den" fluis­terde de gewon­de. "Een ver­schrikke­lijke strijd woedde hier. Ik was daar­bij. Hier hadden duizenden zwarten zich verschanst, om zich te­gen ons te verdedi­gen, maar we hoopten hout en struiken voor de ingangen en staken die in brand, zodat zij allen stikten. Laat me nog wat drinken" sprak de vader, "Ik vrees dat de pijl die mij getroffen heeft, vergiftigd was."
Toen Pieter, na het water halen, bij zijn vader terugkwam, sprak deze " Het loopt snel ten einde, groet je moeder, broer­tjes en zus­jes, want ik zal ze niet weerzien. Wees een brave jongen en heb je vaderland lief, Pieter Marits." Na van uit­putting enkele ogen­blikken gezwegen te heb­ben, vervolgde hij: "We hebben slechts één vij­and, namelijk Engeland. Hadden die trouweloze Engel­sen de kaffers niet aangemoe­digd, dan hadden ze zich nooit tegen ons durven ver­zetten. Het zijn de Engelsen die je vader gedood hebben, Pieter Marits, vergeet dat niet." "Ik zal het niet ver­geten", antwoordde Pieter zacht, en zijn vader stierf.

Zo bleef Pieter alleen achter samen met zijn paard, oude jager. Hij nam de zware buks van zijn vader en ging op pad door het donkere bijna onbegaanbare oerwoud. Na een lange reis sloot Pieter zich aan bij de gemeente der boe­ren, waartoe hij behoor­de.




Hoofdstuk 2: De gezanten van de koning der Zoeloes.
Pieter had de hele nacht ge­slapen in de huifkar van zijn moeder toen hij gewekt werd door een verward geluid en drei­gende woor­den. Pieter ging naar buiten om te kijken wat er aan de hand was. Een groepje Boeren had twee zwar­te vreemde­lingen gevangen genomen, ze waren ontdekt in de nabijheid van de wagen van de zendeling. De oudste van de Boeren, Van der Goot ge­naamd, zei na enige ogen­blik­ken van beraad: "Deze beide schelmen zijn in geen geval met goede bedoelin­gen hier gekomen en daar zij onze taal niet spreken, is het wel het eenvou­digst, dat wij ze dood­schie­ten." Hij keek bij deze woorden zijn buren vragend aan. Deze knikten met het hoofd en hiermede scheen het vonnis geveld. Twee der Boe­ren wierpen hun buksen over de schouder en gaven de be­dien­den een wenk om de gevan­ge­nen weg te voeren naar het vrije veld.
Toen de beide zwarten hun bedoelingen in de gaten kre­gen, schud­den zij zich los en spraken enkele woorden in het Engels tot den oude Boer. Ze bleken gezanten van de koning der Zoeloes te zijn. Hoewel ze zeer gebrekkig En­gels spraken, waren ze toch verstaan­baar en het woord Zoeloe deed velen sidderen. Het waren de Engelsen die de Zoeloes hadden opge­stookt om oorlog te voeren tegen de Boeren. Pieter was ge­schrok­ken van hetgeen de Boeren van plan waren en had inmid­dels de Duitse zendeling gehaald, deze riep met luide stem: "Houdt op, houdt op, ver­giet geen bloed van on­schuldige lie­den! Ik verzoek U, laat deze lieden in vrede heen­gaan. Ze zijn gezan­ten van Cetschway­o, de machti­ge ko­ning der zoeloes en komen met vreedzame bedoelin­gen."
De zende­ling vertelde dat hij de beide Zoeloes zou meene­men op zijn zendingsreis en hen te­rug zou brengen naar het land van Koning Cetschwayo. Toen keerde de zendeling zich om en liep door de twee geredde Zoeloes verge­zeld, naar zijn wagen.

"Pieter Maritz, je wordt al een grote jongen" zei Boer Van der Goot. Je vader was één onzer beste mannen en je moeder is een vrome vrouw. Je zult niet uit het soort val­len, hoop ik." Pieter bloosde en keek vol verwachting. "Die Zoeloes bevallen mij niet," ging de Boer voort. "Ik wil zeker weten dat ze niet te­rugkomen om ons te bespione­ren. Ik wil graag dat je de zende­ling en de twee Zoeloes op hun reis vergezeld. Merk je dat er iets niet in de haak is, dan schiet je hen neer. Be­grijp je me?" Pieter 's hart zwol van trots en antwoord­de: "Ja­wel, Baas."


De zendeling was inmid­dels druk in de weer om de ossen voor zijn wagen te spannen, hij wilde de koning Cetschwayo bezoeken en hem vertellen over het geloof. "Ik bekommer mij niet om oor­log en twist," zie de zende­ling tegen de Zoeloes Humbati en Molihabant­schi. "Ik ben een leraar der blijde bood­schap, die alle mensen vrede verkondigt." Humbati antwoordde: "Cetschwayo is zeer ste­rk, hij is de mach­ti­ge oli­fant, de koning der konin­gen, de koning des hemels. Hij zal U zeer dankbaar zijn wanneer hij verneemt wat U voor ons gedaan heeft."

Zo gingen Pieter Marits, de zendeling en de beide Zoeloes op weg. Spoedig lag het kamp der Boeren achter hen en voor hen een uitgestrekt land vol schoon­heid, maar ook vol gevaren.






  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina