Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina11/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Hoofdstuk 21: Thuis en in Engelse dienst

Op de terugweg overpeinsde Pieter zijn nieuwe positie in het Engelse leger. De Engelsen betaalden goed. Hij zou 30 pond per maand ontvangen. Daarvan kon hij voor zijn moeder een aardig sommetje sparen. Bovendien vervulde hij op deze wijze zijn opdracht, die veldkorporaal Joubert hem gegeven had. Pieter zette Jager op stal en ging te voet de stad in, om geschenken te kopen voor zijn moeder en broers en zusters. Voor zijn moeder kocht Pieter een rode doek, waarin zij be­schutting kon vinden tegen de koude, voor zijn oudste broer, die nu 15 jaar oud was, kocht hij een revolver; voor zijn jongere broertje, 13 jaar oud, een sterk breed mes. Pieter’s hart klopte van vreugde bij de gedachte aan al de gelukkige gezichten, die hij bij het uitpakken om zich heen zal zien. De volgende morgen gaf hij Jager de sporen en toen de zon in het zuiden stond, bereikte Pieter de hutten van zijn gemeen­te.


Hij nam zijn hoed af en begroette met een stralend gezicht enkele mannen. De mannen keken hem verwonderd aan en schenen hem in het eerste ogenblik niet te herkennen; zijn nieuwe kleding en zijn ontwikkelde gestalte wekten hun verbazing op, maar spoedig zagen zij dat het de reeds dood gewaande Pieter Marits en het paard, de trouwe jager, van de in de strijd gevallen An­dries moesten zijn.
Toen Pieter de hut van zijn moeder binnenliep, verbleekte ze een ogenblik. Vol verbazing en moederlijke trots bekeek vrouw Buurman haar oudste jongen en kon de verloren gewaande zoon niet genoeg liefkozen, terwijl hij haar alles vertelde wat hij in het laatste jaar had ondervonden. Toen hij echter uit de binnenzak van zijn jas een flinke buidel goudstukken te voorschijn haalde en haar die ten ge­schenke gaf met de rode doek, was ze sprake­loos van vreugde en geluk. Tegen de avond kwamen ook de oudste broers uit de weide terug en begon de vreugde opnieuw.
Nadat Pieter een week thuis was geweest, begon de zucht naar avontuur weer in hem wakker te worden, zodat hij besloot het Engelse kamp bij Pretoria te gaan bezoeken en zich ter beschik­king te stellen. Pieter reed de volgende morgen naar het Engelse kamp en vond de Franse luitenant Dubois druk in de weer met het samenstellen van zijn afdeling lichte ruiterij. Hij was zeer blij toen hij Pieter zag aankomen en droeg hem onmiddellijk op duidelijk te maken wat hij van zijn mannen wilde. Dubois sprak maar matig Afrikaans en de nieuwe afdeling, ongeveer 50 man, bestond gro­ten­deels uit Boeren. De volgende dag vertrok het kleine troepje lichte ruiterij van Pretoria naar het Zuiden. Luitenant Dubois reed aan het hoofd met Pieter naast zich. Dubois had opdracht, onderweg zoveel mogelijk vrijwilligers te werven, hij bracht daarom in alle plaatsen van enig belang een paar dagen door.
Het peloton lichte ruiters trok langs het hele Engelse front zodat Pieter de oorlogsuitrustingen op zijn gemak kon gadeslaan. Pieter hield onder­weg de ogen goed open en lette op alles wat het Engelse leger betrof, hij moest steeds aan de opdracht denken die gene­raal Joubert hem gegeven had.

Hoofdstuk 22: De slag bij Gingilowo

Luitenant Dubois vond met honderd ruiters na enige dagen rijden aansluiting bij de troepen van generaal Chelms­ford, die zich op enige mijlen van het fort Ekowe bevonden. Pieter kon het fort met het blote oog als een donker vlekje aan de horizon zien liggen.


Een boodschapper van Kolonel Pear­son, die zich in het fort bevond, bracht die avond het bericht dat er minstens 30.000 Zoeloes in de buurt van het fort waren. Bij eerdere gevechten met de Zoeloes, hadden de Engelsen al 12 officieren en 86 man verloren. De generaal inspecteerde hierna zijn kamp, waar aan de verde­diging intussen hard gewerkt was. Het kamp vormde een reusachti­ge vierhoek, groot genoeg voor de troepen en de duizen­den ossen die de wagens en de kanonnen tot hier hadden voortge­sleept. De vier zijden waren door grachten en wallen omgeven. Alleen voor het geschut en de mitrailleurs werden openingen vrijgelaten. Deze mitrailleurs hadden ieder 25 lopen, die tot een bundel verenigd waren.
Drie bataljons Zoeloes, elk 800 man sterk, onder aanvoering van de overgelopen Humbati, versterkten de Engelse groepen, zodat er in totaal 3400 blanken en 2300 zwarten het kamp van Gingilowo verzameld waren. De volgende nacht onweerde en regende het hevig, de grond was doorweekt en het gras was geplet. 's Morgens bespiedde Pieter met grote zorg het terrein, hij wist dat de Zoeloes het liefst de eerste morgenuren gebruikten voor hun aanvallen. Het rivier­tje, even buiten het kamp, was door de hevige regen­val buiten zijn oevers getreden. Eensklaps dacht Pieter, dat hij een donker voorwerp in het water zag drijven. Hij drukte Jager aan en met voorover gebogen hoofd bekeek hij aandachtig het bijna onzicht­bare voorwerp. Vóór hem lag, nog half in het water, een Zoeloe. De Zoeloe keek verrast op; hij had niet verwacht ontdekt te worden. Onbe­weeglijk staarde hij in de loop van Pie­ter's buks. Maar 't was Pieter onmoge­lijk de trekker over te halen, hij had nog nooit mensen­bloed vergoten. Hij huiverde bij de gedachte de Zoeloe als een stuk wild neer te moeten schieten. Nog een secon­de aarzelde Pieter, toen riep hij zacht in de taal de Zoeloes: "Terug, Zoeloe!" Er gleed een straal van vreugde over het ge­zicht van de zwarte krijger, waarna hij zich verder in het water liet zakken en naar de overkant zwom. Pieter wendde zijn paard en reed langs de voorposten van het kamp. "Past op," riep hij hen toe:" de Zoeloes zijn in aantocht!"
Pieter vergiste zich niet; een sterke legermacht was in aan­tocht. Ze marcheerden snel, schouder aan schouder, schild aan schild en tussen de schilden blonken de punten der speren en de lopen der geweren in de morgenzon. Nauw aaneengeslo­ten zwommen ze naar de overzijde. Pieter herkende één der regimenten van Mainze-Kanze. Er heerste een ernstige stilte in het Engelse kamp. Vele officieren, waaronder generaal Chelmsford zelf, stonden op de wal door verrekijkers de naderende vijand te bekijken. De zwarte massa's naderden in snel tempo en omsingelden het front en de beide flanken in een grote boog.
"Laat het granaatvuur openen." riep de generaal tegen de com­mandant de artillerie. Vijf seconden later dreunde de zware stem van een negenponder door de lucht en een wit wolkje werd zicht­baar boven de gelederen der naakte strijders. Snel volgden de schoten elkander nu op en de ene granaat na de ander vloog de vijand tegemoet. Maar telkens werden de door de granaten gesla­gen openingen weer opgevuld door nieuwe krijgers, met verbazingwekkende snelheid rukte het Zoeloeleger voorwaarts en als een zwarte zee golfde het langs de hellingen naar beneden.
De afstand werd snel kleiner en het gekletter der mitrailleurs mengde zich met het gedonder der kanonnen. De kruitdamp hing als een dichte nevel over het kamp zodat men niets meer van de naderende vijand kon waarnemen; toch bespeurde men hun aanwezig­heid aan een vervaarlijk krijgsgezang, dat zelfs boven het hevige vuren uitklonk. In looppas rukten ze voort, geheel zonder dekking. De granaten vielen tussen hem in en krakend ontploften de helse werktuigen in hun dichte aaneengesloten rijen. De Zoeloes sprongen eenvou­dig over de doden en gewonden heen en sloten zich weer aan. De kleine loden kogeltjes uit de mitrailleurs doorboorden schild en borst, maar het woeste gejuich en gezang hield aan. Thans waren ze nog maar 200 pas van de wal verwijderd; de witte tanden en rollende ogen waren duidelijk te zien. Geen schot miste op de korte afstand en het groene gras werd rood geverfd door het bloed en verdween onder de lijken. Onder zulke vreselijke ver­liezen wankelden zelfs de Zoeloecolonnes.
Opeens bemerkte Pieter een rui­ter achter het regiment van de koning. Met drie verse regi­men­ten stormen Prins Da­bulaman­zi voorwaarts. Pieter herkende het lui­paardvel op de rug van zijn paard. De Boeren namen nu tus­sen de roodjassen plaats en hon­der­den repe­teer-geweren ver­sterkten de rijen der mi­trailleurs. Pieter openden, samen met de Boe­ren en de Engelse schut­ters, een moord­dadig vuur. Strijder op strijder beet in het zand, de doods­kreten ver­mengden zich met het krijgsge­zang. Pieter had in het gemeen­schappelijk ge­vaar zijn afkeer van te doden overwon­nen. Wan­neer ook maar op één plek de krij­gers het kamp zouden bin­nenko­men, dan leef­de na een half uur nie­mand meer.
Het kamp leek een vuurspu­wen­de krater, op alle hoeken waren de ka­nonnen en mitrail­leurs werkzaam. Meermalen bereik­ten de Zoeloes, over de lichamen der gevalle­nen heen, de zand­wallen en keken met hun tijger­ogen in de bin­nen­ruimte van het kamp. De En­gelsen hadden hun bajonetten op de geweren ge­plaatst en staken man voor man neer. Eindelijk hield de aanval op, het snelvuur van de Europeanen achter de wallen was te moord­dadig voor de vijand, de tac­tiek der blanken was de zwarten te machtig. De Zoeloe-regimen­ten, sterk uitgedund, wankel­den, snelden terug en ver­spreidden zich over het ter­rein.



Toen Pieter met de Engelsen op deze laatste overblijfsels van het dappere Zoeloeleger inreed, ontdekte hij Prins Da­bulamanzi. Pieter wierp de buks over de schou­der en trok de spaanse degen, die hij van Lord Fitzherbert gekregen had, en reed op de Prins af. De Prins pakte zijn speer en deed een stoot naar de borst van zijn aanvaller. Pieter ontweek de speerstoot en op hetzelfde ogenblik trof de degen van de Boerenzoon de zwarte aan­voerder in de naakte borst. Dabulamazi zonk dodelijk getroffen achterover, Pieter greep met vaste hand zijn gouden hoofdband en zwaaide er zegevie­rend mee in de lucht.





1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina