Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina13/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Hoofdstuk 26: Van Pretoria naar Kimberley

Op een morgen in december trok Pieter met een groepje ruiters langs de weg, die, niet ver van de stad Pretoria loopt. Pieter was nu bijna volwassen, want sinds het einde van de Zoeloeoorlog waren reeds een jaar en twee maanden verlopen. Toen de ruiters bleven staan, bekeken ze zwijgend het langwer­pige tentenkamp dat voor hen lag. "Kijk," sprak nu een van hen, "zie dat fort en die tenten! Is hun aanwezigheid geen voortdu­rende belediging en bedreiging voor onze republiek. De Engelsen luisteren niet naar onze voorstellen en drijven de spot met ons, we moeten geweld gebruiken tegen geweld; dan pas zullen ze naar ons willen luisteren." Een goedkeurend gemompel werd vernomen en een andere ruiter antwoordde: "De Engelsen worden met de dag brutaler en sinds ze de oorlog met de Zoeloes gewonnen hebben, beschouwen ze heel Zuid-Afrika als hun koloniaal gebied. Het ogenblik is aangebroken, dat we tonen moeten dat we vrije mannen zijn. Ze hebben nu nog maar weinig troepen hier liggen, we moeten ze nu ons land uit jagen."


De ruiters vervolgden hun weg en kwamen spoedig in een vallei, waarin een levendig en krijgshaftig gewoel heerste. Er bevond zich hier een kamp van opstandige Boeren. Tussen de wagens brandden een aantal vuren en overal stonden groepjes Boeren met elkaar te praten. Er waren in het kamp ongeveer 600 man. Allen droegen een breedgerande hoed en een donkere kiel met een leren gordel. Ze waren gekomen om te luisteren naar een toespraak van hun president.
"Vrienden," sprak nu de president. "Ik heb jullie hier laten komen om in geval van nood paraat te zijn. Jullie moeten in het geheim bij Pretoria gereed staan om onmiddellijk het Engelse garnizoen krachtig te kunnen aanvallen, wanneer onze laatste voorstellen worden afgewezen. Duizenden medeburgers zullen U volgen wanneer de oorlog met de Engelsen uitbreekt." De presi­dent riep deze woorden met luide stem en hoog opgeheven hand; een donderend hoera volgden en overal vlogen hoeden door de lucht. Nadat het gejuich was opgehouden en iedereen weer ver­trokken was, sprak de president met Pieter.
"Pieter, maanden lang heb je het Transvaalse gebied doorkruist en de gemeenten op de beslis­sende stappen voorbereid, nu is de tijd gekomen dat je ook in de overige landen van Zuid-Afrika, met name in Oranje-Vrij­staat, onze mensen op de hoogte brengt. Ik wil graag dat je onze ge­drukte pamfletten daar heen brengt en uitdeelt aan de Boeren. Zeg hun dat bij ons de gewapende afde­lingen reeds geheel gereed zijn om er op los te gaan." Pieter aanvaarde de opdracht en vertrok de volgende dag van Pretoria naar de Oranje-Vrijstaat in het Zuiden.
Na ongeveer een uur gereden te hebben zag Pieter op de weg voor hem, het schitteren van wapens en herkende hij spoedig de Engelse uniformen. Hij reed kalm door en was aangenaam verrast toen hij Lord Fitzhet­bert herken­de, die hij in geen jaar gezien had. De Engelse officier keek echter niets vrolijk, toen hij Pieter zag, en op zijn bevel nam een soldaat onmiddellijk Jager bij de teugels. "Je bent mijn gevangene!" riep de Lord, "We hebben vernomen dat boodschappers onderweg zijn, die de bevol­king te wapen roepen. Sinds giste­ren is er een lijst met lieden die gezocht worden, en jouw naam staat bovenaan, Pieter."

Hoofdstuk 27: Van Kimberley naar Bloemfontein

Pieter werd gevangen gezet en meerdere malen door de Engelsen ondervraagd. Nabij de gevangenis was een goudmijn waar de Engel­sen de Boeren slecht betaalde voor hun zware arbeid in de mijn. Tijdens een opstand van deze mijnwer­kers werd de gevangenis overvallen en kwam Pieter onverwachts op vrije voeten. Na enige minuten had Pieter het vrije veld bereikt en vluchtte hij naar de Bloem­fontein, de hoofdstad van Oranje-Vrijstaat.


Na twee dagen zag Pieter van ver de vlag van de Vrijstaat: oranje en witte strepen met de Hollandse driekleur in de hoek. Op straat heerste een vreemde opgewondenheid. Engeland had de eisen van de Boeren afgewezen, vernam Pieter. Zes dagen geleden, op 30 december, hadden de Boeren een gedeelte van het Engelse 94ste infanterieregiment overvallen. De Boeren hadden op grote af­stand het vuur geopend en binnen zeer korte tijd lagen 120 soldaten, waaronder alle officieren, tegen de grond. De rest, ongeveer 250 man, hadden ze gevangen genomen. Dit gevecht was het sein geweest tot een algemene op­stand, nu werden de garnizoe­nen van Pretoria en Potchefstroom in hun forten belegerd. "Ik ga naar de president van Oranje-Vrijstaat, om hem om een paard en wapens te vragen." zei Pieter hardop tegen zichzelf.
Diezelfde middag ging Pieter naar de woning van de president en vertelde hem over de opdracht die hij van President Kruger had gekregen, hoe hij door de Engelsen gevangen was genomen en dat hij zijn hulp nodig had om naar Transvaal terug te keren. "Zo, zo, zo!" antwoordde de president, terwijl hij Pieter scherp aankeek. "Het spijt me wel, Pieter, maar ik kan je niet helpen. De Oranje-Vrijstaat voert nog geen oorlog met Engeland. Hoe kun je veronderstellen, dat ik lieden uit Transvaal, van paarden en wapens zal voorzien, om de Boeren uit Oranje-Vrij­staat tot oorlog tegen Engeland aan te zetten. Pieter wist niet wat hij hoorde. "Mijnheer de president," zei hij, "ik heb altijd horen zeggen, dat de Oranjeboeren onze broeders zijn en ons zouden helpen. President Kruger heeft mij hier zelf naar toegestuurd, om de Boeren instructies te geven."
"Ik zal maar doen alsof ik dat niet gehoord heb." antwoordde de president lachend. Toen werd er op de deur geklopt en kwam de staatssecretaris van Transvaal de kamer binnenlopen. Pieter had de man al wel eens ontmoet en vertelde hem over zijn opdracht van president Kruger. De staatssecretaris vertelde dat hij geko­men was in opdracht van de Transvaalse regering om de Oranje-Vrijstaat te vragen hen te steunen in hun strijd tegen de Engelsen. "Ook de Oranje-Vrijstaat is door de Engelsen bezet," vervolgde hij, "de arbeid van de Boeren dient slechts tot voordeel tot Enge­land. Overal zijn de Engelsen de baas en heffen ze hoge belas­tingen op de waren die ze doorlaten. Zonder handel en Industrie kunnen wij onszelf niet ontwikkelen. Wij vragen Oran­je-Vrijstaat slechts een verklaring dat zij achter de Boeren uit Transvaal staat. Al nemen de Boeren uit Oranje-Vrijstaat de wapens niet op, wij vragen U slechts sympathie voor onze zaak, zodat Engeland zich zal terug­trekken. Engeland zal zich wel twee maal bedenken, voor tegen beide landen een oorlog te gaan voe­ren. Cetschwayo is door de Engelsen al uitgeschakeld, als wij ons nu niet verzetten, zijn wij de volgende die verdwijnen moeten." De president antwoordde nu: "Ik zal met de overige leden van de regering overleggen hoe we dit kunnen voorkomen."
Hoofdstuk 28: De verkenning
"President Brand zal voorlopig wel blijven aarzelen" zei de staatssecretaris tegen Pieter toen ze even later weer buiten stonden. 'Hij is de zoon van een Engelsman en mengt zich liever niet in de oorlog met Engeland, we staan er alleen voor jonge vriend ".
"We zullen de oorlog ook alleen winnen," antwoordde Pieter vol vertrouwen. Op de eerste dag van het jaar 1881 keerde Pieter terug naar Transvaal. Pieter zocht in Heidelberg de veldkorporaal Joubert op, Pieter zag dat veel Boeren zich hier verzameld en bewapend hadden, er was geen Engels uniform meer te ontdekken. "Hoera voor de Zuid-Afrikaanse republiek," schreeuwde Pieter toen hij de veldkorporaal zag staan. Joubert was blij Pieter weer te zien. Hij vertelde hem dat de Engelse generaal Colley met duizend soldaten naar hen op weg was gegaan om de Engelse forten te bevrijden die door de Boeren belegerd worden. Hij moet hiervoor door het Drakensgebergte, hier zullen we hem opwachten en aanvallen."
"Pieter, jij kent de Engelsen goed. Je moet morgenochtend met een twaalftal flinke ruiters afrijden en de Engelsman opzoeken," sprak Joubert. Pieter had de Drakensbergen meerdere malen doorkruist, dit was immers het gebergte waar Titus de Afrikaan verbleef. De twaalf reden de eerste dag tot aan de Vaalrivier, hier sloegen zij hun kamp op om te overnachten. Ze waren nu reeds in vijandelijk gebied zodat enige voorzichtigheid geboden was. "We zullen naar Newcastle rijden,' sprak Pieter de volgende ochtend vroeg. 'Het is nu nog donker, de nevel komt ons goed van pas. Na een flinke rit, over moeilijk begaanbare bergpaden, konden ze Newcastle zien liggen. Pieter zag dadelijk dat er een sterke troepenmacht bijeen was, naast de stad stonden een groot aantal militaire tenten. Hoeveel troepen daar bijeen waren en of generaal Colley daar zelf ook was, kon Pieter vanwaar hij stond niet waarnemen. Toch hoopte hij er achter te komen. Pieter besloot te wachten tot het donker zou zijn om dan het kamp van dichterbij te gaan bekijken.
Pieter had opgemerkt, dat er een voorpost van het Engelse leger in een huis zat, even buiten de stad. De Engelsen waren zo zeker van hun zaak dat er slechts één wachtpost bij de deur stond. Het was inmiddels bijna middennacht geworden en geheel Newcastle lag in een diepe rust, alleen het wachtposthuisje was nog helder verlicht. Na een ogenblik te hebben laten voorbij gaan, sloop Pieter, vergezeld door één van zijn mannen, met een kleine omweg op de schildwacht af. Hij kon hem nu duidelijk zien en bemerkte dat de schildwacht iets in de gaten kreeg. "Werda?" klonk het plotseling. "Ronde!" antwoordde Pieter in de Engelse taal en op gebiedende toon terwijl hij op de wacht afliep. "Ken je je eigen officieren niet?" vroeg Pieter nu. De man scheen een ogenblik bedremmeld, maar reeds de volgende seconde moest hij ontdekt hebben, dat er geen officier in uniform aankwam, want hij maakte zijn geweer gereed en riep: "Sta, of ik schiet."
Hij had echter geen rekening gehouden met de lenigheid van de jonge Boer. Met een vervaarlijke sprong was Pieter bij hem en had hij de schildwacht bij de keel gegrepen. De man kromde zich onder de sterke hand, die zijn keel hield omklemd en kon geen geluid meer maken. Pieter drukte de schildwacht geruisloos tegen de grond, en zei zacht tegen hem: "Je gaat met ons mee, vriend. Als je stil blijft zal ik je keel loslaten. Maar indien je om hulp roept, ben je op hetzelfde ogenblik dood." Pieter sneed de soldaat de broekdraagbanden door zodat deze tijdens het lopen, om niet te vallen, de broek moest ophouden. De Boeren stegen te paard en namen hun gevangene mee naar het leger van de Boeren. Generaal Joubert lachte van blijdschap, toen hij de volgende middag Pieter met zijn gevangene zag aankomen.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina