Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina8/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   15

Hoofdstuk 15: De regenmaker

Pieter was treurig. Hij voelde zich eenzaam, nu de Engelsman was teruggegaan naar zijn eigen onderdeel. Cetschwayo had hem terug­gestuurd met de boodschap dat hij de Engelsen zou helpen in hun strijd tegen de Boeren. Met de Lord had Pieter het altijd goed kunnen vinden. Nu bleef hij alleen achter met de zendeling, die een stuk ouder was dan Pieter. Het verblijf bij koning Cetschwayo leek veel op gevangen­schap. Weliswaar werden de blanken met grote eerbied behandeld en luisterde de koning steeds met grote aandacht naar de zende­ling, maar hun vrijheid was slechts zeer gering. Dat de zende­ling vrijmoedig met de koning sprak en dat deze daarover niet boos werd, was voor het gehele hof een raadsel. De zende­ling werd daarom bijna als een bovenaards wezen be­schouwd; men zag hem als een tovenaar van de eerste rang. Ook de koning was er van over­tuigd dat de zendeling kon tove­ren en hij vroeg hem toen de regentijd zeer lang uitbleef, in ernst, of hij geen regen kon maken. Toen zei de zendeling hem, dat hij wel kon bidden om regen, maar dat hij niet voor­uit kon zeggen of zijn gebed ver­hoord zou worden.


De koning keerde naar Ulundi terug en liet de beste regen­maker uit zijn land bij hem komen. Op zekere middag hoorden de zende­ling en Pieter een luid, aanhou­dend gejuich. Alle krijgers stroomden naar buiten, de beroemde regenmaker kwam er aan. Pieter en de zendeling wandelde de kant uit waar de regenmaker zich bevond en keken naar de lucht. Wonderlijk genoeg pakten van vele kanten donkere wolken samen. Het volk keek naar de hemel en wees elkaar op de wolken. Juist toen de regenmaker de heuvel afdaal­de, begon het te weerlichten; verschrikkelijke donder­sla­gen rolden door het luchtruim en enkele grote regendruppels begonnen te vallen. Het volk raakte helemaal in vervoering. Zij dansten, zon­gen, bliezen op hoorns en sloegen op hun trommels. De regenmaker kwam nu naar de zende­ling toe en bespotte hem. "Waar is nu je God?" vroeg hij met een spottende glimlach. "Heb je mijn Morimo ge­zien? Heb je opgemerkt, hoe uit zijn armen vurige speren vlogen, die de hemel deden splijten? Heb je zijn stem in de wolken gehoord?"
Veel regen was er echter niet gevallen, slechts het stof was verdwenen en de droogte hield aan. De daarop volgende dagen probeerde de regenmaker op allerlei wijzen regen te maken. Zodra zich ergens een klein wolkje aan de hemel ver­toon­de, werden krijgers rondge­zonden, die de vrouwen verbo­den te planten en te zaaien, opdat de wolken niet werden verjaagd. Ook zond hij honderden krijgers het veld in om be­paalde worte­len en kruiden te zoeken. Hiervan wilde hij een groot vuur aanleggen, dat door de Zoeloes 'het vuur des ge­heims' werd genoemd. Maar toen al zijn vuren niets uitwerkten, begon hij te spreken van geheime tegenstanders, ervaren tovenaars die de regen tegen hielden. Hij keek hierbij minachtend naar de zende­ling.

Eens verlangde de regenmaker een leeuwenhart en brouwde daar­van een tover­drank, die de koning moest drinken. Een andere keer zei hij, dat de begrafenissen verkeerd waren gehouden; hij liet de doden van de laatste maanden opgraven en opnieuw begra­ven, maar niets hielp. De koning begon langzaam het ver­trouwen in hem te verliezen en werd met de dag kwader. Toen kwam de regenmaker op een avond, met neergeslagen ogen bij de zende­ling in de tent en vroeg hem om raad. "Gij zijt een vriend van de koning," zei hij. "Spreek met de ko­ning, zodat hij mijn leven spaart, zeg mij wat ik moet doen."


"Beken de waarheid! Beken, dat je geen regen kunt maken!" ant­woordde de zendeling. " Als je dat wilt doen, dan zal ik de koning verzoeken, je leven te sparen."

"Dat is onmogelijk, dat kan ik niet doen." riep de regen­maker geschrokken. "Het is beter de waarheid te spreken dan te lie­gen," antwoordde de zendeling. De regenmaker ging onge­troost weer heen. De zendeling dacht er intussen over na, hoe hij de man kon helpen, want hij had toch medelijden met hem gekregen.



Hoofdstuk 16: Het afscheid van het land der Zoeloes

Terwijl de zendeling nog in gedachten verzonken was over het geheime bezoek van de regenmaker, kwam een bode van de koning zijn tent binnen met het verzoek dadelijk voor de koning te verschijnen. Op de tafel voor de koning stond een plat kistje met het deksel opengeslagen. "Ik heb Uw raad nodig, o zende­ling," sprak de koning. "De Engelsen hebben mijn een papier gezonden."


De zendeling begreep, dat Cetschwayo al zes weken wachtte op een antwoord van de Engelsen op het voorstel dat hij aan de Engelse Lord Adolphus Fitzherbert had meegegeven. De koning nam een groot geschrift uit het kistje en reikte het over aan de zende­ling. Deze las luid voor, terwijl hij het Engels in de taal van de Zoeloes vertaalde: "In naam van Hare Majesteit de konin­gin. De generaalgouverneur van het kaapland en eerste commissa­ris voor de zaken der inlanders, aan de koning Cetsch­wayo".
Aller­eerst werd Cetschwayo bedankt voor de goede zorgen en eervolle behande­ling van de Engelse Lord, en het voorstel om niet de wapenen tegen elkaar op te nemen. Het gelaat des konings helder­de bij deze woorden enigszins op en hij wisselde een blik van tevredenheid met de zendeling.
De zendeling las verder: "Wanneer de koning een bondge­noot­schap wil aanne­men met de regering der kaapkolonie ten behoeve van de oorlog tegen Transvaal, dan moet de koning zich houden aan de Engelse wetgeving. Koning Cetschwayo heeft op het district Utrecht aanspraak gemaakt, maar het kan niet duide­lijk genoeg gezegd worden, dat dit land hem niet toebe­hoord en daarop elke aan­spraak dient te laten varen. De koning zal de versterkte kralen langs Tugela en de Buffalo moeten verlaten en zijn garni­zoenen verder moeten terugtrekken. Ook moeten alle wapens worden ingeleverd en zal een Engelse bevel­hebber de koning adviseren bij belangrijke beslissingen"
Toen de zendeling de brief verder had uitgelezen, keek hij de koning aan en bemerkte, dat Cetschwayo zo woedend was, dat hij slechts met moeite kon ademhalen en nauwelijks woorden kon uitbrengen. Voorlopig stotterde hij slechts enkele letter­grepen, terwijl de aderen van zijn voorhoofd opzwollen en zijn ogen vol bloed schoten.
"Ha!" riep hij. "Ha! Verzamel het gehele leger, breng mij die verrader, opdat ik hem het hart uit de borst kan scheuren!" De Koning werd steeds roder en kon niet verder spre­ken, hij greep met zijn handen zijn hals en verloor zijn bewust­zijn. De lijf­arts kwam spoedig aangelopen, en begon de zware koning voorzich­tig overeind te zetten. De zendeling ging op zoek naar de regenmaker en gaf hem een flesje met een drankje uit zijn huifkar. "Ik reken er stellig op, dat dit medicijn helpt," zei de zendeling. "Je zult het hem drie keer per dag zó moeten geven, dat hij je kunst moet bewon­deren." Na enige dagen hoorde de zendeling dat de koning geheel her­steld was dankzij de toverkunsten van de regenmaker. Spoedig daarop kwam de regenmaker bij de zendeling en bedankte hem met tranen in de ogen. Nauwelijks had de regenmaker zijn tent verla­ten of er kwam een landregen opzet­ten en hulde veer­tien dagen lang de aarde in mist, nevel en water.
Cetschwayo liet, zodra hij genezen was, dertigduizend krijgers samenkomen en ze uitrusten met geweren. Hij zag in, dat een oorlog met de Engelsen onvermijde­lijk was geworden. Pieter Marits en de zendeling bleven nog enkele maanden bij de koning. Pieter had goed Engels leren spreken van de Engelse Lord en bij de Zoeloes werd hij vertrouwd met de kennis van hemel en aarde, met de ligging van vreemde landen, hun bergen en rivie­ren. Hij leerde de geschiedenis der Europe­se volken kennen, enz. Het jaar 1878 liep ten einde toen de koning besloot de zendeling en Pieter Marits terug te laten gaan naar het land vanwaar ze kwamen. In totaal hadden ze een jaar lang met koning Cetschwayo opgetrokken.



1   ...   4   5   6   7   8   9   10   11   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina