Masarykova univerzita Filozofická fakulta Ústav germanistiky, nordistiky a nederlandistiky



Dovnload 356.46 Kb.
Pagina3/12
Datum18.08.2016
Grootte356.46 Kb.
1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12

2.3.3 Manipulatie van syllaben


Bij manipulatie van syllaben gaat het meestal om het willekeurig omdraaien van de syllaben.



“Jaxie (Ajax)
Spikrie (Spijkenisse)” (ibidem)

2.3.4 Nederlandse affixen aan Engels lexeem

In deze categorie kunnen we zien hoe een Nederlandse affix aan Engelse lexemen wordt toegevoegd.  Engelse lexemen staan voor de kern van het woord en de Nederlandse affixen vormen bijvoorbeeld kunnen als prefixen en/of suffixen bij een participium verschijnen .prefixen voor een participium of bij infinitieven kunnen we de Nederlandse suffixen-en zien. Bij substantief is er een Nederlandse uitgang -tje voor diminutief. Hieronder enkele voorbeelden van de affixen gecursiveerd :

“- participium
gefreshed (Engels, 'bijwerken'): "van jou moet een beetje gefreshed worden"
gedist (Engels, in de maling nemen): "dan wordt je gedist"
geflashed (Engels, in de maling nemen): "J. heeft mij ook geflashed man" (idem:182)

- infinitiv


flowen (Engels, versieren): "hij wil onmin mensen hun nichtje flowen"
chillen (Engels, relaxen): "gewoon ja met ons chillen"

- substantief in de diminutieve vorm


Playertje”  (ibidem)

2.3.5 Nederlandse affixen aan Surinaams lexeem

In het geval van Surinaamse lexemen kunnen we ook vooral de Nederlandse uitgang -tje voor diminutieven zien. Het vastplakken van Nederlandse affixen aan een Sranan lexeem is veel beperkter dan bij een Engels lexeem als hierboven. Nederlandse affixen komen grotendeels


voor bij Sranan substantieven maar nauwelijks bij werkwoorden.


“- substantieven
killtje (Sranan, kill = jongen)
smatjes (Sranan, sma = meisje)
Mokro's (Sranan, Mokro = Marokkaan): "je gaat teveel met Mokro's om daarom"

Variatie: toevoeging van de Engelse vorm van een meervoud aan de woorden waar ze niet horen.
patas vs pata (Sranan, pata = schoen(en)): "ga je andere patas kopen."
"als ik nieuwe pata ga halen." “ (ibidem)

2.3.6 Morfo-syntactisch niveau




• flexie-buiging


Onder flexie-buiging wordt verstaan een buiging van suffixen waar het normaal geproken niet toegestaan is. Hier is de buiging ter illustratie op werkwoorden. Alle deze werkwoorden eindigen op een medeklinker.

- werkwoorden

Ronald: " [/] kom, gelijk fitty" (Sranan: vechten)


Ronald: "ja en een killtje zou haar toch voor me naki" (Sranan: slaan)
Vincent: " dan kan je niet zo waka man zo" (Sranan: lopen)

  • Gaan als een hulpwerkwoord

In deze zin wordt het werkwoord gaan gebruikt in plaats van het werkwoord zullen.

Ronald: "als je hier langs loopt en je hoort Surinaamse muziek dan weet je al,


in de Oranjeboomstraat ga je het niet horen"
Gerard: "het bestaat niet dat je boen met je meisje gaat blijven nooit"

Het laatste fenomeen heeft meestal niks te maken met de bewuste keuze van het gebruik. Cornips en De Roij (2004: 184) maken ons attent op de verbuiging van de adjectieven die niet moeten verbuigd worden. De-e uitgang is in deze voorbeelden overbodig.

Gerard: " ik heb een mooie lichaam"
Gerard: "zie je een zwarte meisje achter die xx" (ibidem)

2.3.7 Fonologische en fonetische eigenschappen van de straattaal

De straattaal heeft zoals alle andere taalvariëteiten haar typische fonetische en fonologische kenmerken. Bij het herkennen van een gesprek in straattaal is het fonetische niveau een machtig middel omdat het als eerste opvalt. Ik bespreek ze in het kort om een overzicht van alle kenmerken van de straattaal te presenteren maar aangezien de omvang van deze scriptie vrij beperkt is, vormen ze geen onderdeel van mijn analyse. Ik ga hier in kort bestek op enkele meest opvallende fonetische kenmerken van de straattaal in.




De [s] wordt vaak als [ʂ] uitgesproken- bijvoorbeeld het woord stad- wordt als [ʂʝɑɗʈ] uitgesproken. In dit geval wordt de klank zachter uitgesproken dan in het Algemeen Nederlands.
De g [ɣ]
is veel scherper en harder dan in het Algemeen Nederlands, vooral aan het begin van een woord(bijvoorbeeld in woorden als gozer of gaan).
De [r ]
kent meer trillingen (in ieder geval meer dan in het Algemeen Nederlands). Het klinkt vaak als een Amerikaanse rollende [R]
Alle deze drie klanken worden wat scherper uitgesproken dan in het Standaardnederlands (“de tong wordt daarbij meer tegen de achterkant van de bovenste tanden gedrukt”) (Cornips en de Rooi 2003:3).
De uitspraak van de combinatie van klanken tje [ tʃ ]
Zoals in in het woord weet je, die in het Algemeen Nederlands achter in de mond wordt gevormd, wordt in de straattaal/ het Murks vaak vóór in de mond, met enigszins geronde lippen uitgesproken (als in de beginklank in het Engels ´chocolate´)
De  [z]
is “zeer stemhebbend en scherp (met trillende stembanden)”
De [s ]
is harder en scherper dan in het Algemeen Nederlands
De [ij/ei ]
wordt vaak veel sterker nog dan in substandaard Nederlands als ai uitgesproken (“hai in plaats van hij”). Dat doet denken aan de uitspraak van het Poldernederlands.
Uit: Nortier (2001:207)

2.4 Slechte beheersing van het Nederlands?

Onder taalkundigen (Vermeij 2002, Van Kempen 2000, Nortier 2009) wordt bezorgdheid geuit over mogelijk negatieve effecten van straattaal op de taalbeheersing van jongeren. Jacomien Nortier (2009:164) merkt in Nederland Meertalenland een verband tussen hetzelfde type fouten dat zowel door mensen die het Nederlands niet als moedertaal hebben als door straattaalsprekers worden gemaakt. Het lijkt logisch te zijn omdat het immers vaak om dezelfde mensen gaat, sprekers die het Nederlands pas na hun moedertaal hebben geleerd. Voor hen zijn vooral de lidwoorden problematisch. Geen intuïtie helpt daarbij en helaas bestaan er geen vaste regels voor wanneer het het lidwoord moet gebruikt worden. In de standaardtaalnorm kennen zelfstandige naamwoorden in het Nederlands drie grammaticale geslachten: onzijdig, mannelijk en vrouwelijk. Het lidwoord staat voor een onzijdig woord, terwijl de voor mannelijke en vrouwelijke woorden.In straattaal is sprake van overgeneralisatie van het niet-neuter geslacht(van Leussen 2006:1) Het boek en het huis worden dan in de straattaal de boek en de huis, dus als aanwijzende voornaamwoorden ook  deze boek en die huis.

Als een ander voorbeeld wordt vaak de uitgang–e achter bijvoeglijke naamwoorden gebruikt ook als is het in het Standaardnederlands niet toegestaan. Hieronder geef ik enkele voorbeelden van een typisch straattallig ´fout´maken die ontleend zijn aan Van Lier en Nortier. Ik geef de fouten in een cursief weer.

Er is maar nog een vraag:  Hoe kan de ´fout´ gedefinieerd worden? In mijn analyse zal ik ook op zoek naar taalfouten gaan. Als een taalfout zal ik alle verschijnselen die van de regels van Standaardnederlands afwijken beschouwen. Met name zal ik op zoek gaan naar dergelijke typefouten dit ik hieronder beschrijf.


Voorbeelden van slecht gebruikt lidwoord: (en als een consequentie soms een foutieve verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord)



  1. “Ze (…) Denon dat ze elke meisje kunnen fleshen (elk meisje)

  2. Op deze aanzoek heb ik al m´n hele leven gewacht (dit aanzoek)

  3. Wat een toffe verhaal! (tof verhaal)

  4. Deze verhaal is wel zielig (dit verhaal)

  5. (...) op deze forum (dit forum)

  6. Ik vind dat de uiterlijk mij ook wel moet bevallen (het uiterlijk)” (Nortier 2009:

Nortier (2001:24) vermeldt dat het altijd om hetzelfde type fout gaat. Jongeren hebben een tendens om alle het-woorden in de- woorden te veranderen. Het gebeurt nooit andersom. Wat ze verder vaak toepassen is het hulpwoord ´gaan´.


1.Voorbeeld:  gaan


 Jasper: Hoe is het met jou?
 Paul:Goed.
 Jasper: Oh neee, niet zo bescheiden, ga gewoon zeggen goed, goed, beter weet je ?
2.Soms kiezen ze ook voor een verkeerd hulpwerkwoord:
 Sophie:We zijn vandaag in de stad mooi hoofdoeken gezien.
3. De woordvolgorde is nog natuurlijk problematisch:
 Jeroen: Ah die moeder van Philip zegt dat- ie al buiten is dus ik ga eventjes hem zoeken ja.” (Nortier 2001:24)

Onder taalkundigen wordt vaak gediscussieerd over de waarde van de straattaal. Sommigen vinden het een teken van de verloedering van het Nederlands maar anderen hebben een positieve kijk op de zaak en ze nemen het als een natuurlijke vooruitgang van de taal waar.


In het artikel in Leids Kwartier werd in februari 2011 de mening van taalwetenschappers gepubliceerd. Aan de ene kant verwelkomen ze constructies als ´een mooie meisje´ omdat het een bewijs is dat de taal levend en steeds in ontwikkeling is. En misschien is het een beeld van het Nederlands in de toekomst (Anoniem 2, Hun zeggen “een mooie meisje”, 2011).

Daarentegen bestaat ook enthousiasme over het fenomeen. Appel die onderzoek onder de scholieren van Amsterdam doet, heeft een duidelijk positieve mening daarover:

“Verwar jongeren- of straattaal niet met een geringe taalvaardigheid. Om zo creatief en effectief buitenlandse woorden door het Nederlands te kunnen mengen, moet je het Nederlands juist bijzonder goed beheersen. Allochtone jongeren die slecht Nederlands spreken, behoren niet tot de groep van straattaalsprekers. Er zal op den duur vast wel een woord of wat van die straattaal doordringen in het Standaardnederlands. Niets om je druk over te maken, want de invloed zal klein zijn en niet bepaald dodelijk voor het Nederlands” (Anoniem 3 ´Is straattaal besmettelijk?´).

2.5 Wie praat straattaal
    

Volgens Appel (1999) is de typische straattaalspreker vaak van niet-Nederlandse herkomst/etniciteit die naast het Nederlands nog een andere taal als moedertaal heeft.


Het feit dat de straattaalsprekers vaak van niet-Nederlandse etniciteit zijn, was onmiddellijk verbonden met meestal ongewenste associaties.
Backus is ervan overtuigd dat etniciteit zeker met leeftijd, geslacht en sociale of regionale herkomst tot sociolinguïstische factoren behoort. Als een sociolect van het Nederlands is dan beschouwd het Nederlands van jongeren met een niet-Nederlandse (Cornips en de Rooi 2004:176). Deze stelling zou dan ook betekenen dat de moedertaalsprekers de straattaal niet zouden gebruiken, maar die klopt niet.  
Jacomine Nortier (2001:41) definieert de mensen die straattaal gebruiken als degenen die aan alles lak hebben. Zij kwam tot deze conclusie na een interview met individuele leerlingen op een Utrechtse mavo. Ze zijn doorsnee van 15- en 16-jarige leeftijd en allemaal van een gemengde etnische achtergrond. Zij merkte op dat op de mavo straattaal het vaakst voorkwam, vooral meer dan op de havo. Op de laatste plaats in de rij komt de vwo.  Het wezen van een groepje straattaalsprekers heeft invloed op het taalgebruik van de hele klas. De scholieren weten zelf dat in de hogere opleidingen de straattaalwoorden minder voorkomen dan in de lagere. Een geïnterviewd meisje Ramona geeft toe: “Als ik tegen een gymnasiumleerling zeg ”Fawaka”, dan denken ze dat ik hun heb uitgescholden” (Nortier 2001:42). Tevens daar kunnen we de conclusie van trekken dat het gebruik van straattaal vaak met het mavoniveau wordt geassocieerd. Dat brengt veel vooroordelen met zich mee (ibidem).

Voor een groeplidmaatschap zijn vooral dingen als muziekvoorkeur, uiterlijke stijl en woonplaats essentieel. Maar wat bijvoorbeeld het mengen van sekse betreft is het uit het onderzoek van Jacomien Nortier wel bewezen dat meisjes met de Turkse herkomst aan elkaar hechten. In vergelijking met andere nationaliteiten zijn de ethnische grenzen voor hen belangrijk en de andere uiteenlopende factoren minder. Terwijl de andere meisjes zowel met jongens als met individuen van andere culturen mengen. Ook buiten het schoolplein kunnen we observeren dat de Turkse gemeenschap heel goed is georganiseerd. Ze geven ook veel waarde aan hun moedertaal. Dat is te zien in hun vrije tijd als bijvoorbeeld jongeren van een Marokkaanse groep naar elkaar in het Nederlands schreeuwen en de leden van de Turkse ring blijven dat in het Turks doen. Daardoor komt misschien een feit dat er niet zo veel Turkse leenwoorden woorden in de straattaal bestaat (Nortier 2001:44).


       Ramona, het door Nortier geïnterviewde half-allochtone meisje, vindt de straattaal zeker meer gewoon dan stoer. Zij noemt een overgang naar het gebruik van de straattaal als “Automatische piloot”.
De diepte in de vriendschappen draagt een cruciale rol bij het gevoel wat nog wordt geaccepteerd en wat niet. Ze is zich er wel van bewust dat het nadoen van het Marokkaans accent als beledigend kan worden gezien (Nortier 2001:41).
        Zoals ik in subhoofdstuk  2.1 heb vermeld, wordt straattaal door jongeren gebruikt omdat het plezierig en gewoon voor hen is en omdat het van zelf gaat. Straattaalsprekers zijn ook niet tot allochtonen beperkt, integendeel, straattaal wordt ook naar autochtone jeugd uitgebreid.



1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   12


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2019
stuur bericht

    Hoofdpagina