Medische gezondheids-psyschologie Prof. O. Vandenbergh Inleiding Ontwikkelingen in de geneeskunde



Dovnload 352.63 Kb.
Pagina1/7
Datum22.08.2016
Grootte352.63 Kb.
  1   2   3   4   5   6   7
Medische gezondheids-psyschologie
Prof. O. Vandenbergh

Inleiding


  1. Ontwikkelingen in de geneeskunde




  1. Verschuiving in het tableau van ziekte- en sterftecijfers




  • Verschuivingen: monocausaal  multicausaal  multifactorieel

Akuut  chronisch


  • Gezondheidsverschillen: socio-economsche ontwikkelingsstatus ve land

Socio-ecomische klasse binnen een land

Geslacht (“women get sick, man die”: vrouwen worden 5-6

jaar ouder, maar hebben meer symptomen allerlei)

 BE: levensverwachting bij geboorte 82 (vrouwen) en 76 (mannen). RR voor mannen op overlijden is voor verschillende oorzaken >1 (noot: 3 voor zelfmoord, maar vrouwen ondernemen meer pogingen). Vnl dr levensgewoonten ipv genetica, enkel roken kan 40% vh verschil veklaren: de laaste tijd verandert dit en leven vrouwen ongezonder

 armen X-keer meer kans te overlijden dan rijken. Klasse afhankelijk van inkomen, vermogen, opleiding, beroep, woning, woonbuurt…


  • Drie grote doodsoorzaken: hartaandoeningen, kanker, CVA

 1900: 20% vs 40 % infectieziekten (11)

 nu: 60% vs 5% infectieziekten

(ongevallen nemen wat in belang toe: mobieler, ook vrouwen komen buiten)


  • Risicofactoren:

    • hart- en vaat: roken, hypertensie (silent disease; grootste probleem: therapietrouw, serumcholesterol (eten, beweging, diabetes, stress)

    • kanker: roken, carcinogenen op werk (drank, eten)

    • ongevallen: alcohol, gordel, snelheid

    • griep/pneumonie: roken, vaccin

    • diabetes: obesitas

    • leverlijden: alcohol (eten)




  • WHO: 80% premature overlijdens voorkomen door gezond dieet, beweging & niet roken of drinken

  • Grootste aantal premature doden owv behavoriaal patroon (40%: > dan genen, sociale klasse, GZZ en omgeving): CAVE enthousiasme nr genetisch onderzaak, dat prioriteiten doet vergeten. Onderzoek naar samenspel beide moet w gepromoot.

  • > 40% overlijdens onder 74 jaar in Belgie is volledig vermijdbaar. Bij vrouwen vnl door medische interventie (borstkanker), bij mannen door primaire preventie (dieet, roken…). Absoluut aantal overlijdens bij mannen ligt veel hoger.

  • 4 grote killers WHO (vermijdbaar): cardiovasulair, diabetes (endemisch binnen 20jr), kanker, chronic repiratory disease

  • Mannen: 1/3 YOLL door lonkanker, ischemische hartziekten (IHZ) en suicide. YOLL is 1.5x meer dan bij vrouwen

  • Vrouwen: ¼ YOLL door borstkanker, lonkanker, suicide

  • Belang ongevallen en suicide owv jonge slachtoffers. IHZ en kanker owv aantal slachtoffers.

Zelfmoord stijgt bij weduwnaars: mannen zijn veel minder goed in het mobiliseren van sociale steun. Hun vrouw is vaak enige met wie ze een emotionele band hebben (vs vrouwen die die spreiden over meerdere mensen). IHZ stijgt met ouder worden, zeker bij stress (we moeten superproductief zijn vr veel loon en vakantie)

  • Budget preventie van Vlaamse overheid: 0.15% vh federale GZZ budget. Curatie is federaal, preventie regionaal


WHO raport

  • top equivalent full health LV: 74.5 jaar (Japan) vs bottom 33.5 jaar (Ethiopie)

 scheiding afval-drinkwater, malariabescherming, aidspreventie




  • 40% doden door 10 belangrijkste risk factors (volgende 10 risk factors maar 10%):

Ondergewicht, unsafe sex, hoge BD, roken, alcohol, slecht water/sanitair/hygiene, ijzertekort, rook binnen door brandstof, cholesterol, obesitas

 cave obesitas!

 snelle tabakepidemie, vnl in ontwikkelingslanden (meer loon, lakse regels)

 alcohol doodt enorm door kanker, moord&geweld, ongevallen, epilepsie…




  • aanbevelingen:

    • focus op belangrijkste risicofactoren

    • preventie

    • samenwerking internationaal, intersectorieel, regering-gemeenschap-individu

 aanpak volgens plannen WHO zou LV enorm verlengen

PREVENTIE IPV BEHANDELING


Preventie

  • beste investering in GZZ is opleiding van vrouwen: meer economische ontwikkeling en ze geven het door aan hun gezin (kinderen profiteren van loon moeder, niet per se van vader)

  • vervaging grens gezond-ongezond: jaren op voorhand te voorspellen wat je zal krijgen

 actieve betrokkenheid mensen nodig vr gedragsverandering

  • probeem preventie: non-event, dit heeft geen psychologische impact. We gaan ervan uit dat ons toch niks overkomt, het is moelijk te motiveren voor gedragsverandering zonder effect

  • misvatting: “kennis helpt”

 rookgedrag artsen = hun populatie

 keuze maaltijd: lekker >> makkelijk > prijs > gezond (we mikken op ‘gezond’)




  1. Medisch-technische mogelijkheden vs QOL

Verlenging ve (ziek) leven vs zo lang mogelijk gezond (compressie morbiditeit)

 we proberen zieke levensjaren toe te voegen: beter gezonde



  1. Toenemende erkenning voor de rol van patiëntengedrag




  • patiëntgedrag:

    • Therapietrouw (illness theory)

    • Leefstijl (habits)

    • keuzes (genetic counselling)

  • Health practices: enorme impact op mortaliteit

    • 7-8u slaap

    • Niet roken

    • Ontbijten

    • Max 2 alcoholische dranken/dag

    • Regelmatig sporten

    • Niet snoepen tussen maaltijden

    • Max 10% overgewicht

  • Therapietrouw kan veel groter effect hebben dan eender welke verbetering van specifieke medische behandelingen

 “blame the victim strategy”: arts medeverantwoordelijk vr therapietrouw

 motivatie is niet stabiel. Het grootste als therapie meteen aansluit bij akute nood (“vermager!” helpt niet, aB wel zolang het kind nog ziek is maar kuur zelden uit)





  1. Ontwikkelingen in de psychologie




  1. Uitdeinen vd klassieke psychosomatiek

Holy 7: astma, neurodermatitis, duodenumulcer, colitis ulcerosa, reumatoide artritis, essentiele hypertensie, hyperthyroidie




  1. Opkomst experimentele psychofysiologie en gedragwetenschappen ( affective neuroscience, psychophysiology of stress)

  • autonomic regulation/balance

  • behavioral endocrinology

  • psychoneuroimmunology PNI

  • gene-environment interactions: cognitieve en emotionele ontwikkeling(sstoornissen); Barker hypothese (the developmental origins of chronic adult desease)



  1. Toepassing van gedragstherapeutische interventies bij somatisch ziekten




  • behavioral medicine

  • bio-feedback: als mensen hun eigen parameters te zien krijgen, kunnen ze die na training zelf beïnvloeden

    • epileptici veranderen eigen hersengolven

    • hartritme (voorgesteld als ballon die ze zo hoog mogelijk moeten krijgen)

    • kinderen leren spieren te ontspannen voor lumbaalpunctie (hondje dat te slapen moet w gelegd)



  1. Studie van gedrag van zieke mens




  • ziektetheorie

  • hanteringsgedrag: coping with disease; psychomaintenance

 type D persoonlijkheid: distressed personality type

Negatieve affectiviteit, sociale inhibitie, verdrukking van negatieve emoties

9x op recidief na CVA in 5jr (vs 4x): meer dan de toestand vh hart, maakt gedragspatroon

bepaald dr gevoelens het verschil tss leven-dood
 ruglast (hoofdzaak absenteïsme): 80% is na een week weer aan het werk, de kosten liggen bij de 8% die na een half jaar nog thuis is (voorspelbaar wie).

Reden thuisblijven: fear avoidance tot 2 maand; psycho-sociaal, fear-avoidance of fysiek als langer

Fear avoidance = angst vr beweging -> deconditionering -> meer en sneller pijn -> meer fear-avoidance: rugproblemen ontstaan dr foute beweging w chronisch dr gedrag en gevoelens
 self-management: patiënten leren klachten te herkennen en in te grijpen.

bv COPD-patienten (vb chronische ziekten): laat hen aanzienlijk minder beroep doen op gezondheidszorg (hospitalisatie, consultaties… ). Effectiever dan eender welke therapie.

Chronic care model: interactie tss geïnformeerde actieve patiënten en een voorbereid medisch team zorgt voor betere outcome



  1. Ontwikkelingen in de maatschappij




  • kosten/baten vd (curatieve) GZZ

  • opkomst gezondheids- en milieubewustzijn: gezond zijn ligt voor een deel in eigen handen; metaforische bijbetekenis van gezondheid

hoewel mortaliteit sinds 1960 nog amper afneemt (vnl na overwinning infectieziekten), stijgt de proportie vh BNP besteeds aan GZZ exponentieel

Noteer: voor veel infectieziekten was de mortaliteit al grotendeels gedaald vóór de opkomst van vaccins!



  1. Een biopsychosociaal model




  • biologische interactie biopsychosociale interacite

  • single factor model multifactor model

  • mind/body scheiding holistische visie

  • patient is passief lijder patient is medeverantwoordelijk

  • arts=beslisser in autoritair model arts=adviseur is collaboratief model

  • curatief georiënteerd preventief georiënteerd

  • afwachtend aandacht voor gezonheidspromotie

Deel 1: preventieve gedragsverandering en gezondheidspromotie


ALGEMEEN


  • primaire preventie: ziekte voorkomen

  • secundair: vroege detectie en interventie (bv borstkankerscreening)

  • tertiair: voorkomen verergering en herval (bv gedragsverandering)




  • universeel

  • selectief (bv mannen boven 55)

  • geïndiceerd: wie risico loopt (bv hoge BD)

Health field concept: invloed op gezondheid van



    • biologische factoren

    • levenstijl

    • organisatie GZZ

    • fysische en sociale omgeving



    1. Planningsmodel voor projecten in gezondheidspromotie

PLANNING


  1. analyse gezondheid & levenkwaliteit (incl epidemiologische analyse)

  2. analyse gedrag & omgeving

  3. analyse determinanten (bv kennis = slecht; liking = sterk)

  4. doelstelling

  5. ontwikkeling interventie

  6. implementatie interventie

EVALUATIE: van alle bovenstaande in omgekeerde volgorde
 probleemanalyse: 1-3



    1. Probleemanalyse



  1. epidemiologische analyse van gezondheidsprobleem




  • mortaliteit/morbiditeit/beiden?




  • Gericht op probleem/doelgroep/probleem in doelgroep:

    1. omvang

    2. spreiding: * tijdstippen/plaatsen/personen

* sociale, economische, demografische aspecten

3. Ernst: * individueel (subjectieve ervaring/QOL)

* maatschappelijke druk (economisch)



  • Informatiebronnen

      1. overheidsstatistieken (bv vlaamse gezondheidsindicatoren)

      2. enquetes

      3. eigen bevragingen




  • Epidemiologische parameters

    1. Prevalentie P: n gevallen ziekte in een bepaalde populatie en periode

 puntprevalentie, jaarprevalentie

    1. Incidentie I: n nieuw gediagnosticeerde gevallen in een bepaalde populatie en periode (bv n/1000/jaar).

Betere parameter dan P: I daalt bij minder toestroom nieuwe gevallen, P door

genezing of dood (bv dr oorlog daalt aids P want geen GZZ)



    1. relatief risico RR: relatieve kans op een aandoening geassocieerd met een bep factor (zie slide 6)

    2. attributief verschil AR: verschil in riscico dat kan worden toegeschreven aan een factor

    3. attributieve proportie van geexposeerden APe: proportie van bv sterfte in een deelpopulatie die blootgesteld is aan een risicofactor, die geassocieerd is met de blootstelling eraan (bv proportie rokers met longkanker geassocieerd met roken)

    4. attributieve proportie van de populatie APt of etiologische fractie: proportie van bv sterfte in een populatie die geassocieerd is met een risicofactor, waarbij slechts een deel van de populatie is blootgesteld aan die factor. Bv proportie longkankerpatienten op alle Vlamingen die geassocieerd is aan roken

WHO: voorbeelden



  • YLL (years of life lost): n doden x standaard LV op de leeftijd van overlijden

  • YLD (years lost due to disability): I x gemiddelde ziekteduur x wegingsfactor (afh van Ernst ziekte: 0 = gezond en 1 = doodj)

  • DALY (diability adjusted life years): combinatie van de tijd geleefd in disablilty en tijd verloren door prematuur overlijden  1 DALY = 1 verloren gezond jaar

  • HALE (healthy life expectancy): LV in gezonde jaren, rekening houdend met de jaren in minder dan volledige gezondheid (belang om ook niet-fatale ziekten die hier op invloed hebben aan te pakken, ipv enkel mortaliteit)

  • QALY (quality adjusted life years): gebruikt in kosteneffectiviteitsanalyses. Gemeten dr vragenlijsten met 0 = dood en 1 = een jaar in perfecte gezondheid


  1. Gedrag- en omgevingsanalyse


Epidemiologie  gedragsanalyse
Bv Brandwonden bij kleuters:

Moeilijkheid bij preventie is onduidelijkheid over de oorzaak. Hier kreeg elk gezin met brandwonden een zo gelijkend mogelijke match zonder en werden de verschillen tussen beide onderzocht bv ovenruit die wel/niet warm wordt.

 relatief risico steeds koppelen aan hoe prevalent het risico is bv mengkranen geven een hoog risico, maar komen amper voor.

 preventie: social engineering of individueel probleembewustzijn?



  • social engineering (verbod verkoop warme ovenruiten) doen waar mogelijk, maar niet altijd evident

  • probleembewustzijn: je bereikt mensen die je niet moet bereiken

bv. Folders gelezen door hooggeschoolden

bv. Vrouwen komen voor cervixuitstrijkje als ze al vermoeden hebben van kanker (beter dokters aansporen systematisch uitstrijkjes te nemen)

bv. Anti-rookcampagnes bereikten niet-rokers, die sociale druk gingen uitoefenen

Gedragsanalyse
Aandachtspunten:


    1. scheiding van gedrags- en niet-gedragsvariabelen

  • epidemiologische vs gedragsvariabelen

bv. Geslacht (niets aan te doen) vs geslachtsverschillen in gedrag

bv. Medische units (inname kCal, eiwitten, vet) vs psychologische units (eten

chocola)


  • gedragsepidemiologie  gedragsecologie

    1. Associatie, oorzaak, risicofactor

  • experimentele methode als evidentie?: waar mogelijk

  • (biologische) plausibiliteit

  • Volgorde in de tijd

  • Sterkte vh verband

  • Dosis-effectrelatie

  • Consistentie in verschillende onderzoeken

    1. Functie vh gedrag:

  • 1 gedrag = vele functies

  • 1 functie = vele gedragingen

Bv vele ongewenste gedragingen zijn terug te leiden tot één factor. Als lln vaak afzwakken in het cascadesysteem vh onderwijs, stoten ze zich af tegen de maatschappij en gaan sneller roken, drinken etc. Vertegenwoordigers vd maatschappij helpen niet (schoolarts kan roken stimuleren), peer leaders wel

Als gedrag een gewoonte wordt, valt de functie weg en is het ook amper te

veranderen (bv tanden poetsen, gordle dragen, ook slecht gedrag)


“problem behavior theory”
Categorieen van gedragsdeterminanten

  1. sociaal-cognitieve factoren (kennis, attitudes…)

  2. omgevingsfactoren die gedrag uitlokken bv voorzieningen, (sport), wetgeving, fysisch (drankwinkel ongecontroleerd nabij)

  3. omgevingsfactoren die gedrag bekrachtigen bv economische prikkels, sociale druk…


Informatiebronnen

  1. gedragsmodellen (literatuur)

  2. onderzoek van vertegenwoordigers uit de doelgroep


  1. theoretische modellen voor preventieve gedragsverandering



    1. Volgzaamheidsmodel (compliance):

“mensen doen het fout omdat ze niet beter weten”  werkt op kennisoverdracht (zal gedrag niet echt veranderen)

  • Communicaties: levendig, kleurrijk, kort, helder (flesh formula), amper jargon/statistieken, case histories

  • Communicatiebron: prestigieus, betrouwbaar (afh v ontvanger bv peer leaders)

  • Ontvanger: pro (belicht enkel pro’s) of contra (pro’s en contra’s)

  • Argumenten: primacy effect (veiligheidsadvies bovenaan de bijsluiter), recency effect

  • Framing: winstframing voor protectief gedrag (met gordel x% meer kans op veilige rit), verliesframing voor gedrag met onzekere uitkomst en/of ziektedetectie (zonder gordel x% meer kans op zwaar ongeval)

  • Conclusies: expliciete actievoorschriften

  • Vragen van extreme/onaanvaardbare gedragsverandering: afwijzing vd boodschap




    1. Schrikinductie:

  • heeft effect

  • werkt kortdurend zonder herhaling

  • herhaling  habituatie

  • extreme schrikinductie: soms ongewenste angst (health anxiety) of afkeer vd boodschap

  • netto effecten zijn niet beter dan positieve appeals

 verkies positieve boodschappen



    1. SEU-model (subjective expected utility):

Mensen trachten steeds hun voordeel te maximaliseren

  • SEU is de kans dat een bepaald gedrag een bepaald gevolg heft, vermenigvuldigd met de subjectieve waarde van dit gevolg

  • Subjectieve vs objectieve uitkomstschattingen: heel gebiased

    • spectaculaire uitkomsten worden overschat (bv onveilig vliegtuig)

    • belang van toevallige voorbeelden (availibility)

    • onrealistisch optimisme: positive illusions. We rijden beter dan anderen, hebben minder kans op kanker en meer kans om beter te worden…

 depressieven schatten de wereld correcter in. We moeten onszelf beter en veiliger zien dan de anderen om gelukkig te zijn

  • tijdsweging: onmiddellijke gevolgen hebben meer impact

  • zelf-effectiviteit

  • rol sociale context:

    • expliciete goed- of afkeuring (sociale druk)

    • impliciete sociale norm

    • motivatie tot aanpassing vd norm

bv vrouwen dragen minder lelijke veiligheidsschoenen; rokers stoppen owv sociale

druk, niet vr kanker



  • obstakels

  • gedragsverandering als proces




    1. health belief model:

  • mate van ervaring gezondheidsbedreiging

    • algemenen gezondheidsvoorwaarden

    • ervaren kwetsbaarheid voor aandoening (ik vrij vaak onbeschermd)

    • geschatte ernst vd aandoening (mensen met HIV gaan dood)

  • attitude tegenover de actie:

    • opvatting dat een bepaalde actie:gedrag de bedreiging kan reduceren (geen HIV met condoom)

    • opvatting dat de voordelen opwegen tegen de nadelen (condooms zijn niet comfortabel)




    1. Planned behavior model (ASE model – Kok):

Attitude (goed/slecht idee) + sociale invloed (wat wordt van je verwacht)+ eigen effectiviteit (denk je het te kunnen)  gedragsintentie

Gedragsintentie + barrières + vaardigheden  gedrag
Je kan taxeren waar de doelpopulatie zit qua variabelen: voor nog veel voorbereiding voor je gedragsverandering kan vragen (gaat in stadia, is geen gevolg ve eenmalige beslissing)


    1. Stages of change (dynamisch):

Precontemplatie  contemplatie  voorbereiding  actie  behoud of terugval

   
Verandering lukt zelden vd 1e keer

Motivational interviewing: het verschuiven vd stadia bij de patient brengen om hem te motiveren (moet elke arts kunnen)




    1. precaution adoption model, Weinstein (dynamisch):

  • drie stadia: ik weet ervan  het kan gevaarlijk/belangrijk zijn voor sommigen  het is gevaarlijk/belangrijk voor mij

  • Drie cruciale variabelen: probabiliteitsperceptie, ernstperceptie, waargenomen efficiëntie vh alternatief

  • Beslissing tot gedragsverandering

  • Gedragnsverandering: messy desk analogie

  • Behoud: feedback!




      1. bv cholesterolverlagende margarine

      2. bv brandalarm

      3. bv dragen gehoor- en gezichtsbescherming

      4. bv verandering levenstijl: minst gunstig, meest noodzakelijk



    1. Keuze van strategie en interventieplanning

Interventie & implementatie:



  • keuze interventiedoelen

  • keuze methodieken & technieken

  • ontwerp van interventie

  • opstellen implementatieplannen

  • opstellen evaluatieplan




  1. keuze van interventiestrategie




  • Social engineering of individuele gedragsverandering?

Taxatie veranderbaarheid vh gedrag

    • gevoelde ernst

    • subjectieve probabiliteit

    • ervaren temporele relatie

    • subjectieve kosten-baten (inspanning, sociaal)

 met 4 vragen te weten hoe veranderlijk het gedrag is (zie tekst)

  • Redenen vr stabiliteit v gezondheidsgedrag

    • Aangeleerd in krachtige omgeving

    • Onrealistisch optimisme

    • Habit-status

    • Vaak verslavingscomponent




  1   2   3   4   5   6   7


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina