Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina4/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Hoofdstuk 7: Titus de Afrikaan

Pieter hoorde het geluid van de val en hield dadelijk zijn paard in. Lord Fitzherbert lag op zijn rug, de helm was van het hoofd gevallen, zijn voorhoofd was met bloed bedekt. Vol mede­lijden boog de jongen zich over de bewusteloze offi­cier. Pieter tilde de officier iets op en wiste met zijn zak­doek het bloed van het voorhoofd af, een lange schram liep van het rechteroog tot aan de schedel. Hij legde de gewonde weer neer en besloot water te gaan zoeken.


Op hetzelfde ogenblik weerklonk een wild geschreeuw en gehuil dat zich van alle kanten verhief en tegelijk voelde Pieter Ma­rits zich door sterke vuisten gegrepen en zag hij een menigte donkere gestalten voor zich oprijzen. Geschrokken keek Pieter in het rond. Wel veertig zwarten omsin­gelden hem en de op de grond liggende officier. Eén van hen hield Jager in bedwang, een ander ontnam Pieter zijn buks en patroongordel. De zwarten waren allen gewapend, de meeste met boog en peilen, strijdbijlen, werpspiezen en lange schil­den. Een enkeling droeg een geweer. Na het plunderen van de officier, werd deze op een draagbaar gelegd en samen met Pieter wegge­voerd.
Ze liepen tot de zon bijna onder was eer de stoet een plaats met ronde hutten bereikten. Een zwarte gestalte, de aanvoer­der van deze bende, kwam nu op hen toe lopen en nodig­de hen uit om uit te rusten bij het vuur. Ze sliepen die nacht temidden van hon­derden zwarte krijgers. De toestand van de Engelsman was in de loop van de nacht zover verbeterd, dat hij de volgende morgen alweer rond kon lopen. Lord Fitzherbert leunde op de schouder van Pieter Marits en liep vertrouwelijk met hem rond door het kleine dorp. Zijn gedrag tegen de Boerenjongen was geheel veranderd, behalve Pieter was hij de enigste blanke in het dorp. "Pieter, wat zouden die zwarte kerels met ons gaan doen? Is het gebruike­lijk bij dit volk om gevangen vijanden te braden en op te eten?" vroeg de officier enigs­zins ongerust. "Dat denk ik niet," zei Pieter. "Ik geloof, dat we in handen van Titus de Afrikaan en Vleermuis zijn gevallen. Dit is de streek, die door hen wordt bewoond, dit moet het drakenge­bergte zijn."
Toen werden ze meegenomen omhoog de berg op, ze kwamen terecht bij een grote grot, die binnen verlicht werd door een vel bran­dend vuur en door in de rotswand gestoken fakkels. Ze naderden een aantal mannen, die zwij­gend op de hurken zaten. Pieter zag wel dat het krijgers van ver­schillende stam­men waren. Ze droegen allen fraaie mantels van dierenvellen en waren ver­sierd met hals- en armbanden. De voornaamste van hen was een oude forse man. Toen de gevangenen werden voorgeleid, stond hij op en zei: "Bereid je voor op de dood, want je bent in de macht van Titus de Afrikaan."


Hoofdstuk 8: Onder de rovers

Toen de gevangenen deze bedreiging hoorden uitspreken door een rover wiens naam slechts met schrik werd genoemd, richten zij het hoofd fier omhoog en keken de toornige Titus in de fonke­lende donkere ogen. Titus lette nauwkeurig op de indruk, die zijn woorden hadden gemaakt. Toen hij de onverschrokken ge­zich­ten van Pieter en de Engelsman zag, riep hij woedend: " Breng hen weg, en bewaak hen goed! Morgen zal ik het vonnis vellen."





De zwarten die hen om­ring­den, brachten hen naar een ander ge­deelte van de grote rovers­g­rot, hier kre­gen ze iets te eten. Pieter en de Engels­man ston­den zwijgend naast elkaar en dach­ten met treurige ge­voe­lens over hun noodlot na.


"Laat ons bid­den," zei Pie­ter. "Laat ons God vragen ons te helpen." Na deze woorden knielde hij en bad het "Onze Vader" met zulk een plech­tig ver­trouwen, dat het diepe in­druk maakte op de Engels­man. Eerst glim­lachte hij, maar spoedig werd hij ern­stig en aan­schouwde de jeugdige Boer met oprechte bewondering. Pieter legde zich na het ge­bed te ruste en spoedig ver­ried zijn ademha­ling, dat hij sliep.
Aan het hoofd van een troep zwar­ten, die die morgen na­der­den, liep Titus, met naast hem een minstens even fors gebouwde rover­hoofdman. Deze droeg een muts van grijs ap­envel en een mantel van leeu­wen­huid.

Pieter Marits ver­moedde dat dit Vleer­muis moest zijn. "Jullie gaan sterven," begon Titus. "Maar eerst kunnen jullie getuigen zijn, hoe de Basuto-vorsten hun vijanden ver­slaan. Ha! De Boeren zijn in aantocht om hun vee terug te halen. Ze zullen onze bergen niet levend verla­ten!"


Pieter z'n hart klopte hoorbaar, de Boeren kwamen hun gestolen vee terug halen. Misschien was dat zijn redding. Vroeger had hijzelf ook meegedaan aan zulke wraakacties, zijn eigen vader was immers tijdens zo'n gevecht omgekomen. Een groep van ongeveer 400 krijgers verzamelde zich voor Titus en Vleermuis, de meeste gewapend met speren en bogen, een enke­ling met een geweer. Na een mars van ongeveer ander­half uur bereikte de groep de rand van een helling, vanwaar men een goed uitzicht had op de beneden hen liggende vlakte. "Daar komen de Boeren," fluisterde Pieter tegen de Engelsman. "Kijk toch, hoe snel ze naderen, het zijn er minstens zestig". Titus had intus­sen de nade­rende vijand even goed herkend als de Boerenzoon. Zijn vuist omklemde het geweer, zijn hoofd was voorover gebogen en zijn blik leek op die van een roofdier.

Verscheidene Boeren stegen van hun paarden, met de buks in de hand, gereed om te schieten, gingen ze langzaam vooruit. Toen bleven de Boeren plotseling staan, ze moesten iets ontdekt hebben. Ademloos keek Pieter toe. Plotseling verhief zich een wild gehuil en uit het bos beneden hen rende een lange rij zwarte krijgers, de speren zwaaiend en met de schilden de borst beschermend. Vleermuis had de aanval ingezet.


De Boeren leken echter plotseling verdwenen te zijn. Het was alsof de aardbo­dem hen verslonden had. Het enigste wat je nog zag, vanach­ter bomen, struiken en rotsblokken, waren kleine rook­wolkjes. De knal van vele schoten­ drong door naar omhoog. Onder de zwarten ontstond weldra verwarring. Zoveel rook­wolk­jes er opstegen, zoveel zwar­te krijgslieden vielen neer. Zij, die in de buurt stonden, sloegen op de vlucht en deden zo de aanval mislukken.




1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina