Mattias De Backer Tom Viaene en prof. Dr Ronald Commers



Dovnload 28.77 Kb.
Datum27.08.2016
Grootte28.77 Kb.

Mattias De Backer Tom Viaene en prof. Dr Ronald Commers


2de kandidatuur Wijsbegeerte Ethica en Waardenfilosofie 4

academiejaar 2002-2003 Taak Een



Ethiek Heropgezocht:

de zoektocht naar de waarde,

tegenover die naar de waarheid.
Ethiek heropgezocht: de zoektocht naar de waarde tegenover die naar de waarheid.
In de reader “De apart-heid van het Ethische Oordeel. Implicaties van het wijsgerige denken omtrent de verhouding tussen Ethiek en Wetenschap voor het Politieke Handelen.” Komen verschillende auteurs aan bod over de epistemologische vragen ‘wat is kennis?’ en ‘hoe kunnen we die bereiken?’ en de rol daarin van de wetenschap. Bertrand Russell beantwoordt die pragmatisch: hoe de wetenschap sceptisch en methodologisch voetnoten kan plaatsen. Toulmin en Janik zoeken het in hun boek Wittgenstein’s Vienna bij de filosofische evolutie van Kant tot Wittgenstein, en geven wondermooi de achtergrond weer voor Russells bijdrage daarin.

Toulmin, S. & Janik, A., “Language, ethics and representation” in Wittgenstein’s vienna.


Vanaf Hume kwam de Westerse filosofie in een heel ander vaarwater terecht. De grote synthese van Kant die snel daarna plaats vond is ontegensprekelijk de humus- en voedingslaag van alle volgende stromingen geweest, alhoewel natuurlijk elke generatie er een andere richting mee uitging. In tegenstelling tot Hume besliste Kant de metafysica toe te laten als een inherent menselijke eigenschap:
Since Kant insisted that he was not concerned with psychology and anthropology, this can only mean that it is an essential feature of reason that, in its desire to complete the world-picture it has created, it should strive to pass beyond the limits of possible experience. Metaphysics is thus the most “human” of man’s activities.1
Tegen het feit dat de rede met bedenksels kan afkomen die voorbij het waarneembare liggen kan niet echt een bezwaar worden gemaakt, wat Hume nochtans zou hebben gedaan, het betekent alleen maar dat de producten die er zo uit voort spruiten, de ideeën, onze kennis niet kunnen vergroten. De kennis van natuurwetten en de aard van de mens kan ons dus op ethisch gebied geen hulp bieden, enkel de zuivere rede is daartoe in staat. Enkel de zuivere rede kan de mens ertoe aanzetten een morele daad te stellen, en wel uit noodzakelijkheid, de bekende categorische imperatief. Kant heeft een veel pragmatischer kijk op de zaak dan Hume, zo blijkt, de abstracta en het speculatieve gebruik van de rede zijn noodzakelijke ficties voor het organiseren van de maatschappij, terwijl het praktisch gebruik van de rede zorgt voor de positionering in de noumische wereld, en dus eigenlijk voor de vorming van ’s mans ethiek.

Deze Duitse filosoof voert ook het belangrijk onderscheid in tussen feit en waarde. Uit de zoektocht naar het ware komt uiteindelijk speculatie voort, en daaruit intellectuele monsters, de zoektocht naar de waarde daarentegen komt noodgedwongen uit bij de waarde zelf. Hij merkt nuchter en doortastend op dat systematisch visies op de werkelijkheid niet noodzakelijkerwijs verbonden zijn met de moraal van de mens: “in fact, none of the systems of nature has anything at all to do with the nature of Man as a rational being.”

Schopenhauer noemde zichzelf van bij de aanvang een Kantiaan, alhoewel hij ook de mening was toegedaan dat zijn leermeester aan het einde van zijn leven verviel in een dogmatiek –wat doet denken aan de paradoxale synthesedrang bij de Engelse dichter en ‘filosoof’ William Blake. Schopenhauer koppelde in zijn The world as will and representation de Kantiaanse kritieken aan Oosters beïnvloede gedachten. Tegenover Kant’s praktische en speculatieve rede stelt hij respectievelijk de wil en de representatie, “and the associated distinction of the ‘phenomenon’ from the ‘thing in itself’,” maar dringt daarbij tevens aan op een duidelijke scheiding tussen de twee, alhoewel ze op elkaar aangewezen zijn.

Om de dichotomie tussen Kant’s object en subject te vermijden vertrekt Schopenhauer dan van de representatie, de Vorstellung, wat als logische consequentie heeft dat het subject niet deel is van de werkelijkheid, maar allereerste voorwaarde voor haar bestaan. Op die solipsistische manier hoopte hij de deur te hebben geopend naar het Ding an sich, het noumische, hetgeen hij ‘wil’ noemt. De representaties, de gedachten, zag hij als materialiseringen van de wil, ondanks hun onderhevigheid aan het verlangen, ja, zelfs omdát ze dat zijn. Ze zijn de tools waarmee de mens zich bewapent voor de zoektocht naar het ware en de waarde. In tegenstelling tot de ouder wordende Kant die stelde dat er een zuivere morele wet bestaat gelooft Schopenhauer in het empirische dat zijn invloed heeft op de wil als drijfveer en doel op zich2. Zodoende kan een mens redelijk zijn en niet deugdzaam, of deugdzaam maar absoluut niet redelijk.

Schopenhauer eindigt zijn filosofisch verhaal dan ook helemaal ergens anders dan zijn grote voorbeeld. Zijn vertrouwen in de richtinggevende kracht van het ervaren, en de verlangens die eruit voortkomen, ligt namelijk daarin dat hij determinatie en vrijheid als een eenheid beschouwt, zo dus eigenlijk aan de Oosterse, Hindoeïstische microscoop plaats neemt. De ervaring ligt tussen het Al en het ‘in-itself’ en vertelt ons dat “his own phenomenon is also that of others, namely that will-to-live which constitutes the inner natue of everything, and lives in all.” Zijn strenge gouden regel luidt dan ook: de afwezigheid van alle egoïstische motieven is de conditio sine qua non voor een goede, deugdzame daad, en de onbreekbare muur tussen het ‘ik’ en ‘de ander’ geeft net die gemeenschappelijke reden die het mogelijk maakt.

Als Schopenhauer al de breuk maakt tussen ‘fact’ en ‘value’, wordt bij Sören Kierkegaard het water tussen waarde en waarheid veel te diep. De eerste stelt de mens voor als een sociaal wezen dat door zijn passiviteit niemand tracht te kwetsen, zelfs de last van hun schouders zou nemen. De laatste echter gelooft dat moraliteit een strikt asociale zaak is. Het ‘al-gevoel’ moet wijken voor een directe relatie tussen een man en zijn god, “the leap into the absurd”, en de vriend of medemens wordt van secundair belang. Deze relatie komt tot uiting in indirecte communicatie, zoals hij het noemt, en die voor hem niets anders is dan de revival van de Socratische methode in dienst van het Christendom, dat wil zeggen “communication by means of reflection.”

De fout van het Christendom tot dan, geloofde Kierkegaard, lag in het uitdrukken van die relatie in abstracte termen en de verweving ervan met speculatieve verhaaltjes. Zijn existentiële weten lag in het niet-weten, in het geloof; de subjectieve waarheid is “an objective uncertainty held fast in an appropriation process of the most passionate inwardness.” Dat was natuurlijk het absurde aan de zaak, en toont nog eens Kierkegaards afkeer van de zuiver redelijke weg naar de abstracte waarheid aan. “To explain the paradox would then mean to understand more and more profoundly what a paradox is, and that the paradox is the paradox.”

In het voetspoor van Locke en Schopenhauer begon Fritz Mauthner, journalist van beroep, jaren later aan zíjn filosofische queeste vanuit het axioma dat filosofie de theorie van het weten is, en dat “theory of knowledge is critique of language”. Maar de “critique of language,” echter, “is labor on behalf of the liberating thought, that men can never succeed in getting beyond a metaphorical description of the world utilizing either everyday language or philosophical language.” Zijn Sprachkritik was wel heel duidelijk nominalistisch geïnspireerd, namen waren voor hem de beste metaforen voor wat wordt waargenomen. Deze aanvankelijke variatie op het Humeaanse scepticisme leidde hem naar de Kantiaanse taak: het determineren van de aard en de grenzen van de taal. Net als Kant, en ook Russell, verzette hij zich tegen de verstoffelijking van abstracte begrippen, omdat die volgens hem leidden tot conceptuele monsters3 en Babylonische spraakverwarringen. Metafysica en dogmatisme waren voor hem twee zijden van dezelfde medaille.

Mauthner indentificeerde zich met zijn directe voorganger Schopenhauer, en vooral met diens werk On the fourfold root of the principle of sufficient reason. De functie van rede is voor hem dan ook de nodige a priori elementen aan te voeren om onze ervaringen samen te smelten tot kennis over de natuur. Maar, zo werpt hij dan op, is zijn voorgangers these van de metafysische wil enkel een metaforische uitdrukking van de schijn van een menselijk zelfbewustzijn. En “language is only a convention, like a rule of a game: the more participants, the more compelling it will be. However, it is neither going to grasp nor alter the real world.” Net zoals bij Schopenhauer zijn de representaties, de gedachten, en de verwoordingen ervan tools voor de culturele gemeenschap, maar ze brengen geen waarheid. De taal is enkel het “common sensorium”, de verbale uitdrukking van traditionele gebruiken en praktijken.

Hij wou dus de inzichten van de Völckerpsychologie – dat taal een sociaal fenomeen is – koppelen aan een individueel empirisme uit de Britse filosofie, terwijl hij wist dat ze op geen enkele manier kunnen deelnemen aan elkaars proces. Het woord bestaat vanwege zijn communicative waarde, dat is duidelijk, maar men kan ook opmerken dat taal enkel dient om een actie te inhiberen, eerder dan dat het een duidelijk en objectief beeld zou overbrengen. Zowel vanuit evolutionistisch als vanuit taalpragmatisch standpunt valt daar iets voor te zeggen, de aard van taal is zowel intersubjectief als hyperpersoonlijk. “Language is not a possession of the solitary individual, because it only exists between men. However, language is not common to two men, because plainly two men never conceive the same thing by the words.” Mauthner slaagt er zelfs in te knipogen naar het postmodernisme: “philosophy must hark back to its Pythagorian origins and resign itself to a love of wisdom and a striving after truth, rather than claim the possession of it.”

In dat zelfde tijdsvak, het einde van de negentiende eeuw, hadden twee wetenschappers een sterke invloed op het filosofisch denken en het taal-project zoals het later in de Wiener Kreis tot uiting zou komen. Ernst Mach –Einstein was sterk door hem beïnvloed – en Heinrich Hertz. Mach geloofde dat geen filosofie buiten de wetenschap enige wettiging had, en hing Hume’s fenomenologische en anti-metafysische claim to truth aan. In navolging van Husserl en Avenarius was hij ook de mening toegedaan dat ‘bewustzijn’ op zich niet bestaat, dat er enkel een ‘bewustzijn van’ is. Dit punt maakte Fritz Mauthner ook al in zijn kritiek op Schopenhauers notie van de wil. Mach bekeek het dubieuze gegeven ‘taal’ in het licht van de passieve mens die overvallen wordt door sensaties. Hertz daarentegen stelt de Darstellungen, de geconstrueerde schema’s voor het weten voor, en legt dus de klemtoon bij het actieve ego en zijn bedenksels, in plaats van bij de sceptische ontvanger van indrukken. Voor dit Kantiaans onderzoek spreekt hij mathematische modellen en mechanische phenomena aan, hij noemt het een “systematic grammar”.

Schopenhauer, Kierkegaard, Mach en Mauthner verwoordden allemaal de visie “that the ‘meaning of life’ is not a matter for rational debate, cannot be given ‘intellectual foundations,’ and is in essence a ‘mystical’ matter.” Toch hebben ze allen hun eigen last te dragen bij het definiëren van hun persoonlijke waarheid, gezien de moeilijkheid van het begrip ‘taal’. Zo wisten zij allen dat wie deze noot kon kraken het meest centrale, filosofische probleem van die tijd oploste, en evenzeer zo werd de ochtendstond van Ludwig Wittgensteins taalfilosofie aangekondigd. De inleiding van het Tractatus bevat zijn programmaverklaring en repliek ten opzichte van de voorgegane voetstappen: “Alle Philosophie ist Sprachkritik / Allerdings nicht im Sinne Mauthners.”

Russell, B., “Science and ethics” in Religion and Science
Ook Bertrand Russell voelde zich aangespoord om de problemen van de logische constructie van de taal, van de abstracta, op te lossen vanuit zijn sociale engagement. In het negende hoofdstuk van zijn boek Religion and Science, getiteld “Science and ethics”, gaat hij op zoek naar de gronden van de ethiek, en onderzoekt daarin de eventuele rol van de wetenschap. Zo volgt hij Mach’s wetenschappelijke aanspraak op en legt zijn benadering duidelijk epistemologisch. Dat wetenschap niets over waarden kan zeggen geeft hij allereerst toe, maar volgens dezelfde wetenschappelijke onderzoeksmethode komt hij tevens tot de constatering dat die andere bewering “that ethics contains truths which cannot be proved or disproved by science” manifest onwaar is.

De evolutie van de ethiek duurde millennia, beginnend bij de rituele regels, over het sociale gegeven.van de stam of gemeenschap, naar de verinnelijkte afweging in het geweten. Hier in het Westen werd sinds de geboorte van het Christendom een verschuiving gerealiseerd van de ‘rules of conduct’ naar de ‘states of minds’, dit onder meer door de mystici en Paulus; de morele regels van de Joden werden afgeworpen vanwege extern en dus te onwrikbaar. Bij de protestanten tenslotte kwam de klemtoon bij het geweten te liggen, en dus bij de persoonlijke, en hyperindividuele zoektocht naar het ware, het Ding an sich, wat waar is on its own account. Het hoeft geen betoog dat een voorstelling van de ethiek als een handboekje vol regels, de ‘rules of conduct’, te ongenuanceerd is. Verder moet echter ook opgemerkt dat het geweten niet bepaald goddelijk en onfeilbaar is: “the diversity in the deliverances of conscience is what is to be expected when its origin is understood. In early youth, certain classes of acts meet with approval, and others with disapproval”(p.226). Het geweten is een product van de opvoeding, en daarin kunnen we het ware niet vinden. “While, therefore, it is right to wish to liberate ethics from external moral rules, this can hardly be achieved by means of the notion of ‘conscience’” (p.227).

Als we nu het Goede willen definiëren, het in een kader willen plaatsen, om zodoende dat te vinden “which, in itself and apart from its consequences, we should wish to see existing” (ibid), ontdekken we de simpele waarheid, voor zover die objectief is: naar eigen bestwil zoveel mogelijk het goede, en zo weinig mogelijk het “correlative evil” (p.228) uit trachten te dragen. Dit is het basis-maxime van Kant’s filosofie, zoals ze werd besproken in vorig artikel door Janik en Toulmin. Russell zelf legt de klemtoon op het onhaalbare van deze operatie: “but, in a question as to whether this or that is the ultimate good, there is no evidence either way; each disputant can only appeal to his own emotions, and employ such rhetorical devices as shall rouse similar emotions in others” (p.229). Op die manier komt de filosoof uit bij drie peilers van de ethica: het verlangen goed te doen, het emotieve dat iemands notie van de ethiek invult, en de retoriek die het al dan niet doeltreffend kan overbrengen naar de andere. De vraag van Stevenson, hoe een bepaalde norm redelijk aangetoond kan worden, wordt dus sceptisch, bijna Humeaans afgedaan. Subjecten staan tegenover elkaar en hebben enkel hun eigen invulling van het goede, en eventueel de welsprekendheid om elkaars gevoeligheden aan te raken.

De ethiek kan op die manier als een politieke zaak of als een geloofsovertuiging behandeld worden, via de ‘preacher’ en ‘legislator’. Beide beslissen zelf welke waarden ge-universaliseerd moeten worden: “thus “virtue” will come to be in fact, though not in subjective estimation, subservience to the desires of the legislator, in so far as he himself considers these desires worthy to be universalized” (p. 234), en ook: “his [the preacher’s] only method is to try to rouse in others the same desires that he feels himself, and for this purpose his appeal must be to emotions. De rol van de wetenschap bestaat er dan in de oorzaken van die verlangens bloot te leggen en uit te zoeken welke middelen worden gebruikt.

Een absolute subjectiviteit in deze problematiek, zo is Russell overtuigd, spreekt dan ook de believers van een ‘cosmic purpose’ tegen. Als de wereld een moreel voortreffelijk doel had dan zouden wij mensen dat moeten kunnen ondervinden, gelooft hij, dan zouden we op z’n minst al objectieve redenen moeten kunnen vinden voor onze eigen ethiek. Deze believers extraheren hun notie van moraal uit het kosmische doel, en op zich kan Russell dat wel terugfluiten, maar zelf gaat hij dan weer te ongegrond aan de andere kant uit bocht. Het slippertje van Russell hier kadert in een te ver doorgetrokken humanisme en antropocentrisme. De filosoof kan namelijk zelf onmogelijk met zekerheid zeggen dat mocht die ‘cosmic purpose’ er zijn, wij stervelingen met onze beperkte capaciteiten die zouden kunnen percipiëren. De believers kunnen het dus niet weten maar de filosoof zelf ook niet.

Eigenlijk is Russells idee van de desires naast verwant met dat van de ‘cosmic purpose’-aanhangers, de eerste bekijkt ethiek pragmatisch als een hypersubjectief, oncommuniceerbaar gegeven, de tweede zien hun persoonlijke ethische bijdrage als deel van het grotere geheel, zonder dat ze rationeel gezien meer bewijzen kunnen aanvoeren, uiteraard. Het is een geloofszaak, en dat voor beide, of het nu scepticisme, agnosticisme of religiositeit betreft. In de slotzin bevestigt hij dan ook alleen maar zijn eigen geloofsovertuiging: “and what science cannot discover, mankind cannot know,” wat objectief gezien niet tegen te spreken valt, maar voor de mens is er altijd meer dan dat geweest. Het subjectieve is belangrijk, er is niet alleen ‘to know something’, maar ook ‘to know of something’, eens het rijk van het emotieve binnengegaan ontdekt men de waarde van de mens, en niet ervoor.

De vraag gesteld in vorige teksten beslaat het breukvlak tussen ‘bewustzijn’ en ‘bewustzijn van’, de taal als zowel aantrekkend als afstotend effect tussen de opgesloten indivuen. Er bestaat sowieso consensus over de onoverdraagbaarheid van kennis, maar geen van hen kan met zekerheid zeggen de juiste code te hebben gevonden. Misschien moeten we uitgaan van het emotieve, en de kracht van de retoriek. Misschien moeten we ons hyperindividueel ledig houden met de zoektocht naar het ware en de waarde. Door de verdere doorwerking van postmoderne visies weegt het éne perfect af tegen het andere, en geen enkele methode aan ons bekend is feilloos. Maurice Maeterlinck zei: “As soon as we really have something to say, we are forced to be silent.”

Bibliografie
Russell, B., “Science and ethics” in Religion and Science, plaats en tijd van uitgave onbekend.

Toulmin, S. & Janik, A., “Language, ethics and representation” in Wittgenstein’s vienna,



plaats en tijd van uitgave onbekend.


1 Niet gepagineerd.

2 Hierbij past de lectuur van William Blakes All religions are one

3 A frase ontleend aan Ernst Mach







De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina