Memorie van toelichting algemeen deel



Dovnload 201.49 Kb.
Pagina1/5
Datum20.08.2016
Grootte201.49 Kb.
  1   2   3   4   5
Versie 6 april 2011 (consultatieversie)
Wijziging van de Gemeentewet, de Wet wapens en munitie en de Politiewet 201x (verruiming fouilleerbevoegdheden)
MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN DEEL
1. Aanleiding voor het wetsvoorstel
Inleiding
Ter bestrijding van wapengeweld en daarmee gepaard gaande verstoringen van de openbare orde is ruim tien jaar geleden het instrument preventief fouilleren ingevoerd. Met de Wet van 13 juli 20021 werden de Gemeentewet en de Wet wapens en munitie gewijzigd zodat de burgemeester bij verordening van de gemeenteraad de bevoegdheid kan krijgen om veiligheidsrisicogebieden aan te wijzen2 waarbinnen vervolgens, met bevel van de officier van justitie,3 fouilleeracties kunnen plaatsvinden. In veel gemeenten is na 2002 het middel preventief fouilleren ingevoerd en effectief gebleken. Over het algemeen worden deze fouilleeracties door het publiek gewaardeerd en vormen die een bijdrage aan de vergroting van de veiligheid en het veiligheidsgevoel. Uit ervaringen met preventief fouilleren is evenwel gebleken dat de bestaande procedure en werkwijzen op onderdelen dienen te worden verbeterd zodat het middel slagvaardiger kan worden ingezet (uiteraard zonder uit het oog te verliezen dat het gaat om een inperking van de vrijheid van burgers, welke met rechtswaarborgen gepaard moet gaan). Dit wetsvoorstel voorziet hierin.

Het wetsvoorstel bevat tevens twee voorstellen ter verruiming van de fouilleermogelijkheden voor de politie voor situaties in de dagelijkse politiepraktijk. Daartoe worden wijzigingen aangebracht in artikel 7 van de Politiewet 201x, dat wil zeggen de Politiewet zoals zij luidt na inwerkingtreding van de wijzigingen voorgesteld in wetsvoorstel 30 880.4


1.1. Uitbreiding preventief fouilleren
Met behoud van de bestaande balans tussen de bestuurlijke en justitiële verantwoordelijkheden beoogt het wetsvoorstel allereerst de bestaande systematiek zodanig aan te passen dat in een al aangewezen veiligheidsrisicogebied versneld een fouilleeractie kan worden gehouden op basis van een mondeling bevel van de officier van justitie of, indien de komst van de officier van justitie niet kan worden afgewacht, de hulpofficier van justitie. Daartoe worden de artikelen 50 t/m 52 van de Wet wapens en munitie aangepast. De bestaande vorm van preventief fouilleren als bedoeld in artikel 151b van de Gemeentewet wordt daarbij tegelijkertijd verhelderd in die zin, dat die vorm van preventief fouilleren annex gebiedsaanwijzing wordt toegespitst op gebiedsaanwijzingen rondom voetbalwedstrijden of andere grootschalige evenementen en gebiedsaanwijzingen van langere duur, waarbij sprake is van voorzienbare openbare- ordeverstoringen als gevolg van de aanwezigheid van wapens, op basis van een patroon van wapengerelateerde incidenten of andere vormen van geweld in het verleden.

Daarnaast introduceert het wetsvoorstel een (geattribueerde) bevoegdheid voor de burgemeester om in de situatie dat er geen veiligheidsrisicogebied is aangewezen en sprake is van een incident, dat onmiddellijke inzet van het preventief fouilleren ter handhaving van de openbare orde rechtvaardigt, direct een gebied aan te wijzen voor korte duur, waarbij vervolgens door de officier van justitie (of zo nodig de hulpofficier van justitie) een bevel voor het houden van een fouilleeractie kan worden gegeven. De aanwijzing en het bevel voor deze “incidentele fouillering”, waar dus sprake is van onvoorzienbaarheid en spoedeisendheid, mogen maximaal twaalf uur bedragen.



Het wetsvoorstel maakt het voorts mogelijk dat de burgemeester in het kader van de toepassing van zijn noodbevoegdheden, bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet, bij het vaststellen van een noodverordening tevens direct een gebied kan aanwijzen als veiligheidsrisicogebied waar op bevel van de officier van justitie of zo nodig de hulpofficier van justitie preventief gefouilleerd kan worden (“noodrecht-fouillering”). Voor de in dat artikel genoemde situaties is de burgemeester dus niet afhankelijk van toekenning van de bevoegdheid tot het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden via een aparte gemeentelijke verordening, zoals nu is voorgeschreven in artikel 151b van de Gemeentewet. Omdat het toepassingsbereik van preventief fouilleren in het kader van het noodrecht (ernstige wanordelijkheden, oproerige beweging) verschilt van dat van incidentele fouillering (dreigende sfeer, eenmalig wapenincident) en omdat de “noodrecht-fouillering” kan gelden zolang de noodverordening geldt (en dus ook langer dan twaalf uur) wordt dit apart verankerd in de Gemeentewet. Aan de aanwijzing van een veiligheidsrisicogebied in de noodverordening dient overleg met de officier van justitie vooraf te gaan. Gedurende de looptijd van de noodverordening kunnen dan, op basis van een daartoe gegeven bevel van de officier van justitie (of zo nodig de hulpofficier van justitie), één of meer fouilleeracties plaatsvinden.
1.2. Uitbreiding andere fouilleerbevoegdheden
Het wetsvoorstel bevat tevens twee voorstellen ter verruiming van de fouilleermogelijkheden voor de politie voor situaties in de dagelijkse politiepraktijk. Daartoe worden wijzigingen aangebracht in artikel 7 van de Politiewet 201x.
Allereerst wordt deze bepaling aangevuld met een standaardbevoegdheid tot fouillering van degene die door de politie wordt vervoerd naar het politiebureau. Meestal gaat het dan om een verdachte, maar voorgesteld wordt om de bepaling te laten gelden jegens elke persoon die door de politie wordt vervoerd, dus ook jegens personen die in de het kader van de hulpverleningstaak naar het politiebureau worden overgebracht, zoals personen die onder invloed zijn.5 Eenvoudigheidshalve wordt deze nieuwe bevoegdheid ook wel aangeduid als “aanhoudingsfouillering”. Deze bevoegdheid maakt fouillering ook mogelijk als er geen concrete dreiging is. In de huidige situatie mogen te vervoeren personen alleen worden gefouilleerd “indien uit feiten en omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek noodzakelijk is ter afwending van gevaar.”6 De praktijk leert dat deze lat soms te hoog ligt en de politieambtenaar in een aantal gevallen niet mag fouilleren terwijl dit achteraf gezien wel noodzakelijk bleek te zijn geweest. Het komt voor dat een persoon bij de insluiting in de politiecel bij de fouillering aan de kleding een vuurwapen bij zich bleek te hebben. Omdat niet werd voldaan aan het genoemde gevaarzettingscriterium “indien uit feiten en omstandigheden …” was voldaan, mocht de politieambtenaar op straat de betrokken persoon niet fouilleren. Ondertussen is deze persoon wel vervoerd naar het politiebureau met al die tijd een vuurwapen op zak. Deze bestaande situatie is vanzelfsprekend uiterst risicovol en noopt tot aanpassing. Het wetsvoorstel voorziet hierin.
In de tweede plaats wordt geregeld dat degene die op het politiebureau in een politiecel wordt ingesloten in bepaalde gevallen ook onderzocht mag worden aan of in het lichaam. De praktijk heeft behoefte aan deze verruiming in de vorm van een “insluitingsfouillering”, omdat er thans, ondanks de al bestaande mogelijkheid om deze personen te fouilleren aan de kleding7, regelmatig gevaarlijke voorwerpen worden aangetroffen in politiecellen die op andere wijze zijn meegesmokkeld, zoals bijvoorbeeld drugs, lucifers en dergelijke. De orde en veiligheid in het politiebureau of politiecellencomplex of de gezondheid van de ingeslotene kan dan in het geding zijn. Om die reden wordt artikel 7 van de Politiewet 201x aangevuld met de mogelijkheid om bij de insluiting in de politiecel ook een onderzoek aan of in het lichaam te gelasten. De bevoegdheid daartoe berust bij het hoofd van het territoriaal onderdeel van de politie danwel zijn plaatsvervanger. Voor zover het een insluitingsfouillering betreft aan het lichaam kan deze bevoegdheid tevens worden uitgeoefend c.q. gelast door het hoofd van de arrestantenzorg.
Bij de voorbereidingen van het wetsvoorstel is ten slotte gebleken dat de politiepraktijk behoefte heeft aan verruiming van de mogelijkheid om overtredingen van de Wet wapens en munitie op straat te kunnen afdoen (feitgecodeerde afdoening). Momenteel ontbreekt die mogelijkheid onder meer bij het aantreffen, bijvoorbeeld tijdens een preventieve fouilleeractie, van pepperspray of een boksbeugel of een ploertendoder. Degene bij wie een dergelijk wapen wordt aangetroffen, moet nu mee naar het politiebureau, waardoor twee agenten worden onttrokken aan de fouilleeractie. Dat vinden wij ongewenst. In de gewenste verruiming kan ten dele worden voorzien zonder wijziging van regelgeving, namelijk door het aanmaken van een of meer tijdelijke feitcodes door het Openbaar Ministerie, gevolgd door toevoeging daarvan aan de zogeheten Tekstenbundel van het OM. Om echter volledig te voorzien in de gewenste verruiming is een wijziging nodig van het Besluit OM-afdoening, een algemene maatregel van bestuur. Die wijziging zal naar verwachting begin 2012 in werking treden. Beide verruimingen van de feitgecodeerde afdoening vallen dus buiten de kaders van dit wetsvoorstel.
1.3. Vergroting van de veiligheid en slagkracht van de professional
De genoemde vijf voorstellen – maar ook de zojuist genoemde verruiming van de feitgecodeerde afdoening - vormen een substantiële bijdrage aan het veiliger worden op straat, in de wijken en in de openbare ruimte en veiligere arbeidsomstandigheden van het politiepersoneel. De aanpassingen dragen ook bij aan een meer directe en effectieve aanpak van overlast, criminaliteit en agressie, waarbij immers ook veelal wapens in het geding zijn. De uitbreidingen bieden ruimte aan de slagkracht van de professionals in de veiligheidsketen, waaronder de politie. Daarmee sluiten de voorstellen naadloos aan bij de voornemens van het kabinet, zoals verankerd in het regeerakkoord en de twopager “Nederland veiliger” van januari 2011.

De in het wetsvoorstel voorgestelde verruimingen van fouilleerbevoegdheden worden door de betrokken veiligheidspartners in de praktijk als wenselijk en noodzakelijk ervaren. Dit is onder meer naar voren gekomen in de verschillende bezoeken die in het veld zijn afgelegd aan (ambtelijke vertegenwoordigers) van lokale driehoeken. Er is daarbij gesproken met vertegenwoordigers van bestuur, OM en politie van de driehoeken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Enschede en Almelo. Een aantal van deze gesprekspartners behoorden tevens tot “ambtelijke voorportalen” naar de driehoek. Zo behoorden tot de gesprekspartners bijvoorbeeld ook de voorzitter en enkele leden van de Rotterdamse toetsgroep preventief fouilleren respectievelijk vertegenwoordigers van de Amsterdamse subdriehoek wapens. Daarbij is geïnventariseerd hoe het middel preventief fouilleren op lokaal niveau wordt toegepast en welke problematiek, knelpunten en behoeften rondom de bestaande vormen van preventief fouilleren en andere situaties waarbij fouillering aan de orde is of zou moeten zijn, zoals bij aanhouding en insluiting.


2. Bestaand kader preventief fouilleren en verhouding tot andere bestaande fouilleerbevoegdheden
2.1. Preventief fouilleren
2.1.1. Historisch perspectief
De huidige procedure voor het preventief fouilleren op wapens is in 2002 verankerd in artikel 151b van de Gemeentewet en in de Wet wapens en munitie, naar aanleiding van een initiatiefvoorstel van het lid Van de Camp.8 Diens oorspronkelijke initiatiefvoorstel (zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State) was eenvoudiger dan de uiteindelijke (huidige) regeling. De huidige regeling gaat uit van een rol voor gemeenteraad, burgemeester en de officier van justitie. Het betreft een strafrechtelijke (fouillerings)bevoegdheid binnen een bestuur(srechte)lijk kader.

Het initiatiefvoorstel ging aanvankelijk uit van een geheel eigenstandige bevoegdheid van de burgemeester. In het voorstel was de burgemeester bevoegd bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied. Deze gebiedsaanwijzing was, aldus het voorstel, voor een bepaalde duur die niet langer is dan strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde. In het aangewezen gebied zijn opsporingsambtenaren bevoegd om te allen tijde personen te fouilleren en bagage en vervoermiddelen te onderzoeken, op de aanwezigheid van wapens. Voorafgaand overleg met de driehoek is niet verplicht gesteld in het voorstel. In het initiatiefvoorstel was dus gekozen voor een louter bestuurlijke bevoegdheid, bedoeld voor de openbare-ordehandhaving en zonder rol voor gemeenteraad en de officier van justitie. Uit de toelichting bij het initiatiefvoorstel blijkt dat Van de Camp voor ogen stond een regeling te treffen voor de aanpak van “zinloos geweld”, wapengebruik in het uitgaansleven en rond evenementen. De aanwijzing van het veiligheidsrisicogebied kon volgens Van de Camp betrekking hebben op meerdere dagen, bijvoorbeeld een meerdaags sportevenement, of voor een bepaalde avond, bijvoorbeeld een uitgaansavond. De geldigheidsduur mocht niet langer zijn dan nodig om het gevaar af te wenden en diende een zo specifiek mogelijke datum en tijd te bevatten, vanwege de eis van redelijkheid en proportionaliteit.9 Met het initiatiefvoorstel werd een gebieds- en incidentgerichte openbare-ordebevoegdheid voor de burgemeester gecreëerd die kon worden ingezet in wapengerelateerde situaties.


Tijdens de parlementaire behandeling van het initiatiefvoorstel kwam de regering met een eigen wetsvoorstel. Gaandeweg de parlementaire behandeling zijn deze twee voorstellen in elkaar overgevloeid. Aan het initiatiefvoorstel werden een aantal elementen uit het regeringsvoorstel toegevoegd, zoals de rol voor de gemeenteraad, het verplichte driehoeksoverleg en het aparte bevel van de officier van justitie. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het huidige artikel 151b van de Gemeentewet en de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie.
2.1.2. Huidige procedure
In de huidige procedure hebben zowel de gemeenteraad als de burgemeester en de officier van justitie een rol. Artikel 151b van de Gemeentewet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad bij verordening de burgemeester de bevoegdheid geeft ter handhaving van de openbare orde een veiligheidsrisicogebied aan te wijzen waarin vervolgens kan worden gefouilleerd op wapens. De burgemeester kan tot een dergelijke aanwijzing overgaan bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Voorafgaand aan de aanwijzing van een gebied als veiligheidsrisicogebied dient er een driehoeksoverleg plaats te vinden.

Als een gebied aangewezen is als veiligheidsrisicogebied, dan kan de officier van justitie een concreet en separaat bevel geven tot het houden van een fouilleeractie in het aangewezen gebied met een maximum van 12 uren. Tijdens een preventief fouilleeractie zijn de artikelen 50, derde lid, 51, derde lid, en 52, derde lid, van de Wet wapens en munitie van toepassing. Door de toepassing van deze artikelen kunnen preventief vervoermiddelen en kleding worden doorzocht en kan worden gevorderd dat verpakkingen die men bij zich draagt worden geopend.


De achtergrond van de bevoegdheid om in een gebied preventief te fouilleren is gelegen in de openbare-ordehandhaving. Een gebied waar sprake is van een verhoogd aantal wapengerelateerde incidenten wettigt de vrees dat sprake is van (verdere) verstoring van de openbare orde. Preventief fouilleren is een controlemiddel en wordt “zonder aanzien des persoons” ingezet. Een ieder die zich in het veiligheidsrisicogebied bevindt kan worden gefouilleerd. Van een verdenking is derhalve geen sprake.

De huidige regeling gaat uit van een verantwoordelijkheid bij zowel het bestuur (burgemeester, gebiedsaanwijzing, openbare orde) als het OM (officier van justitie, bevel voor concrete fouilleeractie). Deze verdeling van rollen en de balans tussen het bestuurlijke c.q. bestuursrechtelijke en het strafrechtelijke spoor heeft zijn waarde bewezen. Bij de verruimingsvoorstellen in het kader van preventief fouilleren (zie het voorgestelde artikel 174b van de Gemeentewet en de voorgestelde wijziging van artikel 176 van de Gemeentewet) is die intact gebleven.


2.2. Verhouding tot andere bestaande fouilleerbevoegdheden
2.2.1 Algemeen
Dit wetsvoorstel bevat een vijftal verruimingen. Drie daarvan liggen op het terrein van het preventief fouilleren (zie verder de paragrafen 4.1 t/m 4.3). De andere twee impliceren een verruiming van fouilleerbevoegdheden door de politie in het kader van aanhouding en insluiting (paragrafen 4.4 en 4.5).

Het ‘preventief fouilleren’ heeft, zoals aangegeven in paragraaf 2.1, een openbare-ordedoel. Er wordt preventief gefouilleerd omdat er in het recente verleden in het veiligheidsrisicogebied strafbare feiten zijn geconstateerd waarbij wapens gebruikt zijn, gecombineerd met een vrees voor herhaling. Het verhoogde risico op hernieuwde wapengerelateerde incidenten rechtvaardigt de vrees dat sprake is van verstoring van de openbare orde. Het preventief fouilleren is dus een controlemiddel, in het belang van de handhaving van de openbare orde. Deze vorm van fouilleren staat geheel los van een concreet strafbaar feit: jegens de te fouilleren personen bestaat geen aanwijzing of vermoeden van een strafbaar feit, laat staan een concrete verdenking. Dat vertrekpunt geldt ook voor de verruimingen zoals voorgesteld met de artikelen 174b en 176 van de Gemeentewet en de daaraan gekoppelde wijzigingen in de Wet wapens en munitie (WWM). Uiteraard kan in het kader van een preventief fouilleeractie op verboden wapens worden gestuit. In dat geval is sprake van een overtreding van de WWM en volgt een strafrechtelijk traject (aanhouding, vervolging, eventueel transactie, vonnis).



De verruimingen in de bestaande regeling ter zake van de veiligheidsfouillering hebben betrekking op artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993 (= artikel 7, derde lid, van de Politiewet 201x). Deze vorm van fouillering beoogt de mogelijke aanwezigheid vast te stellen van wapens of andere voorwerpen ten einde deze voorwerpen veilig te stellen. Het onderzoek geschiedt door het oppervlakkig aftasten van de kleding. De veiligheidsfouillering is geen zelfstandige bevoegdheid. Er moet cumulatief sprake zijn van een wettelijk toegekende bevoegdheid (= een bijzonder dwangmiddel of een controlebevoegdheid), handelingen ter uitvoering van de politietaak (= de politietaak zoals omschreven in artikel 3 van de Politiewet 201x), feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt en een noodzakelijkheid van de fouillering ter afwending van dit gevaar. Voor zover het gaat om aanhoudingssituaties wordt dus in dit wetsvoorstel een verruimde vorm van veiligheidsfouillering geïntroduceerd, namelijk de aanhoudingsfouillering. De insluitingsfouillering betreft de fouillering die voorafgaat aan het insluiten van arrestanten of gedetineerden. Voor insluiting in een politiecel is deze bevoegdheid gebaseerd op artikel 28 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren; voor insluiting in een penitentiaire inrichting op de artikelen 29 en 31 van de Penitentiaire Beginselenwet. De insluitingsfouillering dient ertoe de veiligheid van betrokkene en anderen te beschermen en betreft voor gedetineerden ook het zoeken in het lichaam.
2.2.2. Andere vormen van fouilleren
Van een geheel andere orde zijn de onderstaande drie fouilleerbevoegdheden. Deze zijn gerelateerd aan opsporing.
2.2.2 a. Terrorismefouilleren
Deze vorm van fouilleren is verankerd in de artikelen 126za tot en met 126zs van het Wetboek van Strafvordering. Volgens deze bepalingen is de opsporingsambtenaar, in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf, bij bevel daartoe van de officier van justitie, bevoegd in het belang van het onderzoek:

  • voorwerpen te onderzoeken;

  • vervoermiddelen te onderzoeken;

  • personen aan de kleding te onderzoeken.

In het bevel wordt het gebied aangegeven waarbinnen de bevoegdheid kan worden toepast. Het bevel geldt voor ten hoogste twaalf uur, en kan telkens met ten hoogste twaalf uur worden verlengd. Het terrorismefouilleren wordt “geactiveerd” als sprake is van “aanwijzingen” van een terroristisch misdrijf, hetgeen betekent dat de beschikbare informatie feiten en omstandigheden bevat die erop duiden dat daadwerkelijk een terroristisch misdrijf zou zijn of zal worden gepleegd. In bij amvb aangewezen veiligheidsrisicogebieden kan deze bevoegdheid worden uitgeoefend zonder voorafgaand bevel van de officier van justitie (dus onbeperkt in tijd). De volgende gebieden zijn aangewezen: het Binnenhof, de centrale stations in de vier grote steden, de Nederlandse luchthavens, de kerncentrale te Borssele en het Mediapark te Hilversum.
2.2.2.b. Doorzoeken reisbagage en vervoermiddelen/personen aan de kleding fouilleren
Op basis van de Wet wapens en munitie (eerste en tweede lid van de artikelen 50, 51 en 52) kan de politieambtenaar in bepaalde gevallen reisbagage en vervoermiddelen doorzoeken en personen aan de kleding fouilleren. Dit kan na een gepleegd strafbaar feit met wapens of bij aanwijzingen van een te plegen strafbaar feit met wapens. De bevoegdheid kan worden toegepast ten aanzien van degenen jegens wie redelijkerwijs aanleiding bestaat of, indien de officier van justitie daartoe beveelt, ten aanzien van een ieder (c.q. elk voertuig etc.). Volledigheidshalve: voor zover het gaat om individuen die zich bevinden op de Luchthaven Schiphol of een andere Nederlandse luchthaven zijn de opsporingsambtenaren bevoegd om te allen tijde een dergelijk persoon aan zijn kleding, reisbagage of vervoermiddel te onderzoeken, dus ook zonder verdenking of aanwijzing. 10
2.2.2.c. Opsporingsfouillering
De “opsporingsfouillering” is verankerd in artikel 56 van het Wetboek van Strafvordering en betreft de bevoegdheid een verdachte tegen wie 'ernstige bezwaren' bestaan (dat wil zeggen een verdachte die het strafbare feit zeer waarschijnlijk heeft begaan) aan lichaam of kleding te (doen) onderzoeken als dat in het belang is van het opsporingsonderzoek, dus het onderzoek naar het strafbare feit waarvan de betrokkene wordt verdacht. Deze fouillering van aangehouden verdachten biedt geen handvat voor fouillering met het oog op de veiligheid van opsporingsambtenaren en anderen. Dat is de veiligheidsfouillering.

3. Ervaringen met preventief fouilleren
Sinds de invoering heeft het instrument preventief fouilleren een ontwikkeling doorgemaakt, is het instrument wetenschappelijk onderzocht en hebben een aantal steden de werking van het instrument geëvalueerd. Hieronder volgen enkele bevindingen uit deze onderzoeken en evaluaties.
3.1. Ontwikkelingen
Uit nog lopend onderzoek11 is naar voren gekomen dat sinds 2005 een ontwikkeling gaande is in actiemethoden. Preventief fouilleeracties zijn van grootschalige, statische acties veranderd in veelal kleinschalige en dynamische acties. Daarnaast zijn er verschillende actiemethoden ontwikkeld, zoals een gebiedsafsluiting of -insluiting, een mini-insluiting, gebiedssurveillance, statische en dynamische voertuigcontrole, passantencontrole, horecacontrole en openbaarvervoercontrole. Ook de frequentie van het aantal acties is afgenomen vanwege geringe beschikbare politiecapaciteit, ‘zwaarte’ van het instrument, politieke voorkeuren en mogelijk imago-effecten.
3.2. Maatschappelijk draagvlak
Uit evaluaties van onder meer de gemeenten Amsterdam12 en Rotterdam13 is naar voren gekomen dat er in de loop der jaren maatschappelijk draagvlak is ontstaan voor preventief fouilleren. Het ontstaan van dit draagvlak voor preventief fouilleren komt onder andere door de goede bejegening door de politie. De politie zorgt ervoor dat burgers zich geen verdachte voelen, dat het oponthoud van burgers zoveel mogelijk wordt beperkt, dat personen die worden gefouilleerd een duidelijke uitleg vooraf krijgen en dat mensen accepteren dat ze worden gefouilleerd doordat de politie rustig en netjes fouilleert op locaties waar relatief veel wapenincidenten plaatsvinden. Daarnaast wordt de zichtbare aanwezigheid van de politie op straat gewaardeerd.

  1   2   3   4   5


De database wordt beschermd door het auteursrecht ©opleid.info 2017
stuur bericht

    Hoofdpagina