Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina15/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15

Hoofdstuk 32: De bestorming van de Majubaberg

Nadat de officieren zich verwijderd hadden, stond Pieter op en liep terug naar de plaats waar de cavalerie lag te slapen. Hij besloot over de borstwering te klimmen en dan terug naar het Boerenkamp te sluipen. Terwijl Pieter naar een donker hoekje van het kamp sloop, werd het plotseling levendig in het kamp. Generaal Colley had bevolen, dat de troepen zich gereed moesten maken om op te breken. Een onderofficier riep Pieter en beval hem mee te gaan. Nu kon hij niet meer vluchten, overal sprongen de slapers overeind, overal werden de geweren genomen, de paarden gezadeld en patronen en levensmiddelen rondgedeeld. Pieter nam zijn plaats in en wachtte de dingen af, die komen zouden.


De mars werd in Zuidelijke richting aangevangen, teneinde via een omweg de Majubaberg te bereiken. Zolang het duister bleef, was er geen gevaar dat Pieter ontdekt zou worden; voordat de zon opging moest hij echter weg zijn, anders zouden ze hem zeker opmerken en als spion laten doodschieten.

Uiteindelijk werd de hoge berg bereikt. Generaal Colley liet de gehele colonne opmarcheren totdat de helling zo steil werd, dat voor de paarden van de cavalerie de verdere mars onmogelijk was geworden. De generaal liet 400 man met 20 officieren de berg beklimmen, de rest zou samen met de kanonnen, als reserve achterblijven.

Terwijl de helling langzamerhand geheel bedekt was met klauterende mannen, merkte Pieter, dat de zon op het punt stond door te breken. Het ogenblik om te vluchten was thans aangebroken. Langzaam en telkens stilstaande om de berg te bekijken, ging Pieter, schijnbaar onwillekeurig, naar de rechterkant en toen hij de laatste roodjas voorbij was zette hij het op een lopen. Wel schenen sommigen hem na te kijken en hoorde hij vragen, waar de kameraad heenging, maar hij werd nog teruggeroepen, nog vervolgd.
De eerste zonnestralen hadden ook het Boerenkamp bereikt; enkele Boeren liepen reeds rond, verder heerste er rust en vrede in het kamp en geen van de slapende Boeren had enig vermoeden van hetgeen de Engelsen in diezelfde nacht hadden voorbereid. Tussen de wijd uiteenslaande wagens zag men een aantal tenten en afdaken, gemaakt van de huiven van de huifwagens en branden er enigen vuren in de nabijheid van deze kampementen.

"Dus de Engelsen zijn op de Majuba!" riep Joubert uit en richtte zijn kijker op de platte kruin van de berg, welke reusachtige vormen in het volle zonlicht afstaken bij de overige lagere toppen van de Drakensbergen. "Dat heeft generaal Colley knap gedaan, maar ik vermoed, dat hij sneller weer beneden zal zijn dan dat hij boven is gekomen.' Joubert riep zijn krijgsraad bijeen en drukte Pieter de hand; "Ga wat uitrusten, Pieter, we hebben de tijd. Die daarginds lopen heus niet weg.'


Pieter ging naar de wagen, waarin hij met lord Fitzherbert huisde. De lord ontwaakte bij zijn komst en wreef zich de ogen uit. "Vandaag zal je getuige zijn, dat de Boeren ook kunnen aanvallen." Toen Pieter de Engelsman vertelde hoe alles in zijn werk was gegaan, kon deze bijna niet spreken van verbazing. Met een gezicht waarop grote bezorgdheid te lezen stond, beschouwde hij de hoge berg, maar wierp ook een bewonderende blik op zijn onverschrokken vriend. "Pieter," zei hij, "de Boeren zijn onversaagde krijgslieden; ik zie het, Engelands ster gaat onder."
Steil en dreigend lag de hoge top voor hen, tweeduizend voet hoger lagen de Engelsen. Er knalden reeds enkele schoten en de kogels vlogen over de hoofden der Boeren heen. Pieter was, evenals zijn kameraden, slechts met buks en jachtmes bewapend. Evenals de jagers, die een schuw stuk wild besluipen, gingen de Boeren voorwaarts en menigeen van hen had honderden malen het wild in de vlucht of bij de sprong neergelegd. De Engelsen hadden zich een gevaarlijke tegenstander op de hals gehaald. De Boeren klauterden als gemzen van blok tot blok tegen de helling op en naderden hoe langer hoe meer hun doel. Hun aanval was niet af te slaan. Duizenden kogels werden op hen afgevuurd, uren waren ze al in de weer, toch hadden de Boeren nog geen man verloren.
Achter een struik verborgen brachten Pieter en zijn vijf makkers de buks in de aanslag, er knalden zes schoten en zes mannen stortten neer. Een panische schrik greep de overgebleven soldaten aan. Ze sprongen op en woedend stormden een twintigtal Engelsen naar beneden. Met een luid hoera snelden de dappere marinesoldaten vooruit, maar ze kwamen niet ver. Nauwelijks hadden ze een honderdtal passen afgelegd, of de helft van hen lag tegen de grond. Slechts enkelen wisten terug te keren naar hun stelling.
Met gloeiende, door stof en kruitdamp zwart geworden gezichten stormden de Boeren nu voorwaarts. Geweerschoten knalden om hen heen en huiden de steile stelling in een nevel van kruitdamp. Het vuren van de vijand had bijna opgehouden, over de dode lichamen stormden ze naar boven en bereikten ze de kruin van de berg. Ze zagen nu de uitwerking van hun buksen. Overal lagen dode en gewonde soldaten. Velen lagen achter de borstwering geknield, alsof ze nog leefden, het geweer nog in de hand, de helm op het hoofd. Ze waren echter morsdood. Pieter vond ook de oude Schot, die de dood van generaal Colley voorspeld had. Hij lag met het geweer in de aanslag en leek meer op een levende dan op een dode. Bijna allen, die hier lagen, waren in het hoofd getroffen en onmiddellijk dood geweest, slechts enkele hadden lichtere wonden.
De Boeren hadden thans een lange linie gevormd en vuurden op alles wat een uniform droeg. Een ogenblik zag Pieter generaal Colley. Hij stond te midden van een groep soldaten, de revolver in de rechterhand, de linkerhand hoog in de lucht. Het volgende ogenblik zonken zijn armen slap langs zijn lichaam; hij stortte neer en om hen heen vielen de soldaten alsof ze werden weggemaaid door een onzichtbare hand. De Majuba was het toneel geworden van dood en verwoesting. Overal doden, overal gewonden, overal steunen en zuchten. Officieren en soldaten lagen dood om hun gesneuvelden generaal heen. De vijand was verslagen, slechts één dode en zes gewonden telden de Boeren aan hun zijde. "Welk een overwinning!' riep de jonge Boer. "Welk een overwinning!"

Slot
Generaal Wood kwam en bracht geen nieuwe strijd, hij bracht de vrede. Engeland was wakker geschut; de dapperheid van de Boeren, de nederlagen in de Drakensbergen, de ongehoorde verliezen tegenover zulke kleine groepen verdedigers van Transvaal hadden de regering van het wereldrijk met ontzetting vervuld. Engeland trok zijn troepen terug en erkende de regering van Transvaal.
Pieter wierp zich op Jagers rug, ontrolde de Transvaalse driekleur en zwaaide er met krachtige vuist hoog mee door de lucht. "Leve Transvaal! Leve de Zuid-Afrikaanse republiek!"
President Brand herkende de jongeling met de vlag en lachte. 'Deze jonge man is een onzer beste strijders," zei generaal Joubert. 'Pieter Marits heeft een flinke stem. Zo luid als hij thans de zege verkondigt, zo luid was ook zijn aanvalskreet op de Majubaberg. Wij hebben hem veel te danken."
Pieter sprong van zijn paard en reikte de vlag over aan een der Boeren. Hij liep op Lord Fitzherbert toe en legde beide handen op diens schouders. "Wees niet boos, Adolphus," sprak hij, "laat mij op deze blijde dag je vriendschap niet ontberen. De lord wilde zich losmaken, maar was toch geroerd door het verzoek van zijn vriend. Plotseling bleef hij echter stokstijf staan en zag met verbaasde ogen recht voor zich uit. Door het gewoel van mannen, paarden en wagens baande zich de oude zendeling een weg. De menigte maakte plaats voor deze eerwaardige verschijning en de zendeling trad op de beide jonge lieden toe.
"Ik zie U arm in arm, niettegenstaande strijd en bloed," sprak hij op de hem eigen, vriendelijke toon, " en ik vertrouw, dat een vriendschap die zelfs een oorlog heeft overleefd, een goed voorteken zal zijn voor een duurzame vrede. Hij zal alle volken, die Afrika's bodem met hun bloed hebben gekleurd, met elkander verzoenen en onder het licht van het Christendom zal dit land een vruchtbaar veld worden voor de zaden van het woord Gods."


INHOUD
Hoofdstuk
1 In het moordhol van Makapanspoort

2 De Gezanten van de koning der Zoeloes

3 Op reis

4 Heimelijke vlucht

5 Het zendingsstation Botschabelo

6 Lord Adolphus Fitzherbert

7 Titus de Afrikaan

8 Onder de rovers

9 Morimo

10 De bekering

11 De reis naar het Zoeloeland

12 Cetschwayo, de koning der Zoeloes

13 Koningklijke manoeuvres en jachten

14 Mainze-Kanze (Laat de vijand komen)

15 De regenmaker

16 Het afscheid van het land der Zoeloes

17 Utrecht

18 De slag van Isandula

19 Te Pretoria

20 Te Pretoria

21 Thuis en in Engelse dienst

22 De slag bij Gingilowo

23 Voorbereidingen

24 De slag bij Ulundi

25 De gevangenneming van Cetschwayo

26 Van Pretoria naar Kimberley

27 Van Kimberley naar Bloemfontein

28 De verkenning

29 Het gevecht bij Langes Neck

30 Het gevecht bij Schains Hoogte

31 In het vijandelijke kamp

32 De bestorming van de Majubaberg



slot



1   ...   7   8   9   10   11   12   13   14   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina