Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina14/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Hoofdstuk 29: Het gevecht bij Langes Neck

De legerplaats die Generaal Joubert had uitgekozen lag in een dal en werd omringd door een driedubbele rij ossenwagens. Vanuit het kamp kon je de straatweg overzien die, langs de Majubaberg, naar Newcastle voer. Deze doorgang droeg de naam 'Langes Neck'. In 1859 werd hier door de Engelsen een Boer opgehangen, Hans von Lange genaamd. Hij had een moord begaan en sindsdien was de pas vernoemd naar Lange's nek. Op de omringende bergtoppen hadden de Boeren wachtposten uitgezet die, wanneer de Engelsen verder zouden trekken, alarm konden slaan. Jouberts leger bestond op dit moment uit 5000 strijdvaardige sterke Boeren. De Boeren hadden Engelse kranten in handen gekregen waarin stond dat er Engelse versterkingen onderweg waren.


Intussen kwam van een der wachtposten het bericht dat de Engelsen aanstalten maakte om te vertrekken. De Engelse generaal Colley marcheerde met zijn troepen langs de staatweg in de richting van 'Langes Neck'. De Boerenpatrouilles waren langzaam teruggetrokken, zonder de Engelsen uit het oog te verliezen.
Daar naderden enige ruiters in rode uniformen, dragonders van het regiment, waarbij Lord Fitzherbert diende. Na deze dragonders volgden een lange infanteriecolonne, in vier gelederen. Hierna volgden honderd matrozen met een Gatlingkanon, twee vuurpijlkanonnen en een groot aantal wagens met bagage. Na deze stoet kwam er weer infanterie, vier lichte bergkanonnen, twee veldstukken en uiteindelijk nog de ruiterij. In totaal waren er 870 man infanterie en 170 ruiters.
De Boeren konden vanaf de berghellingen alles zo duidelijk zien dat ze de hoofden konden tellen. Generaal Joubert streek zich langs zijn baard, toen hij vernam dat de Engelsen in aantocht waren. Onmiddellijk liet Joubert de Boeren de hellingen aan weerskanten van de weg bezetten en geschikte plaatsen zoeken, vanwaar zij met hun buksen de vijand de doortocht konden beletten. Pieter had zich dicht bij Joubert neergelegd en wachtte in grote spanning de komst van de Engelsen af. De vijand waar hij nu tegen zou gaan vechten was niet van het zwarte ras, ze waren ook geen vreemden voor hem. Het waren de troepen waarbij hijzelf, als spion voor de Boeren, gediend had. Hij moest denken aan zijn Engelse vriend Adolphus Fritsherbert, die hem gevangen had genomen omdat zijn dienst dat van hem eiste. Hij dacht aan de Engelse gevangenis te Kimberley, aan zijn stervende vader maar ook aan zijn vaderland dat in nood verkeerde en voor zijn vrijheid streed.
De vijand verscheen, op de kromming van de straatweg vertoonde zich twee ruiters, die op korte afstand door een derde gevolgd werd.
"Pieter," sprak Joubert, "zie je de Engelsen?" "Jawel, generaal." antwoordde Pieter.

"Neem, jij de rechter, dan zal ik de linker ruiter nemen. Richt goed, zodat ze niet te lang lijden. Tegelijk met dat laatste woord knalde het eerste schot uit de buks van de generaal en op hetzelfde ogenblik stortte de dragonder, die hij had uitgekozen, van zijn paard op de grond. Nu drukte ook Pieter af en de tweede dragonder waggelde een ogenblik in het zadel en stortte ter aarde. Geschrokken wendde de derde ruiter zijn paard en wilde vluchten; daar hoorde Pieter een schot rechts van hem en ook de derde dragonder gleed van zijn paard en op de straatweg was niets meer te zien dan drie onbeweeglijk rode vlekken, terwijl drie losse paarden naar verschillende zijden heen galoppeerden. Spoedig hierna hoorde men signalen op de trom en hoorn.


Generaal Colley had zijn hoofdmacht laten oprukken en beval tot de aanval over te gaan. Na enige ogenblikken verschenen de eerste rode uniformen op de weg. Ze klauterden tegen de hellingen van de pas en zochten een doel. Maar ze zagen niets. De Boeren lagen overal achter goede dekking. De rode uniformen werden hoe lager hoe talrijker. Opnieuw kraakten er enkele schoten. De officier, die de kleine afdeling aanvoerde, bleef staan, de sabel viel uit zijn hand en de man stortte voorover op de grond. Na hem vielen de onderofficier en vervolgens nog twee soldaten. De soldaten raakte in verwarring nu hun aanvoerders gesneuveld waren. Ongeveer honderd man infanterie verscheen hierop in de looppas. Zij verspreidden zich langs de beide kanten van de weg en zochten dekking achter struiken, bomen en stenen. De infanterie overstelpte de Boeren met geweervuur. Pieter hoorde menig kogel voorbij vliegen.
Het was voor de Engelsen echter onbegonnen werk. Schot na schot klonk nu uit het gebergte en onder de Engelsen begon grote verwarring te heersen, want er bleef geen enkel officier meer over om hen aan te voeren. Toch hielden de Engelsen nog stand. De dappere kanonniers bedienden hun stukken ook zonder commando's en zij mikten goed, want toen het eerste kanon met zijn krachtige stem de echo's van de Drakensbergen opriep, vloog ook reeds een granaat suizend over Pieters hoofd en drong diep in de bergwand. Daarna volgden nog een kanonschot en nog een derde; maar verder kwam de artillerie niet. De man die het vierde stuk wilde afvuren, werd op het ogenblik, dat hij het aftrektouw in de handen nam, door een kogel getroffen en stortte naast het kanon neer. Hierna lukte het geen Engelsman meer om het kanon te laden en af te vuren. Wanneer iemand met een granaat in de buurt van het kanon kwam, werd hij door de Boeren neergeschoten. De één na de ander liet het leven. Geen Boer liet zich tijdens dit gevecht zien, slechts de rookwolkjes van de geweren waren zichtbaar.
Deze ongelijke strijd duurde niet lang. De overgebleven soldaten sloegen op de vlucht en waren spoedig achter de kromming van de straatweg verdwenen. Hoe dapper en taai de Engelsen ook waren, dit langzame vuren, waarbij geen schot bleek te missen, vervulde hen met ontzetting. Ze wilden niet langer het doel zijn van een onzichtbare vijand, die op zo'n grote afstand zo precies schoot. Nauwelijks twintig minuten had de strijd geduurd. Generaal Colley had deze dag genoeg van de vijand gezien om geen verdere aanval te wagen. Diezelfde avond nog trok hij terug, ruim 170 rode uniformen achterlatend.

Hoofdstuk 30: Het gevecht bij Schains Hoogte
In het oosten, op geweerschotafstand van het Engelse kamp, stond een groepje Boeren. Het waren Pieter, zijn oom Klaas Buurman en baas Van der Goot. Het was nog vroeg in de morgen, enige dagen nadat de Engelsen de aanval op Langes Neck hadden opgegeven.
Er hing een zware nevel over de Drakensbergen, maar zo nu en dan was het vijandelijke kamp duidelijk te zien. "De Engelsman heeft daar geen slechte plaats uitgekozen," merkte baas Van der Goot op. Terwijl ze het kamp nog eens nader bekeken, hoorde men in de verte een buksschot, dat spoedig door meerdere gevolgd werd. Na ongeveer een half uur kwamen twee Boeren naderbij. Ze vertelden dat ze een boodschapper van de Engelsen hadden overvallen en hem een brief hadden afgepakt.
Baas Van der Goot opende de brief en reikte hem aan Pieter over. "Vertel me eens wat daar in staat; jij kent de taal van de Engelsen. Pieter las de brief en vertaalde hem in het Afrikaans. Er waren Engelse versterkingen onderweg, het 2e bataljon van het 60e regiment, het 82ste, 92ste, het 97ste regiment en een batterij veldartillerie gevolgd door de bereden infanterie. "Wel, wel," zie baas Van der Goot, "mevrouw de koningin heeft veel soldaten gezonden! Ga, mijn jongen, breng deze brief naar ons kamp en geef hem aan baas Joubert. Hij zal het beste weten, wat hij er mee moet doen.
Generaal Joubert besloot, na het lezen van de brief, de versterkingen tegemoet te rijden en ze aan twee kanten in te sluiten, zodat ze vóór- noch achteruit zouden kunnen. De volgende morgen zond de generaal verschillende patrouilles op verkenning uit. Pieter reed samen met 20 jonge Boeren met baas Van der Goot mee. De Boeren reden op grote afstand van elkaar in een linie, zodat ze een groot gebied konden verkennen. Pieter bevond zich op de uiterste rechtervleugel en was juist een riviertje en het ravijn doorgetrokken, toen hij paardengetrappel vernam op de straatweg. Pieter dreef Jager vooruit, dichter naar de weg toe. Daar zag hij een groepje van ± 40 Engelse dragonders over de straatweg rijden, precies in de richting vanwaar de andere patrouilleleden vandaan moesten komen. Onwillekeurig gaf Pieter Jager de sporen en schreeuwde een luide waarschuwingskreet uit, tegelijkertijd hoorde hij de Engelse aanvoerder schreeuwen; "Slaat ze neer, die Boeren! Attakeren! "
Het was Lord Fitzhetbert die met hoog opgeheven sabel kwam aanstormen. De ontmoeting met de vijandelijke ruiterafdeling was zo plotseling en onverwachts geweest, dat reeds in dezelfde minuut, waarin ze elkaar zagen, de strijd in volle gang was. Instinctmatig maakten de Boeren nog aanstalten om af te stijgen en te vuren, maar de dragonders waren te dicht bij en kwamen zo woest aanrijden, dat de Boeren hun gewone vechtwijze niet in toepassing konden brengen. Twee Boeren vuurden nog en twee dragonders stortten van hun paarden, maar dit waren de enige schoten die gelost werden. In het volgende ogenblik vormden de rode Engelse uniformen een woest door elkaar rijdende massa. De meeste Boeren sloegen verrast op de vlucht, een handje vol probeerden met de buks de sabelslagen af te weren en sloegen er met de kolven op los. Een aantal Boeren was inmiddels zwaar gewond en al vechtende reden beide partijen langzamerhand het water in.
Baas Van der Goot was in gevecht geraakt met een der dragonders en gebruikte zijn buks als knots. Woedend sloeg hij met de zware kolf om zich heen. De oude Van der Goot begreep dat hij met zijn wapen in het nadeel was. Hij gooide zijn buks van zich af en greep de Engelsman vast aan zijn uniform. Behendig sprong hij nu uit het zadel, zodat hij tot aan zijn knieën in de rivier stond en sleurde de Engelsman van zijn paard het water in. Even leek het alsof de jonge Engelsman de Boer te sterk was, niemand waagde het zich in de strijd te mengen. De taaie volharding van de oude Boer behaalde echter de overwinning op de minder geharde spieren en zenuwen van de Engelsman. Met een krachtige ruk maakte baas Van der Goot zijn linkerhand vrij en trok zijn brede jachtmes. Met een woeste kreet liet de Engelsman los, breidde de armen uit en stortte voorover in het water, waarin hij weldra verdween. Reeds zette baas Van der Goot zijn voet in de stijgbeugel, toen ook hem het noodlot achterhaalde.
Lord Fitzherbert had de tweestrijd aanschouwd, terwijl hij op de linkeroever zijn paard inhield, evenals Pieter op de rechter. Toen de Engelsman in het water verdween, reed Fitzherbert snel op baas Van der Goot toe. Op hetzelfde ogenblik kwam ook Pieter weer in het riviertje terecht en reed de Lord tegemoet. Maar Lord Fitzherbert had reeds de plaats bereikt, waar de oude Boer weer wilde opstijgen. Met volle kracht trof het sabel het ontblote hoofd van Baas Van der Goot en zonder een kreet te geven, stortte hij ruggelings in de vloed.
Op datzelfde ogenblik bereikte Pieter de Engelse officier. "Hierheen, Adolphus!" riep hij, "ik zal de kling, die je me eens geschonken hebt, op jezelf beproeven!' "Voor Hare Majesteit de koningin!" riep Lord Fitzherbert en deed een eerste houw naar Pieters hoofd. "Voor de Zuid-Afrikaanse republiek!' antwoordde Pieter, terwijl hij de slag pareerde en onmiddellijk nahieuw. De Lord was een ervaren schermer. Sinds zijn jeugd had hij zich in allerlei spelen geoefend. Hij wist ook met wie hij te doen had en was daarom op zijn hoede, om zich niet bloot te geven. Hoe goed hij ook vocht, hoe juist zijn houwen ook waren berekend, de Spaanse kling van Pieter schitterde hem telkens voor de ogen. Woest drong Fitzherbert zijn paard naar voren, deed een schijnslag naar de borst van zijn tegenstander en liet die snel door een geweldige houw naar diens hoofd volgen. Pieter weerde de slag met moeite af, de punt van het sabel drong hem door zijn hoed. Reeds wilde Pieter van het ogenblik gebruik maken, nu de Lord zich blootgaf, om toe te stoten, maar het gevoel van de oude vriendschap hield zijn arm terug. Hij kon het bloed van zijn trouwe kameraad uit de Zoeloeoorlog niet vergieten. Vóór de jonge officier er op bedacht was, had Pieter zijn paard Jager vlak tegen het zijne aangedrongen en voelde de Lord twee armen, die hem met onweerstaanbare kracht beet pakten. Met een krachtige ruk hief Pieter de officier in de hoogte, en trok hem uit het zadel op Jagers rug. Lord Fitzherbert was zo onthutst, dat hij geen woord kon uitbrengen. Alleen met de knieën dreef Pieter Jager nu vooruit terwijl hij zijn gevangene met de linkerhand op het zadel drukte. Pieter bracht de gevangen Lord naar de door de Boeren bezette stelling, waar hij zich opmaakte om de vijand opnieuw tegemoet te gaan.
De Boeren hoefden niet ver te rijden om de Engelsen te zien aankomen. Generaal Colley trok met zijn leger over de brug, maar moest na een hevige strijd zijn leger doen terugtrekken. Pieter bleef de gehele nacht te paard en keek toe hoe de laatste Engelse soldaat zich naar het Engelse kamp begaf. Hierna reed hij naar Langes Neck terug, waar het leger der Boeren zich om de ossenwagens verenigd had.
Hoofdstuk 31: In het vijandelijke kamp
Op Jager gezeten, sloeg Pieter Marits het Engelse kamp gade en staarde peinzend naar de Britse vlag, die nog steeds in top hing. Sedert het gevecht bij Schains Hoogte hadden slechts enkele posten van de Boeren het Engelse leger in het oog gehouden. Slechts de jonge lieden bemanden deze posten, de oudere Boeren bleven kalm bij hun wagens. Pieter dacht over de stand van zaken na, waarom vielen de Boeren het Engelse kamp niet aan? Generaal Colley beschikte over nauwelijks 600 man; van zijn officieren waren minsten twee derde dood en de soldaten moesten wel teneergeslagen en moedeloos zijn. Pieter kende zijn landslieden echter goed. Die zware sterke Boeren waren niet tuk op krijgshaftige ondernemingen. Ook Joubert wist dat hij rekening moest houden met de aard van zijn landgenoten. Dit alles ging Pieter door de gedachten; ook peinsde hij over de versterkingen, die uit het Zuiden moesten komen om de verliezen aan te vullen. Er gingen geruchten dat er 12000 man onderweg was.
De Boerenposten stonden onbeweeglijk op hun plaatsen, het was een prachtige nacht met helder fonkelende sterren aan de hemel. Zonder door de Engelsen te worden opgemerkt, naderde Pieter zo dicht mogelijk het vijandelijke kamp, dat aan alle zijden werd bewaakt. Pieter wilde proberen het vijandelijke kamp binnen te dringen, om uit te zoeken wat er plaatsvond en welke plannen sir Colley bezig hielden. Pieter had hiervoor een Engels uniform aangetrokken, zodat hij minder op zou vallen. Toen de aflossing van de wacht eindelijk kwam, sloot hij zich bij deze aan en liep in het donker mee het kamp in.
De troepen die sedert vier weken hier gekampeerd hadden, schenen zeer vermoeid en teneergeslagen te zijn. Voor het grootste gedeelte lagen zij te slapen. Toch viel het Pieter op dat er enige spanning in het kamp waarneembaar was, alsof men iets verwachtte. Op dit ogenblik zag Pieter enkele officieren en een man, gekleed als een Boer, uit het hotel komen. Ze waren druk in gesprek en gingen naar de Oostzijde van het kamp. Toen ze langs het wachtvuur liepen herkende hij de Engelse generaal Colley. Pieter stond op en wandelde met een grote omweg naar de plek, waar de generaal stond. Daar waren de Schotten geinstalleerd, met een korte groet nam hij bij een der vuren plaats, in de onmiddellijke nabijheid van de generaal.
"Het is koel vannacht," zei Pieter, als kwam hij om zich te warmen. Een der soldaten antwoordde en de mannen maakten plaats voor hem, maar Pieter hoorde nauwelijks hetgeen gesproken werd, hij had alleen maar oor voor het onderhoud, dat generaal Colley met de Boer had. "Het is vannacht juist donker genoeg om de weg te vinden,' zei de generaal. "Ben je er zeker van ons in twee uur te kunnen brengen, waar wij wezen moeten, zonder dat de Boeren lont ruiken?"
"Jawel, mijnheer de generaal," antwoordde de Boer in goed Engels. "De wachtposten staan in een halve cirkel, ginds," - hij maakte een beweging met zijn arm tv maar in het Zuiden staan geen posten en wanneer we een omweg maken, komen we er zonder gezien te worden."
"Wat een schurk, om zijn landgenoten te verraden," dacht Pieter. "Zeker behoort hij niet tot de onzen, hij zal Engels bloed in de aderen hebben en in Natal thuishoren. "Het bestijgen van de Majubaberg zal niet gemakkelijk gaan," zie de generaal. "Zeker," antwoordde de Boer, "de berg is zeer steil, maar wanneer we eenmaal boven zijn, hebben we een prachtige plaats voor een stelling. De manschappen vinden er goede dekking, want langs de gehele rand liggen grote rotsblokken. Geen Boer kan zich op de helling vertonen, of hij wordt er met de kalmste zekerheid op de korrel genomen.
De bezetting van de Majabuberg zal de beslissing brengen in deze oorlog. Binnen vier dagen zullen de versterkingen van generaal Wood hier zijn en zullen wij doormidden van de heliograaf ons met hem in verbinding stellen. Behouden wij tot zolang de stelling op de berg, vanwaar we het hele Boerenleger kunnen overzien, dan is de oorlog beslist.
Na deze woorden ging de generaal terug naar het hotel. Pieter keek hem na en peinsde over hetgeen hij gehoord had. Naast Pieter zat een man met een grijze baard, die de generaal met een zonderlinge blik na staarde. "Het is een dwaas plan," sprak de oude Schot nu tegen Pieter. "Ik heb onze generaal gadegeslagen, toen het schijnsel van het vuur op zijn gezicht viel. Hij is getekend en uitgeput, morgenavond leeft onze generaal niet meer.



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina