Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina3/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Hoofdstuk 6: Lord Adolphus Fitzherbert

De Zendeling had besloten over vier dagen te vertrekken en Pieter had zich voorgenomen, wanneer de zendeling hem niet zou vragen mee te gaan, gewoon bij de stoet aan te sluiten. Het gehele gezelschap der broeders van Botschabelo was de avond vóór het vertrek bij de avondmaaltijd bijeen, toen er van buiten een ongewoon leven werd gehoord. Een geschreeuw en gejuich drong door tot in de eetzaal en verscheidene zwarte bedienden kwamen binnenstormen en vertelde in grote opgewon­denheid, dat vreemde krijgslieden de berg opkwamen.


Een ruiterstoet kwam de bergweg oprijden, een stoet, zoals Pieter nog nooit had gezien. De ruiters hadden rode jassen aan en droegen hoge glimmende laarzen. Ze reden op mooie, grote paarden, Pieter telde er wel vierentwintig. De nog jonge aan­voerder hield zijn ros in en vroeg in het Engels aan Pieter Marits, die net naast hem stond, wie het hoofd van het dorp was. Pieter verstond deze taal zeer goed, maar de vraag werd op zo'n hoogmoedige toon gesteld, dat Pieter zich afvroeg waarom deze jongeman toch zo eigenaardig door zijn neus sprak.
"Kan die boerenpummel niet antwoorden, of wil hij niet?" riep de Engels­man. Pieter werd rood van kwaadheid. "Laat de knaap tenminste zijn hoed afnemen!" riep de Engelsman opnieuw. Geluk­kig kwam op dat moment de baas van het dorp tussenbeide, de jonge officier vertelde dat hij Lord Adolphus Fitzh­erbert was, commandant van een patrouille van de Koningin van Enge­land. "Ik heb een kleine verkenningstocht door deze streek ge­maakt" vertelde de jonge officier. "Ik heb vernomen dat Titus de Afri­kaan en Vleermuis het land onveilig maken. Het zou een goed voorbeeld zijn, als wij die twee rovers eens konden opknopen."
De luitenant kreeg Pieter in het oog en riep plot­seling:" Die jonge ongemanierde Boer kan ons mooi van dienst zijn als gids. Ongetwijfeld kent hij deze streek nauwkeurig. Kom eens hier jij, we willen langs de beste weg naar Pretori­a." Pieter Marits reed dichter naar hem toe, keek de Engelsman trots in het gelaat en zei: "Al kende ik de weg nog zo goed, ik zou je hem toch niet wijzen! Oho!" riep de officier. "Dat klinkt als ongehoorzaam­heid. Ik geef je bevel ons de weg te wijzen". Maar Pieter dacht er niet aan de Engelsman te gehoor­zamen, hij dacht terug aan de laatste woorden die zijn vader tot hem gesproken had. "Het zijn de Engelsen die je vader gedood heb­ben, Pieter Marits, vergeet dat niet."
Toen bedacht Pieter dat hij als gids, de Engelse mis­schien een poets kon bakken. Hij reed op de officier toe, nam beleeft zijn hoed af en zei: "Ik ben maar een arme boeren zoon, ik zal U, met mijn paard Jager, begeleiden op weg naar Pretoria. Ik verzoek U niet te hard te rijden want mijn paard heeft de laat­ste tijd zeer grote afstanden moeten afleggen."
De officier lachte. "Als je alleen daar bang voor bent ge­weest, stel je dan maar gerust mijn jongen." zei hij. "We zullen je je paard niet afnemen, het ziet er trouwens lang niet gek uit." Zo vertrok Pieter samen met de Engelse militai­ren naar Pretoria. Na een aantal kilometer gereden te hebben, begon Pieter tegen de offi­cier aan te praten. "Wat een mooi paard hebt U, mijnheer! Dat heeft U zeker meege­bracht uit Engeland". De offi­cier keek Pieter aan en ant­woordde: "Ja jongen, het dier is erg snel, veel snel­ler dan de paarden waar jullie Boeren op rij­den. Ik heb er 300 Engelse ponden voor betaald"
Pieter ver­telde dat hij geen slechte koop had gedaan. "Kan het ook goed springen?" vroeg hij vervolgens. "Natuurlijk," zei de Engels­man. Maar houd nu eens je mond. Je hebt af te wachten, tot ik je iets vraag! goed begre­pen?" Nu had Pieter er genoeg van. Hij legde zijn buks en patro­nengor­del gemakkelijker op de schouder en drukte de knieën zachtjes tegen Jagers lichaam. Het trouwe dier hief de kop op en spits­te de oren. Pieter wendde zich met een vriende­lijk lachje tot de Engelsman en zei ietwat spottend: "Ik wens U een goede reis, mijnheer de offi­cier. Vaarwel!"
Na deze woorden gaf Pieter zijn paard de sporen en joeg het in gestrekte draf het veld in. "Vervloekte jongen, kom terug!" riep de Engelsman. "Houdt hem, mannen! Achter hem aan!" Pieter hoorde achter zijn rug een geweldig geraas, geschreeuw, gesnuif en gestamp. Hij keek over zijn schouder en zag de hele stoet achter zich aankomen. De officier reed voorop en schreeuwde tegen zijn mannen dat ze niet mochten schieten, hij wilde de jongen levend terug heb­ben. Pieter boog het bovenlichaam over Jagers hals en klakte met zijn tong. Als een wervelwind stoof het dier voorwaarts, rich­ting een rivier. De rivier was meer dan honderd meter breed. Hij joeg zijn paard het water in en weldra verloor het de grond onder zijn voeten en moest het zwemmen. De officier, en vijf van zijn manschappen, volgden Pieter.
Pieter be­reikte de overkant, toen zijn achtervolgers nog midden in het water waren. Hij bracht zijn paard in een lange galop en na een razende rit, hoorde Pieter nog maar weinig leven achter zich. Hij keek om en ontdekte dat alleen de officier nog achter hem reed, slechts een twintigtal meters van hem verwij­derd. Pieter stuurde zijn paard een terrein in waar struiken groeide met scherpe doornen, die als vishaken waren gevormd. De struiken waren niet te dicht, voor een paard dat hier vandaan kwam. Jager ontweek de scherpe doornen dan ook nauw­keurig. Maar de Engelsman ging dit niet zo goed af. Toen Pieter omkeek moest hij lachen; hij zag een grote scheur in de wapenrok van de officier en de zijn mooie rode jas hing in flarden naast zijn paard. Bij de borst en de benen van het zwarte paard liep bloed en het zweet bedekte zijn lichaam. De Engelsman had de lippen samenge­perst, zijn ogen fonkelde van woede en zijn gezicht leek nog roder dan zijn gescheurde jas. De Engelsman bleek echter een goed ruiter te zijn en liep steeds een beetje op Pieter in. De neus van zijn paard kon het achterwerk van Jager al bijna raken, de officier strekte zijn hand uit om Pieter te grijpen.
Toen zwenkte de jeugdige Boer zijn paard scherp naar rechts en ont­week zo de greep van de offi­cier. Plotseling ver­rees uit het hoge gras een soort wal van strui­ken en stukken hout. Jager vertraagde zijn loop en sprong met een grote sprong op en over de wal. De officier schopte met volle kracht de sporen in de zijden van zijn paard. Het dier was echter te veel uitgeput en sloeg met de achterpo­ten tegen de wal, Lord Fitzhe­rbert vloog uit het zadel en bleef roerloos op de grond liggen.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina