Magnetische stormen



Dovnload 30.6 Kb.
Datum24.08.2016
Grootte30.6 Kb.

MAGNETISCHE STORMEN

 

WIS EN WAS ONDERZOEK - 2008





MAGNETISCHE STORMEN

Het patroon van het aardmagnetisch veld, zoals, hiervoor beschreven, kent voortdurend tijdelijke afwijkingen in richting en sterkte. Bij een forse afwijking wordt er gesproken van een 'magnetische storm'. Magnetische stormen worden veroorzaakt door zonnevlammen; explosies in de atmosfeer van de zon. Deze zonuitbarstingen

worden waargenomen als donkere vlekken op de zon, zogenaamde zonnevlekken ('sunspots').
Het aantal zonnevlekken wordt weergegeven in het zonnevlekkengetal (Ri, Wolffgetal of Sunspot number). Het zonnevlekkengetal, ofwel de activiteit van de zon, volgt een cyclus.
Tussen twee minima zit een periode van 8 tot 14, en gemiddeld ongeveer 11 jaar. In figuur 5 is de laatste cyclus weergegeven. Op het moment dat dit rapport afgerond wordt (eind 2007) bevinden we ons in het dal van de cyclus. De zonuitbarstingen brengen zonnewinden voort. Zonnewinden zijn stromen van geladen deeltjes (protonen, elektronen, ionen) en straling uit heel het elektromagnetische spectrum, dat met hoge snelheid de

ruimte ingeslingerd wordt. Wanneer de zonnewind het magneetveld van de aarde raakt ten daarin doordringt, is dit soms zichtbaar als 'poollicht'. Het gebied waarin het aardmagnetisch veld zich uitstrekt (de magnetosfeer) beschermt de aarde door de zonnewinden op te vangen. Aan het aardoppervlak kan het magnetisch veld toch heel kort, of soms enkele dagen, uit evenwicht zijn. Bij sterke zonnewinden kunnen radioverbindingen gestoord zijn, elektriciteitsnetwerken uitvallen en het GPS-signaal van navigatiesatellieten niet meer worden ontvangen.

Door deze verstoringen kunnen postduiven misschien gedesoriënteerd raken.
METINGEN AAN HET AARDMAGNETISCH VELD

In Nederland werden er tot 1988 metingen verricht aan het aardmagnetisch veld door het KNMI, in De Bilt

(Utrecht) en Witteveen (Drenthe). In België verricht het Koninklijk Meteorologisch Instituut metingen in het

Geofysisch Centrum te Dourbes, gelegen tussen de losplaatsen Charleroi en Charleville- Mézières. Ook in

Engeland (Hartland), Duitsland (Wingst nabij Hamburg, Niemegk nabij Berlijn, Fürstenfeldbruck nabij

Munchen) en in Frankrijk (Chambon la Forêt nabij Parijs) zijn er meetstations.


Op diverse websites kunnen actuele metingen en verwachtingen worden geraadpleegd. Op de website van de NaM in Boulder, USA bijvoorbeeld, wordt een tweedaagse verwachting gegeven voor de toestand van het aardmagnetisch veld en is veel informatie te raadplegen.

(http://www.noaa.org/solar.html).


DE K-INDEX

De mate van verstoring kan worden uitgedrukt in verschillende getallen en indexen, waaronder de K-index.

De K-index wordt per meetstation berekend uit de maximale fluctuatie van de horizontale veldsterkte, gemeten met een magnetometer, in nanoTesla, gedurende een drie uur durend interval (acht keer per dag: 00.00 tot

03.00 uur, 03.00 tot 06.00 uur, enz.). De maximale fluctuatie is de hoogst gemeten waarde minus de laagst gemeten waarde in dat tijdsinterval.


Deze maximale fluctuatie wordt gecorrigeerd voor de normale dagelijkse/maandelijkse fluctuatie voor het meetstation. Hoe groter het 'ongewone restant' in de fluctuatie, hoe hoger de K-index. De K-index heeft 10 waarden; van waarde 0 tot 9 (zie tabel 6). Bij waarde 5 en hoger is er sprake van een magnetische storm.
DE 10 WAARDEN VAN DE K-INDEX

Toestand

magnetisch veld

Fluctuatie

(nT)

K-index


Rustig, ongestoord

0-5

5-10


0 1

Veranderlijk, actief


10-20 20-40

2 3

Kleine magnetische stormen

40-70 70-120

4 5

Zware magnetische stormen

120-200 200-330

6 7

Zeer zware

magnetische stormen



330-500 >500

8 9



BRON: National Oceanic and Atmospheric Administration

(NOAA) op http://www.noaa.gov.
DUIVEN ’VOELEN’ MAGNETISCHE VELDEN

Het is vrij zeker dat duiven magnetische velden kunnen 'voelen'. In een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Nature beschrijven Mora en anderen dat hun postduiven in een slimme proefopstelling onderscheid kunnen maken tussen de aan- en afwezigheid van een kunstmatig opgewekt magnetisch veld [Mora, 2004]. Na het verdoven van het neusslijmvlies, het toedienen van zinksulfaat of het doorsnijden van de reukzenuw

verloren de proefduiven dit vermogen. In overeenstemming hiermee vinden andere wetenschappers microscopisch kleine mag netietdeeltjes in zenuwuiteinden in de bovensnavel van postduiven. Vermoedelijk kunnen deze deeltjes functioneren als magneetreceptoren[Hanzlik, 2000; Williams, 2001; Fleissner, 2003;

Fleissner, 2007]. Deze studies verklaren misschien waarom andere studies een verband vinden tussen navigatie en het reukvermogen van duiven, en waarom duiven met het ornithose complex zich slechter zouden oriënteren.
De onderzoeker Keeton loste postduiven die een magneet op hun rug gelijmd hadden gekregen zodat zij het aardmagnetisch veld niet konden 'voelen'. Om eerlijk te kunnen vergelijken, droeg een ander deel van de duiven een 'nepmagneet' . Keeton verrichte in totaal 30 proeflossingen van verschillende losplaatsen op 27 tot 50 km van het hok. Van iedere duif noteerde Keeton de verdwijnrichting aan de horizon, in graden. Vooral onder bewolkte omstandigheden (wanneer duiven waarschijnlijk aangewezen zijn op het aardmagnetisch veld) was de oriëntatie van veel 'magneetduiven' minder nauwkeurig. [Keeton, 1971]. Waarschijnlijk geeft het aardmagnetisch veld duiven dus informatie over de juiste vliegrichting.
VERSTOORD MAGNEETVELD,VERSTOORDE THUISKOMST

Als duiven het aardmagneetveld kunnen voelen en gebruiken bij hun oriëntatie, kunnen magnetische verstoringen dan leiden tot slechte thuiskomsten? Naar aanleiding van deze vraag is er een serie interessante wetenschappelijke experimenten verricht.


Tussen 1953 en 1958 onderzocht Wallraff bijvoorbeeld, of het jaarlijkse aantal zonnevlekken verband hield met de thuiskomst van de duiven. De thuiskomst bleek gemiddeld genomen wat lager te zijn naarmate het zonnevlekkengetal toenam tot 1958. Wallraff concludeert dat het aantal jaren en vluchtdagen per jaar te klein is

om een gefundeerde uitspraak te kunnen doen [Wal/raft, 1960].


Een studie die in dit verband vaak wordt genoemd is die van Keeton [1974]. Keeton loste herhaaldelijk zijn proefduiven van dezelfde losplaats (Weedsport, USA) op 45,7 mijl van het thuishok. In totaal ging het om maar liefst 82 lossingen in drie series, in 1970, 1972 en 1973. Telkens werden dezelfde, ervaren en volwassen duiven gebruikt. De duiven werden alleen gelost onder zonnige weersomstandigheden, maar bij zowel een kalm als een onrustig aardmagnetisch veld. Uit dit experiment concludeert Keeton dat de verdwijnrichting van zijn duiven

negatief is gecorreleerd met de K-index (de 'K12': de som van 4 drie-uurlijkse K-waarden voorafgaand aan de proeflossing). Hoe hoger de K12' hoe meer richtingsgestoord de duiven vertrokken, en wel telkens meer naar 'links', of 'tegen de klok in', aldus Keeton.


Ook de Belgische meteoroloog Schietecat vindt in zijn studie geen duidelijk verschil in het vluchtverloop tussen verschillende waarden van de K-index of het zonnevlekkengetal. Maar; hoge K-waarden boven waarde 5 kwamen ook in zijn studie niet voor [Schietecat, 1987]. Tamboryn vindt geen duidelijk verband tussen de Planetaire geomagnetische index Ak en het vluchtverloop [Tamboryn, 1992]. Schietecat concludeert wél dat het luchtverloop gecorreleerd is met de Planetaire geomagnetische index Ak. Schietecat merkt zelfs op: "geen rekening houden met de activiteit van de zon is vragen om een rampzalig vluchtverloop'
Ook op verschillende websites wordt beweerd dat wedvluchten zeer slecht kunnen verlopen bij magnetische stormen. Vaak zijn het verhalende analyses met weinig bewijskracht.
CONCLUSIE:

Op basis van de beschreven experimenten en studies kan worden geconcludeerd dat duiven het magneetveld van de aarde gebruiken bij hun oriëntatie/navigatie. Het is lastig om uit deze studies een duidelijke algemene conclusie te trekken over het effect van magnetische verstoringen op het verloop van de vluchten.

Waarschijnlijk heeft dat te maken met de sterk wisselende omstandigheden waaronder de experimenten plaats vinden (verspreid over verschillende decennia, in verschillende landen, met verschillende soorten postduiven, zowel ervaren als onervaren, met een verschillende verzorging, gelost bij verschillende weersomstandigheden

en landschappen, enz.). Bovendien vonden de meeste experimenten plaats bij zonnige weersomstandigheden wanneer de duiven ook hun zonnekompas kunnen gebruiken. Het is de vraag hoe de oriëntatie van de duiven zou



zijn geweest als ze waren gelost bij een verstoord magnetisch veld in combinatie met een dichte bewolking. Met enige voorzichtigheid kan worden geconcludeerd dat de beschreven studies weinig overtuigen dat magnetische verstoringen kunnen leiden tot een slechte thuiskomst.



De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina