Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina10/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Hoofdstuk 19: Te Pretoria

Pieter volgde de hem bekende weg naar Utrecht en overnachte bij een gastvrije Boerenfamilie. Pieter sliep lang en vast; de gebeurtenissen van die dag hadden hem zeer vermoeid, maar geheel verkwikt zette hij de volgende morgen zijn reis voort.


Toen hij Utrecht bereikte, vond hij de stad in grote opgewon­denheid. Het bericht van de nederlaag was reeds aangekomen. Vier dagen later bereikte Pieter de hoofdstad Pretoria. Kort voordat Pieter de eerste huizen der stad bereikte, werd hij ingehaald door een troepje ruiters. Het waren, naar hun kleding te beoordelen, Boeren. Eén van de ruiters vroeg in het Afrikaans wie hij was en waar hij naar toe ging. Pieter vertelde dat hij behoorde tot de Boeren in het Noorden. Baas van der Goot, deelde hij mee, was het hoofd van zijn ge­meente en hij kwam naar Preto­ria, om te onderzoeken waar hij zijn familie kon terugvinden.
"Baas van der Goot," zei de ruiter, "die ken ik zeer goed. Een echte Boer, een vroom en eerbiedigwaardig man en een voortreffe­lijke schutter. Ik zag hem twee jaar geleden voor het laatst, toen ik aan onze Noordelijke grenzen het bevel voerde over een commando."
"Wie is deze heer?" vroeg Pieter aan een derde ruiter. Deze glimlachte, "Het is veldkorporaal Joubert," antwoordde hij. Pieter bekeek de man nu beter. Dit was dus de gevreesde Jou­bert, over wie hij zovaak had horen praten in zijn gemeente. "Ben jij de zoon van Klaas, of misschien van Andries Buurman?" vroeg Joubert nu aan hem. "Ik ben de zoon van Andries," antwoordde Pieter. "Mijn vader viel vorigjaar tijdens een gevecht met de Betchuanen."
"Dus Andries is dood," zei de veldkorporaal. "Ook hij was een dapper man en zijn dood is een groot verlies voor de republiek." De veldkorporaal liet zich steeds meer vertellen over het gevecht tussen de Engelsen en de Zoeloes en van het Hof van Cetschwayo en nodigde Pieter uit voor het avond­eten. Pieter nam dit aanbod met groot genoegen aan want zijn laatste maaltijd kon hij zich al bijna niet meer herinneren. Na de maaltijd liet de korporaal Pieter in een stoel plaatsne­men.
"Jonge man, je verstaat, als ik me niet vergis, het Engels perfect. Je kunt de Republiek een grote dienst bewijzen." Pieter knikte en luisterde aandachtig naar de veldkorporaal. "Zoals je weet heeft de Engelse regering het gebied der Repu­bliek bezet en er een Engelse kolonie van gemaakt, hoewel de regering van Trans­vaal er uitdrukkelijk tegen geprotesteerd heeft. Het zal zeer waarschijnlijk op een bloedige botsing uitlopen tussen ons en de Engelsen. Jij, als zoon van Andries Buurman, zult dat beter weten, dan wie ook!"
"Thans voeren de Engelsen oorlog tegen de Zoeloes en moeten ze tonen, wat ze kunnen. Ik denk dat jij de geschikte persoon bent, om mij van de Engelse oorlogs­voering op de hoogte te houden. Maak de veldtocht naar het Zoeloeland mee. Sluit je aan bij het Engelse regiment. Over alles wat je ziet, doe je mij uitvoerig monde­ling rapport. Wat denk je er van, wil je deze opdracht aanvaarden?
"Ik zal het zeer gaarne doen," zei Pieter, "en ik zal mijn best doen het goed te doen. Maar eerst moet ik echter mijn gemeente op zoeken, zodat mijn moeder weet, dat ik nog leef."

Hoofdstuk 20: Te Pretoria

Pieter ontwaakte 's morgens met een gevoel alsof hij alles gedroomd had, het voorstel van de veldkorporaal was ook zo snel geko­men. Na het ontbijt ging Pieter de veldkorporaal opzoeken. Hij vond Joubert in een kamer, waarvan de tafel vol kaarten lag. "Vertel mij eens, mijn jongen," vroeg Joubert, zodra Pieter binnen kwam, "kunnen die Engelsen schieten?"



"Nee, mijnheer," antwoordde Pieter. "Wel kunnen ze beter omgaan met een geweer dan de Zoeloes, maar goed schieten kunnen ze niet." Pieter vertelde nogmaals uitvoerig wat hij tijdens het gevecht met de Zoeloes gezien en gehoord had. De veldkorpo­raal luisterde met grote aandacht. Toen Pieter vertelde dat hij de Engelsen gewaarschuwd had, dat er zeer veel Zoeloes in de buurt waren en de Engelse onderoffi­cier hem daarom had uitgela­chen, moest Joubert glimlachen. Na van de veldkorporaal afscheid te hebben genomen, reed Pieter langs het Engelse militaire kamp. De witte tenten stonden als een tweede stad naast Pretoria. Pieter gaf Jager de sporen en wou juist verder rijden toen hij een bekende stem hoorde.
"Waarachtig, dat is mijn Afrikaanse vriend!" zei deze en Pieter herkende Lord Fitzherbert op een prachtige goudvos. De Engelsman was buitengewoon vrolijk en verheugde zich Pieter weer te zien, met wie hij zoveel ellende had doorstaan. Na deze eerste begroeting reden de jonge lieden in het gezelschap van enkele andere Engelse officieren naar het kamp terug. De tent van Lord Fitzherbert was rijk gemeubileerd en gemakke­lijk ingericht. Nadat de jongelui enige tijd hadden zitten praten, nam Lord Fitzherbert van de middelste tentpaal een vreemdsoortig bewerkte degen. Het gevest bestond uit een kruis van staal en was met gouden sieraden ingelegd; de schede was van zwart leder met verguld beslag en hing aan een leren koppel. Hij trok de kling er uit, een tweesnijdende, spitse kling, en zei: "Neem deze oude Spaanse degen als een geschenk van mij aan."
De Boerenzoon kreeg een kleur van blijdschap. Hij haalde de gouden ring tevoorschijn die hij van Cetschwayo had gekregen en reikte hem aan de Lord over als tegengeschenk. "O, nee," sprak de Lord, "Dat kan ik niet aannemen, voor die ring kan je een aantal zulke degens kopen. Ik verzoek je mij je hartsvanger af te staan als aanden­ken aan onze avonturen. Hierna begaven zij zich naar de tent, waar de officieren hun middagmaal gebruik­ten. Pieter zat aan de rechterkant van zijn vriend en moest uitgebreid vertellen over hun belevenissen bij de Zoeloes. Lord Fitzherbert riep: "Ik heb Cetschwayo en zijn leger leren kennen, jullie kennen hem slecht, wanneer je meent dat hij om vrede zal komen vragen. Als Cetschwayo wist hoe het er bij ons uitzag, ging hij met zijn gehele leger over de Buffalo en zou hij door Natal kunnen trekken, zonder dat we het hem konden verhinderen"
Lord Fitzherbert heeft gelijk," sprak een ouder officier. "We moeten hier blijven, totdat de versterkingen uit Engeland zijn aangekomen." De Fransman Dubois vertelde, dat hij opdracht gekregen had een afdeling lichte ruiterij te vormen. Het was een grote fout gebleken in de oorlog tegen de Zoeloes, dat men niet genoeg cavalerie had. Boeren in Transvaal, Oranje-Vrijstaat en Natal zouden hiervoor worden aangeworven. "Kunt U mij gebruiken?" vroeg Pieter.
Lord Fitzherbert keek hem verbaast aan en op het gelaat van de Frans­man kwam een blijde trek. "O, uitstekend, uitstekend!" sprak de Fransman Dubois en reikte hem de hand. "Ik neem je aan en je zult een peloton ruiters aanvoeren. Er werd afgesproken, dat Pieter eerst naar het Noorden gaan zou, om zijn gemeente te zoeken, waarna hij onder het commando van luitenant Dubois in Engelse dienst zou treden.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina