M machado, Antonio (1875-1939) Gedichten voor Leonor



Dovnload 20.77 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte20.77 Kb.
M

Machado, Antonio (1875-1939) - Gedichten voor Leonor

Machado is ook al een Spaanse (Castiliaanse) dichter uit de tijd van de Spaanse Burgeroorlog, de avant-première van de Tweede Wereldoorlog. Dat is niet zo belangrijk voor de kleine reeks gedichten over Leonor, die ik heb gekozen en vertaald, maar die uitsluitend verzen uit Machado’s jeugd bevat, toen er nog geen politiek vuiltje aan de lucht was.

Maar zijn levensloop is op zichzelf al een drama. Toen generalísimo Franco in 1936 in opstand kwam tegen de democratisch verkozen republikeinse regering stonden alle intellectuelen voor de keuze: Franco of de republikeinen. Antonio Machado koos voor de republiek, zijn broer Manuel – ook een belangrijk dichter – voor de opstandige Franco.

Nog altijd zijn de wonden in Spanje niet geheeld. Nog in 2001 heeft de Spaanse conservatieve partij van premier Aznar weer verhinderd dat het Spaanse parlement een correct historisch oordeel velt over de militaire staatsgreep van 1936. Nog altijd zijn er buiten de universiteiten nauwelijks Spanjaarden die de naakte feiten kennen. Wij weten natuurlijk wel dat auteurs als Hemingway en Orwell daar wel over geschreven hebben.

De republikeinen hebben achter de linies ongeveer 50.000 Franco-aanhangers vermoord, onder wie heel wat katholieke religieuzen. Aan de andere kant heeft Franco, tijdens de staatsgreep, de burgeroorlog en de eerste jaren daarop minstens 130.000 politieke tegenstanders laten fusilleren, 750.000 vijanden in concentratiekampen gestopt, 500.000 anderen verbannen en enkele miljoenen Spanjaarden hun werk afgepakt en tot een hongerleven veroordeeld. Heeft iemand ooit gedacht dat Europa zoveel beschaafder is dan Afrika?

Het werk van Antonio Machado heeft me altijd bekoord. Vraag me niet waarom, het is een kwestie van eenvoud, klankrijkdom en melancholie. Ik citeer uit een studieboek: ”Zijn werk, dat enigszins aan dat van Yeats herinnert (hou ik óók van!) vertolkt de ascetische geest van Castilië als geen dichter voor hem had gedaan: het is naakte, directe poëzie, krachtig en ontbloot van iedere gemaniëreerdheid, waarin de natuur in haar verschillende verschijningsvormen geen doel is, maar symbool.”

Hij was een Andalusiër, geboren in Sevilla in 1875. Hij verbleef echter lange tijd in Castilië (Noord-Spanje), waar hij trouwde met Leonor, die hem erg jong ontviel. Op de vlucht voor de horden van Franco is hij in 1939 gestorven, aan het eind van zijn krachten, net over de Spaanse grens, in het badstadje Collioure (Roussillon).

Ik heb me dus beperkt tot enkele gedichten in verband met Leonor. Om zijn hele poëtische œuvre tot zijn recht te laten komen zou ik een veel vruchtbaarder en deskundiger vertaler moeten zijn.


Una noche de verano

Una noche de verano
- estaba abierto el balcón
y la puerta de mi casa -
la muerte en mi casa entró.
Se fue acercando a su lecho
- ni siquiera me miró -
con unos dedos muy finos,
algo muy tenue rompió.
Silenciosa y sin mirarme,
la muerte otra vez pasó
delante de mí. ¿Qué has hecho?
La muerte no respondió.
Mi niña quedó tranquila,
dolido mi corazón.
¡Ay, lo que la muerte ha roto
era un hilo entre los dos!


Het was een zoele lentenacht
Het was een zoele lentenacht

- balkon en voordeur open -

dat de dood mijn huis

kwam ingeslopen.

Hij naderde haar bed

- geen blik was ik hem waard -

en met fijne vingers

brak iets duns in kalm gebaar.

Zwijgend en zonder een blik voor mij

gleed de dood me weer voorbij.

Wat deed je daar?

De dood zweeg als vermoord.

Mijn oogappel bleef liggen, ongestoord,

al kromp mijn hart ineen.

Ach, wat de dood gebroken heeft

was een draad

tussen ons tweên.

Señor, ya me arrancaste

Señor, ya me arrancaste lo que yo más quería.
Oye otra vez, Dios mío, mi corazón clamar.
Tu voluntad se hizo, Señor, contra la mía.
Señor, ya estamos solos mi corazón y el mar.

Gij ontnaamt me nu reeds

Gij ontnaamt me nu reeds, Heer, de allerliefste.

Hoor, mijn God, mijn hart in durend wee.

Heer, uw wil geschiedde tegen mijn wil in.

Wat zijn we eenzaam, Heer, mijn hart en de zee.


Allá, en las tierras altas

Allá, en las tierras altas,
por donde traza el Duero
su curva de ballestra
en torno a Soria, entre plomizos cerros
y manchas de raídos encinares,
mi corazón está vagando, en sueños ...

¿No ves, Leonor, los álamos del río


con sus ramajes yertos?
Mira el Moncayo azul y blanco; dame
tu mano y paseemos.
Por estos campos de la tierra mía,
bordados de olivares polvorientos,
voy caminando solo,
triste, cansado, pensativo y viejo.


In de hoge velden, ginds

In de hoge velden, ginds

waar de Duero zijn kruisboogbocht

rondt om Soria,

tussen steilten grauw als lood

en plukken afgeleefde eiken,

zwerft mijn hart in dromen dood...
Zie je, Leonor, de populieren niet

met hun bladeren die stilstaan?

Zie de Moncayo blauw en wit; geef

je hand en laat ons hier vandaan gaan.

Door die velden van mijn land,

door olijven lang met stof bedauwd,

ga ik mijn weg alleen,

bedroefd en moe, bedachtzaam, oud.





(A José María Palacio)

Palacio, buen amigo,
¿está la primavera
vistiendo ya las ramas de los chopos
del río y los caminos? En la estepa
del alto Duero, Primavera tarda,
¡pero es tan bella y dulce cuando llega! ...
¿Tienen los viejos olmos
algunas hojas nuevas?
Aún las acacias estarán desnudas
y nevados los montes de las sierras.
¡Oh, mole del Moncayo blanca y rosa,
allá, en el cielo de Aragón, tan bella!
¿Hay zarzas florecidas
entre las grises peñas,
y blancas margaritas
entre la fina hierba?
Por esos campanarios
ya habrán ido llegando las cigüeñas.
Habrá trigales verdes,
y mulas pardas en las sementeras,
y labriegos que siembran los tardíos
con las lluvias de abril. Ya las abejas
libarán del tomillo y el romero.
¿Hay ciruelos en flor? ¿Quedan violetas?
Furtivos cazadores, los reclamos
de la perdiz bajo las capas luengas,
no faltarán. Palacio, buen amigo,
¿tienen ya ruiseñores las riberas?
Con las primeras rosas de las huertas,
en una tarde azul, sube al Espino,
al alto Espino donde está su tierra ...

De dichter in Baeza (Andalusië)

aan José María Palacio in Soria (Oud-Castilië)
Palacio, mijn goede vriend,

siert ginds de lente reeds

de takken van de populieren

langs akkers en Duero?

In de steppekoude van zijn bovenloop

komt Lente laat, maar zie, hoe lief

en teder is haar komst. Hebben de

verweerde olmen al wat nieuwe blaren?

Wel zullen de acacia’s nog bloot zijn

en besneeuwd de toppen van de bergen.

O Moncayo, gevaarte in de lucht

van Aragón, zo schitterend van wit en oker.

Staan de bramen al in bloei,

zich slingerend om grijze rotsen?

Staan er madeliefjes in het fijne gras?

Op jullie klokketorens zijn

de ooievaars beslist al neergestreken.

Er zijn al groene tarwevelden,

grauwe muildieren op zaaigrond;

boeren zaaien late groenten

in de regen van april. Reeds nippen

bijen bezig aan de tijm, de rozemarijn.

Bloeien reeds de pruimebomen?

Zijn er al viooltjes? Stropers -

en de lokroep der patrijs

onder lange mantelpanden -

ontbreken zeker niet. Palacio,

mijn goede vriend, koesteren

de oevers reeds hun nachtegalen?

Op een late, blauwe middag,

met de eerste rozen die je vindt,

klim asjeblieft naar de Espino,



naar de hoge rug van de Espino,

waar zich haar graf bevindt.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina