Media en Cultuur in Dubbelperspectief



Dovnload 0.52 Mb.
Pagina14/25
Datum20.08.2016
Grootte0.52 Mb.
1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   25

4.1 Benaderingen van media-educatie


Het nadenken over de plaats die de media in het onderwijs kunnen innemen, begon bij de opkomst van de massamedia in de jaren '50 van de vorige eeuw. Een van de meest vooraanstaande westerse landen op het gebied van media-educatie is Groot-Brittannië. Het British Film Intsitute (BFI), pleit al sinds 1950 voor de invoering van media-educatie op scholen. Wetenschappers die verbonden zijn aan het BFI hebben veel onderzoek gedaan naar vormen van media-educatie. Masterman, Alvarado en Bazalgette leverden belangrijk theoretisch werk in de jaren '70 en '80 en de Britse benaderingen zijn voor veel Westerse landen inspiratiebron geweest in de ontwikkeling van een media-educatiebeleid.
Ik zal de belangrijkste visies op media-educatie vanaf 1960, het begin van het televisietijdperk en gebruik de Britse benaderingen als uitgangspunt. Tot aan de jaren '90 ontwikkelt media-educatie zich langzaam, met film en televisie als belangrijkste media, maar met de komst van computer en Internet krijgt mediaonderwijs een nieuwe richting. De benaderingen die vóór de jaren '90 ontstonden, zijn van belang geweest voor nieuwe richtingen in het denken over media-educatie en zijn daarom relevant om te bespreken. Daarna zal ik mij verdiepen in de ontwikkelingen van de laatste 15 jaar, de periode waar de generatie jongeren die onderwerp van dit onderzoek zijn, in opgroeien.

4.1.1 Benaderingen vóór de jaren '90


Er is een enorme ontwikkeling aan te wijzen in benaderingen van media-educatie tussen 1950 en 1990. In de eerste jaren van de televisie wilden wetenschappers in Groot-Brittannië de vergelijking tussen de massa en onderwijs niet maken. Deze twee hadden volgens hen niets met elkaar te maken: "De massa media zijn technologisch en industrieel, niet artistiek". Alleen artistieke mediaproducten worden in de klas ingezet, als tegenhanger van de commerciële Hollywoodfilms in de 'Film Appreciation Courses'.115 Het doel was in de eerste instantie kinderen tegen de gevaren van massamediaproducties beschermen. Methodes die gebruikt werden waren vooral het tonen en analyseren van 'zedelijke' producties, en leerlingen op deze manier maatstaven aan te reiken waarmee zij kritisch en bewust naar de media kunnen kijken of luisteren. Dit wordt ook wel de ethische benadering genoemd. "Media-educatie bestond er uit kinderen te leren zien wat in de ogen van de opvoeder mooi en lelijk is".116
Scholing was pas vanaf 1944 voor iedereen vanzelfsprekend, toen de opstelling van de Education Act het ook voor leden van de lagere klassen in de maatschappij mogelijk maakte om deel te nemen aan onderwijs.117 Docenten aan de lagere scholen concludeerden dat zij de taak hebben kinderen te begeleiden in het volwassen worden. Deelname aan de maatschappij omvat ook het omgaan met vrije tijd, waar de massamedia deel van uitmaken. In 1963 wordt 'the Newsom Report' gepubliceerd, waarin gepleit wordt voor de inzet van de massamedia als 'educational tools' en niet alleen als illustratie bij andere onderwerpen. Ook wordt in het rapport gezegd dat praktische activiteiten, zoals film maken, interessant en nuttig kunnen zijn in de onderwijspraktijk.118
Een eerste benadering die in de jaren '60 ontstond is de culturele benadering. Na 1963 werd de inzet van de media in het onderwijs groter, maar men was bang dat 'populaire cultuur' de culturele en sociale functie die het onderwijs heeft zou ondermijnen. De massamedia zijn een nieuwe vorm van cultuur en het is juist de taak van onderwijsinstellingen om kinderen het verschil in betekenis van nationaal erfgoed, kunst en populaire cultuur te leren. De benadering van de media als kunstvorm is de esthetische benadering. Binnen deze benadering worden de media aangewend om via audiovisuele taal en technieken, zelfexpressie en het creatief vermogen te vergroten.119
In het begin van de jaren '60 wordt de basis gelegd voor de combinatie van de (massa)media en school, maar bezorgdheid over de invloed die de massamedia kunnen uitoefenen op hun jeugdige gebruikers overheerst. Media-educatie wordt als instrument ingezet om kinderen te 'wapenen' tegen eventuele schadelijke invloeden van de media, voornamelijk televisie. Deze benadering van media-educatie is een sociale benadering, er wordt gekeken naar welke ideologie achter een mediaproduct schuilt en hoe dit het gedrag van de kijker zou kunnen beïnvloeden. De media worden gezien als socialiserende instanties en zijn dragers van informatie, normen en waarden.120
Een andere ontwikkeling die binnen de sociale benadering valt is de samenwerking tussen mediabedrijven en onderwijsinstellingen. In 1983 doen 15 docenten een onderzoek naar de invloed van massamedia op kinderen. Het overmatige televisiegebruik van kinderen zorgt voor een voortdurende bezorgdheid over de negatieve invloeden van de media op hun houding en gedrag. De conclusies uit dit onderzoek zorgen voor een vooruitziende blik op het gebruik van de media in het onderwijs. Anders dan dat wetenschappers voorspelden zijn de effecten van mediagebruik voornamelijk positief: kinderen worden alerter en kritischer.121 De aanbevelingen in het rapport gaan uit naar docenten, ouders en programmamakers. Wanneer deze verschillende socialiserende instanties samenwerken kan de invloed van populaire media (in dit geval televisie) nuttig gemaakt worden.

Dit soort studies naar de invloed van de media (vooral geweld op televisie) worden meer serieus genomen door mediabedrijven. Zij stimuleren onderzoek en schenken meer aandacht aan de inhoud van hun mediaboodschappen. "Omroepen moeten actief met educatieve instellingen in debat over de rol van de media in de maatschappij, en op deze manier accuraat en begrijpelijk materiaal produceren, vanuit het oogpunt van de kijker".122 Op deze wijze worden de media als sociale instantie transparanter.


De jaren '60 en '70 zijn vruchtbare jaren geweest in het denken over mediagebruik in de klas, maar nog steeds was er weinig geschreven materiaal met concrete lesideeën voorhanden.123 In 1980 publiceert Masterman zijn boek Teaching about Television. Juist omdat dit boek aandacht besteedt aan pedagogische theorieën en praktische werkvormen in de klas is het van grote invloed geweest.124 Er zijn op dat moment twee trends in media-educatie aan te wijzen. De eerste gaat in op het tekort aan concreet lesmateriaal, de tweede trend is het besef dat de massamedia allemaal onder één noemer te vatten zijn, en samen een industrie vormen.125 De vorm van media-educatie moet toegepast kunnen worden op alle vormen van de media.
De mogelijkheden die gecreëerd werden om daadwerkelijk met film en televisie in de klas aan de slag te kunnen, leiden tot een derde benadering: de communicatieve benadering, waar de nadruk gelegd wordt op het aanleren van communicatieve vaardigheden. In 1963 werd in het Newsom Rapport gepleit voor actief gebruik van film in de klas, als vorm voor zelfexpressie. Niet langer worden de media aangewend voor 'esthetische expressies', maar worden ze ook gebruikt voor bijvoorbeeld het leren van engels. Technologische ontwikkelingen, zoals de komst van video, creëren de mogelijkheid voor kinderen zelf aan de slag te gaan met de media.
De vijf benaderingen van media-educatie in het voorgaande beschreven zijn kunnen als volgt samengevat worden:

  • De ethische benadering: de massamedia worden als negatief bestempeld, media-educatie wordt ingezet met een opvoedende functie.

  • De esthetische benadering: de media worden als kunstobjecten benaderd, media-educatie wordt ingezet als instrument om kunstuitingen op waarde te leren schatten.

  • De culturele benadering: media als vorm van populaire cultuur, media-educatie dient als middel om het verschil met de media als kunstuitingen uit te leggen.

  • De sociale benadering: de media als socialiserende instantie en daarmee dragers van informatie, ideologieën, normen en waarden. Door samenwerking tussen verschillende socialiserende instanties worden de media transparanter. Media-educatie dient voor het bereiken van een bewust kritische kijk op media-uitingen.

  • De communicatieve benadering: de media vragen om communicatieve vaardigheden. Media-educatie wordt gebruikt om deze vaardigheden aan te leren, door constructief en deconstructief met de media in de klas om te gaan.

Sleurink concludeert na een inventarisatie van de verschillende benaderingen in westerse landen dat er weinig verschillen zijn. De nadruk ligt in de eerste plaats op de ontwikkeling van leerlingen tot kritische en bewuste mediagebruikers (sociale benadering) en daarnaast op de manier waarop mediacompetentie kan worden aangeleerd: door productie en analyse van mediaboodschappen (communicatieve benadering). Engelstalige landen maken gebruik van de term 'media literacy', dit betekent dat de nadruk ligt op kritische analyse. Dit sluit aan bij de sociale benadering. De term 'media education' wordt gebruikt voor het actief bezig zijn met de media en sluit aan bij de communicatieve benadering.126



4.1.2 Benaderingen vanaf de jaren '90


In recentere literatuur over media-educatie worden dezelfde benaderingen nog steeds beschreven. Een voorbeeld is de definitie van media-educatie zoals deze in het Advies media-educatie 2003127 beschreven staat. Deze gaat in op media-educatie voor het verwerven van kritische en bewuste mediagebruikers, door zowel praktisch als analytisch met de media bezig te zijn. Ook hier zijn de sociale en de communicatieve benadering dominant. Deze benaderingen vormen de basis voor de doelstellingen die aan media-educatie kunnen worden toegekend. De beschrijving van deze doelstellingen komt later in dit hoofdstuk aan de orde.
In de jaren '90 zijn twee structurele veranderingen oorzaak van nieuwe benaderingen van media-educatie, die een nieuwe dimensie aan de sociale en communicatieve benadering geven:

  • Technologische veranderingen: door de komst van digitale ICT (computer, Internet, DVD, CD-rom) kan media-educatie behalve actieve en passieve, ook een interactieve vorm aannemen.

  • Culturele veranderingen: Globalisering maakt dat nationale, regionale en lokale grenzen vervagen. Culturen komen dichter bij elkaar, ook door de mogelijkheden van de media buiten de eigen sociale grenzen te communiceren. Hoewel migratie al 60 jaar van invloed is op de bevolkingssamenstelling van Nederland, lijkt het maatschappelijk debat nu meer dan ooit gericht te zijn op hoe omgegaan kan worden met culturele diversiteit. De mogelijkheid van de media om te leren over cultuur wordt onderkend.

Hoe is deze nieuwe dimensie te beschrijven?

In de eerste plaats zorgen digitale ICT voor een meer internationale en globale aanpak van media-educatie. De behoefte en ook de mogelijkheid om op internationaal niveau gedachtes uit te wisselen over de media en mediagebruik groeit. De laatste 15 jaar heb tal van conferenties plaats gevonden. De International Association for Media and Communication Research (IAMCR) organiseert frequent bijeenkomsten waar vertegenwoordigers uit 9 verschillende landen van verschillende continenten samenkomen en gedachten over de media uitwisselen. In 2003 verschijnt het boek Global trends in media education128, waarin verschillende artikelen over de onderzoekspraktijk van media-educatie te vinden zijn. Eén van die artikelen is Glocalising Media Education. Lemish pleit hierin voor uitwisselingen van beleid via conferenties of symposia. Ook UNESCO129 sluit zich hierbij aan, de uitwisseling van kennis tussen zowel westerse als niet-westerse landen zou kunnen bijdragen aan de bestrijding van sociale en economische gelijkheid. Je zou kunnen zeggen dat de media landen dichter bij elkaar kan brengen op een dergelijke manier dat zij iets van elkaar kunnen leren.

Op de conferentie A Must or A-muse130 in 2001 werd gesproken over het internationale beleid van media-educatie. Er wordt geconcludeerd dat het onmogelijk is om een eenduidig internationaal beleid te ontwikkelen, omdat media-educatie samenhangt met de cultuur binnen een land. Toch kunnen er richtlijnen opgesteld worden waarnaar ieder land afzonderlijk zijn beleid zou kunnen ontwikkelen. Het gaat om beleidsmatige veranderingen op nationaal, regionaal en zelfs lokaal niveau. Bij de bespreking van doelstellingen van media-educatie zal ik ingaan op universele criteria voor media-educatie. Een duidelijke hantering van begrippen en eenduidige doelstellingen, onafhankelijk van politieke commerciële sociale of culturele context zou de basis moeten zijn van media-educatie. Afhankelijk van de nationale context kunnen landen zelf invullen welke vormen van media-educatie zij willen hanteren.


In de tweede plaats is het meer noodzakelijk geworden dat in de analyse van mediaboodschappen, rekening gehouden wordt met de culturele context. In het televisietijdperk was er nog nauwelijks de mogelijkheid mediaboodschappen vanuit een andere culturele context te ontvangen. Internet en satelliet zijn in staat ons beelden te brengen van ver buiten onze eigen landsgrenzen. Wat doen we met die informatie? Hoe geven we daar betekenis aan? Een meer multiculturele benadering van media-educatie is noodzakelijk. Binnen Nederland nemen culturele groepen soms al zelf het initiatief. Lemish schrijft: "mediaproducten die stammen uit westerse landen zijn voorzien van een westerse ideologie. Wat we zien, is dat er op lokaal en regionaal niveau culturele media-initiatieven ontstaan die het bestaan van één allesomvattende cultuur ontkennen".131 Dit resulteert in lokale omroepen en organisaties zoals Miramedia132. Doordat het steeds makkelijker wordt om mediaproducten uit te wisselen is het van belang dat men de context van die mediaproducten te leren kennen. Alleen dan kan men de juiste betekenis aan een representatie van cultuur toekennen. In zijn artikel Media Literacy as Cultural Technology in the age of transcultural media beschrijft Kress dat technologische en culturele veranderingen, centrale elementen moeten zijn in het denken over media-educatie. "Op basis hiervan kunnen we begrijpen welke vorm van media-educatie we moeten nastreven in deze context van grote culturele veranderingen".133 De media zijn transculturele instituten, maar de context waarin zij geconstrueerd zijn is nog altijd cultuurgebonden. Deze opvatting brengt een verandering aan in de sociale benadering.
Een derde opvatting die veranderingen in benaderingen teweegbrengt, is dat de media en het onderwijs beiden in staat zijn cultuur te representeren. Wollen noemt dit als één van de overeenkomsten tussen televisie en onderwijs. Beiden zijn niet in staat de 'echte' werkelijkheid te representeren, maar ze hebben beiden wel de functie mensen te onderwijzen over die werkelijkheid.134 Mede hierdoor zijn ze verantwoordelijk voor de vorming van 'sociale subjecten'. Wat Kress beweert, is dat onderwijs en de media in de huidige samenleving waar de culturele diversiteit hoog is, zich als concurrenten op hetzelfde vlak begeven: zij zijn beiden in staat cultuur de produceren en te reproduceren en om sociale en culturele subjecten te vormen. Lavender geeft een vergelijkbare visie: er wordt toegewerkt naar een meer pluralistische en multi-curriculaire benadering.135 Hiermee bedoelt hij dat de traditionele instanties die altijd verantwoordelijk zijn geweest voor onderwijs (vooral ouders en docenten) niet meer de enigen zijn. In het tijdperk van de digitale media zijn de media een 'alternatieve school' die beschikbaar gesteld wordt door gebruik van de massamedia. Ouders en docenten zien zichzelf nog altijd als de bewakers van het culturele erfgoed, maar worden ingehaald door de media die hetzelfde kunnen bieden, op een nieuwerwetse manier. Nu moet worden gezocht naar manieren waarop de twee scholen (ouders en docenten als de traditionele school en de media als alternatieve school) in dialoog met elkaar kunnen gaan. Wat zijn de voorwaarden voor een productief samenwerken van onderwijs en de media? In de eerste plaats moet het onderwijs openstaan voor de didactische kwaliteiten van de media. De kritische houding die in de jaren '60 en '70 overheerste bestaat nog steeds en dat is noodzakelijk omdat niet alles wat uit de media voortkomt acceptabel is, en daar moeten kinderen voor behoed worden. Maar deze houding moet de plaats van de media in het onderwijs niet in de weg staan. Als tweede moet men open staan voor verschillende benaderingen van de media en media-educatie. Film werd in haar beginjaren gezien als esthetisch object, en dat bemoeilijkte het gebruik van film in de klas. Er is een verschil tussen de media als populaire cultuur en de media als kunstvorm en beide vormen kunnen in het onderwijs worden ingezet om te leren over verschillende vormen van cultuur. We zagen in hoofdstuk 1 het verschil tussen cultuuronderwijs en interculturele onderwijs.
Een laatste aanpassing in benadering betreffen de mogelijkheden van digitale ICT voor het aanleren van communicatieve vaardigheden. Sleurink heeft zich verdiept in de ontwikkeling van media-educatie en geeft aan dat het door de interactieve aard van nieuwe media zoals Internet en computer, mogelijk wordt voor de consument om tegelijkertijd consument en producent te zijn. Vaardigheden die nodig zijn om te kunnen werken met nieuwe media zijn typvaardigheden, het kunnen zoeken op Internet en het downloaden van informatie.136 Jongeren maken veel gebruik van de media in hun vrije tijd en hebben deze vaardigheden al geleerd. Sleurink noemt de toegang tot Internet ‘kinderlijk eenvoudig’. Het maken van een website wordt via informatie op het Internet heel erg gemakkelijk. Er wordt gesproken over het toewerken naar de ‘zelfredzaamheid’ van leerlingen. Omdat het makkelijker wordt met de media om te gaan is het bijna onmogelijk voor ouders en docenten om in de gaten te houden waar kinderen mee bezig zijn. Juist in mediaonderwijs moet aandacht zijn voor datgene waar jongeren zich mee bezig houden en hoe zij daar op een juiste manier mee bezig kunnen zijn. Een nieuwe vorm van onderwijs die ontstaan is door het toenemende gebruik van de computer en Internet is ICT-onderwijs. ICT-onderwijs gaat vooraf aan media-educatie: om met nieuwe media aan de slag te kunnen, is het noodzakelijk dat leerlingen, maar ook docenten weten hoe ze gebruik kunnen maken van de nieuwe media. ICT-onderwijs is bedoeld om basisvaardigheden voor het gebruik van nieuwe media aan te leren. Voorwaarde is, dat er binnen een school de mogelijkheden moeten zijn om mediaonderwijs te kunnen geven. Dat houdt in de eerste instantie in dat de middelen er zijn en in de tweede plaats dat docenten mediavaardig genoeg zijn om hun leerlingen te kunnen doceren.
Ik heb in het bovenstaande beschreven hoe veranderingen in technologische en culturele context, de benaderingen van media-educatie veranderd hebben. Samengevat kom ik uit op het volgende:

  • Er is grotere behoefte aan een internationale aanpak en universele richtlijnen voor media-educatie.

  • Binnen de sociale benadering groeit de aandacht voor de culturele context van mediaboodschappen.

  • De media zijn steeds beter in staat mensen te onderwijzen over cultuur.

  • Nieuwe vaardigheden met betrekking tot ICT, voor analyse en productie van mediaboodschappen, zijn vereist. Dit geldt voor zowel leerlingen als voor docenten.

In het volgende wordt ingegaan op richtlijnen en doelstellingen aan de hand waarvan media-educatie binnen een nationaal onderwijscurriculum kan worden ingezet. De benaderingen zoals die in dit eerste deel uiteengezet zijn, moeten de basis vormen voor die doelstellingen.





1   ...   10   11   12   13   14   15   16   17   ...   25


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina