Macro- en microsociologie VII



Dovnload 28.11 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte28.11 Kb.
MACRO- EN MICROSOCIOLOGIE VII
HOE LEK IS HET COLEMANBOOTJE?
1. De Amerikaanse socioloog James Coleman (1926-1995) kent U uit UAF van de stelling dat in een samenleving met twee tegenstellingen de kans op geweld kleiner is dan in een samenleving met één tegenstelling, wanneer er mensen zijn die aan het ene belang meer gewicht toekennen dan aan het andere belang en er stemmenruil ontstaat. Stemmenruil deed zich tijdens de Eerste Wereldoorlog, waar Nederland buiten bleef, voor in Nederland. De christelijke partijen waren tegen algemeen kiesrecht en voor staatsbekostiging van bijzonder onderwijs, de socialisten tegen staatsbekostiging van het bijzonder onderwijs en voor algemeen kiesrecht. Ze hadden elk een derde van de zetels in de tweede Kamer. De andere zetels waren voor de liberalen, die tegen staatsbekostiging en tegen algemeen kiesrecht waren. Omdat de christelijke partijen meer voor staatsbekostiging waren dan tegen algemeen kiesrecht en de socialisten meer voor algemeen kiesrecht dan tegen staatsbekostiging, trad stemmenruil op. De liberalen kregen een giftje bij de stemmenruil: de christelijken waren tegen persoonlijk kiesrecht (alleen hoofden van huishoudens mochten van hen stemmen), de liberalen vonden dat als er algemeen kiesrecht moest komen er niet alleen kiesrecht voor mannen maar ook voor vrouwen moest zijn. Hier waren ook de socialisten voor.
2. Coleman is ook bekend geworden in de (Amerikaanse) sociologie omdat hij een onderscheid uit de rechtswetenschap in de sociologie invoerde. In het Nederlandse recht komt dit onderscheid op het volgende neer. Wout Ultee en Henk Flap zijn natuurlijke personen, maar ze zijn ook rechtspersonen. Ze zijn mensen, daarom zijn ze natuurlijke personen, en ze hebben het recht om goederen te kopen, te trouwen, te stemmen, te getuigen bij een rechtbank, en wat dan ook, ze zijn rechtspersonen. Er zijn natuurlijke personen die geen rechtspersonen zijn: voorbeelden zijn slaven. Vrouwen hadden in Nederland tot enkele decennia geleden slechts beperkte rechtspersoonlijkheid. Ze konden wel trouwen, maar na het trouwen was de rechtspersoonlijkheid voor het paar bij het hoofd van het huishouden, de man komen te berusten, waardoor de handtekening van een vrouw onder een koopcontract dat door het echtpaar was gesloten niet rechtsgeldig was. Rechtspersonen die geen natuurlijke personen zijn, ontstaan doordat natuurlijke personen met rechtsbevoegdheden bepaalde rechtspersonen op een rechtspersoon overdragen die geen natuurlijke persoon is. Hoe meer rechtspersonen die geen natuurlijke persoon zijn een samenleving kent, des te asymmetrischer zijn volgens Coleman de machtsverhoudingen in die samenleving.
3. Zoals gezegd, volgens Coleman en de rechtswetenschap zijn er rechtspersonen die geen natuurlijke personen zijn. Voorbeelden zijn naamloze vennootschappen, stichtingen, kerkgenootschappen, vakbonden en meer van dergelijke instellingen. Deze rechtspersonen kunnen contracten sluiten, de wet overtreden en wat dan ook. Een van Colemans stellingen is dat met de industrialisering en democratisering van de samenleving rechtspersonen die geen natuurlijke personen zijn (corporate actors in het Engels) een steeds grotere rol in het maatschappelijk leven zijn gaan spelen. Zie zijn The asymmetric society, Syracuse, Syracuse University Press, 1982. De Groningse socioloog Lindenberg heeft, in een studie gemaakt in de VS, het voorblad van de New York Times gedurende een reeks van decennia steeds meer nieuws over corporate actors is gaan bevatten. Dat was een bevestiging van Colemans stelling. Corporate actors komen, zo mag worden gesteld, overeen met Durkheims intermediaire groeperingen. De staat, geen intermediaire groepering, maar de centrale groepering, is vanzelfsprekend ook een corporate actor.
Het Colemanbootje

4. James Coleman is ook bekend geworden door zijn ‘bootje’. Dat komt in een concreet voorbeeld op het volgende neer. De hypothese dat in de protestantse landen van Europa het kapitalisme sneller opkwam dan in katholieke landen, wordt weergeven met twee punten, een voor de godsdienst van een land en een voor de economie van een land, waarbij een pijl tussen de twee punten wordt getrokken. Dat is een weergave van een macrohypothese. Daarnaast is er de microhypothese dat een protestant met meer kans tot de bedrijfseigenaren behoort en tot het geschoolde fabriekspersoneel. Die hypothese wordt ook weergegeven met twee punten: een punt voor de godsdienst van een persoon en een punt voor het beroep van een persoon. Deze micropunten staan onder de macropunten en de microlijn wordt om één of andere reden kleiner gemaakt dan de macrolijn. De problematiek van het micro- en het macroniveau kan worden verduidelijkt door pijlen van de godsdienst van een land naar de godsdienst van een persoon te trekken en daar een vraagteken bij de zetten, evenals een pijl van laag naar hoog van het beroep van een persoon naar de economie van een land, ook voorzien van een vraagteken.


5. Andere voorbeelden van het Colemanbootje. Het is bekend dat betere sociale omstandigheden soms tot revolutie leiden. Dat is een macrohypothese. De microhypothese is de frustratie-agressiehypothese uit de psychologie. Derde voorbeeld: het verband tussen het opleidingspeil in een samenleving en de inkomensongelijkheid in een samenleving als macrohypothese en het verband tussen de opleiding en het inkomen van individuen. Bij het laatste voorbeeld verwijst Coleman, artikel ‘Microfoundations and macrosocial behavior’, blz. 153-173 in Jeffrey Alexander et al. (eds.), The micro-macro link. Berkeley, University of California Press, 1987 naar Blau & Duncan, The American occupational structure, Wiley, New York, 1967.
Een verband tussen twee individuele kenmerken is een micro- én een macrogegeven
6. Het voorbeeld van Blau & Duncan is merkwaardig. Deze personen beschouwen namelijk het verband tussen iemands opleiding en iemands inkomen als een macroverschijnsel, als een verband dat is vastgesteld in een bepaalde samenleving op een bepaald tijdstip en een verband dat elders in andere tijden anders kan zijn. Ze stellen in The American occupational structure dit verband voor vijf tijdstippen in de VS vast en vragen om gelijksoortig onderzoek ter toetsing van de hypothese dat het verband tussen opleiding en inkomen met voorschrijdende industrialisatie sterker wordt. Wat bij Coleman een microverband is, is bij Blau & Duncan een macroverband. De bodem van de boot kan dus net zo goed de bovenkant zijn. Dit is een voorbeeld van Gestalt-waarneming: wat voor de ene persoon de kop van een eend is, is voor een andere persoon een konijn met gespitste oren. Er zijn dus meer manieren om de overgang van micro naar macro te maken dan Coleman voor ogen heeft.
7. Is alleen bij Blau & Duncan een verband tussen twee individuele variabelen een macroverband? Nou, vele mensen maken van zo’n individueel verband ene macroverband dat met macrokenmerken wordt verklaard. Drie voorbeelden uit Ultee, arts en Flap, Sociologie, die zij aan de literatuur hebben ontleend. Ten eerste Anthony Heath, het verband tussen beroep vader en beroep zoon in een groot aantal industrielanden, waarbij de sterkte wordt verklaard uit de kleur van regeringen. Ten tweede de OECD (Organization for Economic Cooperation and Development), die voor zoveel rijke landen cijfers geeft over het loon van mensen met een tertiaire opleiding in verhouding tot het loon van mensen met een secundaire opleiding. Die cijfers zijn in verbrand gebracht met, weer, de kleur van de regering in een land en de sterkte van vakbonden. Ten derde bij Ultee & Luijkx het verband tussen de opleiding van (huwelijks)partners in een land, in verband gebracht met de leeftijd waarop de scholen van een land kinderen gaan selecteren voor leger en hoger secundair onderwijs (zeg vmbo versus vwo). Als die selectie er eerder is, wordt er minder gemengd gehuwd (de school doet niet dienst als vriendschapsmarkt en daarmee als huwelijksmarkt).
8. Wat betreft inkomensongelijkheid als een macrovariabele: ze is natuurlijk afgeleid uit individuele inkomens. Maar er zijn meerdere manieren om individuele inkomensgegevens tot een ongelijkheidmaat te aggregeren, en de kwestie is of men wel tot één maat voor een hele inkomensverdeling moet komen. Als de hypothese is dat een linkse partij in een democratie (waar dus met 51% van de stemmen wordt beslist) wel het inkomensaandeel van de rijkste 20% verlaagt, maar in mindere mate het inkomensaandeel van de armste 20% verhoogt, dan moeten er geen Gini’s worden uitgerekend, maar aparte inkomensaandelen. De toetsing van Tullocks hypothese van het strategisch opererende midden, een hypothese die op de staat als een rechtspersoon betrekking heeft en op een politieke partij, heeft als gevolg dat het uitrekenen van enkel Gini’s een overbodige bezigheid is.
9. Dit alles is belangrijk voor de zeewaardigheid van het Colemanbootje omdat in de logisch geanalyseerde verklaringen rechtspersonen of intermediaire groepen optreden: de staat, vakbonden, scholen. Het te verklaren verband zelf heeft in twee van de drie gevallen betrekking op niet twee willekeurige personen, maar vader en zoon en echtgenoot en echtgenote, dat wil zeggen, gezinsrelaties en daarmee een volgende intermediaire groep. Dat wil zeggen: het Colemanbootje weet raad met gegevens van individuele personen en met hun aggregatie, maar het bootje heeft geen plaats voor rechtspersonen en intermediaire groeperingen. Er moet een niveau tussen micro en macro komen en op macroniveau moeten er nieuwe rechtspersonen komen te staan die geen natuurlijke personen zijn. Op het belang van rechtspersonen en intermediaire groeperingen bij de oplossing van cohesieparadoxen is gewezen door Van der Meulen: bowling met anderen kan bowlen met ‘ons soort mensen’ zijn.
10. Het Colemanbootje heeft meer gebreken als collectieve actoren buiten beschouwing blijven en als de vragen en hypothesen alleen over individuen en samenlevingen gaan.
Decompositie en aggregatie

11. Lindenberg, hoogleraar sociologie in Groningen, noemt de eerste pijl omlaag in Colemans bootje correspondentieregels, de tweede pijl omhoog aggregatieregels. Hij doet daarmee alsof het hier niet om inhoudelijke, toetsbare hypothesen gaat, maar om zoiets als mathematische decompositie- en sommeringregels. Dat is veel te gemakkelijk. Er wordt wel geteld, maar dat kan op meerdere manieren en sommige manieren zijn, gezien de individuele hypothesen, beter dan andere. En op grond van de individuele hypothese en de bijkomende veronderstellingen, komt men tot andere macrohypothesen.


12. Neem Sombarts macrohypothese dat als er meer sociale stijging in een land is, linkse partijen er zwakker zijn. De sociale stijging doet, bij algemeen kiesrecht, de politieke machtsverhoudingen naar rechts verschuiven. Is dat macroverband er door de microhypothese dat sociale stijgers minder links stemmen dan mensen die onderaan blijven zitten? Wellicht niet alleen daarom: mogelijk stemmen in de VS de mensen die onderaan stabiel zijn ook minder links omdat ze wegens de grote hoeveelheid stijgen de hoop hebben ook te stijgen en hun stemgedrag daarop vooruit loopt. Deze hypothese is een individuele hypothese, maar ze gaat uit van het percentage stijgers in een land als een contextueel kenmerk. In het Colemanbootje moet dus een pijl worden getrokken van de linkerbovenkant naar de rechteronderkant. Als de bootbeeldspraak moet worden gehanteerd, zit het bootje waarin onderzoekers (in tegenstelling tot theoretici) varen, steviger in elkaar dan Coleman suggereert.
13. Dan is er een kwestie over hoe die grote sociale stijging moet worden vastgesteld voor de macrohypothese die door eenvoudige aggregatie uit de microhypothese wordt afgeleid. De

individuele hypothese is dat mensen die van klasse A naar klasse B zijn gestegen net zo rechts stemmen als de mensen die in klasse B stabiel zijn. Als ze hun stemgedrag aanpassen uit economisch belang, zullen mensen die dalen van B naar A net zo links stemmen als de mensen die stabiel in A zijn. Om van deze individuele hypothese naar het macroniveau te gaan, zijn veronderstellingen nodig over de hoeveelheid mobiliteit in een samenleving. Welke veronderstellingen?


14. Goldthorpe heeft geopperd dat uit de relatieve mobiliteit in een samenleving (odds ratio’s voor de ongelijke uitkomst van de wedijver tussen mensen van hoge en lage afkomst voor een hoge dan wel lage bestemming) tezamen met de veranderingen in de klassenstructuur van een samenleving de absolute mobiliteit (percentages stijgers, dalers, stabielen) resulteert. De veranderingen in de klassenstructuur werden door Goldthorpe’s voorgangers de gedwongen mobiliteit in een samenleving genoemd. Om welke mobiliteit moet het gaan om van de microhypothese naar het macroniveau te gaan? Het blijkt te gaan om het verschil tussen het aantal stijgers en het aantal dalers, dat wil zeggen de afgedwongen mobiliteit. Zie de rekenvoorbeelden in De Graaf & Ultee, Acta Politica, 1987. Dit geldt zowel als stijging en daling tot onmiddellijke aanpassing van economische belangen leidt als tot geleidelijke aanpassing of een zekere gewenning.
15. Merk op dat de macrohypothese nu niet over het percentage stijgers op zich gaat, maar over het percentage stijgers min het percentage dalers. Sombarts macrohypothese dat sociale stijging tot verrechtsing leidt, is gecorrigeerd. Sombart had het over een hoger percentage stijgers in de VS vergeleken met Europa, het blijkt nu toe gaan om het verschil tussen het percentage stijgers min het percentage dalers. Dat is geen spijkers op laag water zoeken: in de VS kan de krantenjongen miljonair worden, maar miljonairs kunnen op de beurs ook al hun geld verspelen en in de goot terecht komen. Als ze zelfmoord plegen vallen ze natuurlijk buiten de statistieken, maar dat geeft alleen maar aan dat cijfers aangaande daling over grote afstand met fouten zijn behept.
16. Maar neem nu aan dat mensen niet op grond van economische belangen stemmen maar op grond van statusoverwegingen. Een stijger zal zich heel snel aanpassen aan het milieu van bestemming, een daler juist niet omdat de erkenning van daling op statusverlies neerkomt.

De macrohypothese is dan hoe meer sociale stijgers een samenleving kent en hoe meer sociale dalers, des te rechtser de politieke verhoudingen in die samenleving. De bijkomende veronderstelling om van het microniveau naar het macroniveau te gaan heeft niet betrekking op het percentage stijgers min het percentage dalers, maar op het percentage stijgers plus het percentage dalers. Merk op dat de macrohypothese nu niet meer over het percentage stijgers gaat, maar over het percentage stijgers plus dalers. Weer is Sombarts hypothese gepreciseerd, maar op een andere manier dan bij individuele hypothesen over economische belangen.


17. Zowel bij de individuele hypothese over economisch eigenbelang als bij de individuele hypothese over statusoverwegingen is het moeilijk uit te maken of de bijkomende veronderstellingen die een brug tussen macro en micro slaan, nu een decompositieregel of een aggregatieregel vormen (de termen van Lindenberg gebruikend). De clou is dat een andere bodem van een Colemanbootje tot een andere bovenrand van de boot leidt.
18. Dan is daar de kwestie van de invloed van het mobiliteitspatroon in een land op het stemgedrag van stabielen. Welke mobiliteit moet nu dienst doen als contextueel kenmerk? En hoe luidt de contextuele hypothese voor mensen die bovenaan stabiel zijn en hoe de hypothese voor mensen die onderaan stabiel zijn? Deze hypothese gaat niet zo zeer over gewenning bij stijging of daling, maar om de toekomstverwachtingen van stabielen. Voor de mensen die onderaan stabiel zijn, zal het contextuele kenmerk het percentage stijgers uit die klasse zijn, voor mensen die bovenaan stabiel zijn, zal het contextuele kenmerk het percentage dalers uit die klasse zijn. In het eerste geval is bij een doorslaggevende rol voor economische belangen sprake van verrechtsing, in het tweede geval van verlinksing.
19. Wat met alle stabielen bij elkaar gebeurt en leidt tot verschuivende politieke machtsverhoudingen hangt af van het aantal stabielen in de laagste groep als percentage van de gehele bevolking, het aantal stabielen in de hoogste groep als percentage van de gehele bevolking), evenals het aantal stijgers uit de laagste groep als percentage van alle mensen in de laagste groep en van het aantal dalers uit de hoogste groep als percentage van alle mensen in de hoogste groep. Een eenvoudige voorspelling van macroconsequenties lijkt hier niet mogelijk. Merk op dat deze uitspraak meer slagen om de arm houdt dan de uitspraak in De Graaf & Ultee 1987. Daar wordt gezegd dat het macro-effect afhangt van het percentage stijgers min het percentage dalers, zonder dat wordt ingegaan op de kwestie van de basis waarop absolute aantallen worden gepercenteerd. Het Colemanbootje gaat voorbij aan de verbetering van macrohypothesen door microhypothesen.
Welk macroverschijnsel moet worden verklaard?

20. In de politiek wordt vaker gezegd dat de cultuurspreiding is mislukt: het verband tussen opleiding en deelname aan allerlei vormen van cultuur is gelijk gebleven of zelfs toegenomen, terwijl kaartjes toch sterk gesubsidieerd worden en kinderen op school aan Cultuur worden blootgesteld. Hoe kan dat? Misschien omdat andere beleidsmaatregelen van de overheid wel het bedoelde gevolg hadden en het afmeten van cultuurspreiding aan de sterkte van het bivariate verband tussen iemands opleiding en iemands cultuurdeelname verkeerd is. Zie Ultee & De Graaf, Gezin, 1991.


21. Ten eerste. De overheid heeft haar best gedaan de sociale stijging te bevorderen. Die stijgers zullen zich wat cultuurdeelname betreft niet meteen aan hun hogere bestemming aanpassen. Ook zijn de inkomensverschillen in een samenleving met algemeen kiesrecht door progressieve belasting kleiner geworden en bestaan er geen formele statusonderscheidingen meer. Dat kan inhouden dat mensen meer buiten hun eigen opleidingspeil zijn gaan trouwen. Dat zal de cultuurdeelname van mensen beïnvloeden en wellicht het verband tussen iemands eigen opleiding en iemands cultuurdeelname verzwakken.
22. Ultee & De Graaf zeggen daarom dat het succes van cultuurspreiding niet moet worden afgemeten aan het bivariate verband tussen opleiding en cultuurdeelname, maar aan het verband tussen opleiding en cultuurdeelname voor mensen die wat onderwijs betreft stabiel zijn en tevens qua huwelijkspartner. Het blijft dat wel een bivariaat verband, maar er zijn eenheden opgedoekt (mensen buiten beschouwing gelaten). Men kan ook zeggen dat het ruwe bivariate verband is gezuiverd van de gevolgen van sociale mobiliteit en gemengd huwen. Verder meten ze het verband niet af aan percentageverschillen, maar aan odds ratio’s. Daarmee schakelen ze veranderingen in het totale percentage cultuurdeelname uit, wat een goede zaak is (gezien bijvoorbeeld de negatieve invloed van de televisie op uitgaan.)
23. Het gezuiverde verband is natuurlijk sterker dan het ruwe. Zowel voor concertbezoek, museumbezoek en gebouwenbezoek nam het ruwe verband tussen 1974 en 1983 af. Het gezuiverde verband nam minder af. Dat voor concertbezoek nam zelfs licht toe. Hier leidt de inbreng van microhypothesen tot een beter gemeten macroverband. Er wordt zelfs gevonden dat de sterkste zuivere verbanden het vaakst sterker werden en de zwakste zuivere verbanden het minst sterker. Overheidsbeleid heeft het minste effect op gezuiverde sterkere verbanden.
Tot slot

24. Het eerste gebrek van het Colemanbootje is dat het geen raad weet met intermediaire groeperingen en rechtspersonen die geen natuurlijke personen zijn. Het tweede gebrek van het Colemanbootje is dat het voorbij gaat aan contextuele effecten, dat wil zeggen pijlen van het macroniveau naar het microniveau. Het derde gebrek is dat de pijl van het microniveau naar het macroniveau onderbelicht blijft. De transformatie die daar wordt gemaakt behoeft niet uit te komen bij gangbare vaststellingen van macroverschijnselen. Het vierde gebrek is dat het Colemanbootje onvoldoende duidelijk maakt dat microhypothesen kunnen leiden tot correcties en alternatieven voor gangbare macrohypothesen.


25. Hoe zijn deze moeilijkheden op te lossen. Voorlopig twee stelregels. Ten eerste: vertrek niet van het microniveau, doe niet alsof bepaalde hypothesen, bijvoorbeeld de veronderstelling dat mensen rationeel handelen de Foundations of Social Theory zijn, de titel van een boek van Coleman uit 1990. Ten tweede: ga uit van een te verklaren macroverschijnsel en schrijf dit zoveel mogelijk in individuele termen uit. Ten derde: inventariseer de bestaande macrohypothesen ter beantwoording van verklaringsvragen over macroverschijnselen, schrijf de impliciete microhypothesen uit en ga na of zo kan worden gekomen tot correcties van de bestaande macrohypothesen. Ten vierde: doe alsof rechtspersonen die geen natuurlijke personen zijn, toch als mensen zijn en geef ze een plaats op het microniveau naast mensen. En ten vijfde: let erop of de inbreng van microhypothesen tot alternatieve metingen van macroverschijnselen leidt.
26. Zijn de eenheden waarover de sociologie uitspraken doet samenlevingen, gaan de maatschappijwetenschappen over maatschappijen. Margaret Thatcher zei eens dat er niet zoiets bestaat als de samenleving, en er zijn in de sociologie theoretici die iets dergelijks zeggen. Een voorbeeld was Homans, Coleman komt dicht in de buurt. Volgens Durkheim bestaat een samenleving uit meer dan individuen, ze bestaat ook uit normen, intermediaire groeperingen en volgens Lenski bestaat ze ook uit materiële producten van cultuur. Er zijn ook nog sociologen die een theoretische tussenpositie innemen: een samenleving bestaat uiteindelijk uit niets anders dan individuen. Dat is allemaal erg ontologisch.
27. De uitweg uit de discussie over de fundamentele eenheid van de sociologie wordt eigenlijk geleverd door het ecologisch evolutionisme van Lenski. Een populatie van dieren wordt wel een samenleving genoemd, en een populatie van bijvoorbeeld vinken verzamelt voedsel op een bepaald grondgebied en de leden van deze populatie lijken genetisch op elkaar en meer genetisch op elkaar dan de leden van een andere populatie vinken. Ze lijken genetisch op elkaar door de seksuele voortplanting. Het is hierbij mogelijk vast te stellen wanneer nu gescheiden populaties eens een eenheid vormden. De oplossing van het dilemma van een autonome sociologie versus een reductie van sociologie tot psychologie is ‘terug naar de evolutietheorie in de biologie’.
Wout Ultee

23-09-2010



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina