Media en Cultuur in Dubbelperspectief



Dovnload 0.52 Mb.
Pagina10/25
Datum20.08.2016
Grootte0.52 Mb.
1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   25

3.1 Cognitieve, sociale en psychologische ontwikkelingsstaat


In je directe omgeving zijn factoren aanwezig die mede bepalen wie je bent. Ouders en de school, maar ook leeftijdsgenoten dragen bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling. Voordat wordt ingegaan op die ontwikkeling, wordt eerst kort uiteengezet hoe de omgeving van VMBO-jongeren er in cijfers uitziet. Dit is relevant om aan te tonen dat zij te maken krijgen met culturele diversiteit in hun directe omgeving.
"Op 1 januari 2002 telde Nederland bijna 5 miljoen mensen jonger dan 25 jaar. Zij vormen 31 procent van de totale bevolking. Ruim een van de vijf jongeren is allochtoon. De meerderheid van deze allochtone jongeren behoort tot een niet-westerse herkomstgroep. Ruim 15 procent van de jeugdigen is van niet-westerse allochtone herkomst. De meeste minderjarige kinderen wonen in een gezin met twee ouders".66
In het VMBO-onderwijs is de culturele diversiteit het hoogst: "er zitten voornamelijk veel allochtonen op het VMBO".67 Die verdeeldheid is ook in cijfers van het CBS aan te wijzen. "Het aandeel niet-westerse allochtonen onder de examenkandidaten is de laatste jaren bij alle schoolsoorten toegenomen. Van de VBO/MAVO-examenkandidaten in 2000/2001 bestond 18 procent uit niet-westerse allochtonen. Op HAVO en het VWO is dit aandeel relatief klein, respectievelijk 9 en 7 procent".68
De grootste allochtone groepen in het voortgezet onderwijs zijn niet-westerse allochtonen: Marokkanen, Turken en Surinamers en Antillianen. Een klein deel van de allochtonen zijn Westerse immigranten. Ik maak hier de noot dat het niet de bedoeling is in dit onderzoek gedetailleerd in te gaan op specifieke culturele verschillen tussen allochtone en autochtone groepen jongeren. Met deze cijfers is aangetoond dat er culturele diversiteit in het onderwijs en in de directe omgeving van jongeren bestaat. In dit onderzoek gaat het om hoe media-educatie de communicatie tussen verschillende etnische groepen kan versterken. De nadruk ligt niet op het verschil en daarom wordt ook niet verder ingegaan op de specifieke verschillen tussen jongeren van verschillende etniciteiten. In dit hoofdstuk worden voorbeelden besproken waarbij in sommige gevallen de etniciteit genoemd wordt. Deze voorbeelden zijn overgenomen uit de literatuur.
Ik zal nu verder ingaan op de ontwikkeling van jongeren, en de factor cultuur in de omgeving in die bespreking meenemen. Seifert en Hoffnung deden onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen en adolescenten.69 Zij gaan daarbij in op de cognitieve, fysieke en psychosociale ontwikkeling. Het onderzoek is gedaan onder Amerikaanse jongeren. Ik maak de vergelijking met Nederlandse jongeren omdat het in beide gevallen gaat om een Westers land met vergelijkbare gewoonten en gebruiken.
Voor mijn onderzoek is het relevant de cognitieve en psychosociale ontwikkeling van adolescenten te bespreken. De cognitieve ontwikkeling gaat over de bekwaamheid betekenis te kunnen geven aan datgene wat om je heen gebeurt. Denken, praten en het geheugen zijn facetten hiervan. De cognitieve ontwikkeling zoals Seifert en Hoffnung deze omschrijven, komt overeen met de beschrijving van de cognitieve ontwikkelingsstaat zoals het SCP dit definieert. Psychosociale ontwikkeling gaat over de verandering in gevoel of emoties, over de relatie met anderen (familie, leeftijdsgenoten) en over zelfbeleving en persoonlijke identiteit.70 Dit is te vergelijken met de sociale en emotionele ontwikkelingsstaat van het SCP. In het geval van mijn onderzoek is de psychologische ontwikkeling het meest interessant omdat het hier gaat om de constructie van identiteit en zelfbeleving. Ik heb aangegeven dat de stimulering van interculturele communicatie moet kunnen bijdragen aan een positief oordeel door jongeren over zichzelf en anderen, wat vooroordelen en discriminatie kan voorkomen. De cognitieve en sociale ontwikkeling gaan vooraf aan de psychologische ontwikkeling, daarom zal kort worden ingegaan op deze twee ontwikkelingen en zal wat dieper worden ingegaan op de psychologische ontwikkeling.

3.1.1 Cognitieve ontwikkeling


"Bij de cognitieve ontwikkelingsstaat gaat het om het verwerven van kennis en de vaardigheden om verbanden te leggen. Deze komt vooral tot uitdrukking bij de prestaties op schooltaken”.71 De belangrijkste cognitieve ontwikkelingen72 die zich bij jeugdige adolescenten voordoen zijn in de eerste plaats het vergroten van het denkvermogen en het makkelijker kunnen leggen van verbanden. Ten tweede vindt er een morele ontwikkeling plaats, waarin twee vormen te onderscheiden zijn. In de eerste plaats wordt de adolescent zich meer bewust van wat rechtvaardig is en wat niet. Als derde is een sociale cognitieve ontwikkeling te onderscheiden. Hoewel hun denkvermogen en relativeringsvermogen sterker wordt, hebben jonge adolescenten toch nog de neiging tot egocentrisme. Hiermee wordt bedoeld dat zij situaties soms nog teveel vanuit het eigen perspectief bekijken en zich constant afvragen wat anderen denken of vinden. Dit kan leiden tot onzekerheid. In het proces van communicatie hebben we gezien dat mensen een situatie vanuit het eigen perspectief beoordelen. In de vroege adolescentie zijn jongeren sterk geneigd zichzelf op de voorgrond te plaatsen en te handelen, denken en te oordelen vanuit zichzelf. In situaties waarin jongeren te maken krijgen met andere gewoontes wat betreft communiceren, kunnen al snel attributiefouten optreden. Dit komt de relatie tussen jongeren onderling niet ten goede en kan zelfs leiden tot pesten, discriminatie, vooroordelen en irritatie. Dit betekent niet dat jongeren alles vanuit hun eigen perspectief bekijken, Valkenburg stelt dat jonge kinderen al de vaardigheid om een situatie vanuit meerdere perspectieven te bekijken aanleren. "De groeiende capaciteit om iets vanuit verschillende perspectieven te zien, beïnvloedt de manier waarop kinderen met mensen in hun werkelijke omgeving omgaan, en ook de voorkeur van kinderen voor karakters in mediaproducten".73 In de verschillende communicatiemodellen die in hoofdstuk 2 besproken zijn is dit juist een goede stap in het aanleren van communicatieve vaardigheden. Jongeren hebben dus enerzijds te maken met een groeiende belangstelling voor anderen, terwijl ze anderzijds erg bezig zijn met zichzelf en hoe zij door anderen beoordeeld worden. Om te weten te komen wat voor consequenties dit heeft voor de interculturele communicatie in een klas, moeten we kijken naar welke factoren van invloed zijn op dit zelfbeeld. Positieve en negatieve zelfwaardering zijn afhankelijk van hoe anderen jou beoordelen. Bij de bespreking van de psychologische ontwikkeling wordt hier verder op ingegaan.
Wat de cognitieve ontwikkeling betreft is te stellen dat jongeren vanaf hun tiende jaar kritischer leren zijn, hun denkvermogen ontwikkelen en beter in staat zijn zich uit te drukken. De kritische houding van kinderen kan leiden tot egocentrisch gedrag, waarin de persoon zichzelf centraal zet en sterk om bevestiging vraagt. Anderzijds groeit ook de belangstelling voor anderen: hoe zie ik hen en hoe zien zij mij? Dit zijn de belangrijkste algemene ontwikkelingen, maar per cultuur kunnen specifieke verschillen optreden, bijvoorbeeld in regels voor communicatie.

3.1.2 Sociale ontwikkeling


Bij de sociale ontwikkelingsstaat ligt het accent op de kwaliteit van het sociale netwerk, waarbij hier de relatie met de ouders en met leeftijdsgenoten centraal staat zoals die door de jeugd wordt ervaren.74 In het rapport van het SCP wordt aangegeven dat de vroege adolescentie een periode is waarin jongeren ontdekken welke sociale relaties belangrijk zijn. Hoe ga je om met sociale factoren in je omgeving? En waar is sprake van culturele verschillen? De bespreking van de sociale factoren gaat vooraf aan de bespreking van identiteit, zelfbeleving en zelfwaardering. De sociale factoren kunnen van invloed zijn op het beeld wat je van jezelf en van anderen creëert. Sociale factoren zijn gezin en school, leeftijdsgenoten en de media. Er wordt in het volgende ingegaan op de eerste drie sociale factoren, verderop in dit hoofdstuk komen de media als socialiserende instantie aan de orde.
Het gezin en de school

De omgang met anderen zorgt voor een besef van wie je zelf eigenlijk bent en waar je voor staat. De basis van wie je bent is gelegd door je opvoeding. "Het gezin of wat daarmee overeenkomt, is voor kinderen ongeacht hun etnische achtergrond het primaire referentiekader, waar een fundering wordt gelegd voor stabiele en positieve zelfwaardering. Hoe deze condities vorm krijgen en worden ingebed in het geheel van waarden, normen en gedragspatronen dat wordt overgedragen is daarbij variabel en laat ruimte voor culturele bijzonderheden".75


De relatie met ouders van invloed op de relatie met andere sociale instanties. Hoe streng ouders thuis optreden, bepaalt mede hoe jongeren hun meerdere (bijvoorbeeld docent) respecteren. Het SCP deed een aantal bevindingen op het gebied van sociale relaties. De thuissituatie van jongeren blijkt in positieve mate van invloed te zijn op hun omgang met leeftijdsgenoten. Wanneer jongeren een goede relatie hebben met hun ouders, kunnen zij het ook goed vinden met leeftijdsgenoten. In het onderzoek van Seifert en Hoffnung geldt dat een autoritaire opvoedingsstijl betekent dat er ruimte is voor communicatie, de zelfstandigheid van kinderen gerespecteerd wordt en dat het acceptatieniveau hoog is maar dat de ouders nog wel steeds een controlerende functie hebben. Deze manier van opvoeden blijkt over het algemeen te leiden tot de beste resultaten in andere sociale situaties.76
De onderwijssituatie in Nederland is zodanig dat leerlingen veel ruimte hebben om hun eigen keuzes te maken. Docenten zijn in de klas aanwezig maar hebben meer een begeleidende functie dan een sturende functie. Wat Seifert en Hoffnung concluderen is dat jongeren uit een cultuur waar anders met autoriteit wordt omgegaan, moeite kunnen hebben met deze andere vorm van hiërarchie. Uit ander onderzoek naar hoe jongeren uit een etnische minderheidsgroep het onderwijs in Nederland ervaren blijkt dat de vrijheid en zelfstandigheid in het Nederlandse onderwijssysteem tot problemen kan leiden en dat de 'vriendelijkheid' van de begeleiding (docent) kan leiden tot problemen met autoriteit.77 Het verschil tussen autochtone en allochtone jongeren en hun omgang met ouders, leeftijdsgenoten en ook docenten kan te maken hebben met hoe is aangeleerd om te gaan met autoriteit. In communicatieve situaties in de klas moet met dit verschil rekening gehouden worden.
Leeftijdsgenoten

Ouders zijn verantwoordelijk voor de basis van normen, waarden en gedragspatronen die je bezit. In hoofdstuk 2 zagen we al hoe cultuur en communicatie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Cultuur bepaalt communicatie, maar communicatie is ook nodig om van elkaar te leren. De communicatie tussen jongeren onderling, met de basis van cultuur die zij hebben meegekregen, kan zorgen voor een verandering van cultuur en daarmee van identiteit. Voordat hier op ingegaan wordt is het handig eerst te kijken hoe jongeren met elkaar in aanraking komen.


In de vroege adolescentie zijn leeftijdsgenoten het belangrijkst in het vormen van een eigen identiteit. De vroege adolescentie een periode waarin zelfstandigheid en onafhankelijkheid de boventoon voeren. Dit gaat samen met een vergroting van de waardering van vriendschappen met leeftijdsgenoten. De cognitieve vaardigheden die worden geleerd zorgen voor de capaciteit om vriendschappen te kunnen vormen en in stand te houden. Seifert en Hoffnung beschrijven de omgang met vrienden en de vaardigheden en kennis die daaruit voortkomen. Jongeren bespreken hun problemen of onzekerheden eerder met vrienden of vriendinnen dan met bijvoorbeeld hun ouders.78 Wat ook belangrijk is, is dat jongeren in hun omgang met leeftijdsgenoten ook andere thuissituaties leren kennen. Verkuyten geeft aan dat kinderen op diverse manieren van elkaar kunnen verschillen. "Kinderen moeten leren omgaan met deze verschillen, en daarmee met elkaar. Het verwerven van sociale vaardigheden kan op allerlei manieren gebeuren, zoals door daadwerkelijke contacten en ervaringen, maar ook door meer te weten komen over dergelijke verschillen".79 Doordat kinderen en jongeren bij leeftijdsgenoten over de vloer komen, maken zij kennis met een andere manier van leven. Dit kan bijvoorbeeld een andere verdeling van de huishoudelijke taken betreffen, maar ook een ander geloof of eetgewoontes. Dit kan van invloed zijn op de constructie van de eigen identiteit.80
Uit de cijfers is gebleken dat de jongerenpopulatie cultureel divers is en dat interculturaliteit eigenlijk geen keuze meer is. In de omgang met anderen doen jongeren indrukken op van verschillen in cultuur. Kinderen leren aan de hand van verschillende criteria om onderscheid te maken tussen etnische groepen en ze ontwikkelen een besef dat ze zelf tot een van die groepen worden gerekend.81 "De etnische groep is één van de sociale categorieën met behulp waarvan kinderen worden gedefinieerd en zichzelf kunnen definiëren".82 Uit onderzoek blijkt dat etniciteit een rol speelt in het uitkiezen van vrienden. Interetnische vriendschappen komen weinig voor. Jongeren van dezelfde etnische achtergrond trekken naar elkaar toe, hoe kan dat? In een debat over de identiteit en etniciteit van jongeren is geprobeerd deze vraag te beantwoorden.83 In het vormen van vriendschappen, gaan mensen op zoek naar iets gemeenschappelijks. Verkuyten concludeert dat jongeren zich op basis van leeftijd, geslacht maar ook op basis van bijvoorbeeld muziekvoorkeur verdelen. Verdeling op basis van etniciteit is hiermee te vergelijken. Ook is het zo dat naarmate vriendschappen intenser worden, etniciteit belangrijker wordt. Etniciteit wordt bepaald door factoren zoals opvoeding, religie, normen en waarden, taal en huidskleur. In het zoeken naar gemeenschappelijkheden spelen deze factoren een grote rol. Net als allochtone groepen trekken autochtone Nederlandse jongeren ook naar elkaar toe. Wat wel uitmaakt voor de mate waarin jongeren omgaan met leeftijdsgenoten uit een andere cultuur is hoe cultureel divers de omgeving van jongeren is. In een schoolsituatie speelt etniciteit een grote rol en trekken jongeren van dezelfde etniciteit naar elkaar toe. Culturele diversiteit in de woonomgeving is positief van invloed op de vorming van interculturele vriendschappen. Seifert en Hoffnung concluderen dat diversiteit in een informele situatie kan leiden tot een verhoogde kans op interculturele vriendschappen, ook op school.84
We hebben het in dit onderzoek over hoe media-educatie zou kunnen bijdragen aan de stimulering van interculturele communicatie tussen jongeren. Belangrijk daarbij is hoeveel invloed factoren in de omgeving van jongeren op hun zelfbeeld en op het beeld van anderen hebben. Die factoren zijn in het voorgaande besproken. Ouders en docenten zijn zogenaamde socialiserende instanties, die van invloed zijn op het denken over normen en waarden. De mate van autoriteit in de opvoeding en op school is bepalend voor het rechtvaardigheidsgevoel van jongeren en voor hoe gemakkelijk zij omgaan met andere factoren in de omgeving zoals leeftijdsgenoten en cultuur. De omgang met leeftijdgenoten en de aanwezigheid van diverse culturen in de omgeving zijn bepalend voor de zelfbeleving en identiteit.

3.1.3 Psychologische ontwikkeling


De emotionele ontwikkelingsstaat betreft het psychische welbevinden en emotionele problemen. Hierbij gaat het om zaken als een negatief zelfbeeld, faalangst en gevoelens van eenzaamheid en somberheid”.85 Bij de bespreking van de psychologische (of emotionele) ontwikkeling staat de zoektocht naar een eigen identiteit centraal.
Identiteitsvorming is een van de doelen die interculturele communicatie kan nastreven. Naar mijn mening is het interessant om verder in te gaan op de constructie van identiteit en zelfbeleving omdat hiermee aangegeven wordt wat het belang kan zijn van het stimuleren van interculturele communicatie in het onderwijs. Identiteit is een grillig begrip en kent vele definities. De bespreking van identiteit zal in de volgende paragraaf aan bod komen, ik zal vooral ingaan op de theorie van Verkuyten. Verkuyten heeft veel onderzoek verricht naar de identiteitsbeleving van jongeren van verschillende etniciteiten. Zijn definities zijn voor dit onderzoek het meest bruikbaar. In de psychologische ontwikkeling staan de begrippen identiteit, zelfbeleving en zelfwaardering centraal. Verkuyten86 geeft aan dat de definiëring van het begrip identiteit moeilijk is omdat het in verschillende contexten gebruikt kan worden. Mensen hebben een identiteit maar een bedrijf bijvoorbeeld ook. Bij het bedrijf wordt de identiteit bepaald door factoren zoals uiterlijk en doelstellingen. Door welke factoren wordt de identiteit van mensen bepaald?
In de context van dit onderzoek spreken we over de constructie van identiteit door omgang met anderen, jongeren krijgen in hun omgeving te maken met hun ouders, docenten en leeftijdsgenoten. Identiteit krijgt hierdoor een sociale dimensie. Verkuyten gebruikt de definitie van Wentholt in de bespreking van sociale identiteit. "Het gaat om de verhouding tussen het individu en de omgeving, waarbij het begrip de specifieke relatering van een persoon aan de hem of haar omringende sociale omgeving aanduidt".87 Hierbij moet de nadruk niet liggen op het verschil van die persoon met de omgeving, maar op overeenkomsten. Het begrip geeft ook aan hoe iemand in zijn of haar omgeving beoordeeld wordt. Deze beoordeling is, zoals eerder in hoofdstuk 2 aangegeven, gebaseerd op uiterlijke kenmerken zoals leeftijd, geslacht en etniciteit. Je sociale identiteit wordt dus eigenlijk door anderen gecreëerd. In het proces van sociale vergelijking wordt waarde toegekend aan je sociale positie.
Tegelijkertijd hebben mensen altijd een eigen idee over hun identiteit. De identiteit opgelegd door anderen (sociale identiteit) is meestal gebaseerd op een groep waar iemand bij lijkt te horen, je eigen identiteit is van andere factoren afhankelijk. Je uiterlijk, vaardigheden en andere persoonskenmerken spelen hierin een rol. De manier waarop je een identiteit aan jezelf geeft, wordt door Verkuyten zelfbeleving genoemd. Zelfbeleving en zelfwaardering zijn afhankelijk van sociale identiteit. Verkuyten geeft aan dat iedere sociale identiteit een deelidentiteit is omdat vele sociale indelingen mogelijk zijn. "Behalve Turk kan iemand man, vader, leraar en Amsterdammer zijn".88 De sociale identiteit maakt je lid van een of meerdere sociale groepen in de samenleving ook wel groepslidmaatschap genoemd. Een Marokkaans meisje van 14 jaar behoort achtereenvolgens tot de sociale groepen Marokkanen, vrouwen en jongeren.
Net als identiteit kan zelfbeleving tot deelidentificatie leiden, afhankelijk van de context waarin iemand zich bevindt. "Dat men zichzelf beleeft als behorend tot een etnische groep is daarbij een van de vele opties".89 Etniciteit is een factor die door mensen gebruikt wordt om zowel zichzelf als anderen te beoordelen. De beoordeling van een ander is afhankelijk van de sociale groep waar iemand bij ingedeeld wordt. Als iemand op grond van het groepslidmaatschap gunstig beoordeeld wordt, zal diegene zichzelf positief waarderen, een negatieve beoordeling leidt tot een negatieve zelfwaardering.90 Uit onderzoek naar de zelfbeleving van allochtone kinderen bleek dat etniciteit een grote rol kan gaan spelen in de zelfbeleving, "doordat kinderen in diverse situaties opgrond van hun etnische achtergrond benaderd en beoordeeld worden".91 In hun omgeving krijgen kinderen te maken met cultuurconflicten en discriminatie, die hun etnische groep aangaan.
De cognitieve en sociale ontwikkeling zijn van invloed op de psychologische ontwikkeling. Bij de cognitieve ontwikkeling is besproken hoe jongeren zowel egocentrisch kunnen denken, als extra waarde kunnen hechten aan de mensen om hen heen. Sociale factoren spelen mee in het leggen van een basis in hoe je met anderen omgaat. Die basis heeft je identiteit gevormd, maar identiteit kan veranderen. Juist in de periode van vroege adolescentie ontdekken jongeren wat zij interessant vinden en dat heeft invloed op hoe ze over zichzelf en over anderen nadenken. Vink geeft aan dat het bij de ‘creatie’ van je eigen identiteit gaat om waardoor jij je laat inspireren. In je omgeving zijn elementen van cultuur aanwezig, waarmee je je eigen ik kan creëren: "het werken aan de eigen identiteit is steeds meer een kwestie van het integreren van elementen afkomstig uit verschillende culturen".92 Ook Caws gaat in op de invloed van je leefwereld op je eigen identiteit: "identiteit is een relatie van mezelf met mezelf, maar het kan een gemediëerde relatie zijn: ik relateer aan mijzelf door interactie met anderen en de wereld".93 Ook sluit zijn theorie aan bij die van Vink in hoe je zelf verantwoordelijk kan zijn voor de creatie van je identiteit: "Als ik opensta voor nieuwe ervaringen kan ik nog verrast worden door datgene wat ik ga ontmoeten en wat ik kan waarderen (…) dit kan nieuwe facetten aan mijn identiteit toevoegen".94 Zoals bij de sociale ontwikkeling is aangegeven bestaat de omgeving uit socialiserende instanties: ouders, school en leeftijdsgenoten. De ervaringen met die socialiserende instanties helpen te bepalen wat je interessant vindt. Caws meent dat mensen prima in staat zijn uit te maken welke facetten in hun omgeving interessant zijn voor de eigen identiteit. Mensen die veranderen van omgeving kunnen een radicale identiteitsverandering ondergaan, omdat zij blootgesteld worden aan een scala van nieuwe normen, waarden en gedragsvormen. Waar Caws de aandacht op legt is dat in onze omgeving zoveel meer te ontdekken valt dan we soms zelf doorhebben, juist omdat ons vanuit socialiserende instanties veel aangeleerd wordt wat we als vanzelfsprekend achten, zoals gedragspatronen. Kinderen zouden vrij moeten zijn in het vormen en creëren van een eigen identiteit.95




1   ...   6   7   8   9   10   11   12   13   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina