Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina2/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Hoofdstuk 3: Op reis

Het land dat de reizigers doortrokken, was zeer vlak. Je kon de meest verwijderde voorwer­pen met grote duidelijkheid onder­schei­den. Met moeite sleepten de ossen de wagen een berg op en onder veel geschreeuw der zwarten en krachtig tegen­houden der trekdie­ren, ging het aan de andere kant bergaf. 's Avonds werd er een groot kampvuur gemaakt en konden mens en dier uitrusten van een lange tocht.


De zendeling vertelde over hoe de Hollan­ders, in 1652, bij de Kaap de Goede Hoop een kolonie stichtten en er een kleine ves­ting bouwden. Ook een groot aantal Duit­sers en Fransen vestigden zich hier, samen noemden ze zich De Boe­ren. Nu bijna negen maanden geleden, op 12 april 1877, heb­ben de Engelsen de macht in Pretoria, de hoofd­stad van Trans­vaal, overgenomen. De Boeren trokken steeds verder Noord­waarts om niet onder de Engel­se heerschappij te hoeven leven.
Nadat er nog wat hout op het vuur was gegooid, om de wilde dieren op een afstand te houden, kon ieder­een een slaap­plaats gaan zoeken. Terwijl iedereen lag te slapen, ging eensklaps uit de kudde een angstig geloei op en onmiddellijk daarop klonk een ver­schrikke­lijk gebrul. Alle ossen sprongen op en stoven uit el­kaar; de paarden die aan de wagens waren gebonden, steiger­den en trokken zo hevig aan de touwen, dat de zware wagens in bewe­ging kwamen. Ook de Zoeloes waren overeind gesprongen en stonden met hun speren in de hand. Pieter Marits had zijn geweer klaar om te schieten, terwijl de zendeling het terrein met zijn lan­taarn verlichtte om te zien vanwaar het gevaar dreigde.
Het licht van de lantaarn viel op een opening in het struikge­was, waar nauwelijks dertig passen van de mannen ver­wij­derd, twee leeuwen stonden. De dieren stonden rechtop en onbe­weeglijk naast elkander, waarschijnlijk geheel verblind door het felle licht van de lantaarn. Pieter Marits legde onmiddellijk zijn buks op één der roofdieren aan. Een vlam flitste uit de loop van het geweer en dodelijk getroffen stortte de grootste der beide leeuwen neer. Maar voor Pieter een tweede schot kon los­sen, sprong de tweede leeuw naar voren. Pieter waande zich reeds verloren, doch plots doken twee donkere gestalten voor het roofdier op en twee speren doorboorden het hart van de aanstor­mende leeuw. Humbati en Molihabant­schi hadden de leeuw gedood en Pieter Marits het leven gered.
Toen de morgen aanbrak moesten de knechten eerst de ossen weer bij elkaar drijven en ze voor de wagen spannen. Van de trek­ossen werden er twee vermist, omdat het zoeken ernaar ver­geefs bleef, moest worden aangenomen, dat de dieren door hye­na's ver­scheurd waren.


Hoofdstuk 4: Heimlijke vlucht

Na het inspannen van de ossen, was de kleine stoet die morgen al vroeg weer ver­trokken. De zendeling was in de wagen gaan zitten, om onder het dek­kleed schaduw te vinden; de zwarte knechts hadden breed­geran­de vilten hoeden op het hoofd, maar Humbati en Molihabant­schi liepen onbeschut in de hete zon. De mars had nu reeds meer dan drie uren geduurd en nog was er geen geschikte plek gevonden om halt te maken en te rusten. "Het gaat zo niet verder" zei de zende­ling tot Pieter; "Wat zullen we doen? De dieren hebben water nodig, maar we vinden hier niets."


"Ginds zie ik een heuvel," zei Pieter, naar links wij­zend. "Ik zal daar met de Zoeloes heengaan, om te zien of daar ook water te vinden is." De zendeling besloot zelf ook mee te gaan, zo gingen ze verder het dal in en na bijna een uur zoeken vonden ze tot hun grote vreugde water. Het was welis­waar een vijver, waarin het water stilstond en troebel was, maar ze waren tevre­den. De zendeling besloot hier rust te nemen.
Terwijl ze de ossen uitspanden vertoonden zich aan hun ogen een wonderschoon beeld. Ze zagen voor zich een meer met een helde­re, schitterende waterspiegel, omlijst door bomen, welke door de wind werden heen- en weer bewogen. Met verbazing aanschouwden ze dit tafereel, dat een para­dijs voor hun branden­de ogen toverden. Daar verscheen een lange trein van mensen en dieren aan het strand. Ruiters met fladde­rende mantels en lange speren vertoonden zich aan hun ogen; boven hun hoofden wapperden vaandels en schitterden hun wapens. Maar langzamerhand, toen de ruiters naderden, groeiden de voorste ruiters tot reuzen aan. De punten van hun lansen reikten tot aan de hemel en hun paarden werden groter dan olifanten. Nog verder gaande werden de figuren aan het meer bleker en bleker, De heerlijke lichtglans, die het land be­straalde, ging over in een geelachti­ge, doorzichtige nevel en uiteindelijk was alles ver­dwenen en bevonden ze zich in een gloeiende, gele zandwoes­tijn. De wagen en ossen stonden nog vlak voor hen. Er had zich, zoals de zendeling hen vertelde, een luchtspiege­ling aan hun ogen voorgedaan, een fata morgana, die soms ontstaat als de hitte der zonnestralen door de vlakke bodem worden terugge­kaatst.
Opeens bemerkte Pieter Marits, dat Humbati en Molihabant­schi verdwenen waren. "Waar zijn de Zoeloes!" riep hij gejaagd uit. Niemand wist het. De zende­ling veronderstelde, dat ze ergens een veilige schuilplaats gevonden zouden hebben. Pieter zei verder niets, maar hij begreep, dat de Zoeloes waren ge­vlucht. Uitrij­den om hen te achtervolgen was helaas onmoge­lijk.
Intussen hadden de zwarte knechts het linnen dak weer over de wagen gespan­nen en begaven de zendeling en zijn metge­zellen zich ter ruste, nadat Pieter op eigen verzoek de wacht betrok. De gehele nacht bleef hij, onophoudelijk rondspie­dend en de buks schietklaar, op wacht staan. Maar slechts de gelui­den van wilde dieren en het gebrul der leeuwen ver­stoorden de doodse stilte. Pieter hield niet op zich­zelf te verwij­ten, dat hij de opdracht van Boer Van der Goot, zo slecht ten uitvoer had gebracht.


Hoofdstuk 5: Het Zendingsstation Botschabelo

"Waar tob je over, jonge man?" vroeg de volgende morgen de zendeling aan Pieter, zodra zij elkaar begroet hadden. Pieter vermeed de blik van de vriendelijke, oude man. "Kom, je bent niet dezelfde Boerenzoon van de vorige dagen. Waarom geef je mij geen antwoord." vroeg de zendeling. " Begin je misschien heimwee te krijgen naar je moeder, broertje en zusjes? Als dat zo is, ga dan terug." Pieter Marits beet zich op de lippen. "Ik keer niet terug," bromde hij. "Ik begrijp het." sprak de zende­ling. "Je maakt je ongerust om de verdwijning van de Zoeloes." Nu keek Pieter Marits de grijsaard in de ogen en zei:" Ja, ik was door baas Van der Goot belast met de bewaking van de Zoeloes en nu ze weg zijn, kan ik nooit meer terugke­ren. Vergeefs probeerde de zendeling Pieter op andere gedach­ten te brengen, maar Pieter bleef bij zijn voornemen.


Na deze woorden wendde de zendeling zich tot zijn knech­ten, die met de eerste weggelopen ossen kwamen aanlopen. De ossen waren zeer wild en onhandelbaar geworden. Gedurende de nacht waren ze door wilde dieren overvallen en twee van hen waren nergens meer te vinden. Van twee anderen lagen de over­blijfselen in het zand. Na het inspannen van de ossen, liet de zendeling de richting van de vorige dag weer inslaan, en Pieter, die vroeger achteraan had gereden, ging nu met zijn paard Oude Jager, voor­aan rijden, voor de wagentrein uit.
Tegen de avond naderde de trein een grote hoeve, waar ze beslo­ten te overnach­ten. Ze sliepen die nacht heerlijk, in echte bedden. Vóór ze de volgende morgen verder trokken, liet de gastvrije Boer, na een rijkelijk ontbijt, nog zijn bezit­tingen zien en vertelde hij met trots over zijn struisvogel­teelt. Nog drie dagen duurde het voor Pieter de hoge toren van de kerk van Botschabelo kon zien. Er heerste grote vreugde, toen de grijze zendeling het dorp binnen reed. Botschabelo is het grootste zendingsstation in Zuid Afrika, het was jaren geleden dat de zendeling hier voor het laatst geweest was.

Bij de avondmaaltijd moest hij vertel­len hoe het hem al die jaren was vergaan, en werd besproken waar hij nu het best naar toe kon gaan om te vertellen over het geloof. Een jongere broe­der was pas uit Natal teruggekomen en vertelde, dat de politieke toestanden tussen de Engelsen, de Boeren en de Zoeloes zeer gespannen waren. In het Oosten, in de Draken­bergen, wonen een paar gevaarlijke rovers, die een grote bende gevormd hebben.


"Wat zijn dat voor rovers en tot welke stam behoren zij?" vroeg de zendeling nieuwsgierig. "De oudste heet Titus de Afri­kaan, de jongste wordt Vleermuis genoemd." ant­woordde de jongere broeder. "Ze verbergen zich in de holen en kloven der Drakenber­gen en ondernemen van daaruit hun roof­tochten. Ze zijn de schrik van een uitgestrekt gebied. Meerma­len zijn commando's tegen hen afgezon­den, de regering van Transvaal heeft een prijs op hun hoofd gezet, maar het is nog niemand gelukt de rovers te van­gen." De grijze zendeling had aandachtig geluis­terd en besloot om een zendingsreis te maken naar deze twee roverhoofdmannen.
"Ik mag toch met U mee, als U naar Titus en Vleermuis ver­trekt?" vroeg Pieter. De Zendeling vertelde dat de tocht erg gevaarlijk zou zijn en dat hij er eerst nog een nacht rustig over moest nadenken. "Ga nu slapen Pieter, Goede nacht."



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina