Medisch landschap in beweging



Dovnload 53.45 Kb.
Datum28.08.2016
Grootte53.45 Kb.
MEDISCH LANDSCHAP IN BEWEGING

Hasselt 13.10.2007
De Huisarts – Specialist”
Dr. Marc MOENS,

Ondervoorzitter BVAS,

Secretaris-generaal VBS.

Geachte Collegae, Geachte Dames en Heren,


1. INLEIDING
Met genoegen ben ik ingegaan op de uitnodiging van collega Nailis om ter gelegenheid van jullie symposium “Medisch Landschap in Beweging“ even stil te staan bij het begrip “De huisarts-specialist”.
In de uitnodiging wordt de titel van mijn uiteenzetting gebruikt met een koppelteken tussen huisarts en specialist. Er staat geen vraagteken achter de term.
In de “Dikke Van Dale” (14de uitgave, 2005) vinden we onder “specialist” de omschrijving: “iemand die een bepaald onderdeel van de geneeskunde beoefent” en het antoniem meldt: generalist, huisarts”.
Gevoelsmatig ben ik altijd overtuigd geweest dat huisartsen specialisten zijn, maar hoe zit dat in ons medische landschap in beweging? Ik dank de organisatoren om er even met jullie te kunnen over filosoferen en dat in het kader van de nakende fusie van de Hasseltse ziekenhuizen en de verdere uitbouw van en samenwerking met de Hasseltse huisartsenwachtpost.
2. WETTELIJK KADER
Begin juli 2007 liep in heel België een promotiecampagne van de Federale raad voor Huisartsenkringen onder de titel “Je huisarts, je eerste specialist”, bedacht door huisarts en kabinetsmedewerker Dr. Bernard Vercruysse en begeleid door de op dat ogenblik uittredende minister van sociale zaken en volksgezondheid, Rudy Demotte.
De meningen over de goed bedoelde, zacht humoristische aanpak van de campagne waren verdeeld, zowel onder huisartsen als onder specialisten, zij het om soms andere redenen.
Feit is dat vandaag de Belgische wetgeving de artsengroep in twee vrij strikt onderscheiden groepen onderverdeelt: huisartsen enerzijds en specialisten anderzijds hoewel de onderlinge verschillen tussen sommige specialismen (vb. pathologische anatomie en psychiatrie) groter zijn dan de verschillen met de huisartsgeneeskunde (vb. huisartsgeneeskunde en algemene interne geneeskunde, pediatrie, psychiatrie ..).
Ik vernoem enkele (federale) basisteksten.
2.1. De “Wet Hulpiau” van 10 november 1967, beter gekend als het genummerd Koninklijk besluit nr. 78 betreffende de geneeskunst, de uitoefening van de daaraan verbonden beroepen en de geneeskundige commissie (B.S. 14.11.1967).

Na 34 wetswijzigingen heet deze wet vandaag het Koninklijk besluit nr. 78 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.



2.1.1. Artikel 35ter en quater stellen dat de Koning de lijst vaststelt van bijzondere beroepstitels en van bijzondere beroepsbekwaamheden voor (ondermeer) artsen.
Het gaat om het “Koninklijk besluit van 25.11.1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde”.
Dit K.B. vernoemt als eerste titel die van “huisarts”, gevolgd door 34 andere titels die telkens beginnen met de termen “geneesheer-specialist in”. In de opsomming van artikel 1 wordt de titel van huisarts op identieke wijze behandeld als de titel van de verschillende specialismen.

“Artikel 1. De lijst van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts is als volgt vastgesteld:

1) huisarts;
2) geneesheer-specialist in de anesthesie-reanimatie;
3)  geneesheer-specialist in de klinische biologie;
4) geneesheer-specialist in de cardiologie;
5) geneesheer-specialist in de heelkunde;
6) geneesheer-specialist in de neurochirurgie;
7) geneesheer-specialist in de plastische, reconstructieve en esthetische heelkunde

8) geneesheer-specialist in de dermato-venereologie;

9) geneesheer-specialist in de gastro-enterologie;

10) geneesheer-specialist in de gerechtelijke geneeskunde;


11) geneesheer-specialist in de geriatrie;
12) geneesheer-specialist in de gynaecologie-verloskunde;

13) geneesheer-specialist in de inwendige geneeskunde;


14) geneesheer-specialist in de neurologie;
15) geneesheer-specialist in de psychiatrie;
16) geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie;
17) geneesheer-specialist in de oftalmologie;
18) geneesheer-specialist in de orthopedische heelkunde;
19) geneesheer-specialist in de otorhinolaryngologie;
20) geneesheer-specialist in de pediatrie;
21) geneesheer-specialist in de fysische geneeskunde en de revalidatie;
22) geneesheer-specialist in de pneumologie;
23) geneesheer-specialist in de rontgendiagnose;
24) geneesheer-specialist in de radiotherapie-oncologie;
25) geneesheer-specialist in de reumatologie;
26) geneesheer-specialist in de stomatologie;
27) geneesheer-specialist in de urologie;

28) geneesheer-specialist in de pathologische anatomie;


29) geneesheer-specialist in de nucleaire geneeskunde;
30) geneesheer-specialist in de arbeidsgeneeskunde;

31) geneesheer-specialist in het beheer van gezondheidsgegevens;


32) geneesheer-specialist in de urgentiegeneeskunde;
33) geneesheer-specialist in de acute geneeskunde;
34) geneesheer-specialist in medische oncologie

35) geneesheer-specialist in de verzekeringsgeneeskunde en de medische expertise

Artikel 2. De lijst van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts, die reeds houder zijn van één van de bijzondere beroepstitels vermeld in artikel 1, wordt vastgesteld als volgt:

1) en in de nucleaire in vitro geneeskunde;


2) en in de functionele en professionele revalidatie van gehandicapten;
3) en in de mond-, kaak- en aangezichtschirurgie;
4) en in de intensieve zorgen;
5) en in de urgentiegeneeskunde;

6) en in de pediatrische neurologie;

7) en in de neurologie;

8) en in de endocrino-diabetologie;


9) en in de oncologie;

10) en in de neonatologie;


11) en in het beheer van gezondheidsgegevens;

12) meer bepaald in de volwassen psychiatrie;


13) meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie;
14) en in de klinische hematologie;

15) en in de geriatrie.”


  

De voorwaarden tot het bekomen van elk van deze titels wordt telkens via een geëigend ministerieel besluit geregeld, zowel voor de huisartsen als voor elk van de specialismen. Hoe recenter de ministeriële besluiten zijn, hoe meer betuttelend ze overkomen.


Zo vinden we vb. in het Ministerieel besluit van 21 februari 2006 (B.S. 27.02.2006) tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen we onder hoofdstuk II: Criteria voor het behoud van de erkenning als en van de bijzondere beroepstitel van huisarts, volgende merkwaardige passus in het artikel 10:

Om de erkenning als huisarts en de bijzondere beroepstitel van huisarts te behouden oefent de huisarts de huisartsgeneeskunde uit conform de volgende criteria: 1° De erkende huisarts verstrekt de zorgen eigen aan de huisartsgeneeskunde waarvan de inhoud, enkel en alleen refererend naar wetenschappelijk onderbouwde praktijken, wordt bepaald door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.”


Dergelijke inmenging door de minister tot op het wetenschappelijke niveau vinden we niet terug in de ministeriële besluiten die de voorwaarden omschrijven om erkend te worden in een bepaald specialisme, zelfs niet in het meest recente en één van de meest controversiële M.B.’s van de laatste jaren, met name het “Ministerieel besluit van 11 mei 2007 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, houders van de bijzondere beroepstitel in de medische oncologie en van de bijzondere beroepsbekwaamheid in de oncologie evenals van stagemeesters en stagediensten voor deze disciplines en deze bijzondere beroepsbekwaamheid.” (B.S. 06.06.2007)
In dit ministerieel besluit troffen we wel 133 verschillen aan tussen de Nederlandse en de Franse versie, maar dat kan bezwaarlijk wetenschappelijke inmenging genoemd worden.
2.1.2. Artikel 34 octies stelt de Planningscommissie Medisch Aanbod in en artikel 34 novies legt de regels vast hoe deze in zijn werk gaat.
Ook hier wordt zeer expliciet een onderscheid gemaakt tussen huisartsen en specialisten. Het maximum quotum huisartsen dat aan het einde van de studies binnen de RIZIV context zijn medische activiteit mag starten wordt van jaar tot jaar vastgelegd. Voor de specialisten wordt zowel een maximum totaal aantal specialisten per jaar vastgelegd maar ook een minimum quotum voor elk van de specialismen per jaar.

Bovenop dit maximum aantal worden er nog een beperkt aantal specialisten toegelaten van wie ofwel de prestaties niet door het RIZIV worden terugbetaald (specialisten in de arbeidsgeneeskunde, het beheer van de gezondheidsgegevens en de gerechtelijke geneeskunde) ofwel waaraan vandaag een tekort is [onderzoek- en vervangmandaten (22), specialisten in de urgentiegeneeskunde (5), in de acute geneeskunde (10) en in de kinder- en jeugdpsychiatrie (20)].


Op een totaal van 42.426 door het RIZIV geregistreerde artsen (cfr. tabel 2) zijn er effectief 33.610 in het RIZIV systeem werkzaam (cfr. tabel 3).

Om duidelijkheid te creëren in de verschillende historisch ontstane gegevensbestanden betreffende het aantal zorgenverstrekkers heeft het RIZIV in het voorjaar 2007 een uitsplitsing gemaakt van ondermeer het aantal huisartsen. Internationale gegevensbanken stellen immers het totaal aantal “algemeen geneeskundigen” gelijk met het aantal huisartsen. De definitie die het RIZIV tot voor kort hanteerde voor “algemeen geneeskundigen” was “een niet erkende specialist”. Eind 2005 bedraagt het reëel aantal huisartsen in feite 11.799 waarvan 9.948 geaccrediteerden. Deze laatsten verrichten 97 % van alle huisartsprestaties (cfr. tabel 4).

2.2. Koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en van huisartsen.


In zijn artikel 1 definieert dit K.B. de huisartsen en specialisten elk apart:

Geneesheer-specialist: de geneesheer die een aanvullende opleiding in een specialiteit heeft gevolgd en die als dusdanig erkend wordt overeenkomstig de van kracht zijnde criteria”



Erkend huisarts: de geneesheer die een aanvullende opleiding in de huisartsgeneeskunde heeft gevolgd en die als dusdanig erkend wordt overeenkomstig de van kracht zijnde criteria”


In zijn artikel 4 stelt dit K.B. enerzijds een gemeenschappelijke Hoge raad van geneesheren -specialisten en van huisartsen in en creëert het anderzijds de verschillende erkenningscommissies. De erkenningscommissie voor huisartsen wordt apart van die van de specialisten vermeld.
Bij het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin worden opgericht :
1° een Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen;
2° een erkenningscommissie van geneesheren-specialisten voor elk van de geneeskundige specialiteiten vastgesteld door de wetten en verordeningen betreffende de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering;


3° een erkenningscommissie van huisartsen.
Het K.B. legt verder vast dat zowel de Hoge Raad (artikel 5) als elk van de erkenningscommissies (artikel 7) bestaan uit een Nederlandstalige en een Franstalige kamer.
2.3. De nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen
Sinds zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad van 29.09.1984 werd de bijlage bij het “K.B. van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen” al 310 maal bij K.B. aangepast, werden er 29 errata gepubliceerd en werden de regels 9 maal gewijzigd door een arrest van de Raad van State (stand op 08.10.2007 bij de publicatie van het K.B. van 14.09.2007 betreffende de fysiotherapie).
De nomenclatuur onderscheidt heel duidelijk de verstrekkingen voor huisartsen van die voorbehouden voor specialisten.
Van de 823 A4 bladzijden van de nomenclatuur gaan er slecht 25 tal over de huisartsgeneeskunde. We treffen ze aan in artikel 1 (algemene bepalingen), artikel 2 (raadplegingen, bezoeken en analoge verstrekkingen), artikel 3 (gewone technische verstrekkingen) en verder enkele individuele verstrekkingen in artikel 9 (verloskunde) en in het uitgebreide hoofdstuk V (artikelen 10 tot 26) dat alleen verstrekkingen omvat die een erkenning in een of ander specialisme vereisen. In de lijst der geneeskundige verstrekkingen voor specialisten worden de voor huisartsen toegankelijke verstrekkingen voorafgegaan door een ° teken.
Als voorbeeld kan de verstrekking “350416 – 350420 ° Deelname aan multidisciplinair oncologisch consult door de behandelende arts die geen deel uitmaakt van de ziekenhuisstaf” worden vernoemd.
Sinds 01.05.1999 werd de voor huisartsen specifieke code gecreëerd: het GMD.
102771 Bijkomend honorarium bij de verstrekkingen 101032, 101076, 103132, 103412, 103434, 103515, 103530, 103552, 103913, 103935 en 103950 voor het beheer van het globaal medisch dossier op uitdrukkelijk verzoek en/of na schriftelijk akkoord van de patiënt, eenmaal per kalenderjaar en per patiënt aan te rekenen door de erkende huisarts”.
Het actieve beheer van het GMD is een zeer belangrijk werkinstrument voor de goede patiëntenzorg door de huisarts. Limburg heeft zeker zijn bijdrage geleverd in de toename van het aantal globale medische dossiers.

Dat het GMD er zeer goed ingeburgerd is blijkt uit bijgevoegde kaart.


De budgettaire vertaling van de nomenclatuur weerspiegelt zich in de RIZIV uitgaven.


Tabel 6 geeft de evolutie 2005 -2007 weer van het totaal budget artsenhonoraria (van 4,1 miljard € in 2000 tot 5,24 miljard € in 2005) en opgesplitst volgens huisartsen en specialisten.

Tabel 7 geeft de evolutie weer van de belangrijkste huisartsenprestaties en tabel 8 de evolutie van de macroresultaten wat betreft de huisartsgeneeskunde.







2.4. Medisch dossier
Alle artsen dienen van elke patiënt een medisch dossier bij te houden, huisartsen zowel als specialisten.

Enerzijds dienen zij te handelen conform de deontologische regels van de code van geneeskundige plichtenleer, met name artikel 38 (“De geneesheer moet in principe voor elke patiënt een medisch dossier bijhouden”) en volgende.


En anderzijds ook op grond van wettelijke regels. Artikel 9 van de “Wet betreffende de rechten van de patiënt” van 22.08.2002 legt het houden van een kwaliteitsvol dossier op voor alle artsen.
Voor ziekenhuisartsen is er ook het artikel 15 van de “Wet op de ziekenhuizen gecoördineerd op 7 augustus 1987” en zijn uitvoerend “K.B. van 3 mei 1999 houdende bepaling van de algemene minimumvoorwaarden waaraan het medisch dossier moet voldoen” dat bepaalt dat voor elke patiënt in het ziekenhuis een medisch dossier moet worden aangelegd en bewaard.
Voor de huisartsen geldt tevens het artikel 10, 3° van het “K.B. van 21 februari 2006 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van huisartsen”.
Dat bepaalt: “ De erkende huisarts legt op gepaste wijze medische dossiers over zijn patiënten aan en houdt die bij. Het bijhouden van het globaal medisch dossier van de patiënt, zoals bedoeld in de regelgeving met betrekking tot de ziekte- en invaliditeitsverzekering, met name in het koninklijk besluit van 9 maart 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, kan beschouwd worden als een element van verificatie van deze erkenningsvoorwaarde;”
2.5. Orde der geneesheren

Bewust of onbewust hebben de leden van de Nationale Raad van de Orde der Geneesheren er destijds bij het opstellen van de code van de medische plichtenleer over gewaakt de termen “huisarts“ respectievelijk “specialist “ slechts te gebruiken waar het absoluut nodig was. Voor deontologische regels is het gebruik van de term “behandelend geneesheer” (komt 40 maal voor) of consulent (13 maal) neutraler en algemener. We wachten trouwens op de systematische vervanging van het woord geneesheer door het gender neutrale “arts”.


We treffen het woord huisarts slechts in twee artikelen aan en het woord specialist in drie artikelen, en slecht in één artikel komen ze samen voor:
Artikel 35: Behalve in geval van overmacht mag de geneesheer zijn beroep enkel uitoefenen onder voorwaarden die de kwaliteit van de zorgen en van de medische behandeling niet in het gedrang brengen.

a) Behoudens in spoedeisende gevallen mag de geneesheer slechts zoveel personen in behandeling nemen als hij aankan om aan ieder van hen gewetensvol, zorgvuldig en met eerbied voor de menselijke persoon zorgen te verstrekken.

b) De geneesheer mag zijn bevoegdheid niet overschrijden. Hij moet het advies inwinnen van confraters, onder meer van specialisten, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de patiënt, telkens wanneer dit binnen de diagnostische of therapeutische context nuttig of noodzakelijk blijkt.

c) Wanneer de toestand van de patiënt dit vereist laat de geneesheer zich bijstaan door bevoegde verpleegkundige, paramedische, technische en sociale medewerkers.”
Artikel 110: De geneesheer, werkzaam in een centrum of een instelling voor preventieve geneeskunde mag, behoudens hoogdringende gevallen, geen zorgen toedienen in het kader van deze activiteiten. Wanneer hij een ziekte vaststelt, verzoekt hij de zieke beroep te doen op zijn huisarts of raadt hij hem aan een huisarts te kiezen.”
Artikel 143: Wanneer een zieke uit eigen beweging een gespecialiseerd practicus raadpleegt, vergt het belang van de patiënt dat de specialist navraag doet naar de naam van de huisarts aan wie hij de resultaten en besluiten van zijn onderzoek kan bezorgen.”
Artikel 157: “Behoudens schriftelijk akkoord tussen de belanghebbenden, mag een

geneesheer die bij een collega als student of tijdens zijn opleiding als specialist een stage heeft volbracht, zich niet komen vestigen in omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot het onttrekken van patiënten van die collega.”
Het zal wel geen toeval zijn dat alleen in artikel 143 beide woorden samen opduiken, want dat artikel is een belangrijk onderdeel van titel IV “Verhouding tussen geneesheren” van de Code van geneeskundige plichtenleer.
Nog steeds zeer lezenswaard als het over de samenwerking tussen huisartsen en specialisten gaat is het model van samenwerking dat de Nationale raad op 20.10.1990 uitbracht. Ondertussen is er de “Wet betreffende de rechten van patiënt” van 22.08.2002 bijgekomen (B.S. 26.09.2002 – Ed. 2), maar de fundamenten van het samenwerkingsmodel van 1990 blijven wel overeind.
We geven hierna de inleidende beschouwingen dd. 20.10.1990 weer:

Definitie huisarts-geneeskundig handelen:

- integrale benadering van de "zieke"

- synthetisch, over een lange episode van het leven van de zieke

- vaak in gezinsverband

- gespreid over raadplegingen en huisbezoeken

- somatisch-psychisch-sociaal-existentieel gericht

- eerste lijn

Definitie specialistisch-geneeskundig handelen:

- specifieke benadering van "ziekten" zonder evenwel de zieke mens te veronachtzamen

- diepgaand systematisch onderzoek, diagnostisch + therapeutisch, sterk technologisch ondersteund

- in principe tijds-gelimiteerd

- tweede en derde lijn (academisch)

Er bestaat een onverenigbaarheid in het cumuleren van de taak van huisarts en specialist, ook tijdens de opleiding hiertoe.

Een optimale huisarts - specialistrelatie kan verstoord worden wanneer een patiënt door beiden verzorgd wordt zonder medeweten van mekaar.

Enerzijds dient de huisarts het ganse spectrum van de integrale geneeskunde te beheersen dit ondanks zijn beperkte technische middelen. Hij coördineert, interpreteert alle eigen en specialistische bevindingen in het kader van de familiale, persoonlijke en systeemanamnese van elke patiënt. Hij is de spilfiguur in de gezondheidszorg.

Anderzijds legt de specialist zich toe op één systeem, één orgaan of één ziekte, dient hierover de meest uitgebreide kennis te bezitten en te blijven verwerven. Daar hij steeds meer weet over steeds minder zal hij zijn bevindingen per kerende ten dienste stellen van de "lijf-arts" van de patiënt.

Goede geneeskunde is daarom meer dan ooit een harmonieus samengaan van beide disciplines.

Er kan geen sprake meer zijn van "mijn" patiënt, maar van "onze" patiënt: naast de "colloque singulier" dient ook tijd gemaakt voor "colloquia" tussen alle geneesheren die samen een patiënt volgens diens vrije keuze behandelen.

Uit wat voorafgaat vloeit voort dat beide groepen geneesheren rechten, plichten, bevoegdheden en beperkingen hebben: zij dienen bijgevolg een deontologische gedragscode te volgen.”



2.6. Vlaams decreet eerste lijnsgezondheidszorg
Het “Decreet van 3 maart 2004 betreffende de eerstelijnsgezondheidszorg en de samenwerking tussen de zorgaanbieders” (B.S. 20.04.2004) stelt in zijn artikel 2:

Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder :


19° zorgverstrekker: een in de eerstelijnsgezondheidszorg werkzame apotheker, arts, diëtist, kinesist, logopedist, tandarts, verpleegkundige, vroedvrouw of beroepsbeoefenaar van een andere door de Vlaamse regering bepaalde discipline
, met uitzondering van de arts - specialist, met inbegrip van feitelijke of juridische entiteiten die hen groeperen in mono- of multidisciplinair verband.”

In deze context is het uiteraard tegenaangewezen dat de huisarts zich specialist zou noemen, want de facto zou de Vlaamse gemeenschap hem uit de eerste lijn uitsluiten, en net het omgekeerde is de bedoeling.




3. EUROPA: UEMO
De union européenne des médecins omnipraticiens is vragende partij om de huisartsgeneeskunde als een nieuw specialisme te laten erkennen. Op Europees niveau moet hiervoor de directive 2005/ 36/EC worden gevolgd.
Daarin wordt ondermeer gesteld dat een nieuw specialisme – huisartsgeneeskunde of een ander kandidaat specialisme - slechts door de Europese Unie wordt aanvaard indien minstens twee vijfden van de lidstaten die vraag stellen. In praktijk betekent dit minstens 10 van de 27 lidstaten. Bovendien moet er een akkoord zijn over de minimum duur van de opleiding. Vandaag varieert die van 3 jaar (in België, waarvan dan nog één jaar binnen de basisopleiding valt) tot 5 jaar.
Een directe realisatie is nog niet in zicht, maar ondertussen roept de UEMO zijn leden op om elk in zijn land te lobbyen om de huisartsgeneeskunde als specialisme te doen erkennen.
Een citaat over “general practitioner/ family medecine“ uit het UEMO Document 2007/012 van 03.02.2007:
Recognition of new specialties under Directive 2005/36/EC

According to the new Directive 2005/36/EC, which is to be transposed to national legislation by the end of 2007, a new specialty can be introduced in the annexes of the Directive if at least 2/5 of the member states (currently 27) demand for that.
It is important to be aware of the fact that in order for GP/FM to be included in the annexes, not only 2/5 of the member states should ask for it, but they should also agree on the minimum training period required”.
4. BESLUIT
Zoals ik al bij mijn inleiding zei, beschouw ik de huisartsgeneeskunde als een specialisme. Een moeilijk specialisme trouwens, waar met weinig technische middelen maar met des te meer anamnestische en klinische deskundigheid en een flinke dosis sociaal doorzicht “pluis” van “niet pluis” moet kunnen worden onderscheiden en adequaat worden (be-)handeld.
De regelgeving zowel op het federaal niveau als op dat van de gemeenschappen heeft hoge juridische schotten opgetrokken tussen de huisartsen en de specialisten. Een wettelijke erkenning van de “huisarts-specialist” zal dus niet voor morgen zijn, niet in België en dus nog minder in Europa. Maar ze moet mijn inziens wel nagestreefd worden.
Bovendien maakt het niet veel uit of huisartsen nu het echte 35ste specialisme van het K.B. van 25.11.1991 worden of niet, want hoe dan ook zullen we samen moeten blijven werken om onze patiënten optimale zorg te blijven aanbieden.

Een collegiale samenwerking waar de patiënt beter van wordt verkrijg je niet door nog meer regelgeving. We moeten nastreven om onderling tot consensus te komen en daarvoor moeten huisarts - specialisten en specialist - specialisten continu samen overleg plegen. Zowel hospitalocentrisme als eerstelijns fetisjisme zijn hierbij uit den boze.


Constructief overleg lukt maar als de beide groepen samen komen, zoals U hier vandaag doet, of binnen een goed georganiseerde vereniging waar beide partijen op paritaire basis in vertegenwoordigd zijn.
Ik wens de Herkenrode huisartsenkring en al zijn leden, de Hasseltse ziekenhuizen met hun medische staven en in het bijzonder de leden van de contactcommissie huisartsen ziekenhuisartsen veel succes in de realisatie van hun grootse gezamenlijke plannen.

Als wij daar als verenigingen kunnen aan meewerken zullen we dat graag doen.


Met dank voor uw aandacht,
Dr. Marc Moens.









De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina