Media en Cultuur in Dubbelperspectief



Dovnload 0.52 Mb.
Pagina12/25
Datum20.08.2016
Grootte0.52 Mb.
1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   25

3.3 Media en identiteit


De ontwikkeling van jonge adolescenten op cognitief, sociaal en psychologisch niveau is in het eerste deel van dit hoofdstuk uiteengezet. De media en het gebruik ervan zijn van invloed op jongeren. In de eerste plaats hebben zij invloed op hun communicatieve vaardigheden en op het communicatieproces. In de tweede plaats zijn de media een socialiserende instantie, zij verschaffen informatie waarmee wij de wereld om ons heen beoordelen. Als derde kunnen de media bijdragen aan de constructie van een eigen identiteit. Hoe de media kunnen bijdragen aan de zelfbeleving wordt in het volgende besproken.
Huntemann en Morgan beschrijven in hun artikel Mass Media and Identity development hoe de media mede bepalen hoe jongeren de wereld om hen heen beoordelen en welke positie zij daar zelf in innemen. "De doordringendheid van de media, en de mate waarin deze in het gezinsleven, in de vrije tijd en tijdens de hele ontwikkeling van jongeren aanwezig zijn, zorgen ervoor dat jongeren vandaag de dag meer indirecte (maar tegelijkertijd levendige en realistische) ervaringen met anderen hebben dan ooit tevoren".105 Al eerder is aangetoond dat identiteit geen vaststaand gegeven is, het is veranderlijk omdat het afhankelijk is van sociale, psychologische en maatschappelijke omstandigheden. De omgang met familie, vrienden, autoriteit en ook het bezig zijn met de media kan nieuwe dimensies geven aan identiteit. Huntemann en Morgan geven aan dat op jonge leeftijd de ouders de grootste invloed op kinderen hebben. Hoe ouder kinderen worden, hoe meer zij open staan voor invloeden van buitenshuis. Zoals eerder aangegeven, gaan kinderen in de periode van vroege adolescentie op zoek naar onafhankelijkheid en zelfstandigheid. Huntemann en Morgan noemen de media een alternatieve socialiserende instantie. "Het is in deze periode dat jongeren op zoek gaan naar manieren, buiten hun ouders en leeftijdsgenoten, om definitie te geven aan zichzelf".106
Deze manieren worden aangereikt door de aanwezigheid van de media. Het belangrijkste kenmerk van de media dat een rol speelt bij identiteitsvorming is dat de media de dagelijkse werkelijkheid representeren, maar altijd vanuit een bepaalde ideologie waardoor stereotypering of foutieve representaties kunnen ontstaan. Huntemann en Morgan vinden dat de media niet verantwoordelijk zijn voor stereotypering, stereotypes hebben vaak een lange historische achtergrond. Maar, de media kunnen wel stereotypes in stand houden en deze normaliseren. Wanneer we het hebben over jongeren uit minderheidsgroepen kan, in navolging van Verkuyten, negatieve stereotypering tot een negatief zelfbeeld leiden. "De meeste Turkse en Marokkaanse kinderen voelen zich persoonlijk aangesproken als iemand iets slechts zegt over hun etnische groep of land van herkomst".107
Ook niet-representatie in de media kan leiden tot negatieve zelfbeleving. Het gaat hier om de macht van de dominante groep tegenover die van minderheden. In Amerika domineren 'witte' media nog steeds de markt. Als een groep 'onzichtbaar' wordt gehouden, zal die groep altijd gedomineerd blijven door de meerderheid. "Kinderen en volwassenen die zichzelf niet gerepresenteerd zien in de media, leren een fundamentele les over de positie van hun 'groep' in de maatschappij: die positie is van weinig belang".108 In Nederland wordt hard gewerkt aan een gelijke positie voor zowel autochtonen en allochtonen en is er van machtsverschillen weinig sprake. Allochtonen hebben een veel kleiner aandeel in de media, maar er wordt hard gewerkt aan oplossingen hiervoor. Minderheidsgroepen worden niet met opzet onzichtbaar gehouden, het is meer de kwestie dat men niet weet hoe de media kleurrijker gemaakt kunnen worden.
Verkuyten geeft aan dat het proces van sociale vergelijking de waardering van een groep bepaalt. Als men op grond van het groepslidmaatschap gunstig beoordeeld wordt leidt dit tot een positieve zelfwaardering. Huntemann en Morgan gaan in op de gevolgen van negatieve representaties voor de zelfbeleving. Er zijn drie potentiële scenario's te onderscheiden. Een negatieve representatie kan op verschillende manieren uitgelegd worden. Een kind kan denken dat het niet wenselijk is om lid te zijn van de gerepresenteerde groep, wat leidt tot een negatief zelfbeeld: "lid zijn van die groep is slecht, dus ik ben slecht".109 Het tweede scenario is dat lidmaatschap van de gerepresenteerde groep genegeerd wordt: "lid zijn van die groep is slecht, dus ik gedraag me alsof ik niet lid ben van die groep".110 Als derde kan het tegenovergestelde gebeuren, de dominante groep wordt dan aangevallen op haar oordeel: "de mensen die ik ken en waar ik van hou zijn lid van de gerepresenteerde groep, dus de maatschappij is fout en onrechtvaardig. Mijn trouw aan de groep is sterker".111 In dit laatste geval maakt een negatieve representatie de bewustwording van de identiteit juist sterker. Deze theorie is gebaseerd op beelden uit de media, vooral televisiebeelden.
Behalve televisiebeelden krijgen jongeren ook met andere vormen van de media te maken. Wat nieuwe media betreft is het construeren van identiteit een ander verhaal. Omdat de lichamelijke factor bij bijvoorbeeld communicatie via het Internet wegvalt, kan men iedere 'belichaming' aannemen die hij of zij wenst. Sekse, leeftijd, klasse en etniciteit zijn onbekend en dus optioneel. Turkle112 schrijft in haar onderzoek dat deze nieuwe technologie een heel andere dimensie kan geven aan de zelfbeleving van jongeren en de constructie van identiteit. Postmoderne wetenschappers geven aan dat ons vertrouwen in 'embodied communication' op de proef wordt gesteld. Er is nog weinig concreet onderzoek naar de effecten van Internet en 'chatten' op identiteitsvorming. Theorieën over eventuele gevolgen zijn er wel, maar het is moeilijk hier empirisch bewijs voor te vinden, juist vanwege de anonimiteit van de gebruikers én producenten.
De theorie van Huntemann en Morgan en de theorie van Verkuyten gaat in op negatieve representaties van etniciteit en wat dit betekent voor leden van etnische minderheidsgroeperingen. Interessant is ook, hoe negatieve representaties van etniciteit van invloed zijn op de identiteit van jongeren die niet tot die groep behoren. Vormen zij alleen een oordeel over de gerepresenteerde groep, of heeft deze representatie ook gevolgen voor de 'niet-groep'? Het gaat hier over negatieve representaties, bijvoorbeeld stereotypering. In navolging van Verkuyten wordt de ander beoordeeld op de groepskenmerken van de sociale groep waarbij diegene is ingedeeld. Wanneer het in de representatie gaat om negatieve kenmerken van die sociale groep, zal dit geen gevolgen hebben voor de identiteit van degene die oordeelt, omdat die kenmerken niet interessant zijn. Vink gaf aan dat datgene wat jou inspireert of wat je interessant vindt, bijdraagt in de creatie van jezelf. Negatieve elementen uit een andere cultuur zullen hier niet aan bijdragen. Aan de andere kant zullen positieve representaties van cultuur hetzelfde effect teweeg kunnen brengen als de directe omgang met leden van die cultuur. Het leren kennen van een thuissituatie van een lid van een andere cultuur houdt in dat je kennis maakt met andere normen, waarden en gedragspatronen. Deze zijn ook te ervaren via de media. Hierbij maak ik de noot dat jongeren eerst moeten leren hoe onderscheid te maken tussen positieve en negatieve representaties. Wat is waar? Hier kan media-educatie als middel voor ingezet worden.



1   ...   8   9   10   11   12   13   14   15   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina