Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina5/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Hoofdstuk 9: Morimo

Titus kon thans zijn strijdlust niet langer bedwingen. Hij gaf aan zijn krijgers, die net als hijzelf ook met een geweer gewa­pend waren, een wenk en sloop met hen vooruit. Ze kropen voort over het gras, bijna geheel op de buik liggend, met de knieën en de ellebogen zich vooruitschuivend, terwijl ze de kolven van de geweren in de handen hielden.


Op een teken van Titus de Afrikaan sprongen onmiddellijk vijf of zes zwarte gestalten in de hoogte, stonden een seconde recht­op en lagen in een oogwenk weer op de buik. Wel tien schoten knalden, maar geen enkel schot trof doel. Het bleek dat de Boeren reeds dichter genaderd waren. Titus en zijn mannen verlo­ren hun geduld en in grote sprongen snelden ze hun vijand tege­moet. Nu kwamen ook de Boeren vanachter hun schuilplaatsen te voor­schijn en de kogels vlogen de aanvallers tegemoet.
Thans werd de opmerk­zaamheid van Pieter geheel in beslag genomen door Titus, die helemaal vooraan stond. Hij stond recht­op, op nog geen twintig meter afstand van een half verscho­len Boer. Duidelijk zag Pieter de witte baard van de Boer, en zijn grote brede hoed. De Boer hield het geweer tegen de wang en mikte op de hoofd­man. Titus stond onbeweeglijk stil. Ook hij had de buks aange­legd en gedurende een seconde leek zijn ontmoe­ting met de boer op een duel. Het schot van de blanke kwam het eerst en op het ogenblik, waarop het vuur uit zijn buks te voorschijn kwam, scheen de gestalte van de hoofdman kleiner te worden. Het was, alsof hij in de grond gezonken was. Maar de hoop van Pie­ter, dat hij getroffen was, werd niet vervuld. Zijn buks bleef in zijn armen in dezelfde stand en terwijl de Boer nog keek naar de uit­werking van zijn schot, ging het wapen van Titus af. Een kreet van schrik ontsnapte Pieter. De grijze Boer opende de armen en stortte dodelijk getroffen voorover. Dadelijk daarop waren alle gestalten verdwenen, de vlakte lag er weer in stille vrede, geen Boer liet zich meer zien. Ter­neerge­slagen zagen Pieter en Lord Fitzherbert hoe de Boeren zich terugtrokken.
Titus en Vleermuis verzamelden hun krij­gers bij de ingang van het dal en verzorg­den hun gewonden. Veel waren dat er niet, de meeste getroffenen hadden een kogel in het hoofd of in het hart gekregen. Titus had 50 krijgslie­den in de strijd verlo­ren, onder de Boeren werden 3 doden geteld. Terwijl iedereen zat na te praten over hoe ze de Boeren ver­slagen hadden, naderde langs de rand van het woud een wagen die met een lange rij ossen bespannen was. Voor de lange stoet uit reed een man, die Pieter reeds van verre herkend had. Het was de oude zendeling! De roversbende was zo verbaasd hier in hun gebied een vreemde te zien, dat ze rustig afwachtte tot de oude man naderbij gekomen was. Eindelijk steeg de zendeling van zijn paard en liep met be­daar­de schreden op Titus en Vleermuis toe. De zendeling had de gevangenen nog niet opge­merkt, hij bleef staan voor de beide roverhoofdmannen en zei: "De zegen Gods zij met U, o, vreemdelin­gen! Ik ben gekomen om in de naam van de Schepper te spreken met de grote krijgs­oversten, die het volk Titus de Afrikaan en Vleermuis noemt."
Toen de zendeling zweeg, wendde Titus zich tot zijn broer en zei lachend: "Daar heb je nu één van de mannen, die de blan­ken zendelingen noemen. Nu de blanken ons niet met wapens kunnen verslaan, proberen ze ons te overtuigen van het bestaan van een vorst, die in de hemel woont en onzichtbaar zou zijn. Ik weet reeds wat dat betekent. We mogen geen blanke een haar krenken en al onze gevangenen moeten wij vrij laten. Maar ik zeg, leugen­achtige grijskop, kijk naar de lijken van mijn stam! Wij weten wat je leer waard is. Je kunt Titus niets nieuws meer vertellen. Heb je mijn krijgers en mijn vrienden gedood, dan dood ik jou samen met je twee blanke vrienden. Je ossen zullen wij slach­ten en opeten."

Toen sprak de zendeling opnieuw, nu in de taal van de Betchua­nen. "Mijn 24 ossen en mijn wagen vol met rijst, maïs en koffie, mag je van me afnemen. Ik ben gekomen om jullie te vertellen over de Onzichtbare in de hemel. Wat ik breng is oneindig veel mooier, dan alles wat u bezit." De zwarte krij­gers waren zo verbaasd over de moed van de onge­wapende grijze man, dat ze allen stil luisterden naar hetgeen hij vertelde.


"Luister niet naar deze leugenaar en verrader" riep Titus vol woede uit. "Hij komt om te spioneren voor de Boeren, zodat zij ons allen kunnen doden. Volgt mij, vrienden! Steek deze blan­ken neer en laat ons de ossen slachten." De hele stam juich­te hem toe en vele speren werden opgeheven om de zende­ling, Pieter en de Engelsman te doden. De blanken schenen verloren, toen Vleer­muis plotseling met een gebaar van schrik naar het hoofd van de zendeling wees.
"Mori­mo!" schreeuwde hij waarschuwend, "Morimo!" De hele troep woedende en opgewonden krijgers aarzelde, en keek naar het hoofd van de zendeling. Sommige bleven versteend op hun plaats staan, terwijl anderen op de grond vielen en aan­biddend de handen ophieven.
"Morimo!" klonk het uit ieders mond. Op het grijze haar van de zendeling zat een kever van een bijzondere vorm, onge­veer een vinger lang, met een groene rug, rood en wit ge­vlekt. De kop en de vleugels waren geel, de poten zil­vergrijs. Pieter herkende dit zeldzame beestje, de Zuid-Afri­kaanse volken ge­loofden dat deze kever heilig was. De plaats waar deze kever zich neerzet is voor hen een gewijde plaats; de persoon, die de kever aanraakt wordt voor gelukzalig gehou­den en zijn komst betekent geluk.

"We zijn gered!" riep Pieter Marits uit.




Hoofdstuk 10: De bekering

"Ik geloof niet dat het u ooit zal lukken Titus te bekeren." zei de Engelsman. "Hij is een wilde knaap en zal ons eerder met huid en haar opeten dan dat hij zich laat dopen." Dat bewijst niets: het zijn juist de wildste die zich bekeren" antwoordde de zende­ling. "Ik stel mij altijd voor dat ieder mens iets goeds in zich heeft, ook deze hoofdman." De volgende morgen nam Vleermuis de gevangenen mee naar zijn dorp, van hier bespiedde hij de gelegenheid tot rooftoch­ten en had hij zicht op een eventueel naderende vijand. Zijn broer Titus, hield boven in het gebergte de andere zijde van het omringende land in de gaten.


De zendeling vertelde, 's avonds bij het kampvuur, verha­len over Jezus, de onzichtbare God. De zwarten luisterde aandachtig naar hem, maar waren ook erg bru­taal en zeer geïnteresseerd in de potten en pannen die de zende­ling bij zich had. Zulke mooie voorwerpen hadden zij nog nooit gezien. Soms verscheen Titus in volle wapenrusting en keek kwaad naar zijn krijgers, die luis­terde naar de verhalen die de zende­ling hen vertelde. Ja, als de zendeling was uitge­spro­ken, nam het opperhoofd soms het woord, bespotte hem en braak­te beledi­gingen uit. De zendeling trok zich hier weinig van aan, hij bemerkte dat het opperhoofd steeds terug­kwam en dat hij aandach­tig naar zijn verhalen luisterde. Vleermuis, die slechts aan rooftochten dacht, bemoeide zich niet met de zende­ling.
Op zekere nacht hoorde Pieter een verdacht geluid buiten de hut waarin hij, samen met de zendeling en de Engels­man, sliep. Hij wekte zijn beide metgezellen en luisterde aandach­tig naar het­geen er buiten gebeurde. Spoedig daarop zagen ze twee gestal­ten naar binnen sluipen, waarvan één zich onmiddel­lijk wendde naar de plaats, waar de zendeling had liggen slapen en een geduchte houw met de strijdbijl naar het hoofd­einde deed. Het was niet licht genoeg om de personen de onder­scheiden. Toen Pieter en de Engelsman dit zagen, wierpen zij zich onder luid geschreeuw op de beide zwarten. Eén der zwar­ten kreeg een mes­steek van de Engelsman, waarna zij beide vluchtte.
Toen Titus de volgende morgen hoorde wat er gebeurd was, stoof hij woedend op. Hij liet de beide lieden, waarvan de één zijn arm in een verband droeg, voor zich komen en sprak hen op hefti­ge wijze toe. "Weten jullie niet, dat de blanken onder bescher­ming van je opperhoofd staat? Zijn jullie vergeten dat Morimo, de heilige kever, zich op het hoofd van de zendeling heeft vertoond? Wie de wapens opneemt tegen iemand die door Morimo is geheiligd, moet sterven. Verschrikt smeekten de boosdoeners om genade, maar het opper­hoofd bleef onverbiddelijk en gaf bevel, dat ze op staan­de voet zouden worden gedood.
Toen de beide lieden werden wegge­voerd om gedood te worden sprak de zendeling tot Titus: "Laat deze mannen leven. Hoe kunnen zij berouw krij­gen over hun mis­daad, indien gij hen doodt?" Verbaast keek de hoofdman hem aan en zei: "U smeekt om genade voor hen, die u wilde doden?" De zendeling zei: "Jezus, de onzichtbare God, verteld ons dat we ook onze vijanden moeten liefhebben" Titus was erg onder de indruk van deze woor­den en riep: "Laat hen vrij"



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina