Masterscriptie: Denazificatie in de Britse bezettingszone in Duitsland belicht: 1945-1950



Dovnload 164.44 Kb.
Pagina1/4
Datum27.09.2016
Grootte164.44 Kb.
  1   2   3   4

MASTERSCRIPTIE:
Denazificatie in de Britse bezettingszone in Duitsland belicht: 1945-1950





Meagan van de Mortel

Hamburgerstraat 74a

9714 JG Groningen

06-28643190


S1616692

30-08-2011

Dhr. Groenewold

Rijksuniversiteit Groningen


Inhoudsopgave
Inleiding…………………………………………………………………………..pag. 3

Hoofdstuk 1: De denazificatiepolitiek van de geallieerden...…………………….pag. 6

Hoofdstuk 2: Verloop van de Britse denazificatiepolitiek .................………….....pag. 15

Hoofdstuk 3: Verloop van de Britse reeducation.....................................................pag. 23

Hoofdstuk 4: Britse denazificatie en reeducation in de praktijk …………............pag.

Hoofdstuk 5: Visies van het Britse en Duitse volk op denazificatie……………...pag.

Hoofdstuk 6: Denazificatie – succes of falen?..............................................………pag.

Conclusie……………...……………………………………………………….….pag.

Literatuurlijst…….......……………………………………………………………pag.

Bijlagen......................................................................................................................pag.


Afbeelding voorpagina: ‘De koekoek in zijn nest’ is een spotprent die op 6 augustus 1947 in de Daily Mail verscheen. De minister-president Attlee van het Verenigd Koninkrijk (hier afgebeeld als een mus op een tak), voert zijn kostbare dollars aan de Britse bezettingszone. De bezettingszone is afgebeeld als een vraatzuchtige koekoek (een vogelsoort bekend om het eieren leggen in nesten van andere vogels) in het nest van de Britse economie. De koekoek dreigt de kuikens in het nest van de Britse economie te verdrukken. De kuikens zijn het voedseltekort en het tekort aan consumptiegoederen ten gevolge van een import-export kloof. De tekenaar heeft dus aan willen geven dat de Britse bezettingszone het Britse rijk alleen maar ellende zou brengen.



Inleiding
Al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog probeerden de geallieerde machten te bedenken wat zij met Duitsland zouden kunnen doen. Toen de oorlog ten einde kwam stelden de geallieerden zich een aantal primaire doelstellingen met betrekking tot controle over Duitsland. Ondanks grote meningsverschillen tussen de vier machten die zich daar mee bezig zouden houden, Groot-Brittannië, de Sovjetunie, Frankrijk en de Verenigde Staten, was men het eens over een aantal zaken. Onmiddellijk ingrijpen was noodzakelijk om te voorkomen dat Duitsland ooit weer haar buurlanden en de rest van de wereld zou kunnen bedreigen. Het, in de geallieerde ogen, agressieve Duitsland moest in toom worden gehouden en ontdaan worden van alle nazistische sentimenten. Tijdens de conferentie van Potsdam in de zomer van 1945 werd besloten tot een totale bezetting van Duitsland door de geallieerde landen Frankrijk, de Verenigde Staten, de Sovjetunie en het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk kreeg de deelstaten Sleeswijk-Holstein, Nedersaksen en Noord-Rijnland-Westfalen in Duitsland en kreeg daarnaast ook een gedeelte van Oostenrijk onder haar hoede (zie bijlage 1). De bezettingspolitiek van de geallieerde landen werd gekenmerkt door demilitarisering, ontwapening, democratisering, decentralisering en denazificatie.

De demilitarisering en ontwapening konden snel en resoluut worden gerealiseerd door de bezettingstroepen. Denazificatie bleek een stuk moeilijker te realiseren. De nazistische sentimenten binnen de Duitse instellingen, Duits leiderschap en vooral ook de Duitse mentaliteit waren vergroeid in de samenleving en permanente verwijdering hiervan bleek een erg moeilijke en langdurige taak. Een taak ook die zeer subtiel uitgevoerd diende te worden. Het ontmantelen van wapens en het oppakken van nazikopstukken was, in vergelijking met denazificatie van de hele samenleving, een gemakkelijke taak. Denazificatie was een veelomvattend proces waarbij tegenstellingen vaak werden aangetroffen. Compromissen moesten gesloten worden wanneer men aan de ene kant probeerde een gemeenschap weer op de been te krijgen en aan de andere kant men een grote taak vond aan justitiële processen van oorlogsmisdadigers.

Destijds werd de omvang van dit proces, dat onder andere gepaard ging met vele rechtzaken, al niet onderkend. De hoge Amerikaanse commissaris John McCloy, destijds werkzaam in Duitsland, omschreef deze missie als ‘the most extensive legal procedure (that) the world had ever witnessed’.1

Het woord denazificatie is in april 1945 in opdracht van Eisenhower door een Amerikaanse politicoloog2 opgesteld als parallel tot het woord demilitarisatie. Deze twee woorden zouden centraal komen te staan in de geallieerde na-oorlogse politiek in Duitsland.3 De exacte betekenis van het woord is in de jaren na de Tweede Wereldoorlog op verschillende manieren uitgelegd. Grofweg kan men denazificatie echter opvatten als het geheel van geallieerde handelingen om het bezette Duitsland (en Oostenrijk) te ontdoen van nazistische elementen op onder andere economisch, cultureel en juridisch vlak.4 Deze handelingen bestonden veelal uit juridische processen. Omdat er vier verschillende landen betrokken waren bij het denazificatieproces van Duitsland is het niet vreemd dat dit proces op vier verschillende manieren plaatsvond. Dit viel te wijten aan verschillen in normen, waarden en cultuur, maar ook aan de verstandhouding met het Duitsland voor de Tweede Wereldoorlog.

Het debat over denazificatie binnen de verschillende bezettingszones is een erg levendige discussie. Tijdens mijn literatuuronderzoek heb ik vastgesteld dat er erg veel is geschreven over denazificatie, de meeste literatuur is echter geschreven vanuit een overheersend Amerikaanse visie. In dit essay is gekozen voor de denazificatiepolitiek van Groot-Brittanië omdat uit de verschillende literatuur is gebleken dat de denazificatie in de door Groot-Brittanië bezette gebieden op bijzondere wijze is gebeurd. Daarnaast is er relatief weinig onderzoek gedaan naar de Britse denazificatie in het algemeen. Er zal in dit essay uiteen worden gezet op welke manieren het Britse denazificatieproces plaatsvond en deze zal op sommige vlakken worden vergeleken met de Amerikaanse, Sovjetse en Franse benadering.

De vraagstelling die in dit betoog centraal zal staan is: op welke manier kreeg denazificatie vorm in de Britse bezettingszone in Duitsland tussen 1945 en 1950, wat was de Britse en Duitse perceptie hierop en in hoeverre is deze succesvol te noemen? In het eerste hoofdstuk zullen onder andere de algemene geallieerde opvattingen over denazificatie centraal staan. Daarnaast wordt in het eerste hoofdstuk de Britse denazificatiepolitiek en de Duitse perceptie geintroduceerd. In hoofdstuk twee zal uitgebreid worden ingegaan op de verschillende fases die de denazificatiepolitiek in de Britse bezettingszones kende. Op deze manier zal beter inzicht worden verschaft op welke manier de Britten denazificatie in hun bezettingsgebied vorm gaven. Hierbij zullen ook verschillen op het gebied van denazificatie tussen de geallieerde landen aan bod komen. In hoofdstuk drie zullen er verschillende praktijkvoorbeelden van Britse denazificatiepolitiek worden besproken. In hoofdstuk vier zullen de visies van de Britse en Duitse bevolking op denazificatie worden behandeld. De percepties van het ‘gewone volk’ staan hierbij centraal. Vervolgens zal in hoofdstuk vijf de vermeende mislukking van denazificatie besproken worden waarbij de Britse zones wederom een centrale rol zullen spelen. Tot slot zal in de conclusie de vraagstelling beantwoordt worden.


Hoofdstuk 1: De denazificatiepolitiek van de geallieerden
Al voor het einde van de Tweede Wereldoorlog bestonden er maar liefst vier verschillende soorten denazificatiebeleid die in meer of mindere mate goedkeuring van de geallieerden hadden. Tot juli 1945 werkten de Amerikanen en Britten samen onder de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (SHAEF) waarbij ook overeen was gekomen hoe de Britten en Amerikanen om zouden gaan met de nazistische sentimenten in Duitsland na het einde van de oorlog.5 In het SHAEF besluit werd besloten tot vervolging van alle NSDAP partijleden die voor 1933 waren toegetreden. Daarnaast bestond er het zogenaamde Handbook schutblad, dit pamflet pleitte voor verwijdering van alle politiek actieve nazi’s en sympathisanten. Probleem van dit document was dat het relatief schaars was, hierdoor werd uitvoering van verwijdering van politieke nazi’s bemoeilijkt. Er bestond ook een vroeg ontwerp van de Direktive JCS 1067 die op informele wijze was doorgespeeld naar de SHAEF. Dit was een document van de Joint Chiefs of Staff (een groep hooggeplaatste militairen) en vormde een soort handleiding voor het omgaan met het Duitse volk en de Duitse economie. In dit vroege ontwerp werd besloten tot vervolging van alle NSDAP partijleden, uitzonderingen werden niet gemaakt. Ook het uiteindelijke volledige Direktive JCS 1067, dat in april 1945 werd gepubliceerd, was een van de vier denazificatiedocumenten die in Duitsland circuleerden. In dit document werd echter besloten tot vervolging van de prominente partijleden. Deze vier verschillende documenten (namelijk het handvest van samenwerking onder de SHAEF, het Handbook schutblad en beide versies van de Direktive JCS 1067) die betrekking hadden op hetzelfde probleem, namelijk het verwijderen van de nationaal-socialistische sentimenten in de Duitse samenleving, kwamen overeen over de noodzaak om de NSDAP af te schaffen en hooggeplaatste partijleden en SS-ers te veroordelen. Ze verschilden echter in de mate waarin nazi’s uit het ambtenarenapparaat en uit het bedrijfsleven verwijderd diende te worden.6

Van 3 tot 11 februari in 1945 vond tijdens de conferentie van Jalta een ontmoeting plaats tussen Stalin, Roosevelt en Churchill. Tijdens deze conferentie werd besloten tot de vernietiging van het Duitse militarisme en nationaal-socialisme en de veroordeling van Duitse oorlogsmisdadigers. Deze doelen werden samengevat door te stellen dat Duitsland nooit meer de mogelijkheid zou moeten krijgen om de wereldvrede te verstoren. Een probleem van de uitkomst van de conferentie van Jalta was dat er veel onduidelijkheid bestond over de definitie van oorlogsmisdadigers. Omdat er geen vaststaande plannen van uitvoering bestonden en definities ontbraken, werd de uitvoering overgelaten aan de militaire regeringen van de vier verschillende bezettingszones. Omdat de vier landen ieder op een eigen wijze te werk gingen, werd willekeur en discriminatie verhoogd.7 Het denazificatieproces werd ook nog eens bemoeilijkt doordat alle personen die hoge politieke en of maatschappelijke functies vervulden vaak ook het nazistische gedachtegoed naleefden. Het was voor de Franse, Britse, Sovjetse en Amerikaanse troepen onmogelijk om al deze mensen tegelijkertijd van deze topfuncties te verwijderen daar een goed alternatief vaak ontbrak. Als gevolg hiervan was het geen uitzondering dat nazi’s belangrijke functies, ware het onder strikte controle, nog geruime tijd tijdens de bezetting bleven vervullen.8 Dat hierdoor de nazi’s na de Tweede Wereldoorlog nog altijd invloed uitoefenden op het Britse rijk was daardoor pijnlijk zichtbaar: “Too many Nazis, this official concluded, were influencing the economy of the British zone. There were, unfortunately, few knowledgeable German economic experts without at least some Nazi background”.9 (Dit is een uitspraak van een ambtenaar uit Hamburg, werkzaam onder het Allied Control Council.) Erg lang duurde dit echter niet, toen de bezettingstroepen goed en wel geïnstalleerd waren werden ook deze nazi’s verwijderd van hun posten. Het werd duidelijk dat er geen concessies werden gemaakt met betrekking tot het denazificatie-programma omwille administratief gemak of efficiëntie. Zo werden zelfs wanneer er geen geschikte vervanger werd gevonden voor een functie die voorheen door een nazi werd uitgevoerd, werd deze nazi toch van zijn positie gehaald. Voor alle vier de bezettingsmachten had denazificatie de hoogste prioriteit.10

De doelstellingen van de conferentie van Potsdam, die van 17 juli tot 2 augustus 1945 plaatsvond, waren vele malen scherper. De uitkomst van deze conferentie kreeg uiteindelijk pas vorm in een wet die op 12 januari 1946 in kracht trad. Deze wet vormde een universeel leidraad voor het denazificeren van Duitsland en werd beschouwd als de belangrijkste verordening omdat ze betrekking heeft op de eigenlijke processen, namelijk het elimineren van de nationaal-socialistische invloeden binnen het openbare leven en het transformeren van de samenleving en de politieke elite.11 De vier geallieerde landen werden echter wel vrijgelaten in de directe invulling van denazificatieprogramma’s. Ook na de conferentie van Potsdam werden er veelvuldig verklaringen en declaraties gepubliceerd die het handelen van de geallieerde troepen in Duitsland legitimeerde. Het is nuttig te beseffen dat naast denazificatie Duitsland ook behoefte had aan een heel nieuw wettenstelsel, hier werd door het Control Council een begin gemaakt in de zogenaamde Fundamental principles of judicial reform dat op 20 oktober 1945 geschreven werd.
‘By the elimination of the Hitler tyranny by the Allied Powers the terrorist system of Nazi Courts has been liquidated. It is necessary to establish a new democratic judicial system based on the achievements of democracy, civilization and justice. The Control Council therefore proclaims the following fundamental principles of judicial reform which shall be applied throughout Germany.

All persons are equal before the law. No person, whatever his race, nationality or religion, shall be deprived of his legal rights.

No person shall be deprived of life, liberty or property without due process of law.

Criminal responsibility shall be determined only for offences provided by law.’12


Op dit document verschenen gedurende de jaren tijdens de bezetting nog vele aanpassingen op verschillende gebieden zoals politiemacht, propaganda en militaire training.

Het denazificatie-programma zoals dit eind 1945 als leidraad werd ontwikkeld en in werking gesteld bestond volgens Elmer Plischke, vooraanstaand professor aan de universiteit van Maryland, grofweg uit de volgende punten:



  • Liquidating the Nazi Party, together with its affiliated and subsidiary organizations including the SA (Sturmabteilung), SS (Schutzstaffel) and HJ (Hitler Jugend).

  • Eradicating of Nazism from German legislation, decrees, and regulations, and more specifically the abolition of the Nazi discriminatory laws and decrees.

  • Changing of names and parks, streets and public ways, institutions and buildings named after persons or things associated with Nazism or German militarism. Removing of movable monuments and statues associated with Nazism and German militarism. Removing of Nazi emblems, insignia, and symbols from statues, monuments, and edifices not amenable to removal pending their eventual disposition.

  • Seizing and holding of premises, property, funds, and loot of the Nazi Party and its affiliated and subsidiary organizations and of individual Nazis subject to arrest. Seizing and holding of archives of the Nazi Party and its affiliated and subsidiary organizations.

  • Prohibiting of Nazi privileges and benefits and of payments of Nazi pensions and emoluments.

  • Arresting and detaining Nazi leaders, influential Nazi supporters, and other persons dangerous to the Allied occupation or its objectives.

  • Removing and excluding from public office and from positions of responsibility and importance in quasi-public and private enterprise of members of the Nazi Party who had been more that nominal participants in its activities, active supporters of Nazism, and other persons hostile to Allied purposes.

  • Preventing Nazi propaganda in any form, and removing of Nazism from German information services and media – such as press, radio, the theater, and entertainment – and also from education and religion.

  • Prohibiting German parades, the public playing or singing of Nazi anthems, and the public display of Nazi flags and other Party insignia and paraphernalia.13

Dit denazificatie-programma werd door de vier bezettingsmachten gebruikt als leidraad, uiteindelijk gaf elke bezettingszone zijn eigen draai aan dit document en kregen ook verschillende punten een andere mate van gewicht. Het moge duidelijk zijn dat denazificatie een zeer omvangrijke aangelegenheid was.



Denazificatie: een begrip onderhevig aan veranderingen

Alvorens dieper in te gaan op de manier waarop de Britten vorm gaven aan de denazificatiepolitiek is het nuttig om nogmaals stil te staan bij de exacte betekenis van het begrip denazificatie in dit referaat. Het begrip denazificatie omvat twee verschillende definities. Allereerst worden alle maatregelen bedoeld die voor politieke zuivering en transformatie van het bezette Duitse rijk zorgen. Alles wat de geallieerden met betrekking tot personen en bestaande structuren uit de periode van het nationaal-socialisme wijzigden, kan hieronder worden geschaard. Hieronder vielen onder andere individuele zuivering, arrestaties van personen (op basis van verschillende misdaden, de meest voorkomende was het behoren tot een nazi-organisatie) en structurele omwentelingen (bijvoorbeeld onteigeningen). Het nadeel van deze definitie was dat verschillende intenties door elkaar liepen waardoor veroordelingen en maatregelen wazig en willekeurig konden zijn. Ook de verschillende misdaden in de verschillende bezettingszones zorgden ervoor dat nazi’s op een verschillende wijze werden veroordeeld.14

De tweede definitie vat het begrip denazificatie nauwer samen. Deze definitie beperkt zich tot individuele zuivering van belangrijke personen uit de openbare dienst gedurende het nazi-tijdperk. Deze mensen werden verwijderd van hun voorheen belangrijke positie. De tweede definitie omvat geen internering. Internering vond in de Britse bezettingszone plaats bij Duitsers die ook als individu als gevaar voor de bezettingstroepen werden gezien. Deze werden door middel van internering geneutraliseerd. Dit was dan ook het grootste verschil tussen denazificatie en internering. Nazi’s die slechts in hun openbare functie als gevaarlijk werden beschouwd, konden worden ontslagen maar werden niet naar een interneringskamp gestuurd.15
Britse denazificatiepolitiek

Zoals al eerder werd aangegeven verliep de denazificatie binnen de vier verschillende bezettingszones op verschillende manieren. In Groot-Brittanië zag men de Duitsers als traditioneel en krijgszuchtig, nergens was men zo bang voor het uitbreken van een nieuwe wereldoorlog als in het Verenigd Koninkrijk. Deze visie van de Britten op de Duitsers heeft in grote mate het denazificatiebeleid vormgegeven.

Na de conferentie van Potsdam waarin besloten werd hoe de vier geallieerde machten Duitsland zouden bezetten en van nazistische sentimenten zouden ontdoen, schreef de Britse regering een statement over de belangrijkste principes om Duitsland op het gebied van economie en eenheid zo goed mogelijk te begeleiden naar een nieuwe regeringsvorm. Tien dagen voor dit statement werd uitgegeven, was het verzonden naar de Amerikaanse, Franse en Sovjetse regeringen. Een antwoord op dit statement bleef bij alle drie de geallieerde bezettingsmachten uit. Het Britse statement bestond uit vier delen: de bepalingen zoals deze op de conferentie van Potsdam waren besloten, het Britse commentaar op deze bepalingen, de reactie van de Sovjet-Unie op de conferentie van Potsdam en de Britse reactie op de Sovjetse reactie.16 Een van de belangrijkste conclusies die de Britse overheid trok was ‘that the requirement that Germany should be treated as a single economic unit during the period of occupation is fundamental and takes precedence over any question of reparations.17 Groot-Brittannië kwam vervolgens met een aantal voorstellen om het economisch herstel van Duitsland in goede banen te leiden. Ten eerste zou er een onpartijdige verdeling van de inheemse goederen plaats moeten vinden. Daarnaast moest er een procedure worden ingesteld die ervoor zou zorgen dat een eventueel overschot van inheemse goederen in een bepaalde zone naar een zone met tekorten zou kunnen worden getransporteerd. Wanneer er na deze evenredige verdeling nog steeds een tekort op de Duitse betalingsbalans bestond, mocht men tot slot het overschot alleen uitvoeren in ruil voor een (door de geallieerde bezettingszones vooraf vastgestelde) aanvaardbare munt. De opbrengst van de export moest vervolgens gebruikt worden om de genoemde tekorten op de betalingsbalans weg te werken.

Het werd echter al snel duidelijk dat de verschillende bezettingsmachten een verschillende mening hadden over de economische verdeling van een eventueel surplus. De Sovjet-Unie bijvoorbeeld verwees naar de Potsdam-overeenkomst waarin was vastgesteld dat ‘indiginous resources could not be sent from the Russian zone to other zones because the Potsdam Agreement stipulates that certain products are to be sent to the Western zones in exchange for industrial capital equipment delivered as reparation from the western zones to Russia, and that these deliveries of equipment had hardly begun to take place.’18 Enkel wanneer Duitsland als geheel een exportoverschot zou hebben, is de Sovjet-Unie volgens de Potsdam-overeenkomst in staat om bij wijze van eerherstel goederen en voorraden te claimen. Deze overeenkomst kon niet eenzijdig worden verworpen, toestemming van de andere bezettingszones was hiervoor nodig.19

Tussen mei 1942 en april 1945 is, onder andere door middel van enquȇtes, vijf maal aan de Britse bevolking gevraagd wat voor schikking men de Duitse maatschappij moest opleggen. Het meest voorkomende antwoord was ‘preventief’, gevolgd door ‘wrekend’. Een enkele keer was dit laatste het meest voorkomende antwoord. De ‘constructieve’ schikking kwam slechts sporadisch voor in deze enquête. Na de ontdekking van het concentratiekamp Bergen-Belsen in april 1945 nam deze optie af tot 7% van de stemmen.20 In oktober 1944 stemde maar liefst 80% van de Britse bevolking voor een harde aanpak van Duitsland wanneer het zou zijn verslagen. In Groot-Brittanië overheerste de opvatting dat de moeilijkheden van Duitsland waren ontstaan uit een historisch gebrek aan ontwikkeling. Deze opvatting zou later de aanpak betreffende de pogingen tot reeducation in de krijgsgevangenissen en interneringskampen sterk beinvloeden. De Duitse geschiedenis werd teruggevoerd tot de stichting van het rijk en Bismarck. Er werd een gevaarlijke neiging tot militarisme in de Duitse ziel geconstateerd.21

Het Britse bezettingsbeleid was in eerste instantie gebaseerd op het voorkomen van een heropleving van de Duitse militaire macht en het stabiliseren van de economische situatie op korte termijn.22 Binnen de Britse bezettingsgebieden vielen ook het economisch zeer belangrijke Ruhrgebied en de Hanzestad Hamburg. Het Ruhrgebied was het industriële hart van Duitsland en Hamburg was een van de belangrijkste financiële centra van het land.23 Tot maart 1946 waren de Duitsers in de Britse bezettingszone van mening dat zij het beste werden voorzien in hun levensbehoeften, deze mening sloeg echter om rond maart 1946. In het jaar 1946 escaleerde de economische situatie, dit manifesteerde zich in vermindering van de voedselrantsoenen en daling van de kolenexport. De economische situatie kon niet gestabiliseerd worden en werd nog eens bemoeilijkt door de strenge winter van 1946/7. Ondanks het feit dat de Britten grote moeite verrichten om de basisvoorzieningen in Duitsland te kunnen blijven garanderen, heerste er veel onvrede over de Britse aanpak onder de Duitse bevolking. Deze onvrede was tot op zekere hoogte wel te verwachten, geen enkel gezag zou in een periode gekenmerkt door vernietiging, verwarring en tekorten op alle fronten aan Duitse verwachtingen voldoen. De omslag binnen de Duitse opinie is te wijten aan een aantal factoren, allereerst spelen de specifieke omstandigheden van die tijd een belangrijke rol (slechte economische omstandigheden en voedseltekorten), daarnaast valt, volgens verschillende wetenschappers, een deel ook te wijten aan de inefficiënte bezetters en het onvermogen om het Britse bezettingsbeleid aan de Duitsers te ‘verkopen’. De Britse bezettingspolitiek had meer vruchten afgeworpen wanneer er effectievere propaganda was gebruikt om de Duitsers goedwillig te houden.24 Ook de Britten in het moederland waren sceptisch over de Britse aanpak. Er was maar liefst £80.000.000 nodig om de beperkte Duitse voedselrantsoenen in 1946 en 1947 te garanderen. Het feit dat dit uit de Britse belasting werd betaald en direct leidde tot rantsoenering van brood in Groot-Brittanië in juli 1946 zorgde voor veel onbegrip en werd door de Britten gezien als onterechte ‘British reperation payments to Germany’.25

Er is veel onderzoek gedaan naar de Duitse perceptie van de Britse bezetting. Een opvallend onderzoeksrapport concludeerd dat men in Duitsland niet dezelfde vrijgevigheid verwachtte zoals men die van de Amerikanen zou verwachtten. Daarnaast verwachtten de Duitsers ook een lagere levensstandaard omdat het Verenigd Koninkrijk na de Tweede Wereldoorlog op economisch gebied in slechter weer verkeerde dan de Verenigde Staten van Amerika. Wel was men van mening dat de Britse bezetting eerlijk en ordelijk zou verlopen. Hetzelfde rapport concludeerde: “While the German attitudes towards the US and Soviet Russia are highly emotional and therefore may be subject to violent changes, the basic pattern of the attitude towards Great Britain, namely a strong complex of inferiority, is certain to persist. This jealous admiration will only increase as the Germans come to realise the falsity of their belief that England lost the war’.26

Het publieke debat over de aanpak van denazificatie in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog is verdeeld in twee verschillende kampen. Er zijn aanhangers van de zogenaamde ‘zachte vrede’ en aanhangers van de ‘harde vrede’. Groot-Brittanië vond na het eind van de oorlog aansluiting bij de ‘zachte vrede’. In 1943 vond er een vergadering plaats van het Britse koninklijk instituut van internationale zaken, hier werd geconcludeerd dat het verstoren van de Duitse nationale gevoelens door middel van actieve afbreuk van de Duitse cultuur slechts tot wraakgevoelens zou leiden.27 In de literatuur is men het erover eens dat in de Britse zones de denazificatie op een kleinere en minder consequente wijze plaatsvond. De Britse autoriteiten waren namelijk van mening dat het belangrijker was om een goed functionerende bureaucratie in hun sector te herstellen.28 Daarnaast waren de Britse ambtenaren niet overtuigd dat men een geheel land succesvol aan reeducation kon blootstellen.29



  1   2   3   4


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina