Master Thesis ‘History of International Relations and Global History’



Dovnload 0.79 Mb.
Pagina1/6
Datum25.07.2016
Grootte0.79 Mb.
  1   2   3   4   5   6


‘Op, Neerlands jeugd! Naar ’t heilig, heilig Rome!’ Een studie naar enkele demografische kenmerken van de Nederlandse pauselijke zouaven 1860-1870


Master Thesis ‘History of International Relations and Global History’

Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen

Erasmus Universiteit Rotterdam

Student: Jan Willem Rozema

Begeleider: Prof.dr. H.A.M. Klemann

Augustus 2010



Voorwoord
Rotterdam, 23 augustus 2010
En weer is er een scriptie af. De meesterproef is succesvol afgelegd. Voor het eindresultaat is flink geploeterd, maar het scriptieleed wordt snel vergeten. De hoop een nuttige bijdrage aan de geschiedwetenschap te hebben geleverd, die wellicht anderen kan inspireren tot vervolgonderzoek, blijft voorlopig overeind. Een mooi moment dus. Zeker als daar nog eens een goed glas bier op wordt gedronken. Ondertussen heb ik nog best een hoop plezier beleefd aan die dekselse zouaven. Het scriptieleed was in mijn geval bovendien zeer beperkt. Deze beperking is aan meer geluk dan wijsheid toe te schrijven. Een dankwoord aan degenen die deze geluksfactor creëerden, is dan ook meer dan op zijn plaats.

Mijn dank gaat ten eerste uit naar twee betrokken begeleiders, Hein Klemann en Kees Mandemakers. De horrorverhalen zoals geregeld vernomen van vrienden de afgelopen jaren (‘Hij mailt nooit terug, is er nooit, leest nooit wat...’) waren absoluut niet op mij van toepassing. Integendeel: jullie begeleiding en sturing heeft het traject aanzienlijk versoepeld. Dank, heren. Ten tweede mijn dank aan de beste medewerkers van de stichting Nederlands Zouavenmuseum in Oudenbosch. Als bron van kennis waren jullie verzamelde data en literatuur onmisbaar; het leveren van de data (wat niet bepaald makkelijk was), het delen van kennis en het meedenken in het proces maakten dat ik jullie zelf net zo min kon missen. In het bijzonder mijn dank aan jou, Marijke. Je zouavenhart werkte inspirerend. Je bleek een zeer prettig persoon om mee te werken. Ten derde dank aan personen in mijn omgeving. Matthijs, je bent een Excel-koning. Je gouden tip maakte het werk een stuk leuker en makkelijker en het eindresultaat veel accurater. Emiel en Eduard, super bedankt voor het kritisch doorlezen van het werk en de geboden suggesties die hier het resultaat van waren. Verder dank aan mijn vrienden en familie in algemene zin, die mij met tips, goede gesprekken en aanmoedigingen richting de finish hielpen. Het is alles enorm gewaardeerd. In het bijzonder moet ik mijn vader bedanken. Deze dank is voor het zeer kritisch doorlezen van de scriptie, maar vooral voor alle steun die ik tijdens mijn studententijd heb mogen genieten. Pa, je bent een fantastische vent. Het is de grootst denkbare zegen voor ons kinderen dat jij je rol als vader de hoogste prioriteit toekent in je leven. Ik kan niet meer wensen.


Jan Willem Rozema

Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1- Inleiding 6
Hoofdstuk 2- Italiaanse gebeurtenissen en de internationale zouavenbeweging 11
Hoofdstuk 3- Historiografisch debat 16

§3.1 Motieven van vrijwillige soldaten 17

§3.2 De internationale zouaven 1860-1870 21

§3.3 De Internationale Brigadisten tijdens de Spaanse burgeroorlog 1936-1939 23

§3.4 Buitenlandse Waffen-SS-vrijwilligers 1940-1945 26

§3.5 Hedendaagse jihadisten 29

§3.6 Deelconclusie 30
Hoofdstuk 4- Methodologische beschouwing en methode onderzoek 32

§4.1 De narrativistische geschiedbenadering 32

§4.2 De sociaal-wetenschappelijke geschiedbenadering 34

§4.3 Onderzoeksontwerp 36

§4.4 Databestanden 36

§4.5 Onderzoeksmethoden 38


Hoofdstuk 5- Algemene kenmerken van de Nederlandse zouaven 43

§5.1 Moment van indiensttreding van de Nederlandse zouaven 43 §5.2 Leeftijd van indiensttreding van de Nederlandse zouaven 45

§5.3 Leeftijd van indiensttreding van de Nederlandse zouaven per periode 47

§5.4 Deelconclusie 49


Hoofdstuk 6- Herkomstgebied van de Nederlandse zouaven 51 §6.1 Herkomstgebied naar provinicie 51 §6.2 Herkomstgebied naar gemeente 55

§6.3 Deelconclusie 59


Hoofdstuk 7- Beroepen van de Limburgse zouaven 60

§7.1 Beroepen van Limburgse zouaven en hun leeftijdsgenoten naar arbeidssector 60

§7.2 Beroepen van Limburgse zouaven en hun leeftijdsgenoten naar beroepsgroep 61

§7.3 Deelconclusie 62


Hoofdstuk 8- Conclusie 64
Bronnenlijst 65
Annex 1: Nederlandse gemeentes waaruit vijf zouaven of meer kwamen 68

Hoofdstuk 1 - Inleiding

Tussen 1864 en 1870 riep paus Pius IX jonge katholieke mannen uit heel de wereld op om zijn grondgebied, de Kerkelijke Staat, te verdedigen tegen Italiaanse eenheidsstrijders.1 Ongeveer 3.200 Nederlandse mannen gaven gehoor aan Pius’ oproep. Hiermee vormden in die periode naar nationaliteit de Nederlandse zouaven het grootste contingent in het pauselijke leger. Deze Nederlandse zouaven zijn het onderwerp van deze master thesis. Wie waren zij? En waarom kozen zij ervoor om zich twee jaar of langer in dienst van de paus te stellen? Onderzocht wordt welke factoren in de demografische omgeving een rol kunnen hebben gespeeld bij de keuze van de Nederlandse zouaven om als vrijwillig soldaat in het pauselijk leger te dienen. De vraag is, anders gesteld, hoe de omstandigheden van zouaven verschilden van die van hun peers die zich níet aanmeldden.

Om deze vraag te beantwoorden wordt een historisch demografisch onderzoek uitgevoerd. De gegevens over de zouaven zijn afkomstig van de stichting Nederlands Zouavenmuseum. Het museum herbergt een schat aan informatie over de zouavenbeweging en het Nederlandse aandeel hierin in het bijzonder. Dit museum is uniek in de wereld: er bestaat geen ander museum dat volledig aan de pauselijke zouaven is gewijd. Het museum bezit een databestand over de zouaven waarin kenmerken als geboortedatum, geboorteplaats en beroep zijn opgenomen. Aan dit bestand kunnen tal van interessante vragen worden gesteld die met statistische methodes kunnen worden beantwoord. Vele, soms fundamentele vragen zijn tot op heden nooit beantwoord, zodat het geheel aan kennis over de Nederlandse zouaven beperkter is dan dat deze zou kunnen zijn. Dit betreft vragen over het precieze herkomstgebied van de zouaven, over hun precieze leeftijd bij inschrijving en over hun beroep. Het verloop van en de achtergronden bij de zouavenbeweging zijn al ten dele gereconstrueerd, maar er is nog een hoop braakliggend historisch terrein.

Het is de taak van historici om gebeurtenissen en processen uit het verleden in kaart te brengen en waar mogelijk verklaringen te bieden voor hetgeen gebeurd is. In het geval van de zouaven kan het verwondering wekken dat het grootste contingent vrijwilligers juist uit Nederland afkomstig was. Verklaringen kunnen zowel op het vlak van de individuele zouaven als de katholieke gemeenschap in Nederland geboden worden. Wat betreft het tweede wordt een verklaring geregeld in de ontwikkeling en karakteristieken van het katholieke volksdeel in de negentiende eeuw gezocht. In die tijd heeft in Nederland op verschillende momenten een felle godsdienststrijd gewoed tussen protestanten en katholieken. In de praktijk ging het daarbij niet alleen om de godsdienst zelf. Op basis van twee verschillende christelijke denominaties kon het zijn dat binnen Nederland sterke wij-zijgevoelens tussen twee bevolkingsdelen ontstonden. Dat bevolkingsdeel kon vervolgens streven naar het behoud van zijn politieke en economische voorrechten (hier: protestanten) of juist naar een zo volledig mogelijke emancipatie (hier: katholieken). De godsdienststrijd is daardoor nauw verweven met de ontwikkeling van de Nederlanden als vroege natiestaat en de (on)gelijkheid van deze twee belangrijkste constituerende bevolkingsdelen.

Koning Willem I (koning van 1815-1840) zag zichzelf als beschermheer van de protestantse kerk. Deze hervormde hij in 1816 tot de Nederlandse Hervormde Kerk.2 Buiten deze kerk bestond er nog een bonte waaier aan verschillende protestantse kerkgenootschappen die tegenwoordig samen als dissenters bekend staan.3 Een zeer belangrijke gebeurtenis was de afscheiding van België in 1830, nadat in 1815 de Nederlanden samen als bufferstaat naast Frankrijk waren ingericht. Het afscheiden van de zuidelijke provincies betekende dat Nederland weer een veel kleiner land werd en bovendien dat de protestanten in Nederland nu weer een numerieke meerderheid vormden (60% om 38%). Midden-Limburg kwam bij België, maar werd in 1839 tegen wil en dank weer deel van Nederland. Noord-Brabant bleef ook na 1830 bij Nederland. De afscheidingskwestie had tot flinke nationalistische gevoelens geleid in de Noordelijke Nederlanden. Over het algemeen zagen de Nederlanders de Belgen zonder spijt vertrekken uit het land.4 Bij de vorming van het nieuwe zelfbeeld greep de centrale overheid terug op het verleden van de natie, waarbij de 16e en 17e eeuw werden voorgesteld als het hoogtepunt.5 De strijd tegen het katholieke Spanje tijdens de tachtigjarige oorlog (1568-1648) speelde bij deze nationalistische identiteitsvorming een belangrijke rol. Dit beleid droeg uiteraard niet bij aan de integratie van de katholieken in de zich ontwikkelende natiestaat.

Desondanks was de emancipatie van het katholieke volksdeel in gang gezet. In 1840 besteeg Willem II (koning van 1840-1848), die de katholieken welgezind was, de troon. De gematigde liberalen in de Tweede Kamer waren eveneens sterk op de hand van de katholieken. Vanaf de extreem liberale grondwetswijziging van 1848 wisten de katholieken in de jaren die volgden veel van hun verworven rechten in de praktijk te gelde te maken.6 Zeer belangrijk hierbij was dat de grondwettelijke scheiding tussen kerk en staat (1798) stringenter dan daarvoor geïmplementeerd werd. Dit betekende echter niet dat katholieken ook binnen het nationale idee ‘Nederland’ vielen, dat steeds sterker als protestants werd neergezet. Met de grondwetswijziging was de emancipatie nog verre van voltooid.7

Een volgende belangrijke gebeurtenis vond plaats in 1853: paus Pius IX (paus van 1846 t/m 1878) besloot tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, nadat dit missiegebied door het Vaticaan was afgeschaft tijdens de tachtigjarige oorlog. Zo kreeg Nederland vier bisdommen en een aartsbisdom. Voor grote delen van het katholieke volksdeel was niet duidelijk wat van deze verandering kon worden verwacht. Een protestantse reactie bleef niet uit: eveneens in 1853 ontstond de April-beweging, een protestantse volksbeweging die tevergeefs probeerde haar invloed aan te wenden om de installatie van de bisschoppelijke hiërarchie teniet te doen. Het bleek dat het protestantse volksdeel voor deze strijd tegen de katholieke emancipatie gemobiliseerd kon worden.8

Het hierboven aangestipte protestantse sentiment begon oorspronkelijk vorm te krijgen na de Belgische opstand (1830) in een beweging die zich sterk maakte om de katholieke emancipatie en de katholieke invloed op het maatschappelijk leven terug te dringen: het anti-papisme. Deze beweging begon een vlucht te nemen in de jaren ’30 en ’40 van de 19e eeuw. Zij gold als een reactie op de Belgische opstand, het koningsschap van Willem II en de liberaliseringsbewegingen die een grote rol in de landelijke politiek begonnen te spelen. Een deel van de Nederlandse anti-papisten verzamelden zich in verenigingen. Samen zouden zij voor ongeveer 20.000 leden goed zijn geweest.9 In zijn scriptie Unitas (1982) behandelt Hein Klemann de vereniging Unitas en de overige anti-papistische gezelschappen. Hij concludeert algemeen 1) dat het georganiseerd anti-papisme in de 19e eeuw een niet te verwaarlozen factor is geweest, 2) dat een aantal anti-papistische organisaties en anti-papistische pers hieruit ontstaan is en 3) dat in katholieke kring twee tegenovergestelde reacties hierop ontstonden: woede enerzijds, maar waarschijnlijk vooral een tot nietsdoen dwingende angst anderzijds.10

Binnen dit maatschappelijk kader ontstond de Nederlandse deelname aan de zouavenbeweging in de jaren 1860. 3.200 Jonge mannen lieten zich vrijwillig inschrijven als pauselijk zouaaf. Hun bereidwilligheid was niet atypisch voor het katholieke volksdeel. Trouw aan Rome stond tot de ontzuiling in de jaren 1960 en ’70 zeer hoog in het vaandel van de Nederlandse katholieken en werd als een belangrijke peiler van een Nederlandse katholieke identiteit gebruikt.11 Het is niet denkbeeldig dat vele katholieken een sterkere katholieke identiteit dan een nationale identiteit ervoeren. Mogelijk gold in de ogen van vele katholieken dat middels de zouavenbeweging het anti-papisme goed het hoofd kon worden geboden, aangezien breed verwacht werd dat een verlies van wereldlijke macht zou leiden tot een verlies van geestelijke macht (zie hoofdstuk 2). Zo lijkt de motivatie van de Nederlandse katholieke gemeenschap om bij te dragen aan de bescherming van de Kerkelijke Staat redelijk in beeld gebracht.

De bereidwilligheid van de gemeenschap verklaart niet waarom de zouaven in kwestie wel gingen en anderen niet: hiervoor had elke zouaaf (en dus ook elke niet-zouaaf) zijn eigen redenen. Motieven en redenen van de gemeente en het individu kunnen sterk met elkaar vervlochten zijn. Om meer te weten te komen over de achtergrond van de zouaven, wordt een historisch demografisch onderzoek uitgevoerd. Hierbij worden drie onderwerpen onderzocht: 1) de leeftijd bij aanvang van het dienstverband van de zouaven, 2) het herkomstgebied van de zouaven en 3) het beroep van de Limburgse zouaven. In dit werk worden drie hoofdstukken aan het historisch demografisch onderzoek gewijd. Het onderzoek naar herkomstgebied en beroep kunnen eventueel inzicht bieden met betrekking tot de vraag waarom de zouaven zich aanmeldden en anderen dit niet deden.

In hoofdstuk 2 van dit werk wordt de geschiedenis van de internationale zouavenbeweging in hoofdlijnen weergegeven. In hoofdstuk 3 worden de historiografische debatten over de soldaten in vier verschillende vrijwilligersbewegingen -waaronder de zouavenbeweging- geanalyseerd. In dit literatuuronderzoek wordt de nadruk op het achterhalen van de motieven van de vrijwilligers gelegd. In hoofdstuk 4 volgt een methodologische beschouwing en wordt beargumenteerd waarom voor een historisch demografisch onderzoek is gekozen. De databestanden en de werkwijze bij het onderzoek worden toegelicht. De leeftijd bij de aanvang van het dienstverband wordt onderzocht in hoofdstuk 5. Gemeten wordt of er veranderingen door de tijd heen optreden onder de zouaven die per periode naar het Italiaanse schiereiland vertrokken. In hoofdstuk 6 wordt onderzocht wat het herkomstgebied van de Nederlandse zouaven was. Essentieel hierbij is wat de getalsmatige verhouding tussen katholieken en niet-katholieken (bijna allen protestanten) was in deze gebieden. Anders gesteld, onderzocht wordt of het eerder genoemde anti-papisme een significante rol heeft gespeeld bij de aanmelding tot pauselijk zouaaf.

In hoofdstuk 7 wordt onderzocht in hoeverre het beroep van invloed kan zijn geweest op de aanmelding. Trees Bosman heeft in haar doctoraalscriptie “Ter eere Gods, tot heil van paus en kerk.” Enige aspecten van de Nederlandse zouavenbeweging nader beschouwd (1979) reeds uitgebreid onderzoek gedaan naar de beroepen van de Nederlandse zouaven die in 1866 en 1867 in dienst traden. Zij gebruikte hiervoor twee bronnen, te weten de Brusselse Matricule des Zouaves Pontificaux (zie ook §4.4.1) en inschrijflijsten die op het moment van aankomst in Rome werden opgemaakt. Bosman beschouwt de Brusselse inschrijflijst als waarachtiger, omdat de kans op communicatiestoringen door taalproblemen haars inziens groter waren in Rome. Ook de stichting Nederlands Zouavenmuseum hanteert de beroepsopgave van de matricule. Op de Brusselse lijst komen beroepen voor die door Bosman categoriseerd zijn in de groepen a) landbouw (18,5%), b) ambachten/handel (52%), c) arbeiders/dienstverlening (21%) en d) kantoor-intellectuele en militaire beroepen (8,5%). De meest voorkomende beroep op de Brusselse lijst zijn landbouwer (47), dagloner (35), schoenmaker (27), bakker (18), kleermaker (17), metselaar (13), arbeider (12), timmerman (11). De bevindingen in beroepsgroepen zet ze af tegen de beroepstelling uit 1859. Er zijn wat verschillen, maar uiteindelijk concludeert Bosman, met de nodige reserve, dat de beroepsuitoefening door zouaven verhoudingsgewijs niet sterk afwijkt van die van de gehele Nederlandse mannelijke beroepsbevolking.12 De beroepen van de zouaven zullen voor dit onderzoek opnieuw bekeken en gecategoriseerd worden. Deze keer zal echter gebruik worden gemaakt van de gegevens over alle Limburgse zouaven tussen 1860 en 1870 met een beroep. De gecategoriseerde beroepen worden vergeleken met een controlegroep: Limburgse mannen van ongeveer gelijke leeftijd met een geregistreerd beroep. Waar Bosman een brede, landelijke vergelijking maakt, wordt hier een specifieke populatie van zouaven afgezet tegen een controlegroep die vergelijkbaar is qua geslacht, leeftijd en religie. Het onderzoek in hoofdstuk 7 laat zich het beste lezen als een aanvulling op Bosmans werk.

Bij de zouavenbeweging is sprake van tijdelijke migratie. Als bij migratiestudies redenen worden aangedragen als verklaring voor de migratie van de groep of persoon in kwestie, wordt in de regel onderscheid gemaakt tussen push-factoren en pull-factoren. Onder een push-factor wordt een reden verstaan om een bepaald gebied te verlaten (hier: de Nederlandse gemeente van herkomst). Push-factoren in algemene zin kunnen bijvoorbeeld een gebrek aan werkgelegenheid, een onaantrekkelijk klimaat of etnische spanningen zijn. Onder een pull-factor wordt een reden verstaan om naar een bepaald gebied toe te gaan (hier: de Kerkelijke Staat). Pull-factoren in algemene zin kunnen bijvoorbeeld goedkope landbouwgrond, religieuze tolerantie en aantrekkelijke natuur zijn. Als het vertrek- en aankomstpunt van de migratie bekend zijn, vormen push- en pull-factoren vaak twee kanten van dezelfde medaille. Belangrijk is te realiseren dat bepaalde push- en pull-factoren soms maar voor een specifiek gebied gelden en dat de relatieve zwaart’ van deze twee groepen factoren kan verschillen. Een voorbeeld is de massamigratie van joden vanuit de diaspora naar de nieuwe staat Israël vanaf 1949. De pull-factoren zullen voor de verschillende migranten sterke overeenkomsten hebben vertoond, waar de push-factoren zeer verschillend waren. De pull-factoren zullen hier ook sterker dan de push-factoren zijn geweest. Andersom geldt dat voor bijvoorbeeld massamigratie uit een oorlogsgebied juist zeer sterke push-factoren gelden. De ontvluchting van oorlog staat dan voorop en de plaats waarheen men trekt, is secundair. Het onderscheid tussen push- en pullfactoren zal in dit werk gebruikt worden wanneer mogelijke verklaringen voor de tijdelijke migratie van de zouaven worden aangedragen.

Met dit werk wordt gepoogd een wezenlijke bijdrage te leveren aan het geheel aan kennis over de Nederlandse zouaven. De hoop is voorts dat het werk uitnodigt tot vervolgonderzoek, om daarmee deze vrijwilligersbeweging zo goed als mogelijk te kunnen duiden en in het verleden van het negentiende-eeuwse Nederland en de katholieke emancipatie hierbinnen te kunnen plaatsen.



Hoofdstuk 2 - Italiaanse gebeurtenissen en de internationale zouavenbeweging 1860-1870

Om de achtergronden van de Nederlandse zouavenbeweging goed te kunnen plaatsen, is een algemeen beeld van de strijd waarvan zij deel uitmaakten onontbeerlijk. In het onderstaande worden de hoofdlijnen weergegeven van het machtsconflict zoals zich dat afspeelde tussen 1860 en 1870 op het Italiaanse schiereiland, met bijzondere aandacht voor de rol van de zouavenbeweging hierin.


In 1815 was bij het Congres van Wenen besloten tot de herinstallering van de Kerkelijke Staat, die in 1798 ingenomen was door Napoleon Bonaparte. De herinstallering leidde ertoe dat de paus naast religieus leider opnieuw ook wereldlijk leider werd. Dit maakte hem in de praktijk paus en koning. In de 19e eeuw werd de centrale positie van Rome, en vooral die van de paus binnen de kerk, steeds sterker. Deze ontwikkeling, waarbij de macht binnen de katholieke kerk in Rome wordt gecentraliseerd, wordt met de term ultramontanisme aangeduid. De term heeft betrekking op kerkelijk gezag. Bovenstaande gebeurtenissen en processen leidden ertoe dat wereldlijke macht gekoppeld werd aan geestelijke macht; zou de wereldlijke macht afnemen, zo werd gevreesd door het Vaticaan, zou de geestelijke macht dat ook. Tegelijkertijd waarde de nationalistische geest door Europa, waarbij binnen een staat saamhorigheid van het volk door taal-, cultuur- en geschiedverwantschap als steeds belangrijker werd beschouwd. Inspraak en democratisering binnen de politiek werden eveneens in toenemende mate relevant. In Italië speelde zodoende gelijktijdig met het ultramontanisme een andere kwestie, namelijk de unificatie van de Italiaanse gebieden tot één moderne natiestaat, waarbij de Kerkelijke Staat met Rome als kern een struikelblok vormde. De Kerkelijke Staat kende een sterk reactionair karakter, waartegen opstanden uit eigen bevolking kwamen in 1830 en 1831. In het Europees revolutiejaar 1848 werd de staat zelfs omvergeworpen, waarna deze een jaar later met behulp van onder meer Oostenrijk en Frankrijk werd hersteld. De Kerkelijke Staat genoot ook daarna weinig steun onder zijn inwoners, getuige de bereidwillige afscheiding van verschillende provincies in 1860 en later ook de aanslagen op de zouaven in Rome door de Romeinen. De belangen van de leiders van de Kerkelijke Staat stonden dus haaks op die van de eenheidsstrijders. Het Italiaanse eenheidsstreven staat bekend als de Risorgimento; het struikelblok ‘Rome’ wordt aangeduid als de Romeinse kwestie.

De Risorgimento was al begonnen rond 1830, maar nam een echt grote vlucht in 1859-1861. Centraal in de pogingen tot unificatie staan de legerleiders Giuseppe Garibaldi (1807-1882), leider van een vrijbuitersleger, en Victor Emanuel II (1820-1878), de koning van Sardinië. Zij probeerden, ten koste van de paus en later in de jaren 1860 eveneens ten koste van elkaar, Italië te verenigen. In 1860 was onder Victor Emanuel noordelijk Italië, behalve Venetië, verenigd. Onderdeel hiervan was de pauselijke provincie Romagna, wier inwoners Victor Emanuel steunden. Dit verenigde gebied was het koninkrijk Piemont. In het zuiden bestond het koninkrijk Napels nog als autonoom gebied. In het midden lag de Kerkelijke Staat -letterlijk- dwars. Hij besloeg in het grootste deel van 1860 nog de hele breedte van het schiereiland. Buiten de wens tot vereniging op zich werd Rome, gezien het glorieuze verleden uit de klassieke Oudheid, beschouwd als de natuurlijke hoofdstad van de nieuw te vormen natiestaat. Dit maakte de Romeinse kwestie des te heikeler.

De paus, Pius IX (1792-1878, paus van 1846-1878), weigerde zijn grondgebied op te geven ten bate van de Italiaanse unificatie. De hoofdmoot van zijn troepen bestond uit het garantieleger van de Franse keizer Napoleon III (1808-1873). In 1860 werd de Franse generaal Lamoricière aangesteld om een vrijwilligersleger voor de Kerkelijke Staat te vormen. De eerste aanmelders kwamen voor het leeuwendeel uit Frankrijk en België. Zodoende werd in april 1860 de ‘Compagnie des tirailleurs franco-belges’ opgericht. In juni bestond de tot bataljon omgedoopte groep uit 400 man en stond zij onder leiding van de Franse commandant Becdelièvre. Ten bate van de herkenbaarheid van deze vrijwilligers koos hij de naam van een Franse legereenheid in Noord-Afrika die destijds in legerkringen een uitstekende reputatie genoot: de zouaves. Deze verfranste naam komt (net als de oorspronkelijke rekruten vanaf de jaren 1830) van een Algerijnse Berberstam: de zouaoua. Onder de naam zouaves pontificaux (pauselijke zouaven) zouden de vrijwilligers in het leger van Pius voortaan te boek staan.13 Ook de zeer typische zouavenkledingstijl (slobkousen, pofbroek, brede ceintuur, kort jasje en een kepi) stamt van dezelfde bron; zij is op de dracht van deze zouaoua gebaseerd.

Van mei tot en met augustus 1860 veroverde Garibaldi het koninkrijk Napels en Sicilië. Noord- en Zuid-Italië waren nu dus in handen van de beide eenheidsstrijders, maar gescheiden door de Kerkelijke Staat. In september van dat jaar probeerde Victor Emanuel de aansluiting te forceren. Om de paus (en Napoleon) zo min mogelijk voor het hoofd te stoten, koos hij ervoor langs de Adriatische zee te trekken. In de slag bij Castelfidardo werd het pauselijk leger verslagen. De pauselijke provincies Marken en Umbrië in het oosten werden nu ingelijfd bij het koninkrijk Piemont en de aansluiting tussen noord en zuid was gerealiseerd. In het westen bleef een pauselijke rompstaat van circa 60km bij 120km over met Rome als centrum, het Patrimonium Petri. Dit is het gebied dat tot en met 1870 inzet van strijd zou zijn. In november 1860 werd de republikein Garibaldi aan de kant gezet en viel het voormalige koninkrijk Napels en Sicilië onder Piemont met Victor Emanuel als koning. De nieuwe Italiaanse staat kreeg in maart 1861 internationale erkenning van onder meer Engeland en Frankrijk. De Franse erkenning was tekenend voor de ambivalentie die Napoleon in zijn beleid ten aanzien van de Romeinse kwestie aan de dag legde, gezien zijn garantieleger ter verdediging van het Patrimonium Petri. Napoleon legitimeerde dit door wel het staatsgezag van de paus te erkennen, maar niet zijn grondgebied.


Afbeelding 2.1: Kaart van het Italiaanse schiereiland in 1859 en 1870. De gestreepte gebieden vormen de Kerkelijke Staat, waarvan het grijze gedeelte het Patrimonium Petri is. De gebieden Savoye en Nice (Garibaldi’s geboorteplaats) vielen in 1859 Napoleon III toe voor diens steun aan Victor Emanuel II in zijn strijd tegen Oostenrijk. Vanaf 20 september 1870 behoorden alle gebieden binnen de dikgedrukte grens tot Italië. Zuid-Tirol kwam in 1918 bij Italië.


Na de vereniging van noord en zuid ontstond er een jarenlange impasse: Victor Emanuel wilde het Patrimonium Petri niet aanvallen, Pius wilde het niet opgeven. In 1864 vond de Septemberconventie plaats. Pius, Victor Emanuel en Napoleon waren de hoofdrolspelers. Hierbij werd bepaald dat de bestaande grenzen intact werden gelaten, dat de Franse troepen binnen twee jaar uit het Patrimonium Petri zouden worden teruggetrokken en dat de paus in plaats hiervan een vrijwilligersleger van 10.000 man mocht instellen. De werving hiertoe begon na de conventie langzaam op gang te komen. In Nederland namen Augustijner pater De Kruijf in Amsterdam en pastoor Hellemons in het Noord-Brabantse Oudenbosch een voortrekkersrol in. De werving van de vrijwillige soldaten vond voornamelijk plaats vanaf de kansel door de lokale pastoor. Oudenbosch werd het verzamelpunt voor de Nederlandse zouaven. Vandaar reisden zij naar Brussel voor een keuring. Er volgde een treinreis door Frankrijk, waarna vanaf Marseille de boot werd genomen naar Civitavecchia aan de kust van het Patrimonium Petri. De Nederlanders zouden met ongeveer 3.200 zouaven het grootste contingent vormen, gevolgd door de Fransen (2.950), Belgen (1.650), Italianen (750), Canadezen (500), Duitsers (250) en mannen van negen andere nationaliteiten.14 Leidende legerposities waren in de regel in Franse, vaak adellijke handen. In totaal zijn er ongeveer 11.000 verschillende zouaven geteld.

In 1866 waren de troepen van Napoleon weggetrokken en was er een zouavenleger voor in de plaats gekomen dat er tot en met 1870 zou blijven. De zouaven hebben vier grote slagen uitgevochten met de troepen van Victor Emanuel of Garibaldi (in 1860, 1867 -twee slagen- en 1870). Het grootste gedeelte van hun tijd hadden zij dus niet veel omhanden, maar in 1867 gebeurde er van alles. In het stadje Albano brak de cholera uit, waar enkele zouaven zich bij de hulpverlening zeer verdienstelijk hebben gemaakt. Drie Nederlanders vonden daar als gevolg van de hulpverlening de dood. De altruïstische hulpactie gaf de beweging een positieve impuls. Ondertussen had Garibaldi zich wederom in de strijd weten te mengen. In oktober 1867 leken de garibaldistische troepen zich op te maken voor de definitieve verovering van het Patrimonium Petri: verschillende stadjes hadden zij reeds in bezit. Dit was tegen het zere been van zowel Victor Emanuel als Napoleon. De Franse keizer stuurde toch weer zijn garantieleger naar Rome en omstreken om het Patrimonium Petri te beschermen. Nu moest er slag worden geleverd door de zouaven en Fransen, thans onder leiding van de Duitse opperbevelhebber Kanzler. Dit begon met de ontzetting van de garibaldistische schuilplaats Bagnorea. Daarna was daar de slag bij Monte Libretti, een plaatsje dat eveneens door de pauselijke zouaven werd ontzet. Hier verwierf de boomlange Pieter Janszoon Jong uit het West-Friese Lutjebroek wereldfaam binnen de Nederlandse zouavenbeweging. Hij zou met de kolf van zijn geweer 14 garibaldisten de schedels hebben verbrijzeld, voordat hij ‘moede tot den dood’ neerzeeg en het leven liet.15 Tot op de dag van vandaag geldt hij als de beroemdste Nederlandse zouaaf. Later in oktober werd het stadje Monte-Rotondo veroverd door Garibaldi. Daarna veroverde hij ook het zeer nabij gelegen stadje Mentana. Daar zou op 3 november 1867 de meest memorabele veldslag uit de zouavengeschiedenis plaatsvinden.

De slag bij Mentana werd geleverd door de zouaven en Napoleontische troepen enerzijds (ongeveer 5.500 man) en garibaldisten (ongeveer 11.000 man) anderzijds. De garibaldisten wisten de overtalsituatie niet uit te baten. De slag ging voor hen in de loop van de dag verloren, mede door de betere wapens van de tegenpartij en enkele tactische fouten van Garibaldi. Deze slag bleek dan ook zijn zwanenzang als legeraanvoerder. Hij keerde terug naar de grenzen van het koninkrijk Piemont en liet zich gevangennemen. De heroïsche overwinning van de zouaven voorkwam voorlopig de inname van Rome. Zij leidde onder meer in Nederland tot een sterke impuls voor de ‘zaak des pausen’, wat zich uitte in vele katholieke donaties voor het Vaticaan (de Sint-Pieterspenning) en grote schares vrijwilligers die zich meldden in Oudenbosch.

Niettemin viel in 1870 het doek definitief voor de Kerkelijke Staat. De Europese statenconstellatie kreeg dat jaar een dramatische wending door de vereniging van de Duitse landen, die onder leiding van Pruisen gezamenlijk ten strijde trokken tegen Frankrijk. Napoleon trok in augustus 1870 voor de tweede keer zijn troepen terug uit Rome, omdat hij ze nodig had in de Frans-Duitse oorlog. Victor Emanuel zag zijn kans schoon: op 12 september trokken zijn troepen vanuit Piemont de grens met het Patrimonium Petri over. Op 20 september kwam de ongelijke strijd ten einde en volgde de capitulatie van Pius. Hij beschouwde zich tot zijn dood in 1878 als gevangene van het Vaticaan (een statuskwestie die pas in 1929 door Benito Mussolini en Pius XI werd opgelost bij de proclamatie van de dwergstaat Vaticaanstad). Rome werd in 1871 de hoofdstad van het verenigde Italië. De zouavenbeweging was nu definitief voorbij. Achteraf bezien is het verleidelijk te stellen dat de zouaven in de jaren 1860 ter verdediging van een anachronisme onder de wapenen waren gekomen, dat slechts nog tot en met 1870 bestond bij de gratie van een broos evenwicht in het diplomatieke krachtenspel van de grote Europese mogendheden.

Voor de oud-zouaven gold dat er niets anders op zat dan dat eenieder zijns weegs ging. Zo bleven enkelen in Italië en enkele anderen zochten de strijd op in Frankrijk en enkele jaren later in Spanje tijdens een Carlistenoorlog. Weer enkele anderen gingen voor missiewerk naar Afrika. Voor bijna iedereen gold echter dat zij huiswaarts keerden en daar hun draai weer probeerden te vinden.



  1   2   3   4   5   6


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina