Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina7/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15

Hoofdstuk 13: Koninklijke manoeuvres en jachten

De Engelsman, Lord Adolphus Fitzherbert, had met de koning gesproken over het Engelse leger. De Engelse regering had beslo­ten een einde te maken aan de macht van de Zoeloes. Nadat de Engelsen, de Boeren verslagen zouden hebben, zouden de Zoeloes spoedig volgen. Koning Cetschwayo zou om zijn macht te bewijzen, een grote oefening houden. Hij had al zijn troepen in de hoofdstad laten samenkomen. Overal lagen zwarte speerdragers op de vrije plaat­sen voor de huizen of doorkruisten in grote troepen de stra­ten. Vergezeld door zijn hofstoet, vertrok de koning op de tweede dag na het hoffeest. Zijn leger was reeds vooruit gemarcheerd.


Pieter Marits, de Engelsman en de zendeling zadelden hun paarden en reden met de koning mee. De volgende morgen aan­schouwde Pieter een leger van wel twintig duizend man, dat bij regimenten marcheerde, om manoeuvres uit te voeren. In elk regiment waren de soldaten van dezelfde leef­tijd; de jongsten bestonden uit lieden van vijftien of zestien jaar. De regimenten werden eerst geformeerd in dichte colon­nes, daarna weer in lange linies uit elkaar getrokken, maakten zwen­kingen en verdeelden zich in afdelingen van verschillende vorm. De Engelse Lord was verbaasd over de nauwkeurigheid en snelheid waarmee de troepen zich bewogen. Vermoeidheid schenen deze troepen niet te kennen. Het gelaat van de koning schitterde van trots, toen de Lord hem zijn bewonde­ring te kennen had gege­ven. "Mijn troepen mar­cheren een dag en een nacht achter elkaar zonder te rus­ten," zei Cet­schwayo trots.
De oefeningen hadden echter een onverwacht slot, dat Pieter Maritz met afschuw vervulde. De koning gaf bevel verder noord­waarts te trekken. Tegen de avond zagen zij een dorp vóór zich liggen en de koning verdeelde zijn troepen zodanig, dat zij het dorp aan alle kanten insloten. Men kon uit de verte zien dat de bewoners naar buiten kwamen en angstig heen en weer liepen. Opeens stormden de soldaten van Cetschwayo van alle kanten op het dorp los en schreeuwden daarbij op een vreselijke wijze. Vlammen stegen op verschillende plaatsen uit het dorp op en bij het licht van de vlammen zag men, dat de bewoners gedood werden. Mannen en vrouwen werd een speer door de borst gestoken, of de schedel werd met een knuppel ingesla­gen. Kinderen werden gedood en in de vlammen geworpen.
Cetschwayo verklaarde dat dit dorp zijn onvrede had opge­wekt, omdat de hoofdman zijn bevelen niet met de nodige spoed gehoor­zaamde. Bij deze woorden keerde hij zich om en trok hij zijn troepen terug. Cetschwayo liep meer dan een uur ver, totdat van de rook en de brand van het dorp niets meer te zien was. Daarop liet hij in het bos halt houden en gaf bevel hier voor de nacht het kamp op te slaan. Pas laat sliep Pieter in die avond. Na weinige uren werd het kamp, door een luid gebrul en geschreeuw gewekt. Een leeuw had een van de knechten gedood. Door de krijgers was de leeuw dade­lijk verjaagd, maar het was hem toch nog gelukt het lijk mee te nemen.
Cetschwayo, buiten zichzelf van woede, gaf bevel aan zijn krijgers de leeuw levend te vangen. Met eigen hand wilde hij het dier doden, omdat het zo brutaal was ge­weest het koninklijk kamp binnen te dringen. Gehoorzaam legde de afdeling van het regiment met de blauwe schilden, de speren en schilden af, om ongewa­pend op jacht te gaan. Toen Pieter dit zag, zadelde hij zijn paard Jager. Hij wierp zijn buks om zijn schouder en reed uit, om de ongewapende jagers te verge­zellen.

Het was intussen geheel dag geworden. Klaarblijkelijk hield de leeuw zich verscholen in het struikgewas. Zeer ver kon hij onmogelijk zijn gevlucht, want hij moest het zware li­chaam van de dode met zich meeslepen. Nadat reeds zesmaal tevergeefs een kreupelbosje was door­zocht, kwam de troep voor een schuilplaats, die door hoge dis­tels was ingesloten. Zonder aarzelen wierpen de Zoeloes zich hier in. Het duurde niet lang, of er weerklonk een gewel­dig gebrul. Een gillend geschreeuw uit honderd rauwe kelen beant­woordde het.


Pieter Marits hield zijn paard in op halve schot­wijdte van de rand. Zijn hart klopte, toen hij zich voorstelde, wat zich daar tussen de struiken af speelde. Want thans vermeng­de zich het brullen herhaaldelijk met het ge­schreeuw. Plotseling verscheen de leeuw op een vooruitstekend rotsblok. Na enige ogenblikken stonden ook de zwarten op het rotsblok. De leeuw scheen verwon­derd en bevreesd. De leeuw nam een geweldige sprong, en kwam buiten het kreu­pel­hout op de grond terecht. Pieter kon de leeuw nu goed zien. Het was een geweldig dier, zijn gele manen waren dicht bij de hals zeer donker en zware haarbossen hingen aan zijn poten. Jager beefde aan al zijn leden en ging op de achterpoten staan: slechts met moeite kon Pieter hem in bedwang houden.
Als honden wierpen de Zoeloes zich, zonder aarzelen op het wilde dier. Een ontzettende strijd ving aan. Met één slag van zijn klauwen smakte de leeuw de voorste der aanvallers tegen de grond, hem borst en onder­lijf verpletterend. Drie anderen wierp hij met bloed bedekt teneer, terwijl zijn tanden de bovenarm van een vijfde van de schouder tot de elleboog ont­vleesden. Maar de Zoeloes wierpen zich over hem heen, zonder hem een ogenblik rust te gunnen. Hun vuisten grepen zijn manen, zijn klauwen, zijn staart, zijn neus, Ja ze dron­gen door tot in zijn muil en pakten zijn tong vast. De Zoeloes lieten niet meer los en na een wor­steling, die verscheidene minuten duurde lag de leeuw, de vier poten gebon­den, machte­loos op de grond. Een touw sloot ook zijn muil. Behalve drie doden lagen echter nog zes zwaar gewonde mannen naast het ondier in het gras.
Cetschwayo zat, te midden van zijn hofstoet, op zijn schild, toen de troep terugkwam. Hij keek, de wankelend op de poten staande leeuw aan en kreeg een wilde uitdruk­king in de ogen. Hij liep op hem toe en schold het dier de huid vol. Toen hief hij de zware ivoren staf op en sloeg het dier daarmee op zijn kop, zodat het van woede brulde; daarop staken, op een wenk van de koning, enige zwarten hem een speer tussen de ribben en dood­den hem. Een luid triomfgeschreeuw weerklonk. "De koning heeft ge­straft! De machtige olifant heeft gewroken! Sterk is de hand van de koning der koningen!"
Hoofdstuk 14: Mainze-Kanze (Laat de vijand komen)
Na korte tijd bereikte men de top van een kleine berg, wat zij hier zagen, verraste de blanken uitermate. Voor hen lag een uitge­strekt dal met verscheidene donkere kralen, hutten die in een kring staan om een groot plein. Vóór deze kralen schitter­den wapenen. Er stond daar een heel leger opgesteld. Koning Cetschwayo wendde zich met zegevierende blik tot de zendeling. "Jullie hebben slechts een gedeelte van mijn krijg­smacht gezien," zei hij. "Dit leger draagt de naam 'Main­ze-Kanze', hetgeen betekent: laat de vijand komen!" Er stonden niet minder dan tienduizend man opgesteld, die allen geweren droe­gen. "Dit was het 'regiment des konings', " vertelde Humbati aan de blanken.
Twintig mannen werden uitgezocht, om hun schietkunst te demon­stre­ren. Ze werden op tweehonderd pas afstand verwijderd van een Boer, die van papier was gemaakt en beschilderd; hierop schoten ze om de beurt. De uitgezochte lieden behoorden waar­schijnlijk tot de beste schutters en ze schoten zeer goed. Bij elk schot werd de borst of de kop geraakt. De koning zag thans om naar de blanken en zag dat Pieter met gespannen belangstel­ling toekeek. Hij glimlachte en verzocht de zende­ling aan Pieter te vragen, of hij met de garde des ko­nings een schiet­wedstrijd wilde houden.
Pieter moest blozen toen hij de uitno­diging vernam, alle zwarte schutters keken nu naar hem. Hij ging tegenover de schijf staan, woog de buks een ogenblik in de hand, schoot en trof de papieren Boer midden in het ge­zicht. De koning knikte goedkeu­rend. "Nu zal ik het rechteroog raken," zei Pieter. "Maar mijn beste jongen, pas toch op om de koning te beledigen door beter te schieten dan zijn manschappen," waarschuwde de zendeling. "Wat zegt de knaap?" vroeg Cetsch­wayo. "Hij wil op het rechteroog schieten," antwoordde de zendeling. "Laat hij dat doen!" riep de koning. "Mijn Zoeloes zullen hetzelfde doen."
Pieter mikte, het schot ging af en trof het rechteroog. "Nu mijn lieden!" riep de koning. De Zoeloes schoten, maar hun kogels troffen wel de kop en de hoed van de Boer, maar van de eerste negen schutters had nog geen enkel het oog getroffen. Daar trof de tiende het en de koning knikte bevredigend. Pieter had zich er over geërgerd, dat de Zoeloes op een schijf schoten, die een Boer voorstelde en hij wilde tonen, wat een goede schutters de Boeren waren. "Het doel is veel te groot voor een Boer!" zei hij trots. "Laat de koning een kraan­vogel­veer op de punt van een speer steken." Op driehonderd pas af­stand werd een speer in de grond gesto­ken; een klein zwart veertje werd op de punt gezet. De koning liet de Zoeloes het eerst schieten, maar zij misten allen het doel, behalve de man die ook het oog had getroffen. Deze raakte wel niet de veer, maar zijn kogel vermorzelde de schacht van de speer, vlak bene­den de punt. "Goed! zeer goed!" riep de koning en hij gaf de schutter één van zijn gouden armbanden. Een nieuwe speer werd ge­plaatst, en van een zwarte veer voorzien. Pieter zette de linkervoet naar voren en hief langzaam de buks op. Thans knalde het schot en de kleine veer was verdwenen, terwijl de speer recht overeind bleef staan. De koning gaf Pieter een compliment en schonk hem als beloning één van zijn gouden rin­gen. Maar in de ogen van Cetsch­wayo brandde heimelijke woede.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   10   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina