Lucien De Coninck Bouwer van de eerste Nederlandstalige vrijmetselaarsloge te Gent



Dovnload 12.42 Kb.
Datum23.07.2016
Grootte12.42 Kb.
Lucien De Coninck

Bouwer van de eerste Nederlandstalige vrijmetselaarsloge te Gent.
(Huldiging Lucien De Coninck – Bioloog,humanist,vrijdenker / zaterdag,19 september 2009, zaal Zebrastraat)
Lucien De Coninck doctoreerde in 1931 als bioloog-dierkundige. In dat zelfde jaar werd hij ook ingewijd als leerling-vrijmetselaar in de Gentse Franstalige loge “La Liberté” met als peter zijn grootvader Pierre Cnudde, hoofdonderwijzer in het liberale Zingem. En nog in 1931 werd hij aspirant bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek dat in 1928 was opgericht om een jonge research -elite te rekruteren die de achterstand in wetenschappelijk onderzoek in België zou helpen bij benen. Het initiatief kwam uit de hoogste financiële en industriële kringen en favoriseerde vooral de vrije universiteiten Brussel en Leuven. En vooral de Franstalige diploma’s : in de jaren 1930-1934 behoorde amper 8,54 % van de aspiranten tot de Nederlandstalige taalrol. Dit kon ook moeilijk anders want pas op 5 april 1930 ondertekende Koning Albert I de wet op de vernederlandsing van de Gentse universiteit, de eerste doorbraak naar hoger onderwijs in de eigen volkstaal. Lucien De Coninck behoorde dus tot de eerste promotie, die aan een volledig vernederlandste universiteit afstudeerde.
Dit was het resultaat van een langdurig politiek gevecht dat vanaf het einde van de 19e eeuw in de Vlaamse Beweging een centraal strijdthema was geworden. Aanvankelijk namen de Vlaams-vrijzinnige kringen het voortouw. In Gent speelde het Taalminnend Studentengenootschap ’t Zal Wel Gaan en enkele professoren oud-leden daarin een zeer belangrijke rol. Zo werd de prof biologie Julius Mac Leod (1856-1919) in 1896 de rapporteur op het 23e Nederlandse Taal-en Letterkundig Congres voor het onderzoek naar de “wenschelijkheid van het inrichten eener Nederlandsche Hoogeschool in Vlaamsch-België. Als wetenschapsman met internationale faam,als flamingant, als humanist en sociaal darwinist had Mac Leod een enorme invloed op zijn studenten. Eén er van was Paul Van Oye( 1886-1969), die in 1911 bij Mac Leod promoveerde en in 1926 hoogleraar dierkunde werd aan de Gentse universiteit. In het spoor van Mac Leod was Van Oye de bezieler van de Vlaamse Natuur-en Geneeskundige Congressen en van de natuurwetenschappelijke vereniging Dodonaea, die de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek wou populariseren. Ook Van Oye was een actief lid van ’t Zal Wel Gaan en hij was in 1931 de promotor van Lucien De Coninck. Zo is een eerste filiatie aangeduid van Lucien’s wetenschappelijke, maatschappelijke en levensbeschouwelijke achtergronden en beïnvloedingen.
De leidinggevende dynamiek van de Vlaams-vrijzinnige kringen kreeg in de eerste jaren van de 20e eeuw een lelijke knauw. Enerzijds was er een steeds sterkere eenheidsbeweging voor het principe van de vernederlandsing. Meest bekend voor dit algemeen Vlaams streven blijft de oproep uit 1910 van “de drie kraaiende hanen”, de volksvertegenwoordigers Van Cauwelaert(katholiek),Huysmans(socialist) en Franck(liberaal). Anderzijds echter geraakte het vrijzinnige kamp verdeeld over de praktische strijdwegen en hinderpalen naar de realisatie van dit principe. De liberale partij neigde steeds meer tot afzwakkende en uitstellende compromissen en in de jonge Belgische Werkliedenpartij was er een overweldigend Waals overwicht. Het flamingantische kamp radicaliseerde en dit kwam sterker en massaler aan bod in de katholieke rangen ondanks de afremmende boodschappen van de bisschoppen. De gebeurtenissen tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben deze verdelingslijnen nog scherper afgetekend. Als element van de Duitse “Belgien-“ of “Flamenpolitik” en met de steun van het radicaal Vlaamse Activisme werd in oktober 1916 de zgn.”von Bissing-universiteit” geopend, een volledig vervlaamste universiteit. Het is in de naakte feiten een fiasco geworden maar het is wel zeer zwaar blijven wegen op de Belgische politiek. Na 1918 werd het oplaaiend Belgisch patriottisme een motivatiegrond voor een verhevigd franskiljonisme en dit werd vooral in Gent uitgevochten. Het veroordelen van het activisme werd een pars pro toto. Er was geen pacificatie meer mogelijk rond de belofte van een Vlaamse Hogeschool. De wet Nolf van 1923, die een gedeeltelijke vernederlandsing voorzag, stelde niemand tevreden. De Vlaamse vrijzinnigen, die niet in het spoor van een radicaal Vlaams-Nationalisme wilden stappen, kregen minder invloed. In ’t Zal Wel Gaan werkte de breuk tussen de jonge leden en de oud-ledenbond verlammend. Het was in deze atmosfeer dat Lucien De Coninck student was, promoveerde en vrijmetselaar werd.
In de loge “La Liberté” waar Lucien werd ingewijd was de franskiljonse furie dominant. Dit was ook zo in de andere Gentse loge “Septentrion”. Beide werkplaatsen behoorden tot de grote koepel van het “Groot-Oosten van België” en ook daar was Frans niet alleen de voertaal, er was ook weinig begrip voor wat in de Vlaamse provincies leefde aan taaleisen. Men luisterde beleefd, men belegde symposia over “la question flamande”maar men botste meestal op een stugge muur van afwijzen. De grote scheidingslijn klerikaal-antiklerikaal hield de gelederen gesloten, maar het werd voor vele vlaamsbewuste vrijmetselaars een frustrerende toestand. Enkel in Antwerpen was de situatie anders omdat daar sinds het laatste kwart van de 19e eeuw reeds Nederlandstalige loges werkten. De belangrijkste was de loge Marnix van Sint-Aldegonde ( opgericht in 1889). In 1930 begon de voorzitter van Marnix, de arts en Willemsfondser Maurits Peremans, aan een campagne over “De vrijmetselarij en de Vervlaamsching van de Gentsche Hoogeschool” , die moest leiden tot de oprichting van meerdere Nederlandstalige werkplaatsen. In Brussel leidde het in mei 1932 tot de oprichting van de loge “Balder”. In Gent ging het moeizamer. Peremans kon natuurlijk rekenen op de sterke steun van Paul Van Oye, ingewijd in Marnix in 1924. In de jaren 1930-1931 werden in Marnix enkele jonge Gentse docenten ingewijd om het initiatief meer kracht te geven : het werden Franz De Backer(1891-1961), docent moderne letterkunde, Edgard Blancquaert( 1899-1964), docent Nederlandse dialectologie en Paul De Keyser ( 1891-1966), docent volkskunde. Blancquaert en De Keyser kwamen uit de miltante rangen van ’t Zal Wel Gaan. De Backer was de bezieler van de Vlaamse Club in Brussel en een groot bewonderaar van August Vermeylen, de eerste rector van de vernederlandste Gentse universiteit. Het werd deze kerngroep, aangevuld met 7 leden uit “La Liberté” en enkele vrijmetselaars uit andere werkplaatsen, die vanaf september 1932 begon te werken aan de oprichting van een nieuwe werkplaats, die men de naam van “De Zwijger” zou geven. De symboliek was duidelijk : Willem De Zwijger, Prins van Oranje, leider van de opstand der Nederlanden tegen de Spaanse Kroon, hoofdrolspeler in de Pacificatie van Gent in 1576, slachtoffer van een politieke moord, pleitbezorger van gewetens –en godsdienstvrijheid. Vanaf de eerste vergadering in september 1932 nam Lucien De Coninck een zeer actieve rol op in oprichting en uitbouw van “De Zwijger”.Eerst nam Paul Van Oye het voorzitterschap waar maar de karakters botsten te zeer –ook tussen De Coninck en zijn promotor- en het werd Paul De Keyser, die stichtend voorzitter werd. De plechtige opening ging door op 6 oktober 1935. Lucien had er als secretaris bergen werk voor verzet en hij bleef ook een zeer actief vrijmetselaar. In de geest van de jaren ’30 was hij het, die meest op de bres stond voor een actieve vrijmetselaarsrol in het anti-fascistische front dat in deze tweede helft van de jaren dertig een belangrijker aandachtspunt werd dan de taalstrijd. Zo was hij in 1938 de coördinator van het hulpprogramma dat het Groot-Oosten van België organiseerde voor de opvang van Spaanse kinderen uit het Republikeinse kamp Met het uitbreken van de oorlog vielen alle logewerkzaamheden stil, maar Lucien bleef de spil van geheim gehouden contacten en hij trad toe tot het verzet.

In de eerste “Nachweisung über fûhrende Freimaurer” van de SS-Sicherheitsdienst, Aussendienststelle Gent stond Lucien De Coninck op de lijst van 13 meest in het oog te houden personen, Het werd een zeer gevaarlijke tijd.


Die actieve rol is hij ook na de Tweede Wereldoorlog ten volle blijven spelen. Zijn vrijmetselaarsschap stond binnen en buiten de tempelwerkzaamheden nooit los van een weloverwogen, maar kordaat positie kiezen als vrijzinnige, net zoals hij als wetenschapsman geen opsluiting wou in de ivoren toren van de universiteit . Ik hoop dat weldra een wetenschappelijke biografie van Lucien De Coninck geschreven wordt. In vele thema’s zou het een nuttige bijdrage kunnen worden tot scherper inzicht in de maatschappelijke processen en strijdvragen van de tijd waarin hij leefde en er een prominente rol in speelde. Ik stip er, binnen de lijnen van mijn opdracht op deze huldiging, slechts twee zeer kort aan : zijn rol in 1951 bij de stichting van het Humanistisch Verbond en zijn rol in 1959-1960 bij het grote schisma in de Belgische vrijmetselarij, die leidde tot de oprichting van een nieuwe koepel, de Groot-Loge van België. In het eerste geval is het duidelijk dat hij het Humanistisch Verbond zeker niet zag als een profaan filiaal van de vrijmetselarij, maar dat hij het wel aanvoelde als een persoonlijke vrijmetselaarsplicht om er zich voor in te zetten. Dit verklaart ook zijn houding in het maçonieke schisma waarin voor hem de Belgische maatschappelijke situatie veel zwaarder woog dan de externe druk van de Angel-Saksische en Amerikaanse vrijmetselarij. Het is, zoals ik al zei, voer voor verder onderzoek. De tijd is er meer dan rijp voor. Laat mijn kleine huldigingtoespraak er een aansporing toe zijn. Dan heb ik twee opdrachten vervuld.
Herman Balthazar



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina