Lotgevallen van een transvaalsen boerenjongen



Dovnload 187.49 Kb.
Pagina9/15
Datum20.08.2016
Grootte187.49 Kb.
1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15

Hoofdstuk 17: Utrecht

Bij aankomst in een militair kamp, vroeg de bevelhebber naar het doel van hun reis. Hij was verwonderd, toen hij hoorde, dat de oude man en Pieter uit de hoofdstad van Cetschwayo kwamen en was blij mensen te zien, die hem inlichtin­gen konden geven over de grootte van Cetschwayo's leger. Maar zowel de zendeling als Pieter weigerden hierover inlichtingen te geven, Cetschwayo was zeer grootmoedig tegen hen geweest en had hen geen kwaad gedaan.


De Engelse bevelhebber nam hier geen genoegen mee. Hij dacht na en zei tegen de zendeling, dat hij, met het oog op de ouder­dom en het beroep van de zende­ling, vrij was om terug te keren naar zijn familie. Pieter echter, die een Boer was, moest voor ver­hoor naar het hoofdkwartier te Utrecht worden gebracht. Die avond nam Pieter, met een bedroefd hart, afscheid van de zende­ling, die zolang zijn goede vriend was geweest.
In Utrecht aangekomen werd Pieter verhoord door een hoge kolo­nel. "Treed nader!" riep de kolonel Pieter toe. In de kamer zaten twee Zoeloes gehurkt op de grond, het waren gezan­ten van koning Cetschwayo. "Versta je de Zoeloetaal voldoende en genoeg Engels om als tolk te fungeren?" vroeg de kolonel.
"Oh ja, dat denk ik wel," antwoordde Pieter. "Ik heb bijna een jaar bij de Zoeloes gewoond en de Zoeloetaal vrij goed geleerd." Pieter wendde zich tot de Zoeloes en vroeg hun wat zij kwamen doen. Nadat hij enige woorden met de Zoeloes had gewis­seld, wendde Pieter zich tot de kolonel.
"Zij zeggen dat koning Cetsc­hwayo het zeer betreurt met de Engelsen van mening te verschil­len. Hij verzoekt om voldoende opheldering over de vele oorlogs­troepen van Engeland langs zijn grenzen, anders is hij ge­nood­zaakt, ook van zijn kant op oorlog bedacht te zijn." De kolonel trok de schouders op en onderdrukte een glim­lachje, dat om zijn lippen speelde. "Vraag de gezanten eens, of Cet­schwayo de eisen van de Engelse regering niet kent: terug­trek­king van zijn krijgers, de wapens inleveren en het toelaten van een Engelse bevelhebber? ." Pieter deelde de wedervraag van de kolonel aan de beide Zoeloes mee. De ogen van de Zoeloes fonkel­de van toorn. "De koning heeft op deze eisen niet geant­woord," zeiden ze, "omdat dit beneden de waardigheid van de koning zou zijn."
"Nu dan," hernam de kolonel, toen Pieter hem deze woorden had vertaald, "Als Cetschwayo de voorwaarden niet wil aanne­men, dan zullen de Engelse troepen de oorlog openen. Dit kunnen de gezan­ten hun koning overbrengen." Na deze woorden stonden de Zoeloes met trotse gebaren op. "Laat het dan oorlog zijn!" riepen ze en met dreigende blik verlieten ze de kamer.
Daar niemand zich meer om Pieter bekommerde wilde hij weggaan, toen de kolonel hem terugriep. "Nu, mijn jonge vriend," zei hij, "kom eens hier bij mij aan de tafel zitten en vertel mij eens nauwkeurig wat je van de Zoeloes weet. Hoeveel soldaten heeft Cetschwayo wel? Waar staan zijn bendes? Hoe zijn ze bewa­pend? Wat is hun manier van vechten? Vertel me dat eens heel duidelijk en uitvoering."
Pieter antwoordde: "Mijnheer, dat mag ik u niet vertellen. Ik weet het weliswaar zeer goed, maar ik heb het als gast van de koning vernomen en het zou verraad zijn, als ik het U zei."
"Wat?" riep de kolonel. "Wat is dat voor een antwoord. Wij houden hier niet van grappen. Wij zijn in oorlog." Maar Pieter bleef weigeren informatie te geven over Cetschwayo. Daarop riep de kolonel een wachter en zei: "Je schijnt mij zeer verdacht, vriendje. Wacht, laat de jonge knaap achter slot zetten, totdat hij weet wie er hier de baas is." Pieter stond als versteend. Zo slecht hadden hem noch de Zoeloes, noch de rovers in het Drakengebergte behandeld. Hij, een vrije Boerenzoon, zou in de gevangenis moeten?
De 20ste januari, toen Pieter reeds meer dan 14 dagen gevangen was geweest, vertrok een lange trein met manschappen en stukken geschut naar het land van Cetschwayo. Meer dan 200 wagens met ieder 10 ossen ervoor gespannen en beladen met kisten munitie en etenswaar, reden achter de trein aan. De Engelse stuurden slechts 3000 manschappen naar Cetschwayo.
Pieter dacht aan de troe­pen der Zoeloes. Hoe licht en talrijk zij waren. Plotseling hoorde hij met sleutels rammelen. De gevan­genbewaarder trad binnen. "Je komt los, neef," zei hij. "De kolonel heeft bevolen, dat je voor de opperbevelhebber, generaal Chelmsford, zult worden gebracht."
Pieter sprong vol vreugde in de hoogte. Was hij nog onzeker van wat er verder ging gebeuren, hij kwam ten­minste uit de gevangenis.

Hoofdstuk 18: De slag van Isandula

Met grote blijdschap zag Pieter zijn paard gezadeld voor de deur staan en greep hij naar zijn buks. "Het geweer zullen we je toch maar liever afnemen," zei de onderofficier tot Pieter, "het zou je bij het warme weer alleen maar tot last zijn."


Pieter gaf zijn buks aan één van de vier gevangenbewaarders die met hem zouden meerijden. Toen ging men op weg in Zuidelijke richting. Vele wagens, ruiters en voetgangers kwamen de pa­trouille tegen. Bijna iedereen trok Noord­waarts, want deze weg liep langs de grenzen van het Zoeloeland. De inwoners vreesden een inval van de zwarte bendes en trachtten zich in veiligheid te bren­gen.
De volgende dag, 's avonds om zes uur, bereikte men fort Agneu waar men te horen kreeg dat de opperbevelhebber, generaal Chelm­sford, reeds was vertrokken met een colonne naar het Zoe­loeland. De volgende dag was warm en drukkend. De onderofficier liet de buks aan Pieter teruggeven, omdat deze hem te zwaar werd en Pieter zich tijdens de reis steeds goed had gedragen. Na een tocht van twee uren, werd er halt gemaakt, om te foerageren.
Terwijl Pieter rustig bij zijn paard stond, bleef hem opeens van schrik een stuk in de keel steken. Hij zag in de verte, tussen twee cactusbosjes een zwart hoofd opduiken, met een haartooi die hem bekent voorkwam. "Het zal verstandig zijn goed in het rond te kijken," zei Pieter tegen de onderoffi­cier. "De Zoeloes zijn vlug ter been en wij zijn thans op hun grondgebied."
"Haha!" lachte de onderofficier, "ik ben er ook nog, wees maar niet bang." Voordat de patrouille het kamp van generaal Chelmsford bereik­te, zag Pieter nog enkele keren groepjes Zoeloes, die ieder tot een ander regiment behoorden. Thans was hij er van overtuigd, dat een grote Zoeloemacht in de nabijheid was. Pieter keek intussen om zich heen en schatte de hier verzamel­de Engelse troepen op ongeveer zestienhonderd man. Er stonden meer dan tweehonderd wagens naast elkaar geplaatst.
"Mijn­heer de over­ste," riep Pieter, "als u er nog tijd voor hebt, laat dan de wagens in een kring zetten. De streek is niet veilig en Cetschw­ayo valt hevig aan." De officieren moesten allen lachen om Pieter, maar tege­lijker­tijd weerklon­ken de eerste schoten. Er werd direct alarm geslagen. De soldaten sprongen op en grepen naar hun geweren; de ruiters liepen naar hun paarden, de artil­leristen naar hun stukken geschut. Pieter sprong in het zadel en volgde met de grootste spanning het aanrukken der Zoeloes en de maatregelen van de Engelsen. Maar de Zoeloes tegenover hen, werden steeds talrijker en kwamen steeds dichter­bij. Het was, alsof ze uit de grond opdo­ken. Thans kwamen ze ook uit het Oosten en omsingelde een grote wolk van zwarte schutters het kamp in een halve cirkel. Pieter wist niet of hij ook op de Zoeloes zou schieten, ze hadden hem goed behandeld. "Onze vijand is Engeland," had zijn stervende vader tegen hem gezegd.
Toen de Engelse troepen zagen, welk een overmacht naderde, werden vele gezichten bleek. Zover de halve cirkel der schutters zich had uitgestrekt, stond thans een donkere muur van aaneenge­sloten afdelingen. Regiment na regiment daalde de heuvels af. Pieter kon reeds de verschillende kleuren der regimenten onder­scheiden. Niet minder dan 15.000 krijgers kwamen naderbij.
Het regiment van de koning, dat in het midden stond, mar­cheer­de in gewone gang op de Engelse artillerie los, de beide vleu­gels echter liepen sneller en zo kromde de lijn van het zwarte leger zich meer en meer, klaarblijkelijk met het doel, het Engelse kamp te omsingelen. Omdat de regimenten der Zoeloes zonder enige bedekking, dicht aaneengesloten waren, acht gelede­ren achter elkaar, leden zij grote verliezen. Het Engelse ge­schut vuurde granaat na granaat en trof de krijgers bij tiental­len tegelijk. Maar ook het kleine leger der Engelsen had verlie­zen, want de Zoeloes vuurden, in hun aanvals­mars, sterk en hevig.
Pieter zag in, dat het tijd werd aan zijn redding te den­ken. Binnenkort zouden de Zoeloes het gehele kamp hebben omsin­geld, en dan was hij met de anderen verloren. Pieter gaf Jager de sporen en vluchtte door de steeds smaller wordende opening. Na een rit van tien minuten draaide Pieter zich om en zag dat de Zoeloes het kamp reeds genaderd waren. De officieren schoten met hun revolvers en zwaaiden met hun sabels. Maar de Zoeloes spron­gen als panters naar voren en schuwden geen gevaar, geen kogel, geen sabelhouw. De paarden, zelfs de ossen werden met speren doodgestoken. Het was gruwelijk om naar te kijken. Geen enkele rode jas was meer te ontdekken tussen de schilden en de zwarte lichamen, allen waren gevallen.



1   ...   5   6   7   8   9   10   11   12   ...   15


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina