Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina6/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15

Hoofdstuk 11: De reis naar het Zoeloeland

Humbati en Molihabantschi, de twee Zoeloes die Pieter Marits moest bewaken tijdens hun reis met de zendeling, waren van plan naar hun eigen volk terug te keren. Als dank voor het redden van hun leven, toen zij door de Boeren gevangen waren genomen, mochten Pieter, de Engelsman en de zendeling mee naar het Zoeloeland.

"Hier dichtbij, enige dagen rijden, woont onze hoofd­man, de grote Cetschwayo. Hij zal U rijkelijk belo­nen voor uw goede zorgen, want hij is zeer rijk en machtig." vertelde Humba­ti.
De zendeling schrok enigszins van deze uitnodiging. Hij had genoeg over de Zoeloekoning gehoord, om te weten dat er geen man in Zuid-Afrika was meer te vrezen dan hij. Cetschwayo was be­rucht als een tiran, hij was een grootmoordenaar en in zijn land stroomde het bloed als water. Toen Pieter dit alles hoorde, kon hij nauwelijks wachten om op pad te gaan. Acht weken reeds hadden ze in het dorp van Titus en Vleermuis gevangen gezeten. Het vooruitzicht zijn paard Jager weer terug te zien, vervulde hem met grote vreug­de. Pieter kreeg ook het uitstekende geweer terug dat zijn vader hem gege­ven had. De Zwarten hadden het in goede toestand gehouden. Ook de gordel met patronen en de hartsvanger werden hem teruggege­ven. Intussen waren twaalf Kaffers van de bende van Vleermuis aange­treden, zij zouden als bewaking meegaan. Zo gingen zij op pad, een lange en moeilijke reis tegemoet.
Na enkele dagen rijden kwamen ze bij een groot, door heu­vels en bergen ingesloten, dal. Op de groene berghellingen ontdekten zij verschillende naast elkaar liggende donkere cir­kels. Moliha­bant­schi vertelde dat het militaire kralen (dorpen) waren, garnizoe­nen van het leger van koning Cetschw­ayo. Ze reden verder naar de vierde kraal. Reeds uit de verte was op het plein het schitteren van wapenen te bemerken. Bij het plein stonden wel 500 krijgers in volle wapenrus­ting, opgesteld in twee rijen, waartussen de vreemdelingen moesten doortrekken. De krijgers droegen allen hoge spitse schilden, die van hun kin tot de voeten reikten, zodat ze er het hele lichaam mee konden bescher­men. Ook droegen ze speren met blinkende ijzeren punten en gekleurde veren op hun hoofd.
Toen de Pieter en zijn vrienden deze levende gang gepas­seerd waren, kwamen ze op een grote open ruimte, waar ze vol verras­sing in het rond keken. Zo ver ze konden zien zagen zij krijgers met schilden, speerpunten en oorlogsveren. Ze stonden verschil­len­de rijen dik, onbeweeglijk en zwijgend naast el­kaar. Naar schatting van de Engelsman waren het er minstens 10.000. Ze stonden verdeelt in groepen van 1000 man, iedere groep met zijn eigen kleuren.
Toen klonk een kort commando en sloot de gang waardoor ze geko­men waren. Daarna werd kenbaar gemaakt dat ze van hun paar­den af moesten komen. Een luid gezang klonk nu op, de paarden begonnen angstig te steigeren. Alle krijgers zongen en stamp­ten de maat met hun voeten. Opeens echter hield hun gezang op en trad een dodelijke stilte in. De blanken keken verwonderd in het rond en vroegen elkaar wat dit had te bete­kenen. Toen begonnen de rijen met krijgers tegenover hen uiteen te gaan, zodat er een opening in de kring ontstond.

Hoofdstuk 12: Cetschwayo, de koning der Zoeloes

De koning kwam door de opening naderbij, gevolgd door een aantal van zijn hofbedienden. Hij ging de vreemdelingen tege­moet en begroette hen hartelijk. Humbati en Molihabantschi hadden hun koning reeds ingelicht over de vreedzame bedoelin­gen van de zendeling. Pieter Marits bekeek de koning met belangstelling. Hij was zeer groot, wel een hoofd groter dan de slanke Engelse officier. Zijn hoofd was verbazend breed en dik, een dunne baard omgaf zijn mond en kin. Ook had hij spieren als bergen en droeg hij een lange staf, een soort scepter van ivoor met gouden ringen ver­sierd.


Toen nodigde hij met een wenk de blanken uit om mee te gaan naar het midden van het dorp. Elk der blanken kreeg een afzon­derlijke hut en twee hofbedienden stonden tot hun dienst. Ter­wijl zij 's avonds bij hun hutten zaten en hun toestand bespra­ken, naderde een stoet van bedienden. Ze droe­gen manden met vruchten en koren, schalen met melk en honing, gebraden osse­vlees en gekookt vlees in potten.
De volgende morgen verscheen onaangediend de koning zelf. Hij werd bege­leid door Humbati en Molihabantschi. "Dit zijn grote mannen, Humbati is mijn rechter­hand." sprak de koning. "Toen ik deze beiden wegzond om het land van de blanke te ver­kennen, zond ik mijn ogen, mijn oren en mijn mond. Wat zij zagen, zag ik; wat zij hoor­den, hoorde ik; wat zij spraken, sprak Cetsch­wayo. Gij hebt hen te eten gegeven, toen ze honge­rig waren, gij hebt hen gekleed, toen het regende, en toen ze gedood zouden worden, hebt gij hen met uw schilt gedekt. Dat hebt gij aan mij ge­daan, Cetschwayo, de grote olifant."
De zendeling zag dankbaarheid, maar tegelijk trots op het gezicht van de koning. Blijkbaar dacht deze moordzuchtige ko­ning, dat deze blanke man midden tussen de Boeren, de ver ver­wijderde koning een dienst had willen bewijzen. "Gij zijt geen Engelsman en geen Boer, waar komt ge van­daan?" vroeg de koning. "Ik ben een Duitser," antwoordde de zendeling. "Duitsland is een land dat ver in het noorden ligt, in de buurt van Engeland." De zendeling stond nu op en ging naar zijn boe­kenkist. Hij haalde een boek tevoorschijn met daarop een portret van de Duitse keizer. Dit boek gaf hij aan de koning. Cetschwayo bekeek het geschenk met grote verwonde­ring. Toen hij de platen en de ontelbare zwarte letters zag, werden zijn lippen wit en greep hij de arm van de zende­ling angstig beet. Cetschwa­yo, de grote olifant, koning van duizenden heldhaftige krijgers, was bang voor het boek.
"Hebt gij het ding medicijn gegeven?" vroeg hij met bijge­lovige afschuw. "O, neen," zie de zendeling geruststel­lend. "Het is geheel zonder medicijn. Alles is met de handen gemaakt, het gladde papier, de kleine zwarte tekens en de platen." Nu ver­dween de vrees van de koning; hij bleef wel een uur lang bij de zendeling, liet zich vele dingen vertellen en nam zeer bevredigd afscheid, terwijl hij door zijn dienaren het boek liet meenemen. Spoedig daarna kwam er een uitnodiging voor een hof­feest, dat diezelfde avond zou plaats vinden.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina